Eén van de grootste complimenten die ik afgelopen twee jaar kreeg, was dit: "Jij manipuleert niet. Je spant mensen niet voor je karretje. Je gebruikt ze niet voor je eigen belang." Het was niet eens bedoeld als compliment. Dit is wat een groot loopbaanbegeleidingsbureau bij monde van een medewerker me antwoordde toen ik 'm vroeg hoe het toch kwam dat je (ik) vaak met lege handen achter blijft als je samenwerkt.
Het klopt.
Het is een zwaar ondergewaardeerd fenomeen. Dit lijkt de periode van onbegrensde mogelijkheden. De periode waarin iedereen met een goed idee een serieuze poging kan doen dat te verwezenlijken, vooral als er 'tech' bij is betrokken. Ik schreef er al eerder over. Links, rechts, boven en beneden zien mensen kansen; kansen om mee te scoren. De modernste inzichten gebruiken prachtige namen als Lean Startup, maar zijn in essentie niet anders dan wat ondernemers ondernemer maakt: het lef om te starten en bij te sturen richting winst. Niet eerst uitdenken of doordenken. Dóen.
Veel daarvan is gebaseerd op ideologie, een afzetten tegen de gevestigde orde en de conventionele aanpak. "Wij doen het anders." Daar doet zich iets vreemd voor. Want het blijkt een flinterdun laagje, die 'andere, nieuwe aanpak'. In de loop van de tijd blijken veel initiatieven kapot te slaan op de rotsen van de gevestigde orde of zich te bekeren tot geloof in de conservatiefste van de oude waarden: géld verdienen.
Ik durf te wedden dat over een jaar of twintig een groot aantal idealistische ondernemers aan de andere kant van de lijn zijn beland; zoals ook de jaren zestig-idealist is opgeslokt. Wat rest - en dat is wel degelijk belangrijk - is de póging op een andere manier te werken: coöperatief, ad hoc en in netwerken. Maar pas als 'geld' in al zijn perversiteit wordt ontmaskerd, zal dat echt mogelijk worden.
In de tussentijd gaan heel veel mensen beschadigd worden.
Het zullen nog steeds de grote bekken, de ego-trippers, de zelfvoldanen en de manipulatoren zijn die 'winnen'. Winnen, in de huidige vervliegende betekenis van het woord: zij zullen verdienen, zij zullen aandacht krijgen en zij zullen daaraan macht ontlenen. We zullen wolven in schaapskleren zien. Dat klinkt zwartgallig. Maar ik denk het te zien gebeuren, stukje bij beetje. De wolven bevinden zich in een Land van Overdaad; een land waar schapen 'delen' vanzelfsprekend beginnen te vinden zonder zich druk te maken over wie wat doet met het gedeelde.
Wentelen in weelde - of dat nu fysiek of virtueel is, juwelen of geluk zeg maar - is blijkbaar een menselijke voorkeur. Het maakt het huidig tijdsgewricht woest en gewelddadig. Want oude waarden en normen botsen nu met mogelijk nieuwe. Die botsing is echter een frontale. Of is het een slim opnemen (assimileren) van nieuwe mogelijkheden door feitelijk conservatieve ondernemers?
Wat ik je brom: in de komende jaren zullen veel ideeën van eigenaar wisselen. Erger dan ooit zal er worden gejat en geclaimd. Het wrange zal zijn dat de nieuwe denkers helemaal gelijk hebben: een gedeeld idee hééft meer en dus betere kansen realiteit te worden. Het ironische ervan is dat degenen die daarvan profijt zullen trekken, juist níet de innovatieve denkers zijn maar de surrogaat-innovatoren.
Me dunkt, toch weer iets om over na te denken.
Posts tonen met het label sociaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociaal. Alle posts tonen
dinsdag 28 oktober 2014
zondag 26 oktober 2014
De omgekeerde stad
Verandering is leven. Wat niet verandert, ís dood of gáát dood. Survival of the fittest: niet de sterkste maar de best aangepaste (fittest) overleeft.
Veranderende betekenis is vaak een bron van ellende; zeker als-i bewúst wordt toegepast.
Het naakte feit dat een stad als Leiden aan city marketing doet, is op de keper beschouwd een veeg teken voor de inwoners. Tal van initiatieven zijn bezig met het verkopen van de stad. Waar marketing zich richt op 'klantrelaties' doet zich echter iets opvallends voor. De klant is primair niet de inwoner. De klant is de toerist, de dagjesmens, de winkelende mens, de congresbezoeker, degene van búiten de stad.
Daarmee is de stad omgekeerd. Was het decennia geleden nog de plek waar werd samengewoond, -geleefd en -geproduceerd in de vorm van een samenleving, is het nu een productiemiddel geworden. De stad als onderneming, als bedrijf. Niet de inwoner, zijn voorkeuren en belangen zijn richtinggevend, maar het daarvan losstaande belang van de vreemdeling. Dat impliceert principieel vervreemding in de stad. Waar ooit mensen naar Leiden kwamen omdat ónze sfeer hen beviel en aantrok, nu wordt de sfeer aangepast aan hún wensen. Dat in toeristische kernen als Amsterdam en Barcelona de inwoners de stad hún stad niet meer vinden, is in dat licht geen onverwachte ontwikkeling. Ook Leiden loopt dat risico.
Een stad is van en voor z'n inwoners. Dat kan inderdaad frustrerend zijn op het moment dat de resultante daarvan niet jóuw gewenste resultante is. Wellicht ís een stad als Leiden wel een slaperig provinciestadje en niet een creatieve broedplaats of dynamisch cultureel centrum. Soit. Incasseren, dus. Maar nooit proberen om die stadsgeest te ontkennen en tóch iets anders te maken. Daarmee vervreemdt je.
Ik denk dat (veel van de) stads- en burgerinitiatieven daaraan leiden: een vervreemding van de stad, die zij zien als een neutraal, kneedbaar geheel. Waarin niet de gevolgen voor het samenleven, maar wel voor 'de toerist' of 'de economie' aandacht krijgen. Dan heb je de stad omgedraaid, ten dienste van andere belangen. Zonder dat uit te spreken.
Het is het eeuwig probleem van (sociale) verandering en vernieuwing. Dat gaat altijd gepaard met die survival of the fittest, overal en altijd.
Het laadt verantwoordelijkheid op jouw schouders; als je verandering wilt bewerkstelligen. De verantwoordelijkheid serieus aandacht te schenken aan degenen die géén voordeel zullen behalen, degenen die nádeel zullen ondervinden en degenen die geen stem hebben. Je mag het ook 'eerlijk spelen' noemen. Niet voor niets kost verandering tijd. Die is nodig voor gewenning en overdenking. Een stad leeft langzamer dan een beleidsnota bestaat.
Deze verwarring wordt grotendeels toegeschreven aan de gewijzigde betekenis van fittest. Toen deze term ontstond in Engeland betekende fittest vooral meest passend (to fit → passen) of het geschiktst in tegenstelling tot in de beste fysieke conditie.
Veranderende betekenis is vaak een bron van ellende; zeker als-i bewúst wordt toegepast.
Het naakte feit dat een stad als Leiden aan city marketing doet, is op de keper beschouwd een veeg teken voor de inwoners. Tal van initiatieven zijn bezig met het verkopen van de stad. Waar marketing zich richt op 'klantrelaties' doet zich echter iets opvallends voor. De klant is primair niet de inwoner. De klant is de toerist, de dagjesmens, de winkelende mens, de congresbezoeker, degene van búiten de stad.
Daarmee is de stad omgekeerd. Was het decennia geleden nog de plek waar werd samengewoond, -geleefd en -geproduceerd in de vorm van een samenleving, is het nu een productiemiddel geworden. De stad als onderneming, als bedrijf. Niet de inwoner, zijn voorkeuren en belangen zijn richtinggevend, maar het daarvan losstaande belang van de vreemdeling. Dat impliceert principieel vervreemding in de stad. Waar ooit mensen naar Leiden kwamen omdat ónze sfeer hen beviel en aantrok, nu wordt de sfeer aangepast aan hún wensen. Dat in toeristische kernen als Amsterdam en Barcelona de inwoners de stad hún stad niet meer vinden, is in dat licht geen onverwachte ontwikkeling. Ook Leiden loopt dat risico.
Een stad is van en voor z'n inwoners. Dat kan inderdaad frustrerend zijn op het moment dat de resultante daarvan niet jóuw gewenste resultante is. Wellicht ís een stad als Leiden wel een slaperig provinciestadje en niet een creatieve broedplaats of dynamisch cultureel centrum. Soit. Incasseren, dus. Maar nooit proberen om die stadsgeest te ontkennen en tóch iets anders te maken. Daarmee vervreemdt je.
Ik denk dat (veel van de) stads- en burgerinitiatieven daaraan leiden: een vervreemding van de stad, die zij zien als een neutraal, kneedbaar geheel. Waarin niet de gevolgen voor het samenleven, maar wel voor 'de toerist' of 'de economie' aandacht krijgen. Dan heb je de stad omgedraaid, ten dienste van andere belangen. Zonder dat uit te spreken.
Het is het eeuwig probleem van (sociale) verandering en vernieuwing. Dat gaat altijd gepaard met die survival of the fittest, overal en altijd.
Het betekent al helemaal niet dat de 'sterkste' het morele recht heeft te doen wat hij wil met de 'zwakkere' met de motivatie dat dat nu eenmaal zo werkt in de natuur. Kapitalisten, fascisten en nazi's gebruikten dit argument om hun imperialistische aspiraties te verdedigen.
Het laadt verantwoordelijkheid op jouw schouders; als je verandering wilt bewerkstelligen. De verantwoordelijkheid serieus aandacht te schenken aan degenen die géén voordeel zullen behalen, degenen die nádeel zullen ondervinden en degenen die geen stem hebben. Je mag het ook 'eerlijk spelen' noemen. Niet voor niets kost verandering tijd. Die is nodig voor gewenning en overdenking. Een stad leeft langzamer dan een beleidsnota bestaat.
vrijdag 24 oktober 2014
Kaart van Griebus Gebieden
Persoonlijk ben ik fan van dit jaargetijde, de herfst. De periode met z'n stormen, z'n miezer, z'n mist, z'n stortregens en vooral z'n loodgrijze schemers. Het is de periode van de dood en de aftakeling. En daarmee één van de twee seizoenen die het leven benadrukken. De andere is de lente, waarin alles weer ontstaat. De temperatuur is nog niet zo laag als dat-i in de winter kan zijn. Het weer bevindt zich nog niet in de klauwen van het 'stabiele' zomer- of winterweer. Alles beweegt en lijkt zich gehaast op te maken om weg te kruipen voor de winter.
Een dunne miezer druilt over Leiden neer en hult de stad in grijs.
Twijfelweer. Is de miezer serieus genoeg om voor regen te worden aangezien en een regenpak aan te trekken, een paraplu mee te nemen? Of loop je daarmee vooral te sjouwen? Zelfs de straatverlichting twijfelt, zo lijkt het, en gaat ogenschijnlijk te laat aan waardoor er een korte periode ontstaat waarin kleur wordt weg gezogen en low key overheerst. Film noir.
In die situatie wordt je meegezogen, mits je enigszins gevoelig bent. De melancholie van het beeld. De ondefinieerbare herinneringen aan huiselijke warmte. De plots aanwezige aandrang 'lekker eten' te maken. Alsof 'gezelligheid' een (vergeten) herfstgroente is.
Op straat valt - mij althans - op die dagen op dat het er ook andersoortige plekken zijn, de griebus gebieden. Zeker als de schemerperiodes samenvallen met het uitgaan van de kantoren vallen ze mij weer op. De weggetjes en pleintjes waar de duisternis al is en een late eenzame persoon zich doorheen spoedt. Griebus omdat de omgeving een onaangename sfeer heeft. Een van dreiging. Een van onoverzichtelijkheid, van rommel, van een gebrek aan menselijke interesse. Een griebus.
Het verbaast me al enkele jaren dat er geen overzichten zijn van die Griebus Gebieden per stad. Wat er wel (soms) is een geplotte kaart met statistische gegevens. Dat zijn de plekken waar werkelijk iets onrechtmatigs gebeurde (én gerapporteerd). Het zijn níet de plekken die als 'eng en gevaarlijk' worden erváren. Terwijl juist die ervaring bepalend is voor een veiligheidsgevoel. Of ken jij die ervaring niet? Die van 'dat ene straatje waar vaak wordt gevochten', 'dat steegje waar het pikkedonker is', of 'dat pleintje waar alleen maar tuig woont'? Iedereen kent het. Niet iedereen zal het toegeven. Maar da's een ander verhaal.
Als je aan innovatie denkt, zou een online Griebus Gebiedenkaart een werkelijk maatschappelijk relevante zijn. Hij zou immers de beleving van de stad in beeld brengen. Als iemand er eentje van en voor Leiden kan maken; ik ben benieuwd wat de Leidenaar dan als griebusgebieden aanwijst.
Een dunne miezer druilt over Leiden neer en hult de stad in grijs.
Twijfelweer. Is de miezer serieus genoeg om voor regen te worden aangezien en een regenpak aan te trekken, een paraplu mee te nemen? Of loop je daarmee vooral te sjouwen? Zelfs de straatverlichting twijfelt, zo lijkt het, en gaat ogenschijnlijk te laat aan waardoor er een korte periode ontstaat waarin kleur wordt weg gezogen en low key overheerst. Film noir.
