Posts tonen met het label overheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overheid. Alle posts tonen

dinsdag 1 juli 2014

OverheidsICT, een klucht in (te)veel bedrijven

Als er niet zulke onvoorstelbaar astronomische bedragen mee gemoeid zouden zijn en mensen die serieus menen goed werk te verzetten, zou het als een klucht moeten worden opgevat: overheidsICT.

Een klucht laat zich het eenvoudigst karakteriseren als een opeenvolging van misverstanden. Je moet er van houden, maar je kunt dan eindigen met in kasten verborgen geliefden van echtgenotes en echtgenoten die denken dat dat de loodgieter is.

Misverstanden, maar dan van een andere orde, spelen in de wereld van ICT een belangrijke rol. In feite begint dat bijna altijd bij de uitgangspunten en de bijbehorende beelden van de doelen.

De eerste vraag die dan gesteld moet worden, is waarom je aan de slag gaat. Wat wil je bereiken? Voor wíe doe je het? Vanzelfsprekende vragen. Maar worden ze gesteld (en beantwoord)?

Al die jaren dat ik betrokken ben geweest bij overheidsICT bleek die vraag - voor wie - de niet of halfslachtig gestelde. In al die gevallen was het doel zo algemeen dat feitelijk architectuur- en ontwerpbeslissingen leidend waren. Let wel, dat zijn geen inhoudelijk verantwoordelijken en evenmin opdrachtgevers. Hun belang is een heel ander!

De ellende is dat de opdrachtgevers enorme verwachtingen ventileren. Zonder overdrijving; de basishouding is dat ICT dé problemen oplost. Het gevolg is dat alles aan alles moet kunnen worden geknoopt en de systemen onoverzichtelijk en complex worden.

Het is de identieke valkuil als die waarin al diegenen stappen die denken dat het internet op alle vragen een antwoord heeft. Het heeft níets met techniek van doen, maar wel met logica en realiteitszin. Het is denken dat er één weg is tussen vraag en antwoord, één oplossing voor een probleem. Dat is er niet.

Dát is het probleem. Bladen als iBestuur, Binnenlands Bestuur en clubs als ICTU en KING; ze geven aan dat de overheid op de verkeerde weg zit. Natuurlijk, er zijn standaarden nodig om één taal te krijgen met dezelfde inhoud bij dezelfde begrippen. Anders wordt de klucht ook nog eens een Babylonische.

Wat echter gebeurde, is dat die taal bepálend werd en, in zijn kielzog, de illusie volgde dat er ook generieke software nodig en mogelijk is. Software bepaalt te volgen procedures, waardoor feitelijk eenzelfde manier van werken wordt afgedwongen.

Een mogelijke reactie uit dat enorme bastion van belanghebbenden bij overheidsICT is dat alles toch modulair is opgebouwd, dat flexibiliteit uitgangspunt is. Laat ik zeggen dat zij dan in een parallel universum verkeren. Software ís niet flexibel. Modulair betekent níet lokaal aangepaste modules.

Feitelijk zie je dan ook een verháál over klantvriendelijkheid - bedoeld wordt: gemeentelijk voordeel voorop - en flexibiliteit en eigen beleidsinvulling. Dat verhaal spoort niet met wat ontstaat binnen ICTU en KING. Daar ontstaat een situatie van verminderende autonomie.

Verhaal - beleid en rapportages - wijkt daarmee af van realiteit. Dát zorgt voor afwijkingen: in verwachtingen en in financiën "maar dát wilden we zo niet hebben". En dus staat deze klucht al járen in het theater.

De oplossing? De erkenning dat er specifieke oplossingen nodig zijn. Specifiek voor bepaalde taken. Specifiek voor bepaalde doelgroepen. Specifiek voor bepaalde contexten/overheden (gemeenten!).

Dat wíl je wellicht in één systeem, maar het kán niet: meerdere meesters dienen kan zelfs een softwaresysteem niet.

woensdag 16 april 2014

Een unieke eenheid gezocht

Het is nog steeds één van de beste indicatoren voor een principieel andere houding: de hoeveelheid definities voor één fenomeen.

In de tijd dat ik actief onderzoek deed, was dat vooral naar langdurige werkloosheid (en armoede). Daar valt veel over te zeggen. De wrangste opmerking is dat er in de voorbije bijna dertig jaar niets is veranderd. Echt. Nog steeds wordt de oplossing op de verkeerde plek gezocht. De mensen die geen banen overeind konden houden, zouden nu dan plots dat wel kunnen? Het is en blijft een ideeënarmoede en vooral gebrek aan lef.

Eén van de bijzondere aspecten aan die situatie is dat er níet vanuit één subject, één persoon, één klant, één vraag wordt geredeneerd. Dat is nog steeds zo. Vooral 'de overheid' is er sterk in. Ondanks al die himmelhoch jauchzend taalgebruik, voornemens en aanspraak op het gedachtengoed van de 'klant centraal' of 'vraaggestuurd'.

Waarom dat zo is?

De belangrijkste reden is dat men het diep in het hart helemaal niet wíl. Vraaggestuurd en klant centraal worden vaak gezien als synoniem met afstaan van macht. Is die gedachte eenmaal uit z'n doos ontsnapt, dan wordt het lastig hem in toom te houden. Mácht afstaan; wie wil dat nou? Dan is met de mond belijden een stuk eenvoudiger. Dat gebeurt dan ook.

De wellicht beste indicatie voor de manier waarop wordt gedacht over degene voor wie wordt gewerkt, is de definitie ervan. Niet eens de inhoud, maar het áántal. Zo waren er rond de jaren 1989 meerdere definities van 'werkloos', van 'arbeid' en van 'inkomen'. Dat is nog steeds zo.

Dat naakte feit getuigt van een aanpak die uitsluitend in het belang van de aanbieder is. In dit geval is dat een dienstverlener.Een?! Niks daarvan. Het zijn er meerdere, met hun eigen belangen.

Dan wordt het ineens een ander perspectief. Dat perspectief verraadt de overheidspositie die helemaal níet klantvriendelijk is.

Jij en ik ervaren onszelf als één en ondeelbaar, zowel fysiek als in ons handelen. Maar de definitievraag maakt duidelijk dat 'de overheid' dat niet zo ziet.

Ik ben vrijwilliger (vanaf m'n zestiende overigens). Maar de manier waarop de Belastingdienst dat definieert, zoals de wetenschap dat definieert, zoals het UWV dat definieert, zoals de gemeente dat definieert, spoort niet met elkaar. De belastingdienst definieert in termen van inkomen, terwijl een UWV dat doet in termen van arbeid. Die (kunnen) conflicteren. Wat je daar dan ziet gebeuren, is dat ondernemingsbelang prevaleert boven vraag of individu. Omdat 'de overheid' niet bestaat, maar is opgebouwd uit relatief onafhankelijke delen, leidt dat tot conflict. Waar sommigen meer vrijwillige inzet bepleiten, dwarsboomt de ander dat.

Over dat thema van aanbod- versus aanbodgericht denken en werken is meer bekend. De Kafkabrigade is er al een poos mee bezig. Jammer genoeg valt er een verschuiving te constateren in de negen jaar dat de Kafkabrigade bestaat. In 2005 gaat het vooral nog om de idioterie in overheidsland die de naam Kafkabrigade rechtvaardigt. In 2014 is die positie een stuk minder duidelijk, terwijl de idioterie geen spat minder lijkt te zijn geworden.

De conclusie is voor de hand liggend: er ís geen sprake van een klant centraal stellende overheid (en die zal er ook niet komen). Het maximaal haalbare is een zekere klantvriendelijkheid. Dat is echter echt iets anders.

Die hele discussie heeft ons nu al meer dan vijftien jaar als een rookgordijn afgeleid van waar het werkelijk om gaat: een gevecht tussen belangen. Met de digitalisering komt ook de ontmaskering dichterbij, omdat niet alles koppelbaar zal blijken te zijn.

Pas als we één unieke eenheid hanteren, kan dat lukken. En die unieke eenheid? Dat zijn bijvoorbeeld jij en ik.

maandag 7 april 2014

Ken je recht

Het was een advocaat die het me duidelijk maakte: ook een werkgever is gebonden. Sommige werkgevers hebben een 'wat vertekend beeld van hun positie'. Zij vergeten nogal eens hun verantwoordelijkheid. Feitelijk zijn ze slecht of dom, een ex-collega parafraserend.

De advocaat vertelde me dat werkgevers nogal eens de neiging hebben eenzijdig eenzijdig naar een arbeidsrelatie te kijken. Blijkbaar wordt nogal eens vergeten dat zij een zorgplicht hebben. Zij hebben voor werk te zorgen, daarvoor zijn zij de werk-géver. Dat populaire 'iedereen haalt hier z'n eigen werk binnen' klopt van geen kanten. Da's leuke oneliner, maar ontslaat de werkgever niet van zijn zorgplicht als het de werk-némer niet lukt. In mijn woorden: "Doe het dan zelf maar eens voor. Laat maar zien dat het kán".

Zorgplicht, een begrip waarmee wederkerigheid wordt bevestigd.

Het woord wordt echter steeds vaker exclusief gekoppeld aan zorg in de betekenis van vérzorgen. Of dat bewust is, durf ik niet zo te stellen. Het komt wel goed uit. De zorgplicht, die ertoe leidt dat ouders voor hun kinderen moeten zorgen en later de kinderen voor de ouders. De huurder heeft een zorgplicht ("zoals een goed huisvader betaamt") voor het gehuurde en moet dat onderhouden, verzorgen. In gebreke blijven, levert een zwakkere juridische positie op. Terwijl nergens vastomlijnd is geregistreerd wat goede zorg ís. Je ramen iedere maand wassen? Iedere week?

Voor de wederpartij is de zorgplicht vaak een argument om iets níet te doen. Het is vrij logisch dat de ouders de zorg dragen - en dus financieren - voor een kind tot het meerderjarig is. Toch krijgen wij voor twee 21plussers ieder jaar een draagkrachtberekening van de Informatiebeheergroep die uitrekende hoeveel wíj kunnen meebetalen aan de studie. De leverancier van kozijnen - erkend beroerde - onttrok zich aan een collectieve claim door te stellen dat de kozijnen niet goed waren onderhouden. Inderdaad, te weinig gewassen en geschilderd, volgens hem.

Maar de zorgplicht gaat veel verder dan het, in de ogen van 'eigenverantwoordelijkheiddenkers', pamperende eenrichtings verzorgen.

Natuurlijk probeer je te doen wat de werkgever wil. Natuurlijk geef je aan wat jouw twijfels zijn. En.. natúúrlijk spreek je je werkgever aan op zíjn zorgplicht om jou van werk te voorzien. Oeps.

Het lijkt de héle 'werkgeverskant' te zijn die last heeft van die verwrongen interpretatie. Dat zóu je kunnen verklaren uit het bewaken van eigenbelang. Je mág het echter zo niet verklaren noch accepteren omdat de machtsbalans ongelijk is. Bedrijfsartsen en reïntegratiebedrijven zijn het afgelopen jaar geregeld in het nieuws gekomen vanwege een 'cowboy-mentaliteit'.

In al die gevallen komt dat veronachtzamen van de zorgplicht terug.

Zeker bij reïntegratiebedrijven zullen ook gemeenten die hen inhuren, zich moeten realiseren dat ook zíj vanaf dat moment kunnen worden aangesproken. Dat ook de gemeente voor de rechter kan verschijnen om te verdedigen hoe die zorgplicht gestalte is gegeven. Dat vooral veel druk uitoefenen, bijstandsgerechtigden in onmogelijke situaties plaatsen, het niet-vinden van werk een persoonlijk probleem maken, heel eenvoudig kan leiden tot het verwijt voor de rechter dat de zorgplicht is verzaakt.

Want het is de gemeente die het instrument reïntegratiebedrijf inschakelt. Het is de gemeente die aansprakelijk is voor de kwaliteit van die dienst (en die later zelf kan proberen mogelijke schade op hen te verhalen).

Gôh, wanneer beginnen de rechtszaken?

(Misschien een idee: EenVandaag (Avro/Tros) zendt tijdens dit tikwerk een reportage uit over de werkwijzen van Work Fast. De zoveelste...)

zondag 6 april 2014

De laffe werkgever

In bepaalde kringen is het heel gewoon - bijna per definitie - waarderend te spreken over werkgevers. Dat zouden degenen zijn waarop de economie drijft. Onze redders in nood.

Da's uiteraard quatsch. Onze redders zijn de ondernemers, en dan in het bijzonder de kleintjes, de nieuwkomers. De grote werkgevers maken helemaal niets klaar, want als zij dat wel hadden gekund, was dat gebeurd. Of spelen andere afwegingen en belangen een rol?

Ik denk dat het karakter van ondernemen bij hen principieel is veranderd. Ondernemen is meer dan ooit (extreem) winstmaken geworden. De klein-ondernemer maakte uiteraard ook winst, maar wel in dien mate dat-i ervan kon léven. Met de ontdekking dat een beurs ook kan worden gebruikt om geld te verdienen, zijn de sluizen open gegaan. Veel meer mensen dan de ondernemer werden afhankelijk van de beursgenoteerd onderneming. Winst werd het doel. Het product niet eens het middel, maar de dekmantel.

Grote werkgevers tonen dat nog het duidelijkst. Enorm populair is de redenering dat er personeel moet afvloeien omdat de markt eist dat men flexibel is. Jij en ik kennen daarom voorbeelden van bedrijven die eigen personeel ontslaan om hen daarna als zelfstandige in te huren. Da's flexibiliteit: loyaliteit en solidariteit van één kant, en niet die van de werkgever.

We zouden het beestje bij de naam moeten noemen: iedere werkgever die zo opereert, is een lafaard die zijn verantwoordelijkheid ontloopt.

Voor iemand die zo redeneert, telt alleen het geld. Dat binnen harken kun je groter maken door de kosten zoveel mogelijk af te wentelen, op anderen, op de maatschappij. Dát is wat flexibilisering in essentie doet: de werkgever wil naar willekeur kunnen beschikken over 'arbeid' en maakt zich niet druk over de gevolgen. Inderdaad, de vergelijking met de vervuilende industrie dringt zich onweerstaanbaar op. Ook daar telden alleen de inkomsten; de gevolgen waren voor de samenleving. Die mochten Griftparken en honderden lokale vervuilingen laten opruimen. En dat is nog maar alleen Nederland.

Ieder bedrijf dat flexibiliseert, toont z'n ware aard. Of het nu wel of niet op hun website staat; maatschappelijk verantwoord ondernemen is het niet. Evenmin maakt uit of het een produktiebedrijf is of een dienstverlener in de semi-publieke sector.

Flexibiliseren is afschuiven.

Van 'het bedrijfsleven' moeten we dan ook niets verwachten als het gaat om mogelijke opleving van de economie. Dat is de biotoop geworden waarin de winstdenkers, de beursdenkers gedijen.

Daarop bestaat een uitzondering: het kleinbedrijf. Wellicht is het een geromantiseerd beeld - want het is en blijft vooral hard wérken - maar in die kleine bedrijven gaat niet om zoveel mogelijk winst ten koste van alles. In veel gevallen gaat het nog om de klant en/of het realiseren van een droom. Daar bestaat een principieel andere drijfveer.

De toekomst zal uitwijzen of het zo gaat: mijn voorspelling is dat de verdiepende en verbredende kloof tussen have's en have not's zich ook laat zien in ondernemingenland. Daar blijft een klein aantal waanzinnig rijke bedrijven overeind en een enorm aantal kleintjes.

Die groten zullen onaantastbaar blijken, en álle belangen overstijgend. Geen enkele autoriteit zal hen kunnen corrigeren. Je tijd daaraan besteden, is verloren energie. In die parallelle wereld, die leeuwenkuil, maken de jongens en meisjes elkaar wel af.

Grote vraag is wanneer wij ons van hén afwenden en met onze overheden richten op de menselijke maat, de sociale ondernemingen, de kleintjes waar jij en ik nog betekenis hebben. Wanneer richten we ons op bedrijven die in het sociale weefsel passen en die níet hun verwantwoordelijkheid ontlopen?

maandag 24 februari 2014

Wegcijferen als methode

Zeker ook bij mijn laatste werkgever kwamen ze voor; van die cursussen Adviesvaardigheden. Ik heb er altijd een afkeer van gehad, omdat onder de prachtigste titels iedere keer weer dat ene doel terug kwam: hoe verkóóp ik de ander iets. Adviesvaardigheden? Dan heeft zo'n verkoper bij een van de dozenschuivende ketens die vast ook.

Het wrange is dat de cursussen vaak de nadruk leggen op 'de klant'. Die moet centraal staan. Daar moet je naar luisteren. Diens problemen moet je oplossen. Je zou haast denken dat iedereen die die cursussen heeft gevolg en ieder bedrijf dat ze afneemt, mensen en bedrijven zijn die het beste met je voorhebben, altruïstische meedenkers.

Niets is minder waar.

De klant wordt in het pak genaaid waar-i bij staat. De klant centraal stellen? Ja, om hem een probleem aan te praten of een probleem groter en zwaarder te maken dan nodig. Wat je leert, is jezelf echter niet te zichtbaar te maken als verkoper. Ik kan dat slecht, omdat ik het nog steeds een bepaalde vorm van oplichting, van manipulatie vind. Maar ja, duizenden adviseurs en consultants verdienen een enorme zakcent met dat 'adviseren'.

Wat ik zo mis in die trainingen en bij die adviseurs, is de vaardigheid jezelf weg te cijferen. Niet jezelf onzichtbaar maken, maar jezelf dienstbaar maken.

Dat klinkt als een open deur. Want dat dóen ze toch allemaal? Nee, dat doen ze niet, want ze moeten geld opbrengen. Wegcijferen leidt in een (fors?) aantal gevallen tot het advies eens bij een concurrent raad of hulp te zoeken. Gewoon, omdat díe op een bepaald punt gewoon beter is. En dá's in het belang van de klant. Bijna nooit in het belang van de cliënt is een adviesorganisátie. Die is niet in staat zichzelf weg te cijferen.

Dat ik veel hoop heb gevestigd op de komst van netwerken van individuen verraadt dit blog wel. Niet dat daarmee de werelden als bij toverslag een vriendelijke, eerlijke wordt. Mensen zijn uiteindelijk de actoren. Wat me wel opvalt, is dat individuen dan andere referenties en morele waarden hanteren dan organisaties (waarin het morele kompas van de directeur of het management team de koers bepaalt).

Een half jaar geleden werd ik benaderd om een grote arbeidsmarktorganisatie te adviseren en begeleiden in het omgaan met social media. In het bijzonder in het omgaan met online bedreiging.

Mijn eerste contact met de directeur deed me denken dat ik wel een groot deel van de kennis heb, maar dat het raadzaam zou zijn een collega in te schakelen. Zo gezegd, zo gedaan. Samen hebben we de opzet verkend.

Uiteindelijk hebben we naar aanleiding daarvan de directeur geadviseerd ons helemaal níet in te huren. Zijn probleem, leek ons, een heel ander. Een probleem waarbij hij ook marginaal tot niet externe hulp nodig zou hebben. Op zijn vraag naar de vergoeding voor onze verbruikte tijd: "Geen natuurlijk".

Kijk, dát is wat ik bedoel. Sámen iets doen, maar ook durven en vooral kúnnen, mógen zeggen dat een andere oplossing een betere is. Als ik dit voorheen had gedaan, was het uitgelopen op een schrobbering. Een 'misgelopen lead'.

Kul.

Deze directeur zal ons onthouden als niet-geldwolven, niet uurtje-factuurje types. Sterker, wellicht zal-i ons in de toekomst toch nog eens benaderen. Niet, Marije?

donderdag 20 februari 2014

Waarin geld verdwijnt

Inmiddels weten we het: De Crisis is niet een crisis met een oorzaak als de vorige. Eerder heeft hij trekjes van de beurskrach van 1929.

De belangrijkste parallel is het kunstmatige. De krach was vooral een gevolg van het uiteen lopen van de realiteit van alledag en de kunstmatige realiteit van de beurskoers. Op het moment dat het elastiekje tussen die twee te strak kwam te staan, knapte het. En donderde de wereld de Grote Depressie is.

De crisis die wij nu meemaken, heeft ook alles met kunstmatigheid te maken. Een luchtkasteel, een reus op lemen voeten, een bouwwerk van speelkaarten is ingestort: ons financieel systeem. Dat blijkt steeds virtueler te zijn geworden.

Waar in de jaren twintig van de vorige eeuw de kassier nog achter een loket met mouwbeschermers en rubber 'duimpjes' bankbiljetten telde, verzorgt nu een (reken)machine de transacties. Die machine wordt gestuurd door regels, algoritmes, die niet alleen complex zijn, maar daardoor vooral ook ónvoorspelbaar in hun gezamenlijk effect.

Kunstmatig en virtueel. Da's ook precies de ontwikkeling die ons (spaar)geld doormaakt.

Het is een moment voor grote zorgen. Langzaam maar zeker verliest de reden waarom jij werkt, alle grond onder de voeten. Dat kun je zwartkijken noemen. Het wegvallen van de Gouden Standaard onder symbolische middelen als munten en papiergeld leidde immers ook niet tot ellende. Die vergelijking loopt echter mank. Die munten en dat papier kun je nog steeds onder de matras opslaan. Het was immers fysiek. Dat je er verstandiger aan deed waardevaste materialen onder je matras op te slaan, is een andere vraag.

Wij kúnnen al bijna niets meer opslaan. Contant geld wordt uitgebannen. Als jij nú je portemonnee openmaakt; zit daar dan meer, evenveel of minder in dan, pak 'm beet, vijf jaar geleden? Minder, weet ik zeker. Contant geld verdwijnt uit de geldcirculatie. Onder aanvoering van de banken wordt ons aangepraat dat virtueel geld veiliger is. De winkelier kan niet meer worden overvallen. Voor de consument is het o zo handig: altijd geld bij de hand.

Overigens zie ik tegelijkertijd ook een verwante beweging; die van groeiend wantrouwen waardoor er juist meer contant geld wordt opgenomen. Geld dat wordt 'gespaard'- onder de matras? - of dat wordt gebruikt uit (protest)reactie tegen de surveillancemogelijkheden van digitale transactiesystemen.

Mijn verwachting is echter dat 'gemak' en 'veiligheid' doorslaggevend zijn en waardesymbolen als munten en biljetten steeds meer uit het dagelijks leven zullen verdwijnen.

De eerste keer dat ik me dat realiseerde, is toen een kennis me vertelde dat hij steeds minder fooien kreeg "omdat mensen steeds meer gaan chippen". Indertijd heb ik dat vooral opgevat als een teken dat er minder inkomen was voor de 'fooi-afhankelijken'. Dat is overigens ook zo.

Een volgende moment was de uitspraak van m'n eega: "Ik kan voor m'n werk geen kleingeld wisselen. Vroeger kon ik in het dorp nog 2-euromunten krijgen bij de bank. Die is er niet meer en de automaat geeft niet eens meer de optie van 5-eurobiljetten."

Contant geld zou weleens z'n langste tijd kunnen hebben gehad. Of dat bewust beleid is, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Mij zou dat niet verbazen. Digitale transacties zijn immers mens-vrije kosten-efficiënte.

Een volledig gedigitaliseerd waarderuilsysteem heeft, net als andere waarderuilsystemen, nadelen. In dit geval zelfs enorme. Waar ooit de inbreker of andere rampspoed de waardepapieren onder de matras kon laten verdwijnen; waar ooit de bankkluis waar dat geld dan wél veilig was, kon worden gekraakt; daar komt nu de digitale versie, waar jouw geld plots niet meer jóuw geld kan zijn.

Het is geen angst voor bits of bytes. Die kunnen net als munten een waarde weergeven. Wéérgeven, niet zíjn of vertégenwoordigen. De virtualisatie is dan compleet. En met de digitalisering is ook de beruchte transparantie weer een stap verder. "Wij weten wat u doet met die waarde". Maar wie zijn 'wij'? En wie zegt me dat er niet tóch een onzalig plan wordt uitgevoerd om het, bekende!, spaargeld af te romen ter dekking van overheidstekorten?

Dan was die matras nog zo slecht niet. Maar wat leg je er onder???

donderdag 6 februari 2014

De creatieve klasse als construct

Laat ik eens opschrijven wat ik zag gebeuren; zonder ingewikkeldheden en ruimte voor gevoeligheden. Da's een ideaal recept voor "Kop eraf!" en Onheuse Bejegening. Soms is een onbevangen blik ontnuchterend-verhelderend. Daarop hoop ik dan maar.

http://www.youtube.com/watch?v=Eobuu-IexvI

De creatieve sector. De creatieve industrie. Creatief is de norm. Steden pompen miljoenen in beleid, voorzieningen en PR die hen tot creatieve stad moeten maken. De vraag is of ze dan hebben begrépen wat de heer Florida nu eigenlijk bedoelde of deed met zijn creative class.

Niks doen, is geen optie. De vraag is wel wat je wél kunt en zou moeten doen. Discussie, dus. Ook in Leiden.

In het wikipedia-lemma staan twee citaten die ik treffend vind (en mee eens ben). Treffend omdat precies dat is wat ik waarnam.

Florida’s message was so quickly and enthusiastically adopted by cities because he argued that any city had the potential to become a vibrant, creative city with the right infrastructure investments, policies, and consulting advice.


In "Urban Development and the Politics of the Creative Class", Ann Markusen argues that workers qualified as being in the Creative Class have no concept of group identity, nor are they in occupations that are inherently creative.


In het concept zoals Florida dat neerzet, is de creatieve klasse niets meer of minder dan die groep mensen die economische groei kan bewerkstelligen. Da's hun bestaansreden: economische groei. Terzijde, kritiek op Florida geldt daarnaast vooral ook zijn voorliefde voor meritocratie en opleiding.

Maar goed. Leiden.

Daar kwam de groep er eigenlijk niet uit. Precies in het verlengde van Markusens kritiek bleek de groep niet goed tot overeenstemming te kunnen komen wat het probleem nu eigenlijk is. Zonder probleem wordt het moeilijk om 'iets voor de creatieve sector' te doen.

Een cynicus ziet in de discussie vooral een belangenstrijd; niet direct en open, maar wel degelijk een belangenstrijd. Die belangen zijn heel banaal te omschrijven als: het moet mij werk opleveren. Het zijn geen altruïstische vrijwilligers, maar vrijwilligers die een biotoop proberen te creëren waarin zíj gedijen. Dat heb ik vaker meegemaakt. In de zorg zijn een aantal initiatieven geweest 'in het algemeen belang'. Die vielen om toen de belangen manifest(er) werden en partijen feitelijk weinig anders voor ogen hadden dan welbegrepen eigenbelang.

Aha! In Leiden barst het dus van de huichelaars?! Nou, nee. Zeker niet. Men is welzeker oprecht. Daarvan ben ik overtuigd. Is men realistisch? Da's wel aan de orde.

Het krachtige aan Florida's benadering is de benadrukking van cultuuraspecten. Het zwakke is vooral het gebruik daarna van dat inzicht; alsof je cultuur kunt afdwingen. In Leiden zie je dat terug in oplossingen als een cultuurmanager, een cultuurstichting, een subsidiefonds. Allemaal structuuroplossingen. Prima, áls er een structuurprobleem is.

Leiden heeft een heel klein aantal 'creatieve enclaves'. Stuk voor stuk zijn dat panden die alleen met de hulp van institutionele investeerders en de overheid die status verwierven. Interessant is dat het uitmaakt wie je spreekt voor het antwoord op de vraag of daar ook een meerwaarde is te vinden in de vorm van kruisbestuiving. Eén ding concludeer ik wel: die kruisbestuiving is aanwezig, maar niet spectaculair.

Da's wat ik miste: realiteit.

Vooralsnog wint mijn cynische inborst het van zijn tweelingbroertje Vertrouwen. Ook die huist in mij. Maar zolang ik het idee heb dat het vooral wensdenken en communicatiestrategie is wat ik zie, hoor en lees... ben ik nog niet overtuigd van die creatieve klasse en zijn kracht, in Leiden.

woensdag 22 januari 2014

Plots gebeurt het

Zojuist is er een mailbericht verstuurd aan een drietal heren. Mijn bericht heeft een verheugende inhoud.

In de afgelopen jaren heb ik me steeds weer verbaasd over het gegeven dat we, als samenleving, zoveel kapitaal vernietigen. Kapitaal dien je dan op te vatten als sociaal kapitaal, maar ook als economisch kapitaal - geld, kosten - en als kennis. De wegwerpmaatschappij laat zich echt niet alleen maar herkennen in wegwerp-artíkelen.

Vandaag zijn er in Leiden belangrijke stappen gezet.

Een aantal mensen - zowel 'denkers', strategen en dat soort, als beleidsmensen - heeft elkaar gevonden in die opvatting. Na al die tijd is het idee aan het landen en vinden gelijkdenkenden elkaar. Plots en onverwacht, zoals ik had verwacht.

Onze analyse is dat dat vernietigen, dat defaitisme, wordt gevoed door de economische crisis, maar óók - en vooral, denk ik - door de manier van denken. Het is idioot te menen dat de weg uit de crisis moet komen uit het bedrijfsleven dat momenteel op grootse en meeslepende wijze banen verlíest. Van hen kun je met goed fatsoen zoiets dús niet verwachten. Ze hebben de grootste moeite niet zelf ten onder te gaan.

De oplossing ligt in onszelf.

Lang hebben we geleefd in een situatie waarin alles was gericht op disciplinering ten behoeve van werkgévers. Dat er zoiets als werktijd naast vrije tijd bestaat, is meer dan een taalkwestie. Er bestaat een verschil. Over vrij tijd kun je zelf, vrij, beschikken. Werktijd is verkochte tijd. Niet dat niemand plezier had in z'n werk, maar dat was geen vereiste. Ik schreef het al eerder: daardoor geeft nu 66% van de werknémers aan te weinig werkplezier te hebben.

Het belangrijkste effect is echter dat we met veel werknemers zitten; mensen die níet zijn gericht op eigen initiatief, eigen creativiteit of eigen capaciteiten. Die welke de werkgever nodig had, zijn de enig belangrijk. En dus zijn ze een slapend bestaan gaan leiden.

Zonder werk lijken we doelloos en zinloos. Líjken, want in feite gebeurt er iets anders: we zijn niet (goed) in staat een alternatief te vinden voor het verlorene.

Daar ging het bericht dus over.

Over ons antwoord daarop; hoe geef je dát proces een zetje? Tot nu is het een Leids idee. Als Leiden de kans waarneemt, dan wordt het na volwassenwording geëxporteerd; als 'de Leidse aanpak'.

Of het lukt? Geen idee. In tegenstelling tot al die bedrijven die de gebaande - en improductieve - paden bewandelen, gaan we iets onbekends proberen. Maar als ik eerlijk ben en oordeel op basis van de reacties?

Natúúrlijk lukt het. Het sluit precies aan bij mensen, niet bij systemen.

zaterdag 7 december 2013

Bedrijfsboycot!

Correct Nederland stond zowat op z'n kop toen de afgelopen jaren bleek dat discounters 'hun personeel slecht behandelen'. Precies datzelfde wolvengehuil liet de meute horen toen Kwantum aan hun schandpaal werd genageld. "'Rotzooi' wordt er verkocht. Het personeel uitgebuit." Je hóórde, en hoort, het dedain, niet eens verholen. Ketens als Aldi en Liddl, Kwantum en Action, Primark, Zeeman en Wibra: ze zijn er voor "een ander soort mensen".

Het klopt.

Dat van die kwaliteit maar zeer ten dele. Inmiddels is toch echt wel duidelijk dat zeker de beide grootgrutters qua kwaliteit minstens op gelijke voet staan met de veel duurdere ketens. Maar dáár betaal je dan ook indirect voor de beschikbaarheid van koffie en andere koffietafelgezelligheid. Voor de boodschappende mens daardoor een hindernisbaan.

Dat van dat uitgebuite personeel klopt ook maar ten dele. De bewering klopt, maar de komma, en alles daarna, is weggelaten. De bekende politieke truc van selectief antwoorden en beweren. Wie denkt dat de 'correcte' supermarkten hun personeel niet tot het uiterste uitknijpen, leeft in een andere wereld. De bekende blauw-witten zijn bijvoorbeeld ijzersterk in hun leeftijdsbewust beleid: tot 16 jaar kunnen we je gebruiken, maar daarna zijn er echt jongere, goedkopere scholieren. En bij die keten krijg je in ruil niet eens goedkope aankopen!

Terecht dat consumenten kritisch zijn op dergelijke misstanden. CAO's zijn er niet voor niets en rechtsbescherming van werknemers evenmin. Deze bedrijfstak - geheel toevallig - laat zien wat ook jou te wachten staat als die vermaledijde 'flexibilisering en vermindering van regeldruk' doorzetten. Eenlingen, een makkelijke prooi. De sukkels die menen dat vakbonden iets uit de oude doos zijn, gaan van een ijskoude kermis thuiskomen als ze zonder machtsmiddelen voor hun eigen belang moeten opkomen.

Wat mij ook bevreemdt, is dat we ons wel druk maken over personeel in de consumentensector. Supermarktpersoneel, produktiemedewerkers in verre buitenlanden; die moeten beschermd (en ik geloof er werkelijk níets van dat de duurdere winkels géén misbruik maken).

Als we als individuele consument kiezen, maken we ons terecht druk over deze misstanden. Als diezelfde individuen als onderdeel van een organisatie beslissen, valt dat besef ineens weg.

Bedrijven die klussen - zoals adviestrajecten - aanbesteden, kijken nóóit naar dat aspect van het betrokken bedrijf. Waar we Nederland haast opriepen tot een consumentenboycot vanwege arbeidsomstandigheden in de supermarkt, worden opdrachten kritiekloos uitgezet.

Dames en heren, u heeft bóter op het hoofd.

Waarom beoordeelt u niet ook de arbeidsomstandigheden? Net als bij de supermarkt houdt u met uw opdracht een manier van werken in stand. U bént verantwoordelijk, nog meer dan de verfoeide koppelbaas!

Zeker overheden dienen dat meewegen standaard te doen. Gaat u er van uit dat alleen lichamelijk werk uitbuiting met zich meebrengt? Denkt u dat stress niet voortkomt uit werkdruk? Hoe zou het toch komen dat bijna de hélft - 43% -, van alle werknemers het níet naar de zin heeft op het werk? In een diensteneconomie als de Nederlandse zijn dat echt niet allemaal productiemedewerkers.

Met name in deze tijden is het heel eenvoudig beoordelen. Vraag bij een aanbesteding niet alleen naar de financiële bedrijfsresultaten, maar ook naar aantallen stagiaires, aantallen ontslagaanvragen, dreiging met rechtszaken door werknemers, aantallen afvloeiingsregelingen, ziektepercentage, ondernemingsraad-advies, werknemerstevredenheidsonderzoeken. Vooral die dreiging met rechtszaken is een prima indicator voor managementkwaliteit, weet ik.

Natuurlijk gaat het management tegenspartelen en liegen om de zaak schoon te poetsen en, net als de supermarkten, eerst wijzen op non-informatie als ISO- en andere certificaten. De aantoonbaarheid van liegen kan echter wél leiden tot contractbreuk en strafmaatregelen.

(Overheden,) waarom gebeurt het stellen van deze voorwaarden nog steeds niet bij aanbestedingen?

dinsdag 19 november 2013

de jeugd heeft de toekomst

Zoals jij denkt dat het hoort te zijn, is niet hetzelfde als zoals het ís. Een open deur, zul je zeggen. Toch is het wellicht het meest voorkomende misverstand.

Ooit werkte ik bij een club die alles wist van zorg en welzijn. De mensen die er werkten, waren allemaal deskundigen op hun terrein(tje). Voor het gros van hen betekende dat, dat je ook de klant van zorg en welzijn serieus neemt. Da's helemaal niet zo vanzelfsprekend als je denkt nu je het zo leest.

Dienstverleners zullen moeten snáppen wat hun klanten willen. Onderzoekers proberen dat te snappen en hun kennis over te dragen. Een echte deskundige snapt drijfveren en gedrag; ook als dat onwelgevallig is.

Jongeren zijn een bijzonder slag mensen, waarin je je danig kunt vergissen. Als je stopt met school of werk, krijg je niet direct een uitkering. Die 'wachtperiode' is bedoeld om de jongere 'te prikkelen' werk te gaan zoeken. Ik heb collega's gehad die geloofden dat het zo ook werkt.

Het hele systeem is gebaseerd op het idee dat jongeren een uitkering aanvragen om te kunnen leven. Dat doet een hele categorie niet. Het concept 'calculerende burger' heeft kinderen voortgebracht. Kinderen die op een heel andere manier in de wereld staan; voor wie die uitkering helemaal níet vanzelfsprekend is.

Aan gemeenten die zich inspannen om jongeren naar de arbeidsmarkt te leiden, wordt verdiend. Die adviesorganisaties en die gemeenten stellen zich zelden de vraag wat jongeren beweegt, terwijl dat nogal relevant is.

Het pad zoals de overheid dat voor zich ziet, ís helemaal niet vanzelfsprekend. Een gemeente die denkt alle niet-werkende jongeren goed in beeld te hebben, draait zichzelf een rad voor ogen. Een (groot?) deel van 'de jongeren' onttrekt zich heel bewust aan hun waarneming. Die leven van kleine baantjes, vrij sober - met uitzondering van de feesten - en vooral van dag tot dag. Deels is dat de levensfase, maar deels ook iets nieuws: een bewust vermíjden van een overheid, "een bemoeizuchtige gemeente" die "niets met mijn leven heeft te maken".

Wat je als gemeente dus vangt, zijn degenen die in het patroon (willen) passen of daar heel tegenaan schurken. Over ontwijkers hoor je zelden iemand.

Precies datzelfde hoor ik ook over zorggebruik. Dat is een zorgwekkend(er) verhaal.

Waargebeurd: een middentwintiger die een hoofdwond oploopt en daarmee lópend naar de eerste hulp gaat omdat 'de ambulance anders door mij betaald moet worden'. Die overigens chagrijnig wordt als hij vrienden hoort vertellen dat de vier hechtingen bij de huisartsenpost gratis waren en hij bij de búren, ziekenhuis-eerstehulp, €230 moest betalen. Het is geen grap als die jongens zeggen de volgende keer zelf wel iets te bedenken.

Dát is zorgwekkend. Niet dat mensen zorg mijden. Iedereen die daarvoor de ogen nog sluit, leeft in een fantasiewereld. Zorgwekkend is dat deze jongeren iets verwoorden dat óók mogelijk is geworden: zelfzorg.

Om kosten te besparen zelf medicijnen inzetten. Om kosten te besparen zélf kleine ingrepen doen (dat 'ik hecht zelf wel' is echt niet zo imaginair als jij nu denkt). Om kosten te besparen, wordt de medicus verwijderd. DoeHetZelf-zorg.

De jeugd heeft de toekomst. Maar past die in de plannen?

zaterdag 9 november 2013

Dat hoort niet!

Dat was wat, zeg. De HEMA die notarisdiensten is gaan verkopen. En een ziektekostenverzekering. Heel studentikoos sloeg een notariskantoor 'terug' door rookworst te gaan verkopen.

Het aardige aan HEMA is dat ze een bijzondere plaats op de markt innemen. Het is een icoon. Het is een merk dat volledig wordt vertrouwd door het gros van de mensen. Het is een bedrijf dat heel goed weet hoe met klanten om te gaan - ooit iets gekocht en terug gebracht?. Het is een conventiebreker.

?! Conventiebreker?!

Of het woord bestaat, weet ik niet. Wat ik ermee probeer aan te duiden, is dat HEMA zich geen bal aantrekt van 'wat hoort'. Voor HEMA telt het bedrijfsresultaat én de wetenschap dat je dat bedrijfsresultaat alleen bereikt met klanten, met tevréden klanten. En van dat laatste hebben ze, is mijn indruk, verstand.

Dan veranderen verhoudingen. Als het waar is dat HEMA vooral goed is in klantcontacten, heb je een interessante casus waarin de ruggengraat niet het verhandelen van producten is, maar een service.

Niet dat het zo is dat zo'n bedrijf geen producten meer verkoopt. Service pak je niet vast; dat uit zich in de manier waarop je iets anders doet. HEMA doet dat door scherp te zijn op prijzen en alert te zijn op mogelijkheden. Mogelijkheden die niet per sé in het verlengde van het bestaande assortiment hoeven te liggen. Dat immers is 'slechts' de uiting van iets anders.

En dús verkoopt HEMA al jaren ook het ontwikkelen van foto's, het op maat maken van gordijnen, en recenter telefoonabonnementen, (online) cursussen, verzekeringen. In al die gevallen breekt het bedrijf in in andere sectoren en bedingt daar zeer scherpe prijzen. Winst voor hen, winst voor de klant. Dat daar nu notarisdiensten en zorgverzekeringen bij komen? Logisch, toch? Sinds jaar en dag wordt geklaagd over de (te) hoge kosten.

Als een tak van sport dat niet hoort of wil horen, geen actie onderneemt; dan springt daar op enig moment een scherpere partij in.

Meehuilen met de wolven dat je die diensten niet kunt aanbieden tussen de rookworsten, is het beste voorbeeld van onmacht. Wat er wordt aangeboden, is ook niet een produkt van HEMA. HEMA is de tussenpartij; de partij waarvan iedereen aanneemt dat wat zíj verkopen goed en goedkoop is.

Zo'n aanpak houdt in dat je als bedrijf ook helemaal niet alle vakkennis moet hebben om het product te maken. Je moet weten wat de consument verwacht en dát eis je ook van de producent. Dat je grote hoeveelheden kunt wegzetten, betekent ook dat je scherpe prijzen kunt bevechten. HEMA verkoopt fietsen: waarom niet ook (elektrische) auto's? Zou zomaar kunnen.

Het aardige aan die ontwikkeling is dat het een bedrijf als HEMA op een nieuwe plaats zet. Niet langer is het grootwínkelbedrijf. Het is grootléveringsbedrijf.

Ook veel beter in overheids-publieksdiensten; waarom niet?

woensdag 23 oktober 2013

de onverzekerden

Het is een intrigerend idee.

Stel dat quantified self en met name gentechnologie over een paar decennia in staat zijn ons leven in kaart te brengen, en zelfs te voorspellen. Stel dat DNAonderzoek gaat uitwijzen voor welke aandoeningen iemand bevattelijk is, welke hij zeker gaat krijgen, en welke niet. Stel dat je jaar van overlijden vrij adequaat kan worden bepaald.

Waarom zou je je dan nog verzekeren?

Ja, tegen inbraak, autoongelukken en andere ellende. Alhoewel: met auto's die binnenkort stukken veiliger zijn dan een gemiddeld huis... Het enige echte risico wat je uiteindelijk nog lijkt te lopen, is een financieel. Niet vanwege astronomische ziekenhuiskosten, maar om je auto te vervangen en mogelijk die van de tegenpartij. Echte (zwaar)gewonden lijken er steeds minder voor te gaan komen.

Verzekeren doe je tegen een onbekend risico. Dat 'onbekende' zit 'm niet in één factor. Je kunt immers te maken krijgen met iets wat we allemáál niet kennen - de aanval van buitenaardsen - of met iets wat door anderen wordt gecontroleerd. Maar in alle gevallen verzeker je je tegen zaken die buiten jouw regelmacht gaan, tegen ongeluk.

Maar ja. Nu nadert het moment waarop je weet welke ziektes je wel en welke je niet gaat krijgen. Niet misschien niet; zéker niet. Waarom zou je dan premie betalen? Als het iets is wat je niet gaat krijgen, heeft het geen zin. En als het iets is wat je wel zult gaan krijgen, dan doe je er volgens alle consumentenadviesorganisaties veel verstandiger aan de premiebedragen apart te zetten op een eigen spaarrekening. Sparen voor de behandeling, dus.

Uiteraard zal het verhaal niet helemaal op gaan. Er zijn ongetwijfeld aandoeningen die té kostbaar zijn om bij elkaar te sparen. Daarbij moet je je dan wel realiseren dat het maar de vraag is wat de verzekeringsmaatschappij doet als ook zij daarvan weet: weigeren? De premie fors verhogen? Bedenk dat dat onbekende risico immers ook voor de verzekeraar is verdwenen.

Waar blijft die verzekeraar eigenlijk?

Da's een uitermate belangrijke vraag. De kans is groot dat verzekeraars geen verzekeraars meer zullen zijn in de klassieke betekenis van het woord: degene die, in ruil voor premiebetaling, het risico over nam. Maar ja, met een langzaam verdwijnend risico.... Wat dan?

De beweging is al een beetje zichtbaar. En ik ben daar helemaal niet blij mee. Wat je ziet gebeuren, is dat ziektekostenverzekeraars steeds steviger op de positie van de overheid plaatsnemen en gaan bepalen wat wel en wat niet wordt vergoed. Feitelijk betekent dat dat zij de zorg aansturen en regelen. Totdat zich binnen de zorg alternatieve circuits ontwikkelen, die buiten de huidige financiële circuits om opereren. Of en wanneer dat gebeurt? Koffiedik.

Het lijkt er op dat verzekeraars zich proberen te profileren als bewakers van doelmatigheid, als moderne versies van controlerende pennenlikkers uit Dickens' verhalen. Namens ... ja, namens wie eigenlijk... namens hun verzekerden, hun leden bepalen zij wat goed(koop) voor hen is. Klinkt logisch. Minder logisch is dat het maar de vraag is wiens belang hiermee is gediend: de verzekerde of de verzekeringsmaatschappij. Eén ding is duidelijk: de premies schommelen slechts marginaal. En, o toeval, de premies van de verschillende maatschappijen liggen binnen een relatief smalle bandbreedte. Aan het positief effect voor de consument in de vorm van of betere of goedkopere zorg moet worden getwijfeld.

Want: een particuliere onderneming die gaat bepalen wat 'gezond' en 'gezondheid' zijn?!

vrijdag 18 oktober 2013

fabelachtige varkens-anus

Echt. Je staat er soms/vaak/geregeld van te kijken hoe 'nieuws' wordt gemaakt/verslagen/overgenomen. Dat zijn dus wel de momenten waarop talloos veel Nederlanders zich realiseren dat ook journalisten de neiging hebben verhalen over te nemen. Ik zou verwachten dat er dan ook hoofdredacteuren en journalisten zijn die doorhebben dat 'allemaal hetzelfde nieuws brengen' gegarandeerd leidt tot lezersverlies. Wat heb ik aan een nieuwsmedium dat kopieert? Dat is de werkwijze van internetnieuws.

Hoe goed belangrijk goed luisteren is, bewees de Nederlandse pers vandaag.

Heel veel media namen het bericht over dat gepaneerde en gefrituurde inktvisringen geregeld varkens-anus bevatten in plaats van inktvis. Spits deed het zo: Jammie! Inktvisringen vaak varkensanus. Als je even zoekt, vind je tal van dergelijke koppen. Gelukkig volgt in de loop van de dag de opluchting: het verhaal is gebaseerd op een ongefundeerde uitlating van Europarlementariër Esther de Lange.
"Calamares eet ik alleen nog maar aan zee", onthulde De Lange naar aanleiding van de resultaten. "De gefrituurde inktvisringen blijken geregeld gemaakt van varkensanus."


Een broodje aapverhaal: nergens bevestigd te krijgen en alle bronnen citeren elkaar. Het verhaal is niet eens nieuw. Joop.nl en Geen Stijl vatten het allemaal op hun eigen manier nog eens samen. Joop.nl?! GeenStijl?! Zijn dat kranten? Nee, hè? Maar wel jongens en meisjes die niet alles klakkeloos overnemen.

Toch zijn er wat bevindingen die interessant zijn; die het niet verdienen ondergesneeuwd te raken.

Een mij zeer bevreemdende is dit citaat - in dit geval uit BN/De Stem, maar elders ook terug te vinden:

Het zijn steeds vaker criminele organisaties die zich bezighouden met voedselfraude. De miljoenen die maffia-achtige clubs met zulke professionele fraude verdienen, gebruiken zij volgens Europol om illegale activiteiten als drugshandel en mensensmokkel te financieren.


Dat van die 'criminele organisaties' mag niemand verbazen. Dat is stomweg een standaardgevolg van handel en winstbejag. Met de grootschalige 'marktwerking' zijn dit soort van sluwe 'zakenmensen' geactiveerd. In de komende paar jaar zullen ze worden ontmaskerd in de zorg-industrieën. Ontmaskerd; want dat ze er al lang actief zijn, zou ik wel verwachten.

Maar die 'drugshandel en mensensmokkel mee financieren'. Díe snap ik niet helemaal. Andere opsporings- en vervolgingsdiensten melden toch dat die 'bedrijfstakken' juist zo succesvol zijn? Waarom zou je ze dan moeten financieren?!

Het zorgwekkendst vind ik zeker niet het vermakelijk verhaal over de varkens-anus. Dat leidt lekker af. Evenmin dat criminele organisaties hier actief zijn. Daarmee masseer je de goegemeente voor 'het keihard ingrijpen bij die criminelen'. Juist dat (niet!) ingrijpen baart me zorgen.

Eerlijk gezegd is mijn indruk dat er veel papieren tijgers worden geproduceerd. Echt niet alleen door 'Europa; ook door onze rijksoverheid, en ook door gemeenten. Er wordt niets gedaan. En áls er iets wordt gedaan, is dat vooral gericht tegen de zwaksten. Zo!

Op het moment dat iemand, een overheid, zich opwerpt als beschermer van 't een of 't ander is hij feitelijk ook verplicht de handhaving te regelen. En ja, als je dat niet kúnt of niet góed doet, wordt je er op afgerekend. Probleem van de Nederlandse politiek en ambtenarij is dat ze dat héél vervelend vinden (maar het wel anderen willen ópleggen).

Het mag bekend zijn dat ik marktwerking een ge-drog-t vindt: een drogreden om te bezuinigen. Er is nergens een bewijs te vinden dat marktwerking per sé leidt tot kwaliteitsverbetering of tot -handhaving tegen lagere prijzen. Eerder gaat de kwaliteit naar beneden en stijgen de prijzen.

In die situatie - en voedsel is er blijkbaar ook een - is het een noodzakelijke voorwaarde dat er neutrale, rechtvaardige en messcherpe scheidsrechters zijn. Die bewaken die kwaliteit. Die bewaken het spel. Opdat ik in de supermarkt, op de markt of bij de kleinwinkelier mijn vergelijking kan maken zonder me af te vragen of alles wel verantwoord is.

Dit mág niet waar zijn (omdat ik, de consument, het verschil niet kán zien)

(...) zijn Chinese collega's bevestigden projectleider Chris Vansteenkiste van Europol dat het echt geen grap is. "In China zijn illegale fabriekjes waar mensen aan de lopende band eieren namaken. Die zijn goedkoper dan eieren van een kip. Aan de buitenkant zie je het verschil niet. Je kunt er een omelet van bakken, het verschil proef je niet.
(...)
Zo bont als de Chinese eierfraudeurs maken hun Europese collega's het volgens Vansteenkiste echter niet. In nepeieren zitten gevaarlijke stoffen. "Er zitten kleur- en smaakstoffen in, verder bestaan ze voor 90 procent uit water. Om dat de slijmerige substantie van eiwit te geven, worden benzeenzuur en aluinpoeder gebruikt. Die stoffen veroorzaken kanker, dementie en zorgen dat het bloed stolt.


http://www.youtube.com/watch?v=r2bRgJEYQ9U

maandag 23 september 2013

Uitbesteden?!

Weet je. Zo af en toe - vaker toe dan af overigens - kan ik verbaasd kijken naar ons uitbesteedgedrag. Het lijkt wel alsof we collectief aan een chronisch gebrek aan zelfvertrouwen leiden.

Dat je een loodgieter of andere vakman belt om een technisch complexe klus in of aan je huis te laten uitvoeren; soit, da's duidelijk. Als individu heb je nu eenmaal beperkingen. Dan ben je wel genoodzaakt iemand in te schakelen. Of je probeert het zelf en schakelt daarná iemand in om de nog grotere puinhoop te herstellen. DHZ heet dat, is me ooit verteld: doe het zelf.

Waar ik echter bar weinig van begrijp, is dat ook organisaties er last van hebben. Of eigenlijk: helemaal níets lijken te kunnen. Da's raar.

Heb jij je ooit gerealiseerd hoeveel cursussen, trainingen, conferenties, workshops, bezinningsweekeinden, bijspijkersessies over gemeenten worden uitgestort? Bizar veel.

Als we er van uitgaan dat die aanbieders er genoeg aan verdienen, móet de conclusie wel zijn dat het gemeenten schromelijk schort aan kennis. Waarom zou je anders al die uren kennisvergaring nodig hebben? Toch niet voor de lol?!

Of zou het anders zijn?

Als je voor zo'n club hebt gewerkt, worden je wel wat zaken duidelijker. De belangrijkste is dat hun klanten zichzelf veel te onkundig inschatten; en de aanbieder veel te hoog (en anders wordt het ze wel ingefluisterd als een nog ongezien probleem).

Het is allemaal zo logisch. Je krijgt te horen dat er wéér iets verandert, raakt enigszins in paniek (want de invoeringstermijn is uiteraard te kort) en meent hulp nodig te hebben. Dát, immers, is de natuurlijke reactie in geval van paniek: hulp!

En die is er dan. In sommige gevallen wordt zelfs voorshands afgestemd: hele trainingen en ondersteuningsinstrumenten die worden gemaakt nog vóórdat een wijziging ingaat. Daś - gelukkig - geen gewoonte. Gebruikelijker is dat vernieuwing wordt begeleid door een heel aanbod aan trainingen en zo. Denk nu niet: gemeenten. Het geldt veel breder. Cursussen 'gebruik van de iPad'... alsof we - ook ouderen - niet zelf op ontdekkingstocht zouden moeten (kunnen) gaan. Nee, net zoals we ons voor alles en meer verzekeren, beginnen we niet meer onbevangen.

Er wordt daardoor niet alleen ongelooflijk veel geld weggegooid, door bedrijven en overheden. Daar zou je nog van kunnen beredeneren dat er dan in elk geval geld wordt rondgepompt in de economie.

Maar er wordt iets destructievers in gang gezet.

Dat niet meer vertrouwen op eigen kennis en kunde leidt er ook toe dat overheden en bedrijven minder creatief worden, minder probleemoplossend en meer routinematig. Als voor iedere anomalie in het proces menskracht van buiten moet komen, is dat óók een teken van sterke routines.

Het wordt weleens beweerd dat al dat 'verzorgen' zwakkere mensen voortbrengt. Mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, die geen oplossingen of eigen initiatief voortbrengen. Mensen die afwachten, als lambs to the slaughter.

Omdat organisaties worden gevormd door en uit mensen, lijkt het me niet heel erg vergezocht te denken dat óók organisaties zo passief-afwachtend zijn geworden. En dát is ernstig.

Een zelfredzame burger (ver)eist een zelfredzame overheid.

woensdag 11 september 2013

Gemeente-psychiatrie :waanzin

Ik heb er een hard hoofd in; of gemeenten wel zijn opgewassen tegen de naar hen gedecentraliseerde taken. Als je zo eens terugkijkt, dan zijn gemeenteambtenaren een onbekende variant van Superman: ze kunnen alles, en op korte termijn. Zowel de bepaling van huursubsidie (ooit) als de vaststelling van hondenbelasting(tarieven). Zowel de regels voor acceptabele bouw als de kwinkslagen bij een huwelijksvoltrekking. Zowel ideeën over de aanpak van hangjeugd als de doorgang van het openbaar vervoer. Werkelijk Superman.

Maar ja, het blijken toch maar gewoon mensen.

De ambtenaar bestaat uiteraard niet. Het zijn allemaal afzonderlijke werknemers, met een bijzondere werkgever: een overheid. Op zich is dat niet zo heel erg bijzonder dus. Je kunt onder ambtenaren dan ook goede en slechte aantreffen: de bevlogen vakman én de slonzige ongeïnteresseerde. Da's nu eenmaal zoals wij mensen zijn, allemaal verschillend met verschillende interesses en ambities.

Van de week zat ik met een goede kennis te praten over mijn idee om iets te doen met het kenniskapitaal dat iedere gemeente heeft in de vorm van niet-loonvormenden. Nu is zijn positie in de ambtelijke hiërarchie hoog. Voor mij dus een ideale gesprekspartner om ideeën aan te spiegelen: we kunnen elkaar vertrouwen en open spreken, en híj weet veel van de uitvoeringspraktijk sociale zekerheid.

Mijn conclusie?! Ik heb nog wat te doen. Het idee is goed. De analyse klopt. Maar de politieke gemeentelijke praktijk zal dwarsliggen. De engelstaligen noemen dat toch een reality check?

Uit ons gesprek bleek dat zo'n check ook hoognodig met ambtenaren moet worden gedaan. Of misschien nog eerder met de beleidmakers die 'de lijnen uitzetten'. Feitelijk zijn dát degenen die geen benul hebben van hun werk.

Eén van de grootste dreigingen die op de gemeenten afkomt, is wellicht die van de psychiatrisch patiënt. De praktijk van de politie ís er al een waarin psychiatrische problematieken een belangrijk rol speelt. Niet in de vorm van Hollywoodachtige seriemoordenaars, maar wel in de vorm van overlastgevende schizofrenen en dergelijke. Niets spectaculairs, maar je zult maar naast iemand wonen die permanent lasg heeft van wanen en daardoor overlast geeft.

Nóg hebben we een infrastructuur die mensen die in psychische nood verkeren redelijk opvangen. Maar doe brokkelt snel, heel snel af. Ook hier rukt de inflattoire term 'zelfredzaamheid' op. 'De buurt' moet in staat zijn de eigen problemen op te lossen. De betrokkene moet zelf een kring van helpenden om zich heen organiseren. Dat mensen die dergelijke problemen ondervinden nu juist degenen zijn die het minst sterk in de sociale structuur staan, is blijkbaar een ongewenst feit. Toch is dat wel zo. En dus onderschat men het probleem; op een enorme manier.

Omgaan met psychiatrische patiënten eist nogal wat. Je hebt te maken met mensen die zich niet voorspelbaar gedragen. Geduld, empathie en vakkennis zijn het minimum wat je nodig hebt. Nogmaals, het gaat óók om mensen als jij en ik, die een depressieve periode doormaakte. Maar ook om mensen met andersoortige aandoeningen.

En dan hoor je een anekdote als deze, uit de praktijk van een grote stedelijke sociale dienst:
Een medewerker van mij komt binnen met de mededeling: "Ik heb het gehad met die man. Vier keer een gesprek gehad. Hij doet 't niet, snapt 't niet, wil niet. Ik weet 't niet meer. Volgens mij is-i gek." Het lukt niet zo'n klant binnen de kaders te (bege)leiden.

Dat tekent het verschil. De professionele hulpverlener is voorbereid op zulk gedrag. Heeft tijd, geduld en vakkennis. Weet wat kan gebeuren. En wat niet. Daar is genoegzaam bekend dat je vormvrij moet kunnen werken. Liefst maatwerk leveren, op maat van de betrokkene.

Maar mededogen en vormvrij werken passen niet in een regelgeleide cultuur. Dat wordt dus nog wat met gemeenteambtenaren die met abnormaal gedrag worden geconfronteerd. Die gaan heel bijzondere situaties tegemoet.

zaterdag 7 september 2013

Overheid, stop met innoveren en ga exploiteren

Omdat ik het een prachtig idee vind, heb ik verleden week een app geïnstalleerd op mijn iPhone. De naam is Human. Overigens, een Nederlands produkt. Na een dag heb ik 'm er weer afgehaald. Maar niet omdat-i slecht is.

Human is een app die het waard is breed te worden gebruikt. Ik vind het zó mooi: Human houdt bij hoeveel de telefoon, jij, per dag beweegt. De reden? We moeten minstens dertig minuten per dag bewegen. Maar doen we dat? Human kan het voor je volgen. De app registreert alle bewegingen. En tot mijn stomme verbazing weet-i vanaf moment nul ook al vrij goed wat welke beweging is. Fietsen is sneller dan lopen en langzamer dan autorijden. Natuurlijk, je moet de eerste tijd nog wel correcties toepassen. Maar toch: knap.

Wat Human - uiteraard, zou'k zeggen - níet kan, is vaststellen wat je doet als je de telefoon niet bij je hebt. dat ik donderdag een half uur zwom, weet-i niet want mijn iPhone is niet waterdicht. Twintig minuten crosstrainen brengt je geen meter vooruit, volgens Human. En daarin heeft-i nog gelijk ook.

Maar ik verwijderde 'm toch. Want de app heeft één - door de makers erkende - tekortkoming: de accu wordt leeg geslúrpt. Binnen een dag was de accu leeg. Ik heb dus maar besloten even te wachten op een oplossing voor dit probleem.

O. Die ene gebruiksdag heb ik wel van Human een pluim gekregen omdat ik minimaal dertig minuten bewoog.

Naar aanleiding van mijn ervaring met Human schoot me een voorstel te binnen wat ik de afgelopen jaren een paar keer aan ambtenaren heb voorgesteld. Het gaat over innovatie (what else?): de innovatie-verkenner.

Waarom ondersteunt de overheid eigenlijk de ontwikkeling van innovaties en stimuleert zij innovatiekracht? De ervaring leert dat dat mondjesmaat zoden aan de dijk zet. De stevigste vernieuwingen komen 'als vanzelf' tot stand, niet door subsidie.

Waarom richt de overheid zich niet op de kwetsbare periode van een innovatie? Die van de exploitatie?

Waarom zouden we geen situatie kunnen hebben waarin de overheid de markt af stroopt op zoek naar toepassingen die 'in het algemeen belang' zijn? Zoals gas. Zoals water. Electriciteit. Wegen. En bijvoorbeeld Human.

Waarom zou de overheid zich niet afwenden van het stimuleren van innovaties met subsidies, en richten op het herkennen en in stand houden van maatschappelijke toepassingen? Waarom niet de exploitatie ondersteunen? Of, een stap verder, waarom de ontwikkelaar niet alle eer geven en uitkopen om zijn idee daarna gratis aan te kunnen bieden?

Lijkt me, tussen twee haakjes, een leuke baan: het continue zoeken naar toepassingen waarvan je denkt dat die iets toevoegen aan de kwaliteit van het leven.

Ik zou Human er onmiddellijk voor in aanmerking laten komen.

dinsdag 20 augustus 2013

In deze put verdwijnt in Leiden geld

Net als zowat iedere gemeente worstelt ook Leiden met 'zijn' verkeer. Hoe dat in goede banen te leiden? Hoe de stad leefbaar te houden voor iedereen? Iedere ouder weet dat je niet álle kinderen tevreden kunt stellen. In de stad geldt precies hetzelfde: het wringt.

Over de overheid en ambtenaren gaat de beeldspraak rond dat die alleen maar bezig zijn werk voor zichzelf te scheppen door problemen te máken. Problemen die er voordien niet waren.

Wat mij betreft, heeft er altijd een kern van waarheid in die beeldspraken gezeten. Maar niet exclusief voor overheden. Iedere grotere organisatie zal daaraan gaan leiden: traagheid en fouten. Waar succes bij mensen makkelijk leidt tot onfeilbaarheidsdenken, zo denken grote organisaties haast onkwetsbaar het bij het rechte eind te hebben. Maar ook zij blijven niet de jonge goden uit hun jeugd, maar steeds strammere organisaties met coördinatieproblemen.

Dat kan leiden tot vreemde situaties.

Leiden heeft een aantal verkeersaders. Die móeten uiteraard aangepakt, want iedere overheid is permanent bezig met 'mobiliteit'. Leiden dus ook, want we willen niet achterblijven.

Eén van die aders werd altijd gezien als een gevaarlijke weg; voor overstekend langzaam verkeer met name. En dus werd er een plan gemaakt en uitgevoerd. Voor een periode van enkele jaren werd de oostkant van de stad omgetoverd in een woestenij. Het was de natuurlijke omgeving van graafmachines en zware bouwmachines. Omwonenden, fietsers, voetgangers, doorgaande autoverkeer: voor hen was de omgeving haast vijandig.

Maar na jaren ligt-i er dan. Een nieuwe weg met twee tunnelducten, van die constructies die halfverdiept zijn uitgevoerd en nu tussen tunnel en viaduct balanceren. Eén van de twee moet de groene verbinding zijn tussen de buitenwijk en de binnenstad. Een voet- en een fietspad en veel groen markeren het kunstwerk. De andere is zijn tegenpool. Die moet bebouwd gaan worden.

Nu is de redenering dat de weg voorzien moet zijn van een snelle en veilige verbinding tussen de stadsdelen. Voorheen moesten de bewoners zich behelpen met gelijkvloerse kruisingen en stoplichten. En, inderdaad, dodelijke slachtoffers als gevolg van ongeduld en levensgevaarlijk oversteken. Dat is iets wat niemand zal betwisten.

Nu liggen de tunnelducten er. De groene kent een mooie glooiende aanloop voor fietsers. Als je daaraan begint, zie je in de verte je doel: de oversteek. Maar die is dan nog heel ver weg. De andere maakt goede kans op de nationale titel Kunstwerk Dat Nooit Gereed Kwam. Niets daar is klaar. De situatie is onveilig en rommelig. Over de weg ligt de tunnelbak. Met daarop betonnen liggers. Dat alles ligt er al meer dan een jaar zo bij. En het gerucht doet de ronde dat er helemaal niet gebouwd kán worden op de tunnelbak: te lichte constructie.

Het hele kleine beetje ongeloof dat ik had in zotte beslissingen van een overheid, is vandaag de bodem ingeslagen. Echt, ze zíjn gek. Leiden smijt met geld.

Vandaag was de weg deels afgezet en aan het eind van de dag wisten we waarom. Halverwege de twee nieuwe, veilige oversteken is een derde gemaakt.

Op precies dezelfde plek als één van de vorige gevaarlijk is een gelijkvloerse, met stoplichten beveiligde oversteekplaats in aanleg! Hoe bedénk je het.

Jaren werk, investeren en voor gebruikers ellende is de situatie nu zo dat er nog steeds evenveel stoplichten staan en de veiligheid slechts marginaal is verbeterd. Leiden heeft hiermee níets gewonnen.

Eigenlijk ben ik nu wel benieuwd naar de verklaringen voor dit hele proces en dit resultaat. Heeft er nu werkelijk níemand naar de gebruikers - overstekende voetgangers en fietsers - gekeken en geluisterd?! Of denken planners nu echt dat voetgangers tweemaal honderd meter omlopen om veilig over te steken? Als we weten dat een paar meter naar een oversteekplaats al teveel is gevraagd?

Met de oversteekplaats heeft Leiden dan wel de wens van gebruikers gehonoreerd, maar tegelijk ook een certificaat van Mislukt Onvermogen voor dit project afgegeven. Dat is gewoon mislukt.

Het volgende project gaat binnenkort beginnen: de Rijnlandroute, de verbinding tussen A44 en A4. Nog groter, nog complexer.

vrijdag 9 augustus 2013

De onbetrouwbaarheid van gemeenten

Mijn plan was níet te bloggen over het onderwerp. Maar je kunt op je schreden terugkeren. Dat gebeurde dus ook mij.

Vandaag schreef, onder andere, de De Volkskrant dit:
20130809-165507.jpg

Ouders betalen voor hun kinderen. Da's het uitgangspunt. Maar er zijn uitzonderingen, zoals op alles uitzonderingen zijn. Eén daarvan is de Onbekende Vader. Dat kan een man zijn die ontkend vader te zijn of die uit het leven van de moeder verdween. Er zijn vast meer variaties. Van belang is dat moeder een kind heeft waarvan de vader niet erkend dat het het zijne is. En voor iets waarvoor je niet verantwoordelijk kunt worden gehouden, betaal je niet. Logisch.

Het aantonen van vaderschap is niet zó moeilijk. DNA zijn de drie wonderletters waarmee een genetische band kan worden vastgesteld. In rechtszaken wordt de techniek ook vaak gebruikt omdat ze boven twijfel uitsluiting geeft. Vooralsnog.

Wat nu uitermate idioot is in de beschreven situatie, is dat gemeenten zich op bijna identieke wijze opstellen als de oplichters die nepfacturen sturen. Je kent het verhaal vast; je krijgt een factuur die er enorm serieus uitziet en de afzender hoopt dat je onnadenkend betaalt. Die handelswijze heet oplichting. Het verschil met de gemeente is dat die zich niet baseert op een door hen uit de duim gezogen verhaal, maar wel op een door iemand anders mogelijkerwijs uit de duim gezogen verhaal!!

Grote steden - waarom gróte steden? - blijken steeds vaker verhaalsacties uit te voeren op mogelijke vaders. Dat klinkt acceptabel. Maar de grondslag voor hun actie is de bewéring van een moeder dat dit de vader is. Kijk, dat is toch echt te zot voor woorden.

Maar, zeg je nu, er komt toch een rechter aan te pas als die aangeklaagde vader het er niet mee eens is?

Dat mag niet eens gebeuren. Het is al te gek voor woorden dat in een relatie met de overheid een burger zijn ónschuld moet gaan aantonen. Laat de overheid met wettig en overtuigend bewíjs komen. Deze hele ontwikkeling zet de poorten wagenwijd open voor allerlei ongefundeerde aantijgingen. Zeker als de krant meldt dat
bijstandsmoeders onder druk (worden) gezet de naam van de verwekker van hun kind te noemen

Dat is al twijfelachtig. Maar het wordt nog kwalijker.

Als de gemeente van mening is dat jij de vader bent, is dat voldoende grond. Die mening is dan wel gebaseerd op informatie van de moeder, maar de facto stelt zo'n gemeente zich dan op als scheidsrechter: "wij hechten meer waarde aan het woord van de moeder dan aan dat van u".

En dus wordt de aangeklaagde man aangesproken op de onderhoudsplicht van de vader. Nogmaals, vaders hébben onderhoudsplicht. Moeders ook. Maar het moet wel buiten kijf staan.

Griezelig Kafkaïaans wordt het als je leest dat een rechtbank het besluit van de gemeente (Rotterdam) toetste en toestond; omdat de aangeklaagde man geen verweer voerde en "de rechter zich baseert op de informatie van de gemeente". Dat 'geen verweer', beweert hij zelf, is omdat hij niet eens wíst van de rechtszaak.

De gemeente als criminele organisatie.

Hoe lang gaat het nog duren voordat we worden geconfronteerd met gefabriceerde verhalen? Hoe lang duurt het nog voordat de gemeente voor het karretje van belangen wordt gespannen? Zijn alle ambtenaren tegenwoordig ook deskundige opsporingsambtenaren?

De gemeente drijft steeds verder weg van haar positie als neutrale partij. Wat deze kwestie vooral duidelijk maakt, is dat ook de overheid, in casu gemeenten, zich bedient van dubieuze praktijken en zich meer en meer opstelt als verzekeraar. Ook die proberen hun vergoedingen terug te halen bij de tegenpartij.

De overheid. Misschien moeten we díe maar privatiseren. Zelf doen ze het op een halfzachte manier die alleen maar achterdocht kweekt.

donderdag 1 augustus 2013

De kussende agent

Midden op het pleintje in La Roche Bernard kust een stoere Franse biker-agent een minstens één generatie oudere dame. Een keer, twee keer. Daarna staan ze een poos midden op het plein te praten. Hij met zijn crossfiets tussen de benen vastgezet. Zij met een handtas.

Fransen kussen elkaar vaker twee keer, ter begroeting. En toch viel me pas later in dat ik had zitten kijken naar een officiële gezagsdrager die heel informeel te werk ging. Gedag zeggen tegen bekenden, een hand geven; veel verder komen wij niet in Nederland. Ik ben benieuwd wat er gaat gebeuren als een Nederlandse politiebeambte een hi five of een stevige hug zou geven aan een goede bekende. Zijn positie vereist toch afstandelijkheid, neutraliteit, emotieloosheid?

Hoe zit dat toch met gezag? Macht, hebben we geleerd, is vaak functiegebonden. Macht wordt uitgeoefend door machthebbers: degene met de wapens, met het geld, met de beslissingsbevoegdheid. Dat macht ook heel eenvoudig in verkeerde handen kan vallen, laat zich wellicht nog het sprekendst illustreren door 'het kind dat met vuur speelt'. Het beschíkken over macht(smiddelen) - lucifers, vuur - betekent niet vanzelfsprekend ook verstándig gebruik ervan.

Macht is een enorme verleider, werkelijk vergelijkbaar met sex. Niet voor niets maken liefde én macht blind. Dat doet ze ook. De invloed, die met macht gepaard gaat, verandert verhoudingen. Gepaai en gekonkel worden belangrijk om te herkennen. En juist dát is moeilijk voor mensen. Dat anderen het met je eens zijn, is toch logisch? Als je het verkeerd deed, had je de machtspositie niet. Toch? Een gaaf voorbeeld van een drogredenering.

Macht is in een bepaald opzicht ook een volslagen oninteressante factor. Macht geeft iemand de mogelijkheid iets af te dwíngen. Dat is net zo beklijvend als een dunne laag klatergoud: niet echt lang. Je móet excuses aanbieden? Geen probleem, want de enige echt relevante vraag is of je het ook méénde, de betekenis deelde: intensionality.

Heel veel mensen hebben macht. Heel veel mensen leven in een illusie dat ze ook richtinggevend zijn. Heel veel mensen worden geregeld belazerd door hun eigen illusie.

Vele malen interessanter is gezag. Machthebbers - directeuren, leidinggevenden, regel- en wetshandhavers, gewapenden, bij voorbeeld - leiden een bestaan dat is gebaseerd op drang en dwang. Een bestaan van constante dreiging, conflict en toneelspel. Het is dit wat heel veel verklaringskracht biedt voor werkplekgedrag. De pispaalpositie van bazen? Logisch. Want ze leggen een besluit op. Geklets op de werkvloer? Logisch. Want alleen in die gesprekken komt (een deel van) het echte oordeel boven.

Even terzijde: denk je - dit zo ziend - écht dat Het Nieuwe Werken ook werkelijk Het Nieuwe Werken wordt? De situatie waarin de werkgever het personeel - niet: zíjn personeel - zoveel vrijheid geeft dat ze zelf mogen en kunnen invullen hoe doelen te bereiken? Ik geloof er níets van. Niet omdat het idee slecht is - integendeel - maar omdat de tegenkracht enorm is: de illusie waarin velen zijn gaan gelóven.

Nogmaals, gezag is dan interessanter. Dat is een kwaliteit die aan een persoon beklijft. Belangrijker nog: het is een waardering die ánderen aan iemand toe delen. Gezag kríjg je. Waar macht top down functioneert, is gezag bottom up gebaseerd.

In de moderne manier van kijken en denken naar verhoudingen is gezag dan ook vele malen belangrijker geworden dan macht. Misschien niet onder die naam. Maar als je vanuit een ietwat andere hoek kijkt naar concepten user generated..., naar groundswell, naar influencers, naar ideeën over netwerken en over werknemers als ambassadeurs, dan staat er een iets ander beeld. Een beeld waarin de beweging van onderop toch echt belangrijker wordt gevonden.

Op dat terras in La Roche Bernard zat ik me - eventjes - af te vragen of de aanpak van die biker ook leidt tot een andere verhouding, veel meer gebaseerd op gezag dan op strepen op het uniform, op macht. En, zo ja, moet onze wijkagent dan ook gaan 'zoenen'? Maakt het lijflijk contact de relatie toch nét anders?

dinsdag 9 juli 2013

De pitloze samenleving

Laat ik beginnen met:
mijn overtuiging is dat het idee van een stuurbare samenleving een illusie is.

Alleen al onze taal geeft weer dat we zoveel facetten en dimensies kennen, dat het beheersen van alles ondoenlijk is. In hun fysieke vorm lopen onder- en bovenwereld in dezelfde fysieke omgeving. Maar verder zijn het eigen werelden.
Verkeer dat zich niet houdt aan de voorgekookte routes, heet sluipverkeer. Alsof daar een wat sinister aura omheen moet hangen. Verkeer plannen we over het algemeen toch al vrij slecht. Pas sinds enkele jaren dringt het besef door dat het weleens slim kan zijn wandelpaden aan te leggen die de natuurlijke loop volgen. De olifantepaadjes geïnstitutionaliseerd!

We regelen ons een slag in de rondte. Zonder noemenswaardig effect. Verkeersdeelnemers bepalen zelf wel wat wel en wat niet mogelijk is. En dus rijden de fietsers op fietspaden beide kanten op en staan auto's op 'onbenutte plekjes weg' geparkeerd.

Wat me intrigeert, is de opkomende netwerksamenleving en -economie. Die zal pitloos zijn.

map-of-internet

Het is niet niks als je 'overheid' bent, om te ontdekken dat je invloed snel afneemt. Toch is dat wat momenteel gebeurt. Het is ook zo voorspelbaar dát het gebeurt. Inmiddels is wel duidelijk dat andere verhoudingen ontstaan; op de arbeidsmarkt, maar ook in het openbaar bestuur. De veelgezochte Mondige Burger staat op, zij het anders dan gedacht.

In essentie is er aan de netwerken niet eens zo heel veel verandert. Het hebben van veel (losse) contacten was en is nog steeds lucratief. Wat wél veranderd, is de bereikbaarheid van die contacten. Sociale poortwachters worden gepasseerd. Ideeën en meningen overlijden niet langer 'in de pijplijn'. Allicht, het - tijdelijke - nadeel is dat soms ook teveel doorkomt. Met de gewenning aan korte lijnen zal - net als met een nieuw speeltje - de nieuwigheid worden vervangen door zelfkritisch gebruik.

Mondige Burgers zijn niet alleen degenen die goed weten van rechten en plichten. Het zijn óók degenen die de mores van een tegencultuur dragen waarin niet geld ruilmiddel is. Het zijn ook de jongeren die uit het zicht van de overheid leven; helemaal níet bézig met 'werk of opleiding'. Het zijn ook degenen die - al of niet uit nood geboren - op een andere manier met 'bezit' omgaan. Het zijn ook degenen voor wie duidelijk werd dat zij zélf hun toekomst moeten veiligstellen. Het zijn ook degenen die zelf stroom opwekken in een grid delen met de wijk.

feat2-1009-smartgrid-sys-fig01

De bouwstenen zijn misschien niet nieuw. De anarchisten en de anarcho-syndicalisten voorzagen een dergelijke dynamica al, zij het met andere intenties en gevolgen. Maar de zelfsturende kracht van groepen in de samenleving flakkert momenteel op. Of dat een vuurtje, een vuur of een uitdovend brandje zal zijn, moet nog blijken. De technologie maakt echter meer dan ooit mogelijk. Eigen banken? Ja, maar vooral ook eigen géldsystemen als LETS en Bitcoin. Hébben? Delen! Van slaapplaatsen tot kamers, van auto's tot gereedschappen.

Zoiets als het Internet heeft duidelijk gemaakt wat een kernloos netwerk vermag. Natuurlijk heeft het nog geen fundamentele verandering teweeg gebracht; dat gebeurt als de open netwerkvorm ook in de reële wereld neerslaat. De eerste stappen in die richting zijn gezet.

In een kernloos netwerk is geen sturend orgaan aanwezig. Connecties en verkeer ontstaan naar gelang de behoefte. Sluipverkeer bestaat niet. Een knooppunt kan hoogstens niet meer 'mee doen' en zichzelf buitenspel plaatsen.

Dat is de verandering: enkele grote monopolisten worden aangevuld met (vervangen door?) vele kleinschalige leveranciers. Zoals bekend van school: kleine eenheden zijn moeilijker te beïnvloeden van buitenaf.

In dat licht bezien is het interessant waar zometeen de overheid blijft. De discussie binnen de wereld van ambtenaren wekt de indruk dat men daar nog steeds denkt een regelende positie te behouden.

De kans is veel groter dat zij één van velen worden.