Ze bestaan echt, hoor: die dagen waarmee de duvel speelt. "Het is alsof de duvel ermee speelt" betekent zoveel als "da's toevallig!". Of dat echt zo is?! Toeval bestaat, maar sommige onderwerpen zijn zó populair dat de kans ook wel érg groot is dat je het vaker tegenkomt.
Vandaag heb ik twee gesprekken gevoerd waarin netwerken een belangrijke rol spelen. In beide gesprekken kwam ook het thema van het miskende netwerk voorbij.
De term is verleidelijk: netwerk. Iets als een spinnenweb of een visnet, stellen we ons in het dagelijks taalgebruik erbij voor. En iets veiligs: risico's worden gespreid, lasten gedeeld en een groep die je beschermd.
Een netwerk bestaat uit knooppunten. Die knooppunten zijn niet per definitie allemaal even sterk. Een netwerk is dús per definitie flexibel, op zoek naar stabiliteit. Posities zijn niet vaststaand; ook niet ten opzichte van elkaar. Er is altijd een dynamische kracht aanwezig.
Netwerken zijn onlosmakelijk verbonden met interactie. Ze zijn er dus al zo lang er leven is. In dat opzicht is de mededeling dat we 'nu in een netwerksamenleving zijn terecht gekomen' enigszins onzin.
Niet de netwerken zijn nieuw. Ze zijn volop in beweging, waardoor posities veranderen. Onrust heerst.
Overheden bijvoorbeeld hebben decennialang in de veronderstelling verkeerd dat zij bepaalden wat in het collectieve en openbare deel van de samenleving gebeurde. De kritiek op de ivoren torens van de ambtenarij en het eigen dromen najagen van politici, komt daaruit voort; "u bedenkt van achter uw bureau wat goed is voor ons". Die positie was ook vrij eenvoudig te handhaven, omdat informatie niet makkelijk toegankelijk was.
Da's allemaal aan het veranderen. Exclusieve instrumenten zijn breder beschikbaar, en dat geldt ook voor informatie en kennis. Machtscentra zijn aan het verschuiven. De overheid heeft moeite daar mee om te gaan. Plots is de dynamiek de dynamiek van een netwerk. Daar is geen regisseur in bedacht. het netwerk zélf, de verhoudingen bepalen de dynamiek.
In die situatie kan - gaat! - het dus gebeuren dat andere partijen sterker worden dan jij. Voor een partij die comfortabel 'op het pluche' of 'aan de knoppen zat' moet dat een lastige ervaring zijn. Het zal je dan ook niet verrassen dat het gesprek vooral ging over het begeleiden van gemeenten in dergelijke trajecten (op verzoek krijg je van mij de naam van m'n gsprekspartner).
Waar, in essentie, overheden zich moeten realiseren ónderdeel te zijn van een netwerk, geldt bijna het omgekeerde voor individuen.
Niet dat individuen niet in een netwerk opereren. Dat doen ze - uiteraard - wel. Sterker, de netwerktheorieën zijn ontstaan op basis van waarneming van menselijk gedrag. Als ze al bestaan: mensen zonder netwerk, de eenzamen, sterven eerder. Dat zegt vast wel iets over de noodzaak van sociaal contact.
Over een bijzondere variant spraken we in het tweede gesprek; over de fixatie van werkzoekenden op het vinden van een baan. Da's eigenlijk raar. Niet de eigen kracht, inspiratie, droom, competenties of energie staat centraal, maar de afhankelijkheid van anderen die banen aanbieden.
Sollicitatieplicht past niet meer in deze tijd. Enerzijds worden werkzoekenden getraind in het nieuwe netwerken en vooral het belang van netwerken. Tegelijk wordt langs de andere kant diezelfde werkzoekende terug geduwd (in de tijd) om zichzelf afhankelijk te maken van initiatieven van anderen: het aanbieden van banen. Het zélf actief worden en wérk maken uit eigen energie - de nieuwe weg - is echter de manier die past in dat netwerk. Dat zal het UWV, dat zullen politici en ambtenaren zich eindelijk eens moeten realiseren.
Netwerken: zo simpel is dat nog niet. En een wondermiddel helemaal al niet!
Posts tonen met het label samenwerken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label samenwerken. Alle posts tonen
maandag 21 oktober 2013
dinsdag 9 juli 2013
De pitloze samenleving
Laat ik beginnen met:
Alleen al onze taal geeft weer dat we zoveel facetten en dimensies kennen, dat het beheersen van alles ondoenlijk is. In hun fysieke vorm lopen onder- en bovenwereld in dezelfde fysieke omgeving. Maar verder zijn het eigen werelden.
Verkeer dat zich niet houdt aan de voorgekookte routes, heet sluipverkeer. Alsof daar een wat sinister aura omheen moet hangen. Verkeer plannen we over het algemeen toch al vrij slecht. Pas sinds enkele jaren dringt het besef door dat het weleens slim kan zijn wandelpaden aan te leggen die de natuurlijke loop volgen. De olifantepaadjes geïnstitutionaliseerd!
We regelen ons een slag in de rondte. Zonder noemenswaardig effect. Verkeersdeelnemers bepalen zelf wel wat wel en wat niet mogelijk is. En dus rijden de fietsers op fietspaden beide kanten op en staan auto's op 'onbenutte plekjes weg' geparkeerd.
Wat me intrigeert, is de opkomende netwerksamenleving en -economie. Die zal pitloos zijn.

Het is niet niks als je 'overheid' bent, om te ontdekken dat je invloed snel afneemt. Toch is dat wat momenteel gebeurt. Het is ook zo voorspelbaar dát het gebeurt. Inmiddels is wel duidelijk dat andere verhoudingen ontstaan; op de arbeidsmarkt, maar ook in het openbaar bestuur. De veelgezochte Mondige Burger staat op, zij het anders dan gedacht.
In essentie is er aan de netwerken niet eens zo heel veel verandert. Het hebben van veel (losse) contacten was en is nog steeds lucratief. Wat wél veranderd, is de bereikbaarheid van die contacten. Sociale poortwachters worden gepasseerd. Ideeën en meningen overlijden niet langer 'in de pijplijn'. Allicht, het - tijdelijke - nadeel is dat soms ook teveel doorkomt. Met de gewenning aan korte lijnen zal - net als met een nieuw speeltje - de nieuwigheid worden vervangen door zelfkritisch gebruik.
Mondige Burgers zijn niet alleen degenen die goed weten van rechten en plichten. Het zijn óók degenen die de mores van een tegencultuur dragen waarin niet geld ruilmiddel is. Het zijn ook de jongeren die uit het zicht van de overheid leven; helemaal níet bézig met 'werk of opleiding'. Het zijn ook degenen die - al of niet uit nood geboren - op een andere manier met 'bezit' omgaan. Het zijn ook degenen voor wie duidelijk werd dat zij zélf hun toekomst moeten veiligstellen. Het zijn ook degenen die zelf stroom opwekken in een grid delen met de wijk.

De bouwstenen zijn misschien niet nieuw. De anarchisten en de anarcho-syndicalisten voorzagen een dergelijke dynamica al, zij het met andere intenties en gevolgen. Maar de zelfsturende kracht van groepen in de samenleving flakkert momenteel op. Of dat een vuurtje, een vuur of een uitdovend brandje zal zijn, moet nog blijken. De technologie maakt echter meer dan ooit mogelijk. Eigen banken? Ja, maar vooral ook eigen géldsystemen als LETS en Bitcoin. Hébben? Delen! Van slaapplaatsen tot kamers, van auto's tot gereedschappen.
Zoiets als het Internet heeft duidelijk gemaakt wat een kernloos netwerk vermag. Natuurlijk heeft het nog geen fundamentele verandering teweeg gebracht; dat gebeurt als de open netwerkvorm ook in de reële wereld neerslaat. De eerste stappen in die richting zijn gezet.
In een kernloos netwerk is geen sturend orgaan aanwezig. Connecties en verkeer ontstaan naar gelang de behoefte. Sluipverkeer bestaat niet. Een knooppunt kan hoogstens niet meer 'mee doen' en zichzelf buitenspel plaatsen.
Dat is de verandering: enkele grote monopolisten worden aangevuld met (vervangen door?) vele kleinschalige leveranciers. Zoals bekend van school: kleine eenheden zijn moeilijker te beïnvloeden van buitenaf.
In dat licht bezien is het interessant waar zometeen de overheid blijft. De discussie binnen de wereld van ambtenaren wekt de indruk dat men daar nog steeds denkt een regelende positie te behouden.
De kans is veel groter dat zij één van velen worden.
mijn overtuiging is dat het idee van een stuurbare samenleving een illusie is.
Alleen al onze taal geeft weer dat we zoveel facetten en dimensies kennen, dat het beheersen van alles ondoenlijk is. In hun fysieke vorm lopen onder- en bovenwereld in dezelfde fysieke omgeving. Maar verder zijn het eigen werelden.
Verkeer dat zich niet houdt aan de voorgekookte routes, heet sluipverkeer. Alsof daar een wat sinister aura omheen moet hangen. Verkeer plannen we over het algemeen toch al vrij slecht. Pas sinds enkele jaren dringt het besef door dat het weleens slim kan zijn wandelpaden aan te leggen die de natuurlijke loop volgen. De olifantepaadjes geïnstitutionaliseerd!
We regelen ons een slag in de rondte. Zonder noemenswaardig effect. Verkeersdeelnemers bepalen zelf wel wat wel en wat niet mogelijk is. En dus rijden de fietsers op fietspaden beide kanten op en staan auto's op 'onbenutte plekjes weg' geparkeerd.
Wat me intrigeert, is de opkomende netwerksamenleving en -economie. Die zal pitloos zijn.
Het is niet niks als je 'overheid' bent, om te ontdekken dat je invloed snel afneemt. Toch is dat wat momenteel gebeurt. Het is ook zo voorspelbaar dát het gebeurt. Inmiddels is wel duidelijk dat andere verhoudingen ontstaan; op de arbeidsmarkt, maar ook in het openbaar bestuur. De veelgezochte Mondige Burger staat op, zij het anders dan gedacht.
In essentie is er aan de netwerken niet eens zo heel veel verandert. Het hebben van veel (losse) contacten was en is nog steeds lucratief. Wat wél veranderd, is de bereikbaarheid van die contacten. Sociale poortwachters worden gepasseerd. Ideeën en meningen overlijden niet langer 'in de pijplijn'. Allicht, het - tijdelijke - nadeel is dat soms ook teveel doorkomt. Met de gewenning aan korte lijnen zal - net als met een nieuw speeltje - de nieuwigheid worden vervangen door zelfkritisch gebruik.
Mondige Burgers zijn niet alleen degenen die goed weten van rechten en plichten. Het zijn óók degenen die de mores van een tegencultuur dragen waarin niet geld ruilmiddel is. Het zijn ook de jongeren die uit het zicht van de overheid leven; helemaal níet bézig met 'werk of opleiding'. Het zijn ook degenen die - al of niet uit nood geboren - op een andere manier met 'bezit' omgaan. Het zijn ook degenen voor wie duidelijk werd dat zij zélf hun toekomst moeten veiligstellen. Het zijn ook degenen die zelf stroom opwekken in een grid delen met de wijk.
De bouwstenen zijn misschien niet nieuw. De anarchisten en de anarcho-syndicalisten voorzagen een dergelijke dynamica al, zij het met andere intenties en gevolgen. Maar de zelfsturende kracht van groepen in de samenleving flakkert momenteel op. Of dat een vuurtje, een vuur of een uitdovend brandje zal zijn, moet nog blijken. De technologie maakt echter meer dan ooit mogelijk. Eigen banken? Ja, maar vooral ook eigen géldsystemen als LETS en Bitcoin. Hébben? Delen! Van slaapplaatsen tot kamers, van auto's tot gereedschappen.
Zoiets als het Internet heeft duidelijk gemaakt wat een kernloos netwerk vermag. Natuurlijk heeft het nog geen fundamentele verandering teweeg gebracht; dat gebeurt als de open netwerkvorm ook in de reële wereld neerslaat. De eerste stappen in die richting zijn gezet.
In een kernloos netwerk is geen sturend orgaan aanwezig. Connecties en verkeer ontstaan naar gelang de behoefte. Sluipverkeer bestaat niet. Een knooppunt kan hoogstens niet meer 'mee doen' en zichzelf buitenspel plaatsen.
Dat is de verandering: enkele grote monopolisten worden aangevuld met (vervangen door?) vele kleinschalige leveranciers. Zoals bekend van school: kleine eenheden zijn moeilijker te beïnvloeden van buitenaf.
In dat licht bezien is het interessant waar zometeen de overheid blijft. De discussie binnen de wereld van ambtenaren wekt de indruk dat men daar nog steeds denkt een regelende positie te behouden.
De kans is veel groter dat zij één van velen worden.
Labels:
buurt,
coöperatie,
kleinschalig,
maat,
mens,
netwerk,
overheid,
paradigma,
Revolutie,
samenwerken,
smartgrid
Locatie:
Leiden, Nederland
woensdag 3 juli 2013
de Deel-economie
Zou 't werken? Zou 't beklijven, blijven bestaan? Of is het een modieuse gril, een gevalletje wensdenken in een tijd waarin niemand de uitweg uit de misère lijkt te vinden?
The Economist noemde het The rise of the sharing economy: On the internet, everything is for hire.
De afbeelding waarmee het artikel begint, zegt genoeg. Zo lijkt het. Peer-to-peer rental, zoals The Economist het noemt, is het particulier verhuren van producten en diensten. Wat is daar nu bijzonder aan?
De motivatie.
Uiteraard heel cynisch gezegd, is dat nog steeds: geld (verdienen). Maar er is nog iets aan de gang wat dit wel degelijk bijzonder maakt. Dat is wellicht beter benoemd door Jeremiah Owyang van Altimeter: The Collaborative Economy.
De vraag die je je kunt stellen, is of dit allemaal zo nieuw en spectaculair is. Nee, dus. Uitlenen en delen doen we allemaal ons hele leven. Waarom zou dit dan ontregelend kunnen zijn, zoals sommigen menen?
Hierom:
Dát is dus wel wezenlijk anders, als het echt doorzet. Niet langer koop je diensten en goederen voor gebruik door jou zelf. Natuurlijk, je koopt primair nog steeds uit eigen behoefte. Maar de stap die daarvoor is gekomen, is het nagaan of er niet iemand in jouw omgeving die dienst of dat product al heeft en kan leveren. Tegen betaling.
Wat anders is, is de reikwijdte. Waar je vroeger alleen in eigen kennissenkring zocht, maakt nu de technologie het mogelijk veel breder te zoeken. Wat ook anders is, is dat steeds vaker producten worden 'verhuurd' die tot voor kort werden gezien als privé. De auto is wellicht nog het beste voorbeeld. Je eigen auto verhuren; wie had dat vijf jaar geleden gedacht?
Maar echt ontregelend, zijn de mogelijke gevolgen van dat delen.
Bij die auto blijvend. Waarom zouden er nog zoveel auto's moeten rondrijden, worden gekocht en dus worden gemaakt, als we gaan delen? De tijd dat het huishouden de maat der dingen, voor bezit was, lijkt voorbij. Waarom zou iedereen een eigen grasmaaier moeten hebben, als je die toch maar eens per week gebruikt. Een zware betonboor: wie gebruikt zo'n ding vaker dan eens per jaar? Kinderoppas? Nee, ouderenverzorging: uit de buurt? Boodschappenservice: doen de buurjongens dat niet?
De transitie van een bezits- naar een deeleconomie, zal niet eenvoudig zijn. De economische ongezondheid levert wel een rugwind op: het persoonlijk hébben, is gebaseerd op voldoende financiële middelen. En die nemen af.
Mijn voorspelling zou zijn dat de maakindustrie dan nog zware klappen gaat krijgen. Die is immers helemaal gebaseerd op het ons allemaal afzonderlijk verkopen van producten. Delen leidt tot minder omzet. Krimp is onvermijdelijk. Daarentegen gaat een andere tak van sport meer kansen krijgen. Intensiever gebruik leidt tot relatief snellere slijtage. (Kleinschalige) Reparatiewerkplaatsen zouden daarvan kunnen profiteren.
Kleinschaligheid is het woord bij uitstek wat in deze ontwikkeling past. Omdat de schaaloriëntatie veel plaatselijker wordt, zal ge- en verbruik ook door die schaal worden bepaald. De vreemde figuur doemt dan op dat we ons meer en meer richten op de fysieke lokale omgeving én op de wereldwijde.
Want dat delen; dat zie je net zo goed terug in globale systemen. Niet alleen de 'kamerverhuurders', maar zeker ook in de opkomst van directe financiering (crowdfunding bijvoorbeeld). Díe beweging zet de investeringsfunctie van banken onder grote druk. Maar ook de financiering van grote ondernemingen. Ik verwacht dat niet heel veel mensen een los productinitiatief van van een multinationale onderneming zouden ondersteunen, anders dan als aandeelhouder in het hele bedrijf. Het zou wel een test waard zijn.
Toch nog die 78 dia's aan het begin van deze blogpost doorkijken?! Lijkt me geen gek idee...
The Economist noemde het The rise of the sharing economy: On the internet, everything is for hire.
De afbeelding waarmee het artikel begint, zegt genoeg. Zo lijkt het. Peer-to-peer rental, zoals The Economist het noemt, is het particulier verhuren van producten en diensten. Wat is daar nu bijzonder aan?
De motivatie.
Uiteraard heel cynisch gezegd, is dat nog steeds: geld (verdienen). Maar er is nog iets aan de gang wat dit wel degelijk bijzonder maakt. Dat is wellicht beter benoemd door Jeremiah Owyang van Altimeter: The Collaborative Economy.
De vraag die je je kunt stellen, is of dit allemaal zo nieuw en spectaculair is. Nee, dus. Uitlenen en delen doen we allemaal ons hele leven. Waarom zou dit dan ontregelend kunnen zijn, zoals sommigen menen?
Hierom:
The collaborative economy reflects a more sustainable economy where the needs of the population quickly outstrip the ability of the planet to create products.
Dát is dus wel wezenlijk anders, als het echt doorzet. Niet langer koop je diensten en goederen voor gebruik door jou zelf. Natuurlijk, je koopt primair nog steeds uit eigen behoefte. Maar de stap die daarvoor is gekomen, is het nagaan of er niet iemand in jouw omgeving die dienst of dat product al heeft en kan leveren. Tegen betaling.
Wat anders is, is de reikwijdte. Waar je vroeger alleen in eigen kennissenkring zocht, maakt nu de technologie het mogelijk veel breder te zoeken. Wat ook anders is, is dat steeds vaker producten worden 'verhuurd' die tot voor kort werden gezien als privé. De auto is wellicht nog het beste voorbeeld. Je eigen auto verhuren; wie had dat vijf jaar geleden gedacht?
Maar echt ontregelend, zijn de mogelijke gevolgen van dat delen.
Bij die auto blijvend. Waarom zouden er nog zoveel auto's moeten rondrijden, worden gekocht en dus worden gemaakt, als we gaan delen? De tijd dat het huishouden de maat der dingen, voor bezit was, lijkt voorbij. Waarom zou iedereen een eigen grasmaaier moeten hebben, als je die toch maar eens per week gebruikt. Een zware betonboor: wie gebruikt zo'n ding vaker dan eens per jaar? Kinderoppas? Nee, ouderenverzorging: uit de buurt? Boodschappenservice: doen de buurjongens dat niet?
De transitie van een bezits- naar een deeleconomie, zal niet eenvoudig zijn. De economische ongezondheid levert wel een rugwind op: het persoonlijk hébben, is gebaseerd op voldoende financiële middelen. En die nemen af.
Mijn voorspelling zou zijn dat de maakindustrie dan nog zware klappen gaat krijgen. Die is immers helemaal gebaseerd op het ons allemaal afzonderlijk verkopen van producten. Delen leidt tot minder omzet. Krimp is onvermijdelijk. Daarentegen gaat een andere tak van sport meer kansen krijgen. Intensiever gebruik leidt tot relatief snellere slijtage. (Kleinschalige) Reparatiewerkplaatsen zouden daarvan kunnen profiteren.
Kleinschaligheid is het woord bij uitstek wat in deze ontwikkeling past. Omdat de schaaloriëntatie veel plaatselijker wordt, zal ge- en verbruik ook door die schaal worden bepaald. De vreemde figuur doemt dan op dat we ons meer en meer richten op de fysieke lokale omgeving én op de wereldwijde.
Want dat delen; dat zie je net zo goed terug in globale systemen. Niet alleen de 'kamerverhuurders', maar zeker ook in de opkomst van directe financiering (crowdfunding bijvoorbeeld). Díe beweging zet de investeringsfunctie van banken onder grote druk. Maar ook de financiering van grote ondernemingen. Ik verwacht dat niet heel veel mensen een los productinitiatief van van een multinationale onderneming zouden ondersteunen, anders dan als aandeelhouder in het hele bedrijf. Het zou wel een test waard zijn.
Toch nog die 78 dia's aan het begin van deze blogpost doorkijken?! Lijkt me geen gek idee...
Labels:
arbeidsmarkt,
delen,
economie,
gunnen,
innovatie,
maatschappelij,
paradigma,
samenwerken,
sociaal,
sociale groep,
verhoudingen,
werkgelegenheid
Locatie:
Leiden, Nederland
zondag 16 juni 2013
Hij is niet meer
Het is vast doordat Cultura24 het hele weekeinde Pinkpop 2013 uitzendt, dat ik me dit herinnerde. Eerlijk gezegd, heb ik geen idee wat de herinnering precies wakker maakte. Hij was er ineens?Tijdens het kijken naar Lianne La Havas - had ik nóóit gehoord - schoot de gedachte langs 'hoe heette dat programma ook alweer dat gesprekken in muziek omzette?'.
Dat was dus de Listening Machine en ik zal je een beschrijving van de zoektocht besparen.
Twee dingen over die Listening Machine.
Het eerste is de vaststelling dat het project is van een publieke omroep en een externe partner. Daarop kun je alleen maar jaloers worden, vermoed ik, als Nederlandse publieke omroep. Het is niet niks in de ogen van 'nuchtere' - lees krenterig-zuinige - Nederlanders: een project om emotie in muziek om te zetten. Ik zie het al voor me: "En? Waarvoor dient het?".
Zullen we die toevoegen aan het lijsten verboden zinnen, zoals "Ja, maar..."? Nooit meer als eerste vragen naar nut of functie. Pas als, laten we zeggen, dertiende vraag mag dat.

Het tweede is het project zelf. Het is, jammer genoeg, gestopt. Maar dat neemt niet weg dat de website van The Listening Machine nog steeds de moeite waard is. En zeker die van de koepel waaronder hij werd ontwikkeld The Space.
Wat ik mooi vind, is een opmerking die in het kader van de ontwikkeling van The Listening Machine is gemaakt: dat ook de softwarebouwer een creatieve is. Dat wordt nog weleens vergeten. Dan krijg je zo'n situatie dat iemand iets bedenkt en dat 'een bouwer de opdracht krijgt dat te maken'. Zo, dus. Plof, op het bord. Doe mij dit maar.
Zo gaat dat dus niet. Ik kan helemaal niet code schrijven. Maar wat ik na al die jaren wél weet, is dat het geen 'bouwen' als in 'bouwen met constructieblokjes' is. Dat soort bestaat wel. Maar dat zijn vaker applicatie-inrichters. Die worden, begrijp ik, ook veel te duur betaald. Degene over wie we het hier hebben, zijn de mensen die beginnen met niets. Althans, niets anders dan een idee. Die mensen kun je niet zien als zuiver uitvoerend wat een ander bedenkt. Ze werken en denken mee.
Niet voor niets staat zijn naam er dus bij: Daniël Jones.
En nu zit ik me dus af te vragen hoe vaak ik zulke credits eigenlijk zie. Niet naar een bedrijf, maar naar een persoon. Weinig. Waarom eigenlijk?
Dat was dus de Listening Machine en ik zal je een beschrijving van de zoektocht besparen.
Twee dingen over die Listening Machine.
Het eerste is de vaststelling dat het project is van een publieke omroep en een externe partner. Daarop kun je alleen maar jaloers worden, vermoed ik, als Nederlandse publieke omroep. Het is niet niks in de ogen van 'nuchtere' - lees krenterig-zuinige - Nederlanders: een project om emotie in muziek om te zetten. Ik zie het al voor me: "En? Waarvoor dient het?".
Zullen we die toevoegen aan het lijsten verboden zinnen, zoals "Ja, maar..."? Nooit meer als eerste vragen naar nut of functie. Pas als, laten we zeggen, dertiende vraag mag dat.
Het tweede is het project zelf. Het is, jammer genoeg, gestopt. Maar dat neemt niet weg dat de website van The Listening Machine nog steeds de moeite waard is. En zeker die van de koepel waaronder hij werd ontwikkeld The Space.
Wat ik mooi vind, is een opmerking die in het kader van de ontwikkeling van The Listening Machine is gemaakt: dat ook de softwarebouwer een creatieve is. Dat wordt nog weleens vergeten. Dan krijg je zo'n situatie dat iemand iets bedenkt en dat 'een bouwer de opdracht krijgt dat te maken'. Zo, dus. Plof, op het bord. Doe mij dit maar.
Zo gaat dat dus niet. Ik kan helemaal niet code schrijven. Maar wat ik na al die jaren wél weet, is dat het geen 'bouwen' als in 'bouwen met constructieblokjes' is. Dat soort bestaat wel. Maar dat zijn vaker applicatie-inrichters. Die worden, begrijp ik, ook veel te duur betaald. Degene over wie we het hier hebben, zijn de mensen die beginnen met niets. Althans, niets anders dan een idee. Die mensen kun je niet zien als zuiver uitvoerend wat een ander bedenkt. Ze werken en denken mee.
Niet voor niets staat zijn naam er dus bij: Daniël Jones.
En nu zit ik me dus af te vragen hoe vaak ik zulke credits eigenlijk zie. Niet naar een bedrijf, maar naar een persoon. Weinig. Waarom eigenlijk?
Locatie:
Leiden, Nederland
zaterdag 1 juni 2013
Nieuwe zakken. Oude wijn.
Geschiedenis is eigenlijk een leuk vak. Dat vond ik in mijn jeugd een fikkie anders. Vooral dat moeten weten wat jaartallen, heeft mij nooit gelegen. Inmiddels weet je dat dat vervelende klusje hoort bij het krijgen van een historisch besef. Zoiets als dat de middeleeuwen toch echt vóór de Verlichting kwamen. Desondanks kan het mij nog steeds níet boeien wat ze nu precies in 1613 of 1741 deden. Of wanneer de Guldensporenslag precies plaatsvond. Ik zal eerlijk zijn: het antwoord daarop weet ik nu - nog steeds? - niet. Daarvoor is er nu Wikipedia.
Maar wat mij wel altijd heeft geboeid, zijn de verhalen.
Van de lagere school herinner ik me bar weinig. Eén van de dingen die ik me wél herinner, is een geschiedenisles. Op het zwarte schoolbord - niks groen, niks smartboard - had de meester een Romeins fort getekend. Man, wat kon die meester vertellen. Dat is toch wel enorm bepalend, hoor: het enthousiasme wat iemand uitstraalt. Op de middelbare school had ik bijvoorbeeld leraren die zelfs wiskunde en natuurkunde zó aantrekkelijk maakten, dat ik die koos in het vakkenpakket. Dat er grenzen zijn aan het effect, bewees in diezelfde periode de leraar scheikunde. Die man maakte iedere les tot een belevenis. Toch is het me nooit gelukt dát vak onder de knie te krijgen.
Door de regionale nieuwswebsite VOLnieuws, waarvoor ik ook schrijf als correspondent, werd ik gevraagd van de week een artikel te schrijven over de kennismakingsbijeenkomst van Erfgoed Leiden en Omstreken. Dat is dus smullen als je van verhalen houdt. Man, man, wat een verhalen. Man, man, waarom vertellen ze die niet als verhálen?
Het erfgoedcentrum beheert: monumenten, archieven, museumstukken. Het erfgoedcentrum ontsluit; zeker de digitalisering heeft dat een impuls gegeven. Het Leids regionaal archief benut bijvoorbeeld de mogelijkheden van crowdsourcing door iedereen de mogelijkheid te geven mee te werken aan het digitaliseren. Maar ook wordt actief meegewerkt aan verzoeken om materiaal te gebruiken voor bijvoorbeeld televisieprogramma's. Basisscholen krijgen les in museumbezoek. Het erfgoedcentrum maakt boekjes en brochures.
Het samenbrengen van bouwhistorie, archief en archeologie in één organisatie is uniek in Nederland, zo werd me verteld. Het effect van die samenwerking merken de medewerkers al. Details worden rijker. Begrip van de geschiedenis groter. Aanwijzingen voor nieuwe stappen komen uit nieuwe hoeken. Maar wat mij verbaast, ook hier: men vertélt de verhalen niet. Daarnaar gevraagd, is het standaardantwoord dat al het materiaal beschikbaar wordt gesteld om zélf mee aan de slag te gaan.
Maar hoe ga je aan de slag met informatie waarover je onvoldoende kennis hebt?
Uit de kudde stokpaarden er dus maar eentje opgediept: een pleidooi voor verhalen vertellen. En dan vooral ingekleurd. Dat betekent dat historie niet afschermend werkt - "ja, maar dat hebben we nooit kunnen bewijzen" - maar als leidraad. Vul het historisch verantwoord raamwerk in met onbewezen details. Vanwege wetenschappelijke integriteit zou je zelfs kunnen overwegen om de verhalenvertellers een aparte functie te laten zijn. Sterker: ik zou daarvoor pleiten, want verhalen vind je overal. Wat denk je van hulpverleners? Een beter begrip van een vak krijg je als je het beter begrijpt.
De bijeenkomst in Leiden vond plaats op één van die oude plekken in de stad. Daarvan hebben we er nogal wat. Je loopt er inmiddels achteloos aan voorbij. Deze ook. Als je er langs loopt op de Oude Rijn zie je niet veel meer dan een oud huis. Totdat je dus een keer naar binnen kan.

Dan blijkt het huis niet zomaar een huis, maar een restant van het Catharina Gasthuis. En dát is een complex aan verhalen. Man, man, smúllen! Wie het 'woonhuis' doorloopt, komt in een binnentuin. Om je heen kijkend, zie je daar het huis waar je net uit komt. Dat blijkt het pockhuys te zijn geweest. Niks pokken, syphilis. Afkomstig uit het buitenland. Je ziet de achterkant van een kerk. En hoort dat dat eerst een ziekenzaal met kapel was en pas láter in zijn geheel kerk. Je blijkt een stuk onkruid overwoekert groen te zien: ergens daaronder ligt de middeleeuwse 'inpandige' begraafplaats. De plattegrond hierboven, via het Erfgoedcentrum beschikbaar, geeft je wat aanwijzingen.
Maar er zijn uit de archieven mooie ínkleuringen van het leven daar, te horen. Van vee dat binnen het gasthuisterrein liep. De ongelooflijk nauwkeurige administratie van bouw en van de bakkerij; je zíet de balken en de rekeningen. Niet direct des gasthuis', maar wel erg leuk zijn ook de verhalen die zijn terug te vinden in de rechtbankregisters. Zo blijkt er ooit een man ter dood te zijn veroordeeld vanwege het - in spiegelbeeld!, de klungel - in grote aantallen vervalsen van gasthuisgeld.
Vertél dat verhaal!
Dan kom je ook tot de ontdekking dat sommige vraagstukken blijkbaar van alle tijden zijn. Het gsthuis was bedoeld voor de armen en hulpbehoevenden. Maar je kon je 'inkopen' als je zorgbehoevend was. Daarvoor gaf je al je bezit aan het gasthuis in ruil voor zorg. Bij overlijden verviel dat bezit aan het gasthuis. Inderdaad, dat bezat in de hele omgeving stukken grond. Het doet wel wat denken aan de moderne discussies over aanspreken van spaargeld. Daarbij is het wel belangrijk je te realiseren dat de grond, of het huis, ook toen niet direct in geld konden worden omgezet. In dat opzicht verschilt het mechanisme dus wel degelijk van het direct zelf betalen voor zorg.
Indertijd nam het gásthuis de gok dat de provenier voldoende zou opbrengen om de kosten te dekken.
Maar wat mij wel altijd heeft geboeid, zijn de verhalen.
Van de lagere school herinner ik me bar weinig. Eén van de dingen die ik me wél herinner, is een geschiedenisles. Op het zwarte schoolbord - niks groen, niks smartboard - had de meester een Romeins fort getekend. Man, wat kon die meester vertellen. Dat is toch wel enorm bepalend, hoor: het enthousiasme wat iemand uitstraalt. Op de middelbare school had ik bijvoorbeeld leraren die zelfs wiskunde en natuurkunde zó aantrekkelijk maakten, dat ik die koos in het vakkenpakket. Dat er grenzen zijn aan het effect, bewees in diezelfde periode de leraar scheikunde. Die man maakte iedere les tot een belevenis. Toch is het me nooit gelukt dát vak onder de knie te krijgen.
Door de regionale nieuwswebsite VOLnieuws, waarvoor ik ook schrijf als correspondent, werd ik gevraagd van de week een artikel te schrijven over de kennismakingsbijeenkomst van Erfgoed Leiden en Omstreken. Dat is dus smullen als je van verhalen houdt. Man, man, wat een verhalen. Man, man, waarom vertellen ze die niet als verhálen?
Het erfgoedcentrum beheert: monumenten, archieven, museumstukken. Het erfgoedcentrum ontsluit; zeker de digitalisering heeft dat een impuls gegeven. Het Leids regionaal archief benut bijvoorbeeld de mogelijkheden van crowdsourcing door iedereen de mogelijkheid te geven mee te werken aan het digitaliseren. Maar ook wordt actief meegewerkt aan verzoeken om materiaal te gebruiken voor bijvoorbeeld televisieprogramma's. Basisscholen krijgen les in museumbezoek. Het erfgoedcentrum maakt boekjes en brochures.
Het samenbrengen van bouwhistorie, archief en archeologie in één organisatie is uniek in Nederland, zo werd me verteld. Het effect van die samenwerking merken de medewerkers al. Details worden rijker. Begrip van de geschiedenis groter. Aanwijzingen voor nieuwe stappen komen uit nieuwe hoeken. Maar wat mij verbaast, ook hier: men vertélt de verhalen niet. Daarnaar gevraagd, is het standaardantwoord dat al het materiaal beschikbaar wordt gesteld om zélf mee aan de slag te gaan.
Maar hoe ga je aan de slag met informatie waarover je onvoldoende kennis hebt?
Uit de kudde stokpaarden er dus maar eentje opgediept: een pleidooi voor verhalen vertellen. En dan vooral ingekleurd. Dat betekent dat historie niet afschermend werkt - "ja, maar dat hebben we nooit kunnen bewijzen" - maar als leidraad. Vul het historisch verantwoord raamwerk in met onbewezen details. Vanwege wetenschappelijke integriteit zou je zelfs kunnen overwegen om de verhalenvertellers een aparte functie te laten zijn. Sterker: ik zou daarvoor pleiten, want verhalen vind je overal. Wat denk je van hulpverleners? Een beter begrip van een vak krijg je als je het beter begrijpt.
De bijeenkomst in Leiden vond plaats op één van die oude plekken in de stad. Daarvan hebben we er nogal wat. Je loopt er inmiddels achteloos aan voorbij. Deze ook. Als je er langs loopt op de Oude Rijn zie je niet veel meer dan een oud huis. Totdat je dus een keer naar binnen kan.
Dan blijkt het huis niet zomaar een huis, maar een restant van het Catharina Gasthuis. En dát is een complex aan verhalen. Man, man, smúllen! Wie het 'woonhuis' doorloopt, komt in een binnentuin. Om je heen kijkend, zie je daar het huis waar je net uit komt. Dat blijkt het pockhuys te zijn geweest. Niks pokken, syphilis. Afkomstig uit het buitenland. Je ziet de achterkant van een kerk. En hoort dat dat eerst een ziekenzaal met kapel was en pas láter in zijn geheel kerk. Je blijkt een stuk onkruid overwoekert groen te zien: ergens daaronder ligt de middeleeuwse 'inpandige' begraafplaats. De plattegrond hierboven, via het Erfgoedcentrum beschikbaar, geeft je wat aanwijzingen.
Maar er zijn uit de archieven mooie ínkleuringen van het leven daar, te horen. Van vee dat binnen het gasthuisterrein liep. De ongelooflijk nauwkeurige administratie van bouw en van de bakkerij; je zíet de balken en de rekeningen. Niet direct des gasthuis', maar wel erg leuk zijn ook de verhalen die zijn terug te vinden in de rechtbankregisters. Zo blijkt er ooit een man ter dood te zijn veroordeeld vanwege het - in spiegelbeeld!, de klungel - in grote aantallen vervalsen van gasthuisgeld.
Vertél dat verhaal!
Dan kom je ook tot de ontdekking dat sommige vraagstukken blijkbaar van alle tijden zijn. Het gsthuis was bedoeld voor de armen en hulpbehoevenden. Maar je kon je 'inkopen' als je zorgbehoevend was. Daarvoor gaf je al je bezit aan het gasthuis in ruil voor zorg. Bij overlijden verviel dat bezit aan het gasthuis. Inderdaad, dat bezat in de hele omgeving stukken grond. Het doet wel wat denken aan de moderne discussies over aanspreken van spaargeld. Daarbij is het wel belangrijk je te realiseren dat de grond, of het huis, ook toen niet direct in geld konden worden omgezet. In dat opzicht verschilt het mechanisme dus wel degelijk van het direct zelf betalen voor zorg.
Indertijd nam het gásthuis de gok dat de provenier voldoende zou opbrengen om de kosten te dekken.
Labels:
eigen bijdrage,
eigen geld,
gasthuis,
historie,
inkopen,
Leiden,
leren,
outbound werken,
pockhuys,
samenwerken,
story telling,
zorg
Locatie:
Leiden, Nederland
vrijdag 1 maart 2013
Het eind van Het Nieuwe Werken
Ze hebben het allemaal natuurlijk allang voorspeld: dat <a href="http://het-nieuwe-werken.startpagina.nl/">Nieuwe Werken</a> kón niet lukken. Dat idee dat mensen lokatie- en tijd-onafhankelijk productiever zouden zijn dan gewoon iedere werkdag op vastgestelde tijden op kantoor verschijnen. En nu bewijst een internetbegrip als Yahoo dat dat inderdaad ook niet kan. De nieuwe topman, sorry -vrouw, van het bedrijf verordonneerde dat medewerkers zich ook op geregelde tijden op kantoor laten zien.
<a href="http://allthingsd.com/20130225/survey-says-despite-yahoo-ban-most-tech-companies-support-work-from-home-for-employees/">AllThingsD </a>(Wall Street Journal) stuitte op dit interne memo van Yahoo-topvrouw Marissa Meyer en bracht het van de week naar buiten:
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2013/02/photo-28-02-13-18-07-50.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2013/02/photo-28-02-13-18-07-50.jpg?w=300" alt="Photo 28-02-13 18 07 50" width="300" height="287" class="alignnone size-medium wp-image-3513" /></a>
Het verhaal laat zich raden. Yahoo - een bedrijf onder druk - probeert vereende krachten te verzamelen en op die manier (weer) een positie in de kopgroep van het veld te verwerven. Dan heb je dus weer sprankelende ideeën nodig. Die krijg je niet als mensen elkaar te weinig zien. Die werkwijze past goed bij solistisch werk, maar niet bij groepswerk. Logisch, toch?
In het kielzog van Yahoo zag je de afgelopen week meer directeuren, voorzitters van raden van bestuur én hun medewerkers ineens <a href="http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/detail/3400832/2013/02/27/Nine-to-five-en-dan-de-kroeg-in-dat-is-zo-slecht-nog-niet.dhtml">'uit de kast'</a> komen over Het Nieuwe Werken. Opvallend genoeg bleken de medewerkers vooral problemen te hebben met het gevoel buiten de organisatie en vooral buiten de bedrijfspolitiek te staan. Zorgen, dus, over de kansen op promotie en zorgen over dat beroemd-beruchte 'witte voetje bij de baas'.
En dus is het aftakeling van Het Nieuwe Werken ingezet.
Níet. Vind ik.
Want het is behoorlijk inflattoir dat begrip Het Nieuwe Werken. Inmiddels lijkt het zo dat alle thuiswerk-activiteit onder Het Nieuwe Werken wordt geschaard. Ook wordt het concept ge- en misbruikt om flexibeler kantoorgebruik te rechtvaardigen. Dat dat, heel toevallig, ook leidt tot flexibeler, lees: kwantitatief beperktere, kantoorinrichting, is mooi meegenomen in deze tijden van economisch zwaar weer.
Het Nieuwe Werken is echter iets heel anders.
Niet dat ik pretendeer dé of een definitie te hebben van Het Nieuwe Werken, wil ik wel een poging wagen de geest ervan te benoemen. Die zou wat mij betreft moeten zijn dat niet het wérken centraal staat, maar de atmosfeer, de cultuur, de omgeving. Het Nieuwe Werken is werken in een veilige omgeving. Die omgeving voelt als thuis, net zo veilig en net zo flexibel. Dát is Het Nieuwe Werken: je thuisvoelen.
Thuis is vooral een kwestie van geborgenheid. Dat is een kernbegrip in het Nieuwe Denken, zoals ik dat maar ven noem. Onder verschillende namen en in verschillende gedaanten en variaties zie je het terug: in de idee van een <em>tribe</em>, in de nieuwe organisatievormen, in verdienmodellen op basis van 'geven, en later innen', in begrippen als gunfactor.
Dat is wat veel ondernemers die 'aan Het Nieuwe Werken beginnen' niet snappen. Het Nieuwe Werken is geen kunstje met laptops, mobiele telefoons of thuiswerkplekken. Het Nieuwe Werken is ontastbaar.
Het Nieuwe Werken is niet ontstaan binnen grote, bestaande bedrijven. De eerste aanzetten komen heel ergens anders vandaan; uit de wereld van de kleine, beginnende bedrijven. De ondernemers die, niet per sé zelf gekózen, samenhokten en later huisvesting vonden in omgevingen als Seats2Meet. Dát is het begin: mensen die hun eigen ding deden, maar ook aanspraak zochten. Die gelijkgestemden klonterden in nieuwe vormen van bedrijfsvoering.
Voor mij is er ook reden aan te nemen dat grote bedrijven niet aan Het Nieuwe Werken kúnnen doen anders dan de cosmetische versie. Kom maar op. Eén van de problemen waar grote bedrijven mee worstelen, is nu juist die samenhangende cultuur, is nu juist (het ontbreken van) geborgenheid. Hoe identificeer je je met een werkgever die slechts een losvaste relatie met jou heeft? Vergis je niet: dát is wel een verschil met (ooit) bijvoorbeeld PTT. Dat bedrijf had een levenslange relatie met personeel en personeel vond zichzelf lid van de postfamilie.
In een groot bedrijf één samenhangende cultuur bewerkstelligen eist nogal wat. Een gemiddeld bedrijf gaat niet doen wat bijvoorbeeld Apple doet: hoe je het wendt of keert een stevig gesloten (angst)cultuur scheppen. Het Nieuwe Werken maakt iets anders noodzakelijk: een huiselijke sfeer bijna. Dat betekent dat werk en privé minder strikt zijn gescheiden. Dat is niet hetzelfde als de geslepen directeur die slinks meer arbeidsuren te krijgen door te stellen "dat we hier geen negen tot vijf-mentaliteit hebben". De kans is groot dat dat gewoon ouderwetse uitbuiting is. In Het Nieuwe Werken is er oprechte interesse.
Gaat Het Nieuwe Werken het redden? Da's dus een heel lastige.
In de meeste bedrijven is het inmiddels al zo gedevalueerd tot synoniem voor slechtere arbeidsomstandigheden en klassiek thuiswerken dat de kansen op cultuuraanpassing gering zijn. Die kansen zijn er wel bij de startende ondernemers: de eenpersoons tot max. vijfpersoons bedrijven om de schaalgrootte te bepalen. Maar veel essentiëler is de opstelling van íedereen in die onderneming. Het Nieuwe Werken lukt alleen als iedereen ook het idee heeft volwaardig deel te nemen. Ik geloof er niets van dat de huidige generatie leidinggevende daartoe in staat is. Ook van de nieuwe ondernemers zal een deel door de mand vallen als het bedrijf groeit: dan ontpopt zich de klassieke directieve directeur.
Maar zolang we onze startende ondernemers koesteren - zeker de idealistische - is er hoop op verandering. Die tegenkracht is alleen maar positief.
In afwachting van die ontwikkelingen moeten we maar accepteren dat Het Nieuwe Werken devalueert en dat met name overheden nog steeds denken dat 'programma's' en 'plannen van (huisvestings)eisen' zoden aan de dijk zetten. Dat doen ze níet!
Labels:
bazen,
familie,
gezin,
nieuwe werken,
samenwerken,
technologie,
thuiswerken,
vertrouwen,
yahoo
Locatie:
Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)