In die situatie wordt je meegezogen, mits je enigszins gevoelig bent. De melancholie van het beeld. De ondefinieerbare herinneringen aan huiselijke warmte. De plots aanwezige aandrang 'lekker eten' te maken. Alsof 'gezelligheid' een (vergeten) herfstgroente is.
Op straat valt - mij althans - op die dagen op dat het er ook andersoortige plekken zijn, de griebus gebieden. Zeker als de schemerperiodes samenvallen met het uitgaan van de kantoren vallen ze mij weer op. De weggetjes en pleintjes waar de duisternis al is en een late eenzame persoon zich doorheen spoedt. Griebus omdat de omgeving een onaangename sfeer heeft. Een van dreiging. Een van onoverzichtelijkheid, van rommel, van een gebrek aan menselijke interesse. Een griebus.
Het verbaast me al enkele jaren dat er geen overzichten zijn van die Griebus Gebieden per stad. Wat er wel (soms) is een geplotte kaart met statistische gegevens. Dat zijn de plekken waar werkelijk iets onrechtmatigs gebeurde (én gerapporteerd). Het zijn níet de plekken die als 'eng en gevaarlijk' worden erváren. Terwijl juist die ervaring bepalend is voor een veiligheidsgevoel. Of ken jij die ervaring niet? Die van 'dat ene straatje waar vaak wordt gevochten', 'dat steegje waar het pikkedonker is', of 'dat pleintje waar alleen maar tuig woont'? Iedereen kent het. Niet iedereen zal het toegeven. Maar da's een ander verhaal.
Als je aan innovatie denkt, zou een online Griebus Gebiedenkaart een werkelijk maatschappelijk relevante zijn. Hij zou immers de beleving van de stad in beeld brengen. Als iemand er eentje van en voor Leiden kan maken; ik ben benieuwd wat de Leidenaar dan als griebusgebieden aanwijst.
Labels:
beleving,
context,
donker,
eng,
herfst,
realiteit,
sociaal,
subjectief,
veiligheid
donderdag 16 oktober 2014
Kleine irritaties worden groot
Van één of twee zandkorreltjes heb ik nooit last gehad. Maar één van de beelden - haast nachtmerries - uit m'n jeugd is dat eeuwige geschuur van zandkorrels op je huid na een zonverbrandende dag op het strand. Irritant. Ik geloof dat ik in die tijd een keer heb geprobeerd met sókken aan op het zand te lopen. Het kan ook zijn dat ik dat droomde.
Het gaat om de cumulatieve, versterkende werking van kleinigheden. We zijn zo goed in het wegrationaliseren ervan. We zijn zo kortzichtig om niet het vernietigend werk van die kleintjes op te merken, zoals we ook niet (kunnen) waarnemen wat de vernietigende kracht van waterdruppels is. Klein en met een langzaam optredend effect. Waarover maak je je dan druk?
En toch slopen ze een samenleving, die 'kleinigheden'. Niet door de omvang, maar door de opeenhoping en de traagheid.
In april 2013 heb ik er 's eentje beschreven: fietsen aan de hand meenemen op de markt. In Leiden is dat een plaag geworden. Fietsen die in een massa mensen moeten worden meegenomen. Fietsen die voor de marktkraampjes moeten worden vastgehouden. Fietsen die óp de markt moeten worden gestald. Bákfietsen die je vanzelfsprekend meeneemt. Wat klaag je nou? Het is toch niets? Af en toe een fiets. Een kleinigheid. En je hoort er nooit over klagen. Gezeur.
Mooi niet. Tot mijn verrassing is er niet een handjevol mensen dat zich ergert aan die fietsen. Het zijn er best veel. Kleinigheid?
Er zijn zat van die 'kleinigheden'. De fietsers op de stoep. De hangjongeren op straat. De ogen-uitstekende parapludrager. De middenin-een-drukke-winkelstraat-uitgebreid-met-bekenden-gaan-staan-ouwehoeren-liefst-met-z'n-zessen-of-meer mensen. De slimmerik die 'staat u in de ríj? Had ik echt niet gezien' inzet om onbeschoft voor te dringen. Die ene automobilist die toch écht niet kan autorijden en parkeren. De flapdrol die 's nachts loopt te schreeuwen op straat. De politie-auto die over het fietspad heen tégen het verkeer in onder de stadspoort door rijdt, zonder duidelijke reden. Die eikels die het teveel moeite vinden hun vuilnis ín de containers te gooien.
Kleine ergernissen, die tot iets enorm groots (kunnen) leiden.
Ik heb ooit ergens gewerkt waar men serieus dacht dat je alles tegen elkaar moest kunnen zeggen om achteraf weer goede vriendjes te zijn. Een idee wat onder amateurs meer wordt gehoord: "wij kunnen alles tegen elkaar zeggen". Nou, dat kun je dus níet. Ieder negatief woord zal een kras op de ziel maken die niet meer kan worden weggepoetst. Het effect is dat mensen beschadigd raken, zij het langzaam. De naïviteit is stuitend en getuigt van incapabele leiders (wat, tussen twee haakjes, ook bleek: managers werden gedoogd, maar zelden serieus genomen).
Het zijn allemaal voorbeeldjes waardoor ik dacht maar weer 's te moeten pleiten voor aandacht voor het vernietigende werk van die 'kleinigheden', voor die Chinese watermarteling.
Uiteindelijk leidt het allemaal tot chagrijn.
Degenen die ergernissen vaak afdoen als 'kleinigheid' zijn vaker degenen die niet afhankelijk zijn. Degenen die ze moeten verdragen, zijn vaak de mensen die als gevolg daarvan een opeenstapeling voor de kiezen krijgen. Van die 'kleinigheden' die stuk voor stuk bezien niets voorstellen, maar samen één grote ergernis vormen.
In een stad, zoals Leiden, kun je het zelfs zíen. Wijken waar het vuil op straat ligt (want de buurtbewoners houden zich niet aan de regels, lamenietlachen), waar parkeerproblemen ontstaan door (te?) smalle straten en (te?) kleine huizen, waar regenwater tot enórme plassen op straat leidt. Alles bij elkaar geeft je dat toch het gevoel anders behandeld te worden (hetgeen uiteraard in alle toonaarden en met prachtige verklaringen wordt ontkend). Kleinigheden.
Eerlijk gezegd, zou ik stomverbaasd moeten zijn over de mensen die redeneren met 'kleinigheden'. Maar ik blijk ze steeds minder interessant te zijn gaan vinden. Kleine, beperkte denkers. Mensen die grote problemen alleen nog maar kunnen snappen door er hapklare brokjes van te maken, die de essentie van 'één en één is drie' en 'het totaal is méér dan de som der delen' feitelijk helemaal níet snappen.
Het is ook helemaal niet vreemd dat we als samenleving nu staan waar we staan. We zijn de kleinigheden, de details vergeten.
Het gaat om de cumulatieve, versterkende werking van kleinigheden. We zijn zo goed in het wegrationaliseren ervan. We zijn zo kortzichtig om niet het vernietigend werk van die kleintjes op te merken, zoals we ook niet (kunnen) waarnemen wat de vernietigende kracht van waterdruppels is. Klein en met een langzaam optredend effect. Waarover maak je je dan druk?
En toch slopen ze een samenleving, die 'kleinigheden'. Niet door de omvang, maar door de opeenhoping en de traagheid.
In april 2013 heb ik er 's eentje beschreven: fietsen aan de hand meenemen op de markt. In Leiden is dat een plaag geworden. Fietsen die in een massa mensen moeten worden meegenomen. Fietsen die voor de marktkraampjes moeten worden vastgehouden. Fietsen die óp de markt moeten worden gestald. Bákfietsen die je vanzelfsprekend meeneemt. Wat klaag je nou? Het is toch niets? Af en toe een fiets. Een kleinigheid. En je hoort er nooit over klagen. Gezeur.
Mooi niet. Tot mijn verrassing is er niet een handjevol mensen dat zich ergert aan die fietsen. Het zijn er best veel. Kleinigheid?
Er zijn zat van die 'kleinigheden'. De fietsers op de stoep. De hangjongeren op straat. De ogen-uitstekende parapludrager. De middenin-een-drukke-winkelstraat-uitgebreid-met-bekenden-gaan-staan-ouwehoeren-liefst-met-z'n-zessen-of-meer mensen. De slimmerik die 'staat u in de ríj? Had ik echt niet gezien' inzet om onbeschoft voor te dringen. Die ene automobilist die toch écht niet kan autorijden en parkeren. De flapdrol die 's nachts loopt te schreeuwen op straat. De politie-auto die over het fietspad heen tégen het verkeer in onder de stadspoort door rijdt, zonder duidelijke reden. Die eikels die het teveel moeite vinden hun vuilnis ín de containers te gooien.
Kleine ergernissen, die tot iets enorm groots (kunnen) leiden.
Ik heb ooit ergens gewerkt waar men serieus dacht dat je alles tegen elkaar moest kunnen zeggen om achteraf weer goede vriendjes te zijn. Een idee wat onder amateurs meer wordt gehoord: "wij kunnen alles tegen elkaar zeggen". Nou, dat kun je dus níet. Ieder negatief woord zal een kras op de ziel maken die niet meer kan worden weggepoetst. Het effect is dat mensen beschadigd raken, zij het langzaam. De naïviteit is stuitend en getuigt van incapabele leiders (wat, tussen twee haakjes, ook bleek: managers werden gedoogd, maar zelden serieus genomen).
Het zijn allemaal voorbeeldjes waardoor ik dacht maar weer 's te moeten pleiten voor aandacht voor het vernietigende werk van die 'kleinigheden', voor die Chinese watermarteling.
Uiteindelijk leidt het allemaal tot chagrijn.
Degenen die ergernissen vaak afdoen als 'kleinigheid' zijn vaker degenen die niet afhankelijk zijn. Degenen die ze moeten verdragen, zijn vaak de mensen die als gevolg daarvan een opeenstapeling voor de kiezen krijgen. Van die 'kleinigheden' die stuk voor stuk bezien niets voorstellen, maar samen één grote ergernis vormen.
In een stad, zoals Leiden, kun je het zelfs zíen. Wijken waar het vuil op straat ligt (want de buurtbewoners houden zich niet aan de regels, lamenietlachen), waar parkeerproblemen ontstaan door (te?) smalle straten en (te?) kleine huizen, waar regenwater tot enórme plassen op straat leidt. Alles bij elkaar geeft je dat toch het gevoel anders behandeld te worden (hetgeen uiteraard in alle toonaarden en met prachtige verklaringen wordt ontkend). Kleinigheden.
Eerlijk gezegd, zou ik stomverbaasd moeten zijn over de mensen die redeneren met 'kleinigheden'. Maar ik blijk ze steeds minder interessant te zijn gaan vinden. Kleine, beperkte denkers. Mensen die grote problemen alleen nog maar kunnen snappen door er hapklare brokjes van te maken, die de essentie van 'één en één is drie' en 'het totaal is méér dan de som der delen' feitelijk helemaal níet snappen.
Het is ook helemaal niet vreemd dat we als samenleving nu staan waar we staan. We zijn de kleinigheden, de details vergeten.
woensdag 1 oktober 2014
vrijwilliger als norm
Mijn ervaring als vrijwilliger is gevarieerd en lang. Als ik er 's bij stilsta, besef ik dat het eigenlijk net zo omvangrijk is als m'n professionele cv. Maar de waarde ervan is volledig anders.
Pas geleden schreef ik me in voor een cursus bij één van de organisaties waar ik werk. Op zich niets bijzonders; ik ben er nog steeds van overtuigd dat je nooit te oud bent om te leren en van het principe 'levenslang leren'. Wel vat ik dan 'leren' niet op als boeken- of opleidingswijsheid opdoen, maar vooral ook als levenslessen en praktijkkennis. En nee, daarmee devalueer je die eerste groep niet, maar (her)waardeer je wel de tweede. Na negenenvijftig jaar zie ik steeds meer hoe we de balans hebben laten doorslaan.
"Nou, dat wordt dus een vrijwilligersmiddag". De woorden zijn van de secretaresse die de registratie bijhoudt. Op de lijst blijken alleen maar vrijwillige medewerkers te staan. De betaalde medewerkers met name blinken uit door afwezigheid. Wellicht dat de komende dagen nog verandert.
Mij deed het wel denken: waarom zijn er wel vrijwillige krachten ingeschreven?
Eerlijk gezegd denk ik dat het álles te maken heeft met motivatie. Veruit de meeste vrijwillige medewerkers zijn - nog wel - mensen die intrinsiek gemotiveerd zijn. Ze zijn niet met extrinsieke verleiders verlokt. Geen (hoger) salaris, geen (grotere) auto, geen bonus; van die extrensieke lokkers is bekend dat ze maar tijdelijk werken; lang genoeg om een medewerker vast te houden.
Dan zit je daar. Als één van de velen die dan wel aardig verdient, maar toch ontevreden is (en toch niet weg gaat). Accenture beweert in 2012:
Het is de ape-val die je vasthoudt. Kokosnoot, met touw vastgemaakt. Gat erin, net groot genoeg voor een gestrekte hand. Met in de noot aas. Aas beetpakken, betekent dat je zonder loslaten niet los komt. En, hup: aap gevangen, want die schijnen niet te willen loslaten of te laat loslaten. De extrinsieke motivatoren zijn het aas in jouw val.
Eigenlijk is het de omgekeerde wereld en zouden we onbetaald vrijwilligerswerk tot norm moeten nemen.
Ik denk dat er geen werkgever is die het aan zou durven het bedrijf zoals-i dat nu heeft te baseren op vrijwilligheid. Te baseren op intrinsieke motivatie van medewerkers. De kans is enorm dat op duizenden plekken de mensen weglopen. Dat is een veeg teken, want het impliceert dat er ongelooflijk veel mensen op plekken zitten die ze niet bevalt. Maar ook dat ze het werk daar ongeïnspireerd doen. Dat wat voor loyaliteit wordt versleten feitelijk gevangenschap is. Alsof een gevangene loyaal is aan z'n gevangenis omdat-i niet weg gaat.
Zonder basisinkomen of iets dergelijks kom je niet veel verder. Maar een slimme werkgever werft actief onbetaalde vrijwilligers. Die mensen zullen op den duur de motivatie van anderen kunnen beïnvloeden. Lol brengen in en op het werk. Dan denk je over vrijwillig werk op een veel constructievere manier dan als gratis oplossing voor je probleem.
Maar dan moet je wel de vrijwílliger (en zijn motivatie) tot norm maken.
Pas geleden schreef ik me in voor een cursus bij één van de organisaties waar ik werk. Op zich niets bijzonders; ik ben er nog steeds van overtuigd dat je nooit te oud bent om te leren en van het principe 'levenslang leren'. Wel vat ik dan 'leren' niet op als boeken- of opleidingswijsheid opdoen, maar vooral ook als levenslessen en praktijkkennis. En nee, daarmee devalueer je die eerste groep niet, maar (her)waardeer je wel de tweede. Na negenenvijftig jaar zie ik steeds meer hoe we de balans hebben laten doorslaan.
"Nou, dat wordt dus een vrijwilligersmiddag". De woorden zijn van de secretaresse die de registratie bijhoudt. Op de lijst blijken alleen maar vrijwillige medewerkers te staan. De betaalde medewerkers met name blinken uit door afwezigheid. Wellicht dat de komende dagen nog verandert.
Mij deed het wel denken: waarom zijn er wel vrijwillige krachten ingeschreven?
Eerlijk gezegd denk ik dat het álles te maken heeft met motivatie. Veruit de meeste vrijwillige medewerkers zijn - nog wel - mensen die intrinsiek gemotiveerd zijn. Ze zijn niet met extrinsieke verleiders verlokt. Geen (hoger) salaris, geen (grotere) auto, geen bonus; van die extrensieke lokkers is bekend dat ze maar tijdelijk werken; lang genoeg om een medewerker vast te houden.
Dan zit je daar. Als één van de velen die dan wel aardig verdient, maar toch ontevreden is (en toch niet weg gaat). Accenture beweert in 2012:
More than half of respondents (57 percent of women, 59 percent of men) indicated they are dissatisfied with their jobs
Het is de ape-val die je vasthoudt. Kokosnoot, met touw vastgemaakt. Gat erin, net groot genoeg voor een gestrekte hand. Met in de noot aas. Aas beetpakken, betekent dat je zonder loslaten niet los komt. En, hup: aap gevangen, want die schijnen niet te willen loslaten of te laat loslaten. De extrinsieke motivatoren zijn het aas in jouw val.
Eigenlijk is het de omgekeerde wereld en zouden we onbetaald vrijwilligerswerk tot norm moeten nemen.
Ik denk dat er geen werkgever is die het aan zou durven het bedrijf zoals-i dat nu heeft te baseren op vrijwilligheid. Te baseren op intrinsieke motivatie van medewerkers. De kans is enorm dat op duizenden plekken de mensen weglopen. Dat is een veeg teken, want het impliceert dat er ongelooflijk veel mensen op plekken zitten die ze niet bevalt. Maar ook dat ze het werk daar ongeïnspireerd doen. Dat wat voor loyaliteit wordt versleten feitelijk gevangenschap is. Alsof een gevangene loyaal is aan z'n gevangenis omdat-i niet weg gaat.
Zonder basisinkomen of iets dergelijks kom je niet veel verder. Maar een slimme werkgever werft actief onbetaalde vrijwilligers. Die mensen zullen op den duur de motivatie van anderen kunnen beïnvloeden. Lol brengen in en op het werk. Dan denk je over vrijwillig werk op een veel constructievere manier dan als gratis oplossing voor je probleem.
Maar dan moet je wel de vrijwílliger (en zijn motivatie) tot norm maken.
maandag 22 september 2014
JA! - fondsen
Innoveren is verschrikkelijk lastig. Als men je niet voor volslagen geschift houdt, is het minste toch wel de vraag of je kunt aantonen dat gaat gebeuren wat jij zegt. Of dat het wat opbrengt. Per slot van rekening leven de meeste mensen in een wereld die wordt gedomineerd door (het verdienen, krijgen en houden van) geld. Alles draait om geld. Vooral in bedrijven kan men er wat van. Daar vragen ze zonder van schaamte van kleur te verschieten om bizniz cases. Da's leuk als je boekje zevenendertig van een nieuwe vormgeving voorziet, maar niet als je nog onbewezen technieken wilt gaan inzetten. Dan blijkt je eerste barrière je eigen werk(gever).
Het is geen bijzonder verschijnsel. Als je het ietsje verbreedt, zie je het 'overal'. NWO kent subsidies en beurzen toe; de klacht is dat het een tombola is en dat de mogelijk baanbrekende ideeën niet doordringen omdat ze nog onbewijsbaar zijn. Theatergezelschappen moeten kunnen aantonen hoeveel toeschouwers zij bij een voorstelling, die pas over twee of drie jaar 'staat', verwachten. Of, nog erger, ze moeten zaalgroottes aanvragen in plaats van voorstellingen. Welzijn lijdt er al decennia onder: de aantoondrift. Kwantificeren, benchmarken en protocolleren: termen die van onbegrip voor mensenwerk getuigen. Als een soort van kippedrift gaat bewijsvoering door het land.
De idioterie is dat er wel geld is voor vernieuwing. Maar die is onbereikbaar als je niet aan 'de regels' voldoet. En één van die regels is vaak een uitgebreid bewijsplan. Paradox: geld voor vernieuwing is vooral gericht op status quo.
Inmiddels ben ik zo ver dat ik denk dat we stomweg al die fondsen, overheden, bureaus de rug moeten toekeren en het zelf doen. Je hebt vooral last van bemoeials als je de gebruikelijke wegen naar geld kiest.
Mijn idee is het JA!-fonds.
Eén van de mooiere ontwikkeling van deze tijd is het verschijnsel crowdfunding. Ben ik nog uit de generatie voor wie directe democratie een (ijdele) hoop was; nu is daar plots directe financiën. Wat is er mooier dan dat ík kan kiezen waaraan ik mijn €100 - of meer - besteed? Websites zát waar honderden ideeën staan, die steun zoeken. En als jij en ik daarin iets zien, kunnen wíj dat steunen. Hoezo gemeente? Hoezo bank? Hoezo fonds? Communis opinio!
De variant waarvoor ik pleit, is hierop gebaseerd. Het enige verschil is dat je niet een concreet project steunt, maar een fonds. Een fonds met de nadrukkelijke doelstelling innovaties die niet direct kunnen worden bewezen, te steunen. Het 'Ja, doen we' in plaats van 'Nee, want' of 'Ja, maar'. Idealistisch? Zeker. De inleggers zullen ook idealistisch zíjn en gelóven in (maatschappelijke) projecten in plaats van financiële opbrengst. Het structureren zal nog voeten in aarde hebben. Om misbruik te reduceren zal zo'n fonds moeten worden opgeknipt in kleinere delen met allemaal dezelfde stichtingsdoelen. Kleinere delen maken de verleiding om 'een héél klein beetje te sjoemelen' kleiner.
Mijn droom is dat zo'n JA!-fonds in iedere stad te vinden is. Megalomane landelijke maatschappelijk projecten rieken al naar onzin doordat ze plaatselijke (cultuur)verschillen ontkennen en omdat ze blijkbaar uit gaan van standaardmensen en standaardoplossingen. Die tijd is voorbij. Die projecten moeten stoppen. En dus is een lokale financieringsstroom nodig. Eentje die 'van ons' is. Eentje die 'risico' kan en moet nemen als het gaat om sociale projecten die nog onbewijsbaar zijn. Eentje die niet gek is en zich laat 'misbruiken', maar wel uitgaat van vertrouwen.
Dán laat je de bestaande structuren achter je en stoomt op. Dan heb je geen burgerinitiatief, maar burger(s) met initiatief. Dan hebben we weer meer heft in handen.
Het is geen bijzonder verschijnsel. Als je het ietsje verbreedt, zie je het 'overal'. NWO kent subsidies en beurzen toe; de klacht is dat het een tombola is en dat de mogelijk baanbrekende ideeën niet doordringen omdat ze nog onbewijsbaar zijn. Theatergezelschappen moeten kunnen aantonen hoeveel toeschouwers zij bij een voorstelling, die pas over twee of drie jaar 'staat', verwachten. Of, nog erger, ze moeten zaalgroottes aanvragen in plaats van voorstellingen. Welzijn lijdt er al decennia onder: de aantoondrift. Kwantificeren, benchmarken en protocolleren: termen die van onbegrip voor mensenwerk getuigen. Als een soort van kippedrift gaat bewijsvoering door het land.
De idioterie is dat er wel geld is voor vernieuwing. Maar die is onbereikbaar als je niet aan 'de regels' voldoet. En één van die regels is vaak een uitgebreid bewijsplan. Paradox: geld voor vernieuwing is vooral gericht op status quo.
Inmiddels ben ik zo ver dat ik denk dat we stomweg al die fondsen, overheden, bureaus de rug moeten toekeren en het zelf doen. Je hebt vooral last van bemoeials als je de gebruikelijke wegen naar geld kiest.
Mijn idee is het JA!-fonds.
Eén van de mooiere ontwikkeling van deze tijd is het verschijnsel crowdfunding. Ben ik nog uit de generatie voor wie directe democratie een (ijdele) hoop was; nu is daar plots directe financiën. Wat is er mooier dan dat ík kan kiezen waaraan ik mijn €100 - of meer - besteed? Websites zát waar honderden ideeën staan, die steun zoeken. En als jij en ik daarin iets zien, kunnen wíj dat steunen. Hoezo gemeente? Hoezo bank? Hoezo fonds? Communis opinio!
De variant waarvoor ik pleit, is hierop gebaseerd. Het enige verschil is dat je niet een concreet project steunt, maar een fonds. Een fonds met de nadrukkelijke doelstelling innovaties die niet direct kunnen worden bewezen, te steunen. Het 'Ja, doen we' in plaats van 'Nee, want' of 'Ja, maar'. Idealistisch? Zeker. De inleggers zullen ook idealistisch zíjn en gelóven in (maatschappelijke) projecten in plaats van financiële opbrengst. Het structureren zal nog voeten in aarde hebben. Om misbruik te reduceren zal zo'n fonds moeten worden opgeknipt in kleinere delen met allemaal dezelfde stichtingsdoelen. Kleinere delen maken de verleiding om 'een héél klein beetje te sjoemelen' kleiner.
Mijn droom is dat zo'n JA!-fonds in iedere stad te vinden is. Megalomane landelijke maatschappelijk projecten rieken al naar onzin doordat ze plaatselijke (cultuur)verschillen ontkennen en omdat ze blijkbaar uit gaan van standaardmensen en standaardoplossingen. Die tijd is voorbij. Die projecten moeten stoppen. En dus is een lokale financieringsstroom nodig. Eentje die 'van ons' is. Eentje die 'risico' kan en moet nemen als het gaat om sociale projecten die nog onbewijsbaar zijn. Eentje die niet gek is en zich laat 'misbruiken', maar wel uitgaat van vertrouwen.
Dán laat je de bestaande structuren achter je en stoomt op. Dan heb je geen burgerinitiatief, maar burger(s) met initiatief. Dan hebben we weer meer heft in handen.
Labels:
burgerinitiatief,
innovatie,
kapitaal,
lef,
risico,
sociaal,
subsidie,
vertrouwen
maandag 8 september 2014
Een levende stad
Blogde ik gisteren over sociale-archeologie; vandaag zat ik weer te grasduinen in de foto's die ik in steden maak. Veruit de meeste daarvan zijn echt herinneringskiekjes. Van die foto's die je, soms heel impulsief, maakt als je iets ziet en je weet dat je dat gaat vergeten áls je niet....... Dat soort foto's.
Sommige zijn met knippen en andere bewerkingen nog een beetje acceptabel te maken. Ik ben er niet gefocust en vakman genoeg voor om direct bruikbare beelden te maken. Als je er een aantal maakt, zijn daartussen echter altijd wel leuke te vinden.
Het zijn die beelden die mij boeien. Groots, verborgen, petieterig klein: alles kan. En soms is het maar even echt mooi, of in het echt nog véél mooier. Deze bijvoorbeeld knalde eruit doordat de zakkende zon vooral het stuk beschilderde muur bescheen:

Eén van de mooiste schilderingen vond ik deze. De boom hoort er gewoon bij:

En voor deze ben ik met m'n ontstoken voet zelfs terug gelopen omdat ik na tweehonderd meter ineens bedacht: "Maar dat was een collage, op die buitenmuur achter de steiger":

Ik weet 't. Het zijn geen prijswinnende foto's. Dat hoeft ook niet. Het zijn privé kiekjes. Voor deze keer gebruikt om jou te laten zien dat de stad leeft, als je 'm de kans geeft.
Sommige zijn met knippen en andere bewerkingen nog een beetje acceptabel te maken. Ik ben er niet gefocust en vakman genoeg voor om direct bruikbare beelden te maken. Als je er een aantal maakt, zijn daartussen echter altijd wel leuke te vinden.
Het zijn die beelden die mij boeien. Groots, verborgen, petieterig klein: alles kan. En soms is het maar even echt mooi, of in het echt nog véél mooier. Deze bijvoorbeeld knalde eruit doordat de zakkende zon vooral het stuk beschilderde muur bescheen:
Eén van de mooiste schilderingen vond ik deze. De boom hoort er gewoon bij:
En voor deze ben ik met m'n ontstoken voet zelfs terug gelopen omdat ik na tweehonderd meter ineens bedacht: "Maar dat was een collage, op die buitenmuur achter de steiger":
Ik weet 't. Het zijn geen prijswinnende foto's. Dat hoeft ook niet. Het zijn privé kiekjes. Voor deze keer gebruikt om jou te laten zien dat de stad leeft, als je 'm de kans geeft.
zondag 7 september 2014
sociaal-archeologisch onderzoek
Dit is een foto van Onraad en Dood.

Die onschuldig ogende vlaggetjes markeren Onraad en Dood. Zeker in de kustprovincies zie je vaak vrolijk wapperend staan, vooral de oranje. Ze horen bij de verzameling Geheimzinnige Tekens In Het Landschap (GT). Toevallig ken ik deze. Maar het heeft me tijd gekost voordat ik eindelijk eens een keer uitzocht wat die houten paaltjes met oranje kopjes die in bouwkavels staan precies zijn, of de plastic strookjes die uit net gestorte zandlagen steken. Voor degenen die nu gaan zoeken: kadasterpaaltjes zijn het niet, omdat ze niet permanent genoeg zijn. Die GT's hebben me ondermeer geholpen sommige treinreizen te verzachten. Lekker naar buiten kijken en daarna eens een hele poos nadenken over een paaltje, vlaggetje of woord.
De mooiste, vind ik, zijn die welke je herinneren. Aan een overstroming - 'het water kwam in 1801 tot híer' - of een vergane tijd - 'deze contouren markeren een gebouw dat hier ooit stond en waarvan de resten meters onder je liggen'. En als ik eerlijk ben, vooral die eerste categorie. Die vind je ook in huizen: de groeistreepjes van kinderen.
De vlaggetjes langs de slootkant passen daar niet goed in (alhoewel honderd meter verderop al jaren een bosje bloemen aan de boom herinnert aan een fataal ongeluk). Toch laten ook zij iets zien van een parallelle wereld op diezelfde plek. Daar waar ik op een zondag niets anders zag dan een wegberm en slootkant met een reeks vlaggetjes zal een van van de komende dagen een man met lieslaarzen opduiken voor wie die vlaggetjes een signaalbetekenis hebben. De oranje zijn het teken dat daar een muskusrattenval staat. De gele markeren mollenvallen. Voor die twee betekenen die vlaggetjes een verdrinkings- of beklemmingsdood.
Wat ik toch wel verontrustend vond aan de vlaggetjes, is dat het er heel veel op een kort stukje zijn. Meestal staan er drie tot vijf oranje vlaggetjes. De rattenvanger lijkt overlopen te worden.
Tekens zijn overal om je heen. Aantrekkingskracht gaat uit van de onbekende, de jargontekens. De meeste kan ik niet plaatsen, snap ik niet. Neem alleen alle graffiti maar: wie maakte dat? (het blind taggen vind ik niet interessant. Dat is meer een symbool van 'Kijk mij nâh. IK was hier'). De markeringspaaltjes - wat markeren ze?. De plastic strookjes in een zandbed - die voor snellere drainage zorgdragen. En een beetje creatieve geest ziet er veel meer. Werkelijk.
In Leiden fotografeerde ik ooit een aanplakbord waar de aanplakbiljetten, zwaar doorweekt geweest, vanaf werden gepeld door de wind. Maar de tot nu mooiste zag ik in Berlijn. Deze:

Ik vind het nog steeds één van de mooiste beelden die ik zag van 'sociale omgeving'. Zo'n lantaarnpaal die jarenlang beplakt is geweest en nu een soort van papierboom is geworden. Hoe oud zou-i zijn? Ik heb het toen, tweetend, sociaal-archeologisch onderzoek genoemd. Je pelt de geschiedenis af. Je leest de jaarringen van deze papierboom. De bands, de ontwikkeling in de muziek, de voorkeuren van de stad. Het voordeel van het ongeordende, denk ik dan. Veel interessanter dan het geordende, waar herinneringen letterlijk en figuurlijk worden weggeveegd.
Die onschuldig ogende vlaggetjes markeren Onraad en Dood. Zeker in de kustprovincies zie je vaak vrolijk wapperend staan, vooral de oranje. Ze horen bij de verzameling Geheimzinnige Tekens In Het Landschap (GT). Toevallig ken ik deze. Maar het heeft me tijd gekost voordat ik eindelijk eens een keer uitzocht wat die houten paaltjes met oranje kopjes die in bouwkavels staan precies zijn, of de plastic strookjes die uit net gestorte zandlagen steken. Voor degenen die nu gaan zoeken: kadasterpaaltjes zijn het niet, omdat ze niet permanent genoeg zijn. Die GT's hebben me ondermeer geholpen sommige treinreizen te verzachten. Lekker naar buiten kijken en daarna eens een hele poos nadenken over een paaltje, vlaggetje of woord.
De mooiste, vind ik, zijn die welke je herinneren. Aan een overstroming - 'het water kwam in 1801 tot híer' - of een vergane tijd - 'deze contouren markeren een gebouw dat hier ooit stond en waarvan de resten meters onder je liggen'. En als ik eerlijk ben, vooral die eerste categorie. Die vind je ook in huizen: de groeistreepjes van kinderen.
De vlaggetjes langs de slootkant passen daar niet goed in (alhoewel honderd meter verderop al jaren een bosje bloemen aan de boom herinnert aan een fataal ongeluk). Toch laten ook zij iets zien van een parallelle wereld op diezelfde plek. Daar waar ik op een zondag niets anders zag dan een wegberm en slootkant met een reeks vlaggetjes zal een van van de komende dagen een man met lieslaarzen opduiken voor wie die vlaggetjes een signaalbetekenis hebben. De oranje zijn het teken dat daar een muskusrattenval staat. De gele markeren mollenvallen. Voor die twee betekenen die vlaggetjes een verdrinkings- of beklemmingsdood.
Wat ik toch wel verontrustend vond aan de vlaggetjes, is dat het er heel veel op een kort stukje zijn. Meestal staan er drie tot vijf oranje vlaggetjes. De rattenvanger lijkt overlopen te worden.
Tekens zijn overal om je heen. Aantrekkingskracht gaat uit van de onbekende, de jargontekens. De meeste kan ik niet plaatsen, snap ik niet. Neem alleen alle graffiti maar: wie maakte dat? (het blind taggen vind ik niet interessant. Dat is meer een symbool van 'Kijk mij nâh. IK was hier'). De markeringspaaltjes - wat markeren ze?. De plastic strookjes in een zandbed - die voor snellere drainage zorgdragen. En een beetje creatieve geest ziet er veel meer. Werkelijk.
In Leiden fotografeerde ik ooit een aanplakbord waar de aanplakbiljetten, zwaar doorweekt geweest, vanaf werden gepeld door de wind. Maar de tot nu mooiste zag ik in Berlijn. Deze:
Ik vind het nog steeds één van de mooiste beelden die ik zag van 'sociale omgeving'. Zo'n lantaarnpaal die jarenlang beplakt is geweest en nu een soort van papierboom is geworden. Hoe oud zou-i zijn? Ik heb het toen, tweetend, sociaal-archeologisch onderzoek genoemd. Je pelt de geschiedenis af. Je leest de jaarringen van deze papierboom. De bands, de ontwikkeling in de muziek, de voorkeuren van de stad. Het voordeel van het ongeordende, denk ik dan. Veel interessanter dan het geordende, waar herinneringen letterlijk en figuurlijk worden weggeveegd.
dinsdag 2 september 2014
De valse Nederlandse volksaard
Het zal me een worst zijn hoe jij je in het verkeer gedraagt, zolang ik (wij) er geen last van heb. Da's, denk ik, mijn grondhouding.
Het komt er op neer dat ik naar regels kijk als instrumenten om een geschil te beslechten. Rode stoplichten zijn onzinnig op wegen waar ('s avonds bij voorbeeld) in geen velden of wegen ander verkeer is te bekennen. Het is betwistbaar of je daar dan voor moet stoppen 'omdat de regel nu eenmaal zo is'. Maar áls er iets misgaat, ben je wel de lul als je daar door rood reed.
Hoe drukker, hoe belangrijker hoe jíj met regels om gaat. Rood licht negeren, is dáár vragen om problemen. En recht op het aanstormende verkeer in een eenrichtingstraat af rijden, verdient ook geen schoonheidsprijs. Die leveren conflicten op, die je subiet verliest.
In dat kader heb ik met verbazing gekeken naar fietsers in (oost-)Berlijn. Die nemen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, de stoepen, zwenkend tussen voetgangers. Ik heb me laten vertellen dat het een overblijfsel is uit de pre-fietsperiode. De brede wegen waren voor de tram, bus en auto. Op de trottoirs is dat nog terug te zien in de vorm van de bestrating: veel stoepen hebben een centrale strook van afwijkend materiaal. Dat schijnt fietspad aan te duiden. En dus rijdt iedereen - bíjna iedereen - over de stoep. Vooral het 'tegen het verkeer in fietsen' is populair.
Op de weg fietsen doen minder mensen. En dat terwijl de wegen eigenlijk gewoon geschikt zijn, zowel oost als west en zowel de drukke als de stille. Dat neemt niet weg dat een 'tegengestelde stoepfietser' ons toebeet 'Primitiven' te zijn. Terwijl het toch echt fietsstrook was.
Hoe kan het dat die enorme stad op die manier met fietsers omgaat? Wij hebben er hier concepten voor nodig; zoals shared spaces.
Vandaag dacht ik het te zien. De Berlijners accepteren de fietsers. Dat is één. Maar belangrijker: beide respecteren elkaar. Eigenlijk heb ik geen enkele van de tientallen ontmoetingen gezien dat de voetganger níet opzij ging voor de stoepfietsers, heb ik geen enkele keer gezien dat de stoepfietser zijn weg af dwong of heb ik gezien dat beide elkaar stonden verrot te schelden.
Vandaag zag ik met andere ogen ons Nederlands gedrag. Da's anders, in zijn bedoeling. De Nederlandse verkeersdeelnemer lijkt uit te gaan van superioriteit, de zijne. Ik wil die kant op, jij gaat maar opzij. Oók fietsers doen daaraan volop mee. Tegenfietsers zijn eerder provocateurs of spelers van chicken games. In elk geval zijn het geen coöperatieve type-jes.
Wij negeren regels in volledig en uitsluitend eigenbelang. Het is frappant te zien hoe Nederlanders in staat zijn anderen in problemen te brengen zolang zíj maar veilig zijn.
Nederland is o zo trots op z'n open samenleving, onze volksaard. Dat dat 'open' feitelijk zou moeten worden vervangen door het veel terechtere 'onverschillig' werd voor mij (weer) bewezen, in Berlijn deze keer. Want in het land dat bekend staat om z'n Gründlichkeit en het misbruikte Befehl ist Befehl, blijkt men véél socialer en volwassener te zijn dan hier.
Blijkbaar is het voor Nederlanders noodzakelijker regels en scheidsrechters te hebben.
Het komt er op neer dat ik naar regels kijk als instrumenten om een geschil te beslechten. Rode stoplichten zijn onzinnig op wegen waar ('s avonds bij voorbeeld) in geen velden of wegen ander verkeer is te bekennen. Het is betwistbaar of je daar dan voor moet stoppen 'omdat de regel nu eenmaal zo is'. Maar áls er iets misgaat, ben je wel de lul als je daar door rood reed.
Hoe drukker, hoe belangrijker hoe jíj met regels om gaat. Rood licht negeren, is dáár vragen om problemen. En recht op het aanstormende verkeer in een eenrichtingstraat af rijden, verdient ook geen schoonheidsprijs. Die leveren conflicten op, die je subiet verliest.
In dat kader heb ik met verbazing gekeken naar fietsers in (oost-)Berlijn. Die nemen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, de stoepen, zwenkend tussen voetgangers. Ik heb me laten vertellen dat het een overblijfsel is uit de pre-fietsperiode. De brede wegen waren voor de tram, bus en auto. Op de trottoirs is dat nog terug te zien in de vorm van de bestrating: veel stoepen hebben een centrale strook van afwijkend materiaal. Dat schijnt fietspad aan te duiden. En dus rijdt iedereen - bíjna iedereen - over de stoep. Vooral het 'tegen het verkeer in fietsen' is populair.
Op de weg fietsen doen minder mensen. En dat terwijl de wegen eigenlijk gewoon geschikt zijn, zowel oost als west en zowel de drukke als de stille. Dat neemt niet weg dat een 'tegengestelde stoepfietser' ons toebeet 'Primitiven' te zijn. Terwijl het toch echt fietsstrook was.
Hoe kan het dat die enorme stad op die manier met fietsers omgaat? Wij hebben er hier concepten voor nodig; zoals shared spaces.
Vandaag dacht ik het te zien. De Berlijners accepteren de fietsers. Dat is één. Maar belangrijker: beide respecteren elkaar. Eigenlijk heb ik geen enkele van de tientallen ontmoetingen gezien dat de voetganger níet opzij ging voor de stoepfietsers, heb ik geen enkele keer gezien dat de stoepfietser zijn weg af dwong of heb ik gezien dat beide elkaar stonden verrot te schelden.
Vandaag zag ik met andere ogen ons Nederlands gedrag. Da's anders, in zijn bedoeling. De Nederlandse verkeersdeelnemer lijkt uit te gaan van superioriteit, de zijne. Ik wil die kant op, jij gaat maar opzij. Oók fietsers doen daaraan volop mee. Tegenfietsers zijn eerder provocateurs of spelers van chicken games. In elk geval zijn het geen coöperatieve type-jes.
Wij negeren regels in volledig en uitsluitend eigenbelang. Het is frappant te zien hoe Nederlanders in staat zijn anderen in problemen te brengen zolang zíj maar veilig zijn.
Nederland is o zo trots op z'n open samenleving, onze volksaard. Dat dat 'open' feitelijk zou moeten worden vervangen door het veel terechtere 'onverschillig' werd voor mij (weer) bewezen, in Berlijn deze keer. Want in het land dat bekend staat om z'n Gründlichkeit en het misbruikte Befehl ist Befehl, blijkt men véél socialer en volwassener te zijn dan hier.
Blijkbaar is het voor Nederlanders noodzakelijker regels en scheidsrechters te hebben.
Labels:
Berlijn,
egocentrisch,
fietsen,
handhaving,
landsaard,
oordelen,
politie,
regels,
sociaal,
verkeer
maandag 4 augustus 2014
Hoeveel ben jij waard?
Het zal een jaar of twintig geleden zijn dat we erover spraken. Met een kennis tijdens een conferentie in Lapland, op een enorm brede theatrale trap. Het zijn van die details waarvan je je afvraagt waarom je dát nu nog weet. Maar het is zo.
We hadden het over ambtenaren die 'voor zichzelf begonnen'. Zo werd dat toen genoemd, in de periode van zware bezuinigingen met namen als Bestek '81. Het zal vast zijn gegaan over VWS-ambtenaren zijn gegaan. Met hen hadden we heel veel van doen en het was (is) het ministerie dat bijna permanent in staat van reorganisatie verkeerde. Dat daar onder die omstandigheden nog íets uit kwam, is al een wonder op zich.
Wat ons toen verbaasde, is de gedachte van die ambtenaren dat zij als zelfstandige een mooie start zouden kunnen maken. Die verwachting was bijna altijd gebaseerd op hun netwerk. Dat was groot en invloedrijk.
Hoe zij zich vergisten. Dat netwerk verdampte waar ze bij stonden als zelfstandige. Immers, ze hadden niets meer te brengen, maar kwamen halen. En dat, lieve jongens en meisjes, is een fundamenteel andere positie zoals jullie weten.
Het was een situatie die enorm veel weg heeft van de kretologie die ons nu overspoelt als het gaat om het vinden van kansen, van banen of van opdrachten. Hol is het: "het gaat erom wie je kent". En dus netwerken we onszelf wezenloos, zonder een stap verder te komen.
Social media zijn wat dit betreft net een departement. Het zijn niet de personen die over een netwerk beschikken. Het zijn de medewerkers van een bedrijf die een netwerk hebben. Zo gauw je weg bent bij je adviesbureau, je ontwerpbureau, je gloeilampenfabriek, je onderzoeksinstituut, kalft je waarde enorm af. Niet jij, maar je positie bepaalt je waarde.
Maar al die invloedrijke zelfstandigen dan die via social media opmars maken en maakten? Welnu, de eerste vraag is maar één woord: 'invloedrijk'? Nou, dat valt te bezien. Ik denk dat jij erg veel moeite moet doen om één invloedrijke zelfstandige te vinden, laat staan eentje die invloed via social media verwierf. Bijna altijd is dat invloed binnen een beperkte kring.
Maar stel dat het wel zo is. De vraag die dan komt, is die naar de sterkte van die invloed, de vraag naar de bron ervan.
Je zult merken dat die net zo hard is gekoppeld aan imago als die van de werknemer aan het imago van z'n werkgever. Laat maar eens een discussie lopen waarin de identiteiten van deelnemers anoniem is. Een discussie waarin het alleen gaat om de kwaliteit van meningen, van gesprekvoering. Ik durf te wedden dat een aantal mensen dan enorm door de mand zal vallen; met een gebrek aan empathie, of een gebrek aan constructief denken, of (vooral?) vanwege een gebrek aan argumenten.
Het is een dood-ordinaire vaststelling dat je je enorm kunt vergissen in je eigen status, imago en invloed. Het is niet voor niets dat de ouden spreekwoorden hebben als dat je je echte vrienden pas leert kennen in tijden van crisis.
Dit blog bevat wel meer posts die rond het thema wentelen: wees jezelf en zorg dat je netwerk zich aan jou als persoon hecht. Dat impliceert dat je je ook als persoon moet (durven) presenteren. Ja, dat betekent ook 'boos', 'verdrietig' en 'niet-wetend'.
Want anders ben je niets meer dan een representant van net zoiets als een bedrijf: volslagen onnuttig als puntje bij paatje komt omdat de waarde dan ineens in de lucht blijkt te hangen.
We hadden het over ambtenaren die 'voor zichzelf begonnen'. Zo werd dat toen genoemd, in de periode van zware bezuinigingen met namen als Bestek '81. Het zal vast zijn gegaan over VWS-ambtenaren zijn gegaan. Met hen hadden we heel veel van doen en het was (is) het ministerie dat bijna permanent in staat van reorganisatie verkeerde. Dat daar onder die omstandigheden nog íets uit kwam, is al een wonder op zich.
Wat ons toen verbaasde, is de gedachte van die ambtenaren dat zij als zelfstandige een mooie start zouden kunnen maken. Die verwachting was bijna altijd gebaseerd op hun netwerk. Dat was groot en invloedrijk.
Hoe zij zich vergisten. Dat netwerk verdampte waar ze bij stonden als zelfstandige. Immers, ze hadden niets meer te brengen, maar kwamen halen. En dat, lieve jongens en meisjes, is een fundamenteel andere positie zoals jullie weten.
Het was een situatie die enorm veel weg heeft van de kretologie die ons nu overspoelt als het gaat om het vinden van kansen, van banen of van opdrachten. Hol is het: "het gaat erom wie je kent". En dus netwerken we onszelf wezenloos, zonder een stap verder te komen.
Social media zijn wat dit betreft net een departement. Het zijn niet de personen die over een netwerk beschikken. Het zijn de medewerkers van een bedrijf die een netwerk hebben. Zo gauw je weg bent bij je adviesbureau, je ontwerpbureau, je gloeilampenfabriek, je onderzoeksinstituut, kalft je waarde enorm af. Niet jij, maar je positie bepaalt je waarde.
Maar al die invloedrijke zelfstandigen dan die via social media opmars maken en maakten? Welnu, de eerste vraag is maar één woord: 'invloedrijk'? Nou, dat valt te bezien. Ik denk dat jij erg veel moeite moet doen om één invloedrijke zelfstandige te vinden, laat staan eentje die invloed via social media verwierf. Bijna altijd is dat invloed binnen een beperkte kring.
Maar stel dat het wel zo is. De vraag die dan komt, is die naar de sterkte van die invloed, de vraag naar de bron ervan.
Je zult merken dat die net zo hard is gekoppeld aan imago als die van de werknemer aan het imago van z'n werkgever. Laat maar eens een discussie lopen waarin de identiteiten van deelnemers anoniem is. Een discussie waarin het alleen gaat om de kwaliteit van meningen, van gesprekvoering. Ik durf te wedden dat een aantal mensen dan enorm door de mand zal vallen; met een gebrek aan empathie, of een gebrek aan constructief denken, of (vooral?) vanwege een gebrek aan argumenten.
Het is een dood-ordinaire vaststelling dat je je enorm kunt vergissen in je eigen status, imago en invloed. Het is niet voor niets dat de ouden spreekwoorden hebben als dat je je echte vrienden pas leert kennen in tijden van crisis.
Dit blog bevat wel meer posts die rond het thema wentelen: wees jezelf en zorg dat je netwerk zich aan jou als persoon hecht. Dat impliceert dat je je ook als persoon moet (durven) presenteren. Ja, dat betekent ook 'boos', 'verdrietig' en 'niet-wetend'.
Want anders ben je niets meer dan een representant van net zoiets als een bedrijf: volslagen onnuttig als puntje bij paatje komt omdat de waarde dan ineens in de lucht blijkt te hangen.
Labels:
afhankelijk,
ego,
empathie,
imago,
netwerk,
ondernemen,
sociaal,
waarde,
zzp'er
dinsdag 29 juli 2014
De lean startup wil gewoon veel verdienen
Weet je, je kunt er helemaal naast zitten. Ik heb al eens geblogd over mijn ervaringen in een klachtencommissie over politie-optreden. De harde les die ik daar leerde, is dat het ongelooflijk makkelijk is te snel te oordelen. Je leest dossiers en construeert een beeld, en 'oordeelt'. Heel vaak zat ik ernaast. Heel vaak bleek tijdens de zitting de zaak genuanceerd anders te liggen. Terughoudendheid en bescheidenheid: ik heb er alleen maar meer waardering voor gekregen.
Eerst goed kijken. Het is zo makkelijk gezegd.
Je blijft dan wel zitten met losse eindjes. Of, misschien beter, zaken die nog moeten 'rijpen'. Eén van de grote vragen waarmee ik nog niet klaar ben, is die naar startups.
Het is niet het Internet wat baanbrekend was (denk ik). Baanbrekend was de fase die jaren geleden leidde tot 'alles wordt 2.0'. Helemaal hysterisch werd je van dat 2.0. De toevoeging 2.0 alleen al leek de deur te openen naar innovatie en wonderbaarlijk mooie toekomsten. Toch gebeurde er iets fundamenteel anders: de mogelijkheid om te creëren kwam dichter bij de basis te liggen. Burgerjournalistiek, deeleconomie, netwerksamenleving, 'gratis': allemaal worden ze in die periode (opnieuw) gelabeld.
Dat is echt een fundamentele omwenteling. 'We' waren ooggetuige van de ontwikkeling van zelfbeschikking. De democratisering van vanalles gloorde. In die storm bleken startups de kwajongens die tegen de gevestigde orde aanschopten. Rode en blauwe oceanen, onderstromen en lange staarten: allemaal zijn ze gebruikt om aan te tonen dat het einde van de moloch-onderneming nakende was. Kleine, flexibele, tijdelijke samenwerkende ondernemingen worden de toekomst.
Da's de economische, de organisatorische kant. Maar ook qua bedrijfsdoelen veranderde iets. De eerste bedrijven dreven op de gedachte dat nu eindelijk iets kon worden gedaan in het belang van 'de burger', 'de patiënt', 'de klant', de kleine man. Nooit werd het zo expliciet gesteld, maar een zweem van een ideologisch sausje was er wel.
Massaal is het omarmd: de zoveelste keer dat we (euforisch) geloven dat techniek, technologie een betere samenleving gaat opleveren. Degenen - waaronder mijn persoontje - die daarvan niet zo zeker waren, waren zwartkijkers, cynici.
In de loop van ongeveer vijf jaar wordt de geschokte markt weer rustiger. De startups worden volwassener, professioneler. De tijd van 'we hebben een goed idee en beginnen' is over. De tijd van Business Canvas Modellen en Lean Startup breekt door.
Kijk, en da's dus een interessant moment.
Los van de juistheid van methodes en veronderstellingen, los van behaalde resultaten, zie ik (weer) iets fundamenteels wijzigen. Maar nu terug, geloof ik. Terug naar oude principes.
Lean Startup is een mooi concept. Bouw een eerste model met minimale maar levensvatbare mogelijkheden. Test die bij gebruikers en bouw op basis van hun terugkoppeling verder. Mooi, mooi, mooi. En logisch toch?
Nee. Het is de terugkeer naar een oud principe: de ondernemer is niet geïnteresseerd in zijn klant anders dan als geldbron. De fabrikant vraagt de klant naar zijn wensen met de primaire bedoeling daaraan geld te verdienen.
Dat is wezenlijk anders dan de situatie waarin je een idee hebt hoe de wereld te verbeteren, aan te passen of een cadeau te geven. In die situatie heb, ook met nádelen, zelf een beeld van hoe het zou moeten zijn en werk je dáár naartoe. Het zijn de projecten die zich pas later zijn gaan bekommeren om hun ((bedrijfs-)economisch) bestaansrecht en continuïteit. De projecten die in 'de oude economie' niet kunnen bestaan.
Ze bestaan ook niet (meer). Wat ik zie gebeuren is een snel groeiende aandacht juist voor 'het geld', het bedrijfsmodel.
Mijn conclusie nu is een andere dan een paar jaar terug. Toen zou ik hebben ingezet op het ontwikkelen van een fundamenteel andere economie. Nu moet de nieuwe economie stevig worden gestut, want ze kraakt in haar voegen en dreigt om te vallen.
Kapitaal als drijfveer is aan de winnende hand en daaraan is niets, maar dan ook helemaal niets, innovatiefs te ontdekken, laat staan iets disruptiefs.
Eerst goed kijken. Het is zo makkelijk gezegd.
Je blijft dan wel zitten met losse eindjes. Of, misschien beter, zaken die nog moeten 'rijpen'. Eén van de grote vragen waarmee ik nog niet klaar ben, is die naar startups.
Het is niet het Internet wat baanbrekend was (denk ik). Baanbrekend was de fase die jaren geleden leidde tot 'alles wordt 2.0'. Helemaal hysterisch werd je van dat 2.0. De toevoeging 2.0 alleen al leek de deur te openen naar innovatie en wonderbaarlijk mooie toekomsten. Toch gebeurde er iets fundamenteel anders: de mogelijkheid om te creëren kwam dichter bij de basis te liggen. Burgerjournalistiek, deeleconomie, netwerksamenleving, 'gratis': allemaal worden ze in die periode (opnieuw) gelabeld.
Dat is echt een fundamentele omwenteling. 'We' waren ooggetuige van de ontwikkeling van zelfbeschikking. De democratisering van vanalles gloorde. In die storm bleken startups de kwajongens die tegen de gevestigde orde aanschopten. Rode en blauwe oceanen, onderstromen en lange staarten: allemaal zijn ze gebruikt om aan te tonen dat het einde van de moloch-onderneming nakende was. Kleine, flexibele, tijdelijke samenwerkende ondernemingen worden de toekomst.
Da's de economische, de organisatorische kant. Maar ook qua bedrijfsdoelen veranderde iets. De eerste bedrijven dreven op de gedachte dat nu eindelijk iets kon worden gedaan in het belang van 'de burger', 'de patiënt', 'de klant', de kleine man. Nooit werd het zo expliciet gesteld, maar een zweem van een ideologisch sausje was er wel.
Massaal is het omarmd: de zoveelste keer dat we (euforisch) geloven dat techniek, technologie een betere samenleving gaat opleveren. Degenen - waaronder mijn persoontje - die daarvan niet zo zeker waren, waren zwartkijkers, cynici.
In de loop van ongeveer vijf jaar wordt de geschokte markt weer rustiger. De startups worden volwassener, professioneler. De tijd van 'we hebben een goed idee en beginnen' is over. De tijd van Business Canvas Modellen en Lean Startup breekt door.
Kijk, en da's dus een interessant moment.
Los van de juistheid van methodes en veronderstellingen, los van behaalde resultaten, zie ik (weer) iets fundamenteels wijzigen. Maar nu terug, geloof ik. Terug naar oude principes.
Lean Startup is een mooi concept. Bouw een eerste model met minimale maar levensvatbare mogelijkheden. Test die bij gebruikers en bouw op basis van hun terugkoppeling verder. Mooi, mooi, mooi. En logisch toch?
Nee. Het is de terugkeer naar een oud principe: de ondernemer is niet geïnteresseerd in zijn klant anders dan als geldbron. De fabrikant vraagt de klant naar zijn wensen met de primaire bedoeling daaraan geld te verdienen.
Dat is wezenlijk anders dan de situatie waarin je een idee hebt hoe de wereld te verbeteren, aan te passen of een cadeau te geven. In die situatie heb, ook met nádelen, zelf een beeld van hoe het zou moeten zijn en werk je dáár naartoe. Het zijn de projecten die zich pas later zijn gaan bekommeren om hun ((bedrijfs-)economisch) bestaansrecht en continuïteit. De projecten die in 'de oude economie' niet kunnen bestaan.
Ze bestaan ook niet (meer). Wat ik zie gebeuren is een snel groeiende aandacht juist voor 'het geld', het bedrijfsmodel.
Mijn conclusie nu is een andere dan een paar jaar terug. Toen zou ik hebben ingezet op het ontwikkelen van een fundamenteel andere economie. Nu moet de nieuwe economie stevig worden gestut, want ze kraakt in haar voegen en dreigt om te vallen.
Kapitaal als drijfveer is aan de winnende hand en daaraan is niets, maar dan ook helemaal niets, innovatiefs te ontdekken, laat staan iets disruptiefs.
vrijdag 25 juli 2014
Laat die ambitie toch varen
Het is een populair op conferenties en workshops: de topsporter die komt uitleggen hoe hij of zij dat bereikte. Altijd leuk, want de organisator krijgt het vaak voor elkaar zo iemand ook nog te laten zeggen dat volharden een belangrijke factor is. Slim verpakt, kom je de boodschap tegen dat hard werken en je uiterste best doen je naar je doel brengen. Een betere motivatie voor je medewerkers kun je je haast niet voorstellen: een beroemdheid die je medewerkers duidelijk maakt dat hard werken góed is.
Het is onzin!
Een paar jaar geleden schreef, naar ik me herinner Wired, er al over. De aandacht voor de verhalen van succesvollen als leerstof voor niet-succesvollen is onzin. De gedachte die aan die aandacht ten grondslag ligt, gaat er van uit dat dat gebleken succes extern valt te verklaren. Ofwel: het is aan te leren door je uiterste best te doen. Wat te vaak wordt veronachtzaamd, is de factor aanleg. Het wordt niet vergeten, maar speelt in die theorie slechts een marginale rol.
Al die jochies die fanatiek voetballen in de hoop ooit wereldberoemd voetballer te worden. Al die ouders die hun kinderen als paarden aansporen hun uiterste best te doen een Bijzonder Mens te worden, hetzij sportief hetzij intellectueel. IJdele hoop. Die ene toevallige passeerbeweging is geen indicatie voor een nieuwe topvoetballer, maar ouders hebben de neiging strohalmpjes te grijpen. En dus pieken de aantallen hoogbegaafden.
Dat appeleren aan ambitie is zo heerlijk doorzichtig dat het verbazingwekkend is dat er nog zóveel mensen serieus op in gaan.
Niet om jou, lezer, te beledigen, maar je zult echt nooit tot de top gaan behoren. Waarom zou je je daarom wel daarnaar gedragen en je daarvoor inspannen?
De slimste houding is de wijze lessen van top-sporters en top-ondernemers níet te beoordelen als wíjze lessen, maar als leuke wetenswaardigheden over het leven en loopbaan van talentvolle types. Ze zijn immers geen gemiddelde voorbeelden, maar uitbijters, extremen, exoten.
Een paar dagen geleden schreef ik over goal setting als methode die verkeerd kan uitpakken. Dat geldt in sterke mate voor deze voorbeelden. Mensen voorbeelden voorhouden waarvan overduidelijk is dat zij die nooit zullen evenaren, zal averechts werken. Het is daarom een Groot Raadsel waarom ex-sporters menen (beter) organisatie-advies te kunnen geven vanwege hun specifieke sportieve inspanning.
Het is veel verstandiger te weten waar jóuw grenzen liggen, wat jóuw ambities zijn en wat jíj daarvoor wilt opofferen.
Voor werkgevers is het verstandig zich ook af te vragen of zij wel over voldoende middelen om top-kwaliteit in huis te hebben, halen en houden. Want de niet-genoemde kant van die topdogs is wel dat zij een aantal factoren méér verdienen dan de gemiddelde werknemer.
Dat is het idiote aan al die voorbeeldmensen. Ze dienen vooral als voorbeelden voor wat ambitie, inspanning en volharding teweeg kunnen brengen. Maar systematisch wordt vergeten wat dat kóst. Zoals zo vaak: alleen de voordelen worden benadrukt.
Misschien moet eens worden gekeken naar die kosten: de gekreukte en gekwetste kinderen, de opgebrande en naar de concurrent vertrokken werknemers.
Het is onzin!
Een paar jaar geleden schreef, naar ik me herinner Wired, er al over. De aandacht voor de verhalen van succesvollen als leerstof voor niet-succesvollen is onzin. De gedachte die aan die aandacht ten grondslag ligt, gaat er van uit dat dat gebleken succes extern valt te verklaren. Ofwel: het is aan te leren door je uiterste best te doen. Wat te vaak wordt veronachtzaamd, is de factor aanleg. Het wordt niet vergeten, maar speelt in die theorie slechts een marginale rol.
Al die jochies die fanatiek voetballen in de hoop ooit wereldberoemd voetballer te worden. Al die ouders die hun kinderen als paarden aansporen hun uiterste best te doen een Bijzonder Mens te worden, hetzij sportief hetzij intellectueel. IJdele hoop. Die ene toevallige passeerbeweging is geen indicatie voor een nieuwe topvoetballer, maar ouders hebben de neiging strohalmpjes te grijpen. En dus pieken de aantallen hoogbegaafden.
Dat appeleren aan ambitie is zo heerlijk doorzichtig dat het verbazingwekkend is dat er nog zóveel mensen serieus op in gaan.
Niet om jou, lezer, te beledigen, maar je zult echt nooit tot de top gaan behoren. Waarom zou je je daarom wel daarnaar gedragen en je daarvoor inspannen?
De slimste houding is de wijze lessen van top-sporters en top-ondernemers níet te beoordelen als wíjze lessen, maar als leuke wetenswaardigheden over het leven en loopbaan van talentvolle types. Ze zijn immers geen gemiddelde voorbeelden, maar uitbijters, extremen, exoten.
Een paar dagen geleden schreef ik over goal setting als methode die verkeerd kan uitpakken. Dat geldt in sterke mate voor deze voorbeelden. Mensen voorbeelden voorhouden waarvan overduidelijk is dat zij die nooit zullen evenaren, zal averechts werken. Het is daarom een Groot Raadsel waarom ex-sporters menen (beter) organisatie-advies te kunnen geven vanwege hun specifieke sportieve inspanning.
Het is veel verstandiger te weten waar jóuw grenzen liggen, wat jóuw ambities zijn en wat jíj daarvoor wilt opofferen.
Voor werkgevers is het verstandig zich ook af te vragen of zij wel over voldoende middelen om top-kwaliteit in huis te hebben, halen en houden. Want de niet-genoemde kant van die topdogs is wel dat zij een aantal factoren méér verdienen dan de gemiddelde werknemer.
Dat is het idiote aan al die voorbeeldmensen. Ze dienen vooral als voorbeelden voor wat ambitie, inspanning en volharding teweeg kunnen brengen. Maar systematisch wordt vergeten wat dat kóst. Zoals zo vaak: alleen de voordelen worden benadrukt.
Misschien moet eens worden gekeken naar die kosten: de gekreukte en gekwetste kinderen, de opgebrande en naar de concurrent vertrokken werknemers.
vrijdag 11 juli 2014
Hoe zit het met sex?
Nee, dit gaat niet over 'de daad'. Maar het is wel een vraag aan jou, lezer. Als je, zoals ik, ouder wordt, blijken er soms in je hoofd vragen op te duiken die je eerder niet zo (bewust) bezig hielden. Sex is er zo een.
We worden ermee doodgegooid; alsof er een megaswafle wordt uitgevoerd die we niet gaan overleven, zo hard komt-i aan. Het lijkt alsof alles wordt versext en alsof alles wat we doen er aan wordt afgemeten. Maar da's oud nieuws. Eerlijk gezegd, is dat een fenomeen wat al tijdens mijn studie - 1977-1985 - bekend was.
Wat me vandaag te binnen schoot, is de vraag hoe symbolisch sex eigenlijk is.
Op een strikt biologisch niveau is het niet meer of minder dan voortplanting om de soort te laten voortbestaan (en mogelijk te verbeteren, volgens evolutiebiologen dan). Dat zou in zo'n 20 seconden gepiept moeten kunnen zijn en in het dierenrijk gebeurt dat ook. Niet alle sex is gelijk: pure lust(bevrediging) past er net zo goed in als, hoe noem ik dat, voorbehouden sex tussen monogame mensen.
Maar er is een symbolische functie. Want bij mensen is de koppeling met voortplanting doorgeknipt doordat we talloze manieren van beheersing en beleving tot onze beschikking hebben. In principe gaat het mensen nu vooral om de lol.
Daar begint voor mij de zoektocht. Want waarom is sex dan zo beladen en belangrijk? Om de intimiteit? Die is ook grotendeels sociaal bepaald. En waarom zou een kus dan die functie niet kunnen hebben?
Niet dat ik het karakter heb van generatiegenoten die 'vrije liefde' - let op: liefde! - predikten. Bij mezelf merk ik die rem dat dit een onderwerp is dat a. niet zo makkelijke openbaar wordt besproken en b. op een of andere manier niet los kan of mag worden gezien van relatievorming. En van dat laatste kun je zeggen dat dat een sociale conventie is.
Dan zit ik dus met de gedachte wat er zou gebeuren als sex gewoon alleen de biologische betekenis heeft - wat wordt gestimuleerd door de dominante beeldvorming in de media -, maar dat de intimiteit die blijkbaar nodig is voor een relatie bijvoorbeeld wordt gevormd door het drinken van koffie.
Dat zou betekenen dat het drinken van een kop koffie met een ander de betekenis krijgt van overspel.
We worden ermee doodgegooid; alsof er een megaswafle wordt uitgevoerd die we niet gaan overleven, zo hard komt-i aan. Het lijkt alsof alles wordt versext en alsof alles wat we doen er aan wordt afgemeten. Maar da's oud nieuws. Eerlijk gezegd, is dat een fenomeen wat al tijdens mijn studie - 1977-1985 - bekend was.
Wat me vandaag te binnen schoot, is de vraag hoe symbolisch sex eigenlijk is.
Op een strikt biologisch niveau is het niet meer of minder dan voortplanting om de soort te laten voortbestaan (en mogelijk te verbeteren, volgens evolutiebiologen dan). Dat zou in zo'n 20 seconden gepiept moeten kunnen zijn en in het dierenrijk gebeurt dat ook. Niet alle sex is gelijk: pure lust(bevrediging) past er net zo goed in als, hoe noem ik dat, voorbehouden sex tussen monogame mensen.
Maar er is een symbolische functie. Want bij mensen is de koppeling met voortplanting doorgeknipt doordat we talloze manieren van beheersing en beleving tot onze beschikking hebben. In principe gaat het mensen nu vooral om de lol.
Daar begint voor mij de zoektocht. Want waarom is sex dan zo beladen en belangrijk? Om de intimiteit? Die is ook grotendeels sociaal bepaald. En waarom zou een kus dan die functie niet kunnen hebben?
Niet dat ik het karakter heb van generatiegenoten die 'vrije liefde' - let op: liefde! - predikten. Bij mezelf merk ik die rem dat dit een onderwerp is dat a. niet zo makkelijke openbaar wordt besproken en b. op een of andere manier niet los kan of mag worden gezien van relatievorming. En van dat laatste kun je zeggen dat dat een sociale conventie is.
Dan zit ik dus met de gedachte wat er zou gebeuren als sex gewoon alleen de biologische betekenis heeft - wat wordt gestimuleerd door de dominante beeldvorming in de media -, maar dat de intimiteit die blijkbaar nodig is voor een relatie bijvoorbeeld wordt gevormd door het drinken van koffie.
Dat zou betekenen dat het drinken van een kop koffie met een ander de betekenis krijgt van overspel.
Labels:
betekenisgeving,
ethiek,
sex,
sociaal,
vraagstuk
zondag 22 juni 2014
Meepraten?!
Het is één van die situaties die heerlijk eenvoudig tot misverstanden leiden: dat toegankelijkheid van het debat voldoende voorwaarde is om mee te doen. Er is echter een andere, noodzakelijke voorwaarde nodig.
Een citaat uit een artikel van Jennie Barbier in de De Volkskrant, over die eerste zin.
Dat roept twee vragen op. Is téchnische toegankelijkheid voldoende? En, zijn er geen poortwachters? Beide vragen zul je met 'nee' moeten beantwoorden.
Waar overheen wordt gestapt, is dat aanwezigheid nog lang niet voldoende is. Om een bijdrage aan een debat te leveren, zijn veel meer factoren van belang.
Zo zal je je mening moeten kunnen formuleren. Dat is een stokoude. Niet iedereen is in staat zijn mening zó te verwoorden dat één van de (oude) media die oppakken. Dat is inderdaad de kracht van social media; er is geen filter op jouw inbreng. Dat betekent echter nog niet dat je ook in staat bent de juiste tone of voice, het juiste groepsgevoel te verwoorden. Nog steeds gaat het allergrootste deel ten onder in het geroezemoes.
Tijdigheid speelt ook een rol. Ik hoop nooit alle mensen te eten te moeten geven die de zin "dat zei of schreef ik al járen geleden" hebben gebruikt. Het gaat niet alleen om de inhoud, maar zeker óók om het moment. Je kunt 'voor de troepen uit lopen', heet dat zalvend.
De belangrijkste factor is er echter een die - onaangenaam - níet in het beeld van een open, sociaal en democratisch systeem past.
Oók in de wereld van de social media maakt het uit wíe je bent.
Ik heb het al 'ns beschreven. Ook - met name?! - in gesprekken via social media gebeurt het vaak dat mensen zich niet verwaardigen je te antwoorden. Dan mag je de BN'ers overslaan. Degenen met enorme aantallen relaties kun je als twijfelgeval zien, maar ook zij zijn wel degelijk poortwachter. Het gaat er om dat niet iedereen in een gesprek betrokken wordt. Daarvan kun je denken: 'maar als het er teveel zijn, dan is dat toch logisch?!'.
Oh? En wie bepaalt dan wie er wel en wie niet mee mág doen? Exact.
Daarenboven: stel een mening neemt serieuze vormen aan. Ook dan is er geen enkele garantie op effect. Daarvoor heb je ook nog eens de beslissers nodig.
Hoe je het wendt of keert; social media hebben geen effect op het groepsproces rond gesprekken. Wat ze wél deden, is nieuwe beïnvloeders een kans (platform) geven. Dat is de (bekende) beweging die zich laat herkennen; het ontstaan van groepen die zichzelf dezelfde status toekennen ('peers') en feitelijk daarmee anderen buiten sluiten. Omdat het 'ook maar gewoon ménsen zijn' gedraagt men zich ook zoals in de ademende wereld: het zoekplaatje Old Boys Network.
Het is eigenlijk allemaal basale kennis van sociale groepen en hun dynamiek. Maar de belangrijkste is wellicht wel dat de digitale wereld geen onmenselijke is. Dat degene die de computer bedient een mens is. En dat die in de basis niet ineens fundamenteel ánders is.
Internet heeft de publieke debatruimte enorm vergroot. De toegang tot die ruimte is laagdrempeliger dan ooit: de enige benodigdheden zijn een computer of een smartphone en een internetverbinding.
(...)
Een stuk democratischer dan de klassieke media: radio, televisie, kranten en tijdschriften, waar de poort nog altijd bewaakt wordt door een selecte groep.
Een citaat uit een artikel van Jennie Barbier in de De Volkskrant, over die eerste zin.
Dat roept twee vragen op. Is téchnische toegankelijkheid voldoende? En, zijn er geen poortwachters? Beide vragen zul je met 'nee' moeten beantwoorden.
Waar overheen wordt gestapt, is dat aanwezigheid nog lang niet voldoende is. Om een bijdrage aan een debat te leveren, zijn veel meer factoren van belang.
Zo zal je je mening moeten kunnen formuleren. Dat is een stokoude. Niet iedereen is in staat zijn mening zó te verwoorden dat één van de (oude) media die oppakken. Dat is inderdaad de kracht van social media; er is geen filter op jouw inbreng. Dat betekent echter nog niet dat je ook in staat bent de juiste tone of voice, het juiste groepsgevoel te verwoorden. Nog steeds gaat het allergrootste deel ten onder in het geroezemoes.
Tijdigheid speelt ook een rol. Ik hoop nooit alle mensen te eten te moeten geven die de zin "dat zei of schreef ik al járen geleden" hebben gebruikt. Het gaat niet alleen om de inhoud, maar zeker óók om het moment. Je kunt 'voor de troepen uit lopen', heet dat zalvend.
De belangrijkste factor is er echter een die - onaangenaam - níet in het beeld van een open, sociaal en democratisch systeem past.
Oók in de wereld van de social media maakt het uit wíe je bent.
Ik heb het al 'ns beschreven. Ook - met name?! - in gesprekken via social media gebeurt het vaak dat mensen zich niet verwaardigen je te antwoorden. Dan mag je de BN'ers overslaan. Degenen met enorme aantallen relaties kun je als twijfelgeval zien, maar ook zij zijn wel degelijk poortwachter. Het gaat er om dat niet iedereen in een gesprek betrokken wordt. Daarvan kun je denken: 'maar als het er teveel zijn, dan is dat toch logisch?!'.
Oh? En wie bepaalt dan wie er wel en wie niet mee mág doen? Exact.
Daarenboven: stel een mening neemt serieuze vormen aan. Ook dan is er geen enkele garantie op effect. Daarvoor heb je ook nog eens de beslissers nodig.
Hoe je het wendt of keert; social media hebben geen effect op het groepsproces rond gesprekken. Wat ze wél deden, is nieuwe beïnvloeders een kans (platform) geven. Dat is de (bekende) beweging die zich laat herkennen; het ontstaan van groepen die zichzelf dezelfde status toekennen ('peers') en feitelijk daarmee anderen buiten sluiten. Omdat het 'ook maar gewoon ménsen zijn' gedraagt men zich ook zoals in de ademende wereld: het zoekplaatje Old Boys Network.
Het is eigenlijk allemaal basale kennis van sociale groepen en hun dynamiek. Maar de belangrijkste is wellicht wel dat de digitale wereld geen onmenselijke is. Dat degene die de computer bedient een mens is. En dat die in de basis niet ineens fundamenteel ánders is.
Labels:
gedrag,
influencer,
IRL,
menselijk,
poortwachter,
sociaal
maandag 9 juni 2014
Schaf af die vrije dagen
Zo af en toe denk ik me te kunnen verplaatsen in (redeneringen van) 'politici'. De eerste die kritiek zou hebben op zo'n idee, zou ikzelf zijn, want een bedoeling, intentie, doel is iets anders dan een zichtbare beweging of een uitgesproken woord. Je kunt heel goed iets anders bedóelen dan je zegt. Maar toch. Soms duikt er voor m'n geestesoog een lijn op die er heel logisch uitziet.
Zo stond ik me de afgelopen weken te verbazen over de aanplakbiljetten bij de supermarkten waarop ze ons, de klanten, informeren over hun 'bijzondere openingstijden vanwege de feestdagen'.
Openingstijden.
Daarmee gebeurt iets bijzonders met, als ik mag voorspellen, vérstrekkende gevolgen.
Dat wordt gesproken over openingstijden lijkt niet belangrijk. De winkel is immers open of dicht. Ooit had je ook de half-open nering. Van die winkeltjes en boeren waar je ook na sluitingstijd nog een vergeten kleinigheid kon halen. Vooral omdat winkel en woonhuis vaak verbonden waren.
Maar nu is de winkel dus open op officiële feestdagen. Voorheen waren dat vrije dagen. Collectief. Dat gaf een bijzondere sfeer - of je dat nu leuk vond of niet: inslaan voor meerdere dagen geeft drukte. Veel mensen zullen ook een herinnering hebben aan dergelijke dagen die deels bestaat uit het tóch vergeten zijn van een boodschap of zo.
In hun dienstbaarheid aan de klant - ahum - hebben de grootwinkeliers hun openingstijden eerder al verruimd naar de avonduren. Een flexibele samenleving, nietwaar. Sinds een paar jaar zijn daaraan ook de Tweede ..dagen aan toegevoegd. En dus hangen er nu forse plakkaten om ons duidelijk te maken wie wanneer open is.
Allemaal om het ons, de klant, gemakkelijker te maken. Toch? Die klant die volgens de winkelier zo veel werkte dat-i steeds moeilijker tijd vond om inkopen te doen. Die het dus te druk had.
Mijn voorspelling is dat er een redenering wordt bijgefabriekt. Door politici.
"Als er dan door al die supermarkten toch al wordt gewerkt op die feestdagen, waarom de rest van Nederland niet ook? Waarom zou Tweede Pinksterdag - Tweede Kerstdag is té link - een vrije dag moeten zijn? Weet je wel wat je viert?
Door de diverse hulp- en zorgdiensten en door volcontinue bedrijven wordt er vanwege het karakter van het werk doorgewerkt. Maar nu werkt de grootgrutter ook, terwijl het karakter van diens werk dat niet noodzakelijk maakt. Dus waarom jullie niet?"
Terwijl ik eergisteren naar dat affiche stond te kijken en de gedachte me besprong, wist ik nog niet dat een paar dagen later dit verscheen:

Of je het nu kapitaliseren noemt, of vereconomiseren dan wel ontmenselijken, de kern is en blijft dat dit redeneren geen grenzen kent. Op deze manier kun je iedere niet-kapitaalvormende activiteit in termen van kapitaalvorming beschrijven. Dat die principieel anders zijn en anders zijn bedóeld, negeer je gewoon. Alsof je een opdracht geeft en die beoordeelt op andere criteria. En nee, da's geen fictief voorbeeld.
Het onbeschaafde aan die redeneringen is niet alleen dat het werkelijk gelovigen tegen de schenen schopt, maar ook dat 'het voordeel voor de economie' zeer specifiek gericht neerslaat.
O, voor de volledigheid de ex-veilingmeester van VVDlight wil niet de vrije dagen áfschaffen. Hij is tegen collectief opleggen en vóór individualiseren. Raad eens wat er dan gebeurt en overblijft?
Zo stond ik me de afgelopen weken te verbazen over de aanplakbiljetten bij de supermarkten waarop ze ons, de klanten, informeren over hun 'bijzondere openingstijden vanwege de feestdagen'.
Openingstijden.
Daarmee gebeurt iets bijzonders met, als ik mag voorspellen, vérstrekkende gevolgen.
Dat wordt gesproken over openingstijden lijkt niet belangrijk. De winkel is immers open of dicht. Ooit had je ook de half-open nering. Van die winkeltjes en boeren waar je ook na sluitingstijd nog een vergeten kleinigheid kon halen. Vooral omdat winkel en woonhuis vaak verbonden waren.
Maar nu is de winkel dus open op officiële feestdagen. Voorheen waren dat vrije dagen. Collectief. Dat gaf een bijzondere sfeer - of je dat nu leuk vond of niet: inslaan voor meerdere dagen geeft drukte. Veel mensen zullen ook een herinnering hebben aan dergelijke dagen die deels bestaat uit het tóch vergeten zijn van een boodschap of zo.
In hun dienstbaarheid aan de klant - ahum - hebben de grootwinkeliers hun openingstijden eerder al verruimd naar de avonduren. Een flexibele samenleving, nietwaar. Sinds een paar jaar zijn daaraan ook de Tweede ..dagen aan toegevoegd. En dus hangen er nu forse plakkaten om ons duidelijk te maken wie wanneer open is.
Allemaal om het ons, de klant, gemakkelijker te maken. Toch? Die klant die volgens de winkelier zo veel werkte dat-i steeds moeilijker tijd vond om inkopen te doen. Die het dus te druk had.
Mijn voorspelling is dat er een redenering wordt bijgefabriekt. Door politici.
"Als er dan door al die supermarkten toch al wordt gewerkt op die feestdagen, waarom de rest van Nederland niet ook? Waarom zou Tweede Pinksterdag - Tweede Kerstdag is té link - een vrije dag moeten zijn? Weet je wel wat je viert?
Door de diverse hulp- en zorgdiensten en door volcontinue bedrijven wordt er vanwege het karakter van het werk doorgewerkt. Maar nu werkt de grootgrutter ook, terwijl het karakter van diens werk dat niet noodzakelijk maakt. Dus waarom jullie niet?"
Terwijl ik eergisteren naar dat affiche stond te kijken en de gedachte me besprong, wist ik nog niet dat een paar dagen later dit verscheen:
Of je het nu kapitaliseren noemt, of vereconomiseren dan wel ontmenselijken, de kern is en blijft dat dit redeneren geen grenzen kent. Op deze manier kun je iedere niet-kapitaalvormende activiteit in termen van kapitaalvorming beschrijven. Dat die principieel anders zijn en anders zijn bedóeld, negeer je gewoon. Alsof je een opdracht geeft en die beoordeelt op andere criteria. En nee, da's geen fictief voorbeeld.
Het onbeschaafde aan die redeneringen is niet alleen dat het werkelijk gelovigen tegen de schenen schopt, maar ook dat 'het voordeel voor de economie' zeer specifiek gericht neerslaat.
O, voor de volledigheid de ex-veilingmeester van VVDlight wil niet de vrije dagen áfschaffen. Hij is tegen collectief opleggen en vóór individualiseren. Raad eens wat er dan gebeurt en overblijft?
donderdag 8 mei 2014
Twitter: een droomland
Wellicht dat m'n bioritme in een sceptische fase is terechtgekomen. Maar omdat ik niet in bioritmes geloof, denk ik dat dat niet zo is.
Ik heb de indruk dat twitter steeds meer een droomland is geworden.
Da's niet lullig bedoeld. Wellicht zijn er grote veranderingen in mijn tijdlijn opgetreden en is de samenstelling veranderd. Er zijn wel nieuwe volgers, maar de 'oude bekenden' zijn er nog steeds. Wel zijn die minder zichtbaar geraakt. Alsof hun gesprekken van karakter veranderden. Minder openbaar, wellicht zelfs minder in aantal.
Gelukkig is dit míjn blog met persoonlijke waarnemingen en gedachten. Het is geen onderzoeksblog of (semi)verantwoord. Het zal je niet verbazen dat ik veel meer zie in tentatieve, voelende waarnemingen.
Dat droomland; wensdenken.
Dat beeld kwam bij me op toen ik weer 's een tweet zag voorbij komen over de nieuwe overheid. De steller was van mening dat we ons niet druk hoefden te maken over overheidsproblemen, want 'de overheid gaat verdwijnen'. O?! Datzelfde heb ik met tweets die gaan over de teloorgang van 'de krant', 'de journalist', óver de komst van 'de mondige patiënt' of de paradigmawissel in de zorg.
Eerlijk gezegd, vind ik nooit enig bewijs dat dat ook gebeurt. Het zijn vaker stellenderwijs geschreven tweets dan vaststellingen.
De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik dat niet aan het medium Twitter kan en mag wijten. Het is eerder de mentaliteit, de mensen die die meningen boekstaven die droomlanderig is. Dat lukt jou en mij ook: vertellen wat er staat te gebeuren, maar vooral gebaseerd op selectieve waarneming. Voor mij is een mooi voorbeeld de ooit enorm verketterde Andrew Keen, die nu toch echt wel gelijk krijgt. Maar zijn verhaal wilden 'we' niet horen.
Droomland is gebaseerd op het ontbreken van tegengeluid. Alles en iedereen is enthousiast, positief en reageert vaak op kritisch denken met de melding dat 'het om kánsen gaat'. Da's, in de vaak door diezelfde mensen verafschuwde oude denkgewoontes en structuren, meest gebruikte discussiedoder die er bestaat: je wordt geacht méé te denken.
Zou 't (kunnen) kloppen dat droomland groeit? Als dat zo is, is dat het eind aan een veelbelovend sociaal experiment dat voor mij ooit met Twitter begon en waarin nieuwe kennissen met nieuwe meningen de kracht waren. Wat rest, is dan 'wil ik bij de club horen en me conformeren?'.
Misschien moet ik een nieuwe club zoeken. Tot dan, realiseer ik me nu tijdens het tikken, rouw ik over de uit zicht verdwenen kennissen, vrienden en meningen.
Ik heb de indruk dat twitter steeds meer een droomland is geworden.
Da's niet lullig bedoeld. Wellicht zijn er grote veranderingen in mijn tijdlijn opgetreden en is de samenstelling veranderd. Er zijn wel nieuwe volgers, maar de 'oude bekenden' zijn er nog steeds. Wel zijn die minder zichtbaar geraakt. Alsof hun gesprekken van karakter veranderden. Minder openbaar, wellicht zelfs minder in aantal.
Gelukkig is dit míjn blog met persoonlijke waarnemingen en gedachten. Het is geen onderzoeksblog of (semi)verantwoord. Het zal je niet verbazen dat ik veel meer zie in tentatieve, voelende waarnemingen.
Dat droomland; wensdenken.
Dat beeld kwam bij me op toen ik weer 's een tweet zag voorbij komen over de nieuwe overheid. De steller was van mening dat we ons niet druk hoefden te maken over overheidsproblemen, want 'de overheid gaat verdwijnen'. O?! Datzelfde heb ik met tweets die gaan over de teloorgang van 'de krant', 'de journalist', óver de komst van 'de mondige patiënt' of de paradigmawissel in de zorg.
Eerlijk gezegd, vind ik nooit enig bewijs dat dat ook gebeurt. Het zijn vaker stellenderwijs geschreven tweets dan vaststellingen.
De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik dat niet aan het medium Twitter kan en mag wijten. Het is eerder de mentaliteit, de mensen die die meningen boekstaven die droomlanderig is. Dat lukt jou en mij ook: vertellen wat er staat te gebeuren, maar vooral gebaseerd op selectieve waarneming. Voor mij is een mooi voorbeeld de ooit enorm verketterde Andrew Keen, die nu toch echt wel gelijk krijgt. Maar zijn verhaal wilden 'we' niet horen.
Droomland is gebaseerd op het ontbreken van tegengeluid. Alles en iedereen is enthousiast, positief en reageert vaak op kritisch denken met de melding dat 'het om kánsen gaat'. Da's, in de vaak door diezelfde mensen verafschuwde oude denkgewoontes en structuren, meest gebruikte discussiedoder die er bestaat: je wordt geacht méé te denken.
Zou 't (kunnen) kloppen dat droomland groeit? Als dat zo is, is dat het eind aan een veelbelovend sociaal experiment dat voor mij ooit met Twitter begon en waarin nieuwe kennissen met nieuwe meningen de kracht waren. Wat rest, is dan 'wil ik bij de club horen en me conformeren?'.
Misschien moet ik een nieuwe club zoeken. Tot dan, realiseer ik me nu tijdens het tikken, rouw ik over de uit zicht verdwenen kennissen, vrienden en meningen.
zaterdag 3 mei 2014
Leidse cosmetica
Hoe zou het zijn als....? Een vraag die me vaak te binnen schiet. Even anders kijken naar wat je voor vanzelfsprekend aan neemt; dat trucje. Het werkt het best op plaatsen waar je vaak komt en die je 'dus' niet meer echt beleeft.
Zo kletst een deel van Leiden alweer een hele poos over de Breestraat. Een straat waaraan weinig méér eer is te behalen, omdat-i fundamenteel verkeerd is: te smal én te breed, één van de twee verkeersaders in de stad, en zonder karakter. De oplossingen zijn voorspelbaar: maak er een voetgangersgebied van waar het 'gezellig' toeven is. Geen idee wat 'gezellig' precies is, maar blijkbaar zijn dat terrassen.
Eerder heb ik geschreven dat veel rigoureuzere richtingen zouden moeten worden ingeslagen: leg een beek aan. De Breestraat is niet vlak, maar valsplat. Hoe mooi zou het zijn als over de as van de weg, in twee richtingen, een ondiep beekje stroomt? Wedden dat het een enorm effect heeft op hoe de straat wordt beleefd? En dus hoe men zich er gedraagt.

Een stad levendig maken, vereist dat je leven, beweging zichtbaar maakt. Op die gedachte is het volgende gebaseerd.
Laat de gemeente Leiden tientallen abri-achtige panelen plaatsen, door héél de stad. Maar laat die panelen niet gebruiken voor reclame maar om het stadsleven in een cirkel van 250 meter rond het paneel te tonen.
Met stadsleven bedoel ik niet het straatleven - da's immers juist te weinig - maar het vanaf de straat onzichtbare leven om je heen. Bewegend en live.
Loop over de Oude Vest en kijk naar binnen in één van de zalen van de Lakenhal. Loop over de Breestraat en kijk binnen bij winkels of zie hoe wordt geconfereerd in de Stadsgehoorzaal. Loop door een woonstraat en zie de achtertuin of achtergevel (alhoewel ik hier nog de meeste problemen zou verwachten).
De techniek - kleine, eenvoudige camera's - is er. In Limburg, weet ik, zit een bedrijf dat bezig is met stadsschermen en contextgevoelige informatie. Dit is een variant en eenvoudiger.
Als toerist of dagjesmens, of als Leienaar!, loop je dan door de stad en je kunt zien wat er in je omgeving is te zien áchter de gevels. Vooral musea en dergelijke kunnen een veel groter bereik halen op die manier. Zij gaan naar de bezoeker in diens habitus tóe! Een restaurant, een winkel: effe kijken hoe het er van binnen uit ziet.
De beelden zijn te koppelen aan het moment. 's Avonds zal er in de stikdonkere musea niets te zien zijn. Dan zijn de café's levendig. Als er maar geen (statische) reclame te zien is. Da's dodelijk. Het systeem kan betaald worden doordat de bedrijven die meedoen een deelnamebedrag betalen voor de uitzending.
Ik zie het wel voor me, hoor.
Privacy? Die is net zo als met gordijnen en winkeletalages: mensen die langs lopen, werpen een blik naar binnen. Zijn de gordijnen dicht of de etalages donker achter rolluiken, dan zie je niets. Meedoen is zoiets als de gordijnen open of dichtgetrokken hebben.
Inbrekers? Ach, kom. De schermen zijn buiten geplaatst en niet elders op te vragen dan binnen die straal van 250 meter. De inbreker zal dus nog steeds op stap moeten en nog steeds observeren. Net als altijd.
Dat zal vast wel gebeuren: de Ja, maar-reactie. Varkens in het Singelpark, camera's met stadsgezichten, een beekje door de Breestraat, kijkers in de stad.... Ja, maar....
Innovatie. Het lijkt er in Leiden meer op dat dat het van een strik voorzien van de spreekwoordelijke doos in out of the box is.
Zo kletst een deel van Leiden alweer een hele poos over de Breestraat. Een straat waaraan weinig méér eer is te behalen, omdat-i fundamenteel verkeerd is: te smal én te breed, één van de twee verkeersaders in de stad, en zonder karakter. De oplossingen zijn voorspelbaar: maak er een voetgangersgebied van waar het 'gezellig' toeven is. Geen idee wat 'gezellig' precies is, maar blijkbaar zijn dat terrassen.
Eerder heb ik geschreven dat veel rigoureuzere richtingen zouden moeten worden ingeslagen: leg een beek aan. De Breestraat is niet vlak, maar valsplat. Hoe mooi zou het zijn als over de as van de weg, in twee richtingen, een ondiep beekje stroomt? Wedden dat het een enorm effect heeft op hoe de straat wordt beleefd? En dus hoe men zich er gedraagt.
Een stad levendig maken, vereist dat je leven, beweging zichtbaar maakt. Op die gedachte is het volgende gebaseerd.
Laat de gemeente Leiden tientallen abri-achtige panelen plaatsen, door héél de stad. Maar laat die panelen niet gebruiken voor reclame maar om het stadsleven in een cirkel van 250 meter rond het paneel te tonen.
Met stadsleven bedoel ik niet het straatleven - da's immers juist te weinig - maar het vanaf de straat onzichtbare leven om je heen. Bewegend en live.
Loop over de Oude Vest en kijk naar binnen in één van de zalen van de Lakenhal. Loop over de Breestraat en kijk binnen bij winkels of zie hoe wordt geconfereerd in de Stadsgehoorzaal. Loop door een woonstraat en zie de achtertuin of achtergevel (alhoewel ik hier nog de meeste problemen zou verwachten).
De techniek - kleine, eenvoudige camera's - is er. In Limburg, weet ik, zit een bedrijf dat bezig is met stadsschermen en contextgevoelige informatie. Dit is een variant en eenvoudiger.
Als toerist of dagjesmens, of als Leienaar!, loop je dan door de stad en je kunt zien wat er in je omgeving is te zien áchter de gevels. Vooral musea en dergelijke kunnen een veel groter bereik halen op die manier. Zij gaan naar de bezoeker in diens habitus tóe! Een restaurant, een winkel: effe kijken hoe het er van binnen uit ziet.
De beelden zijn te koppelen aan het moment. 's Avonds zal er in de stikdonkere musea niets te zien zijn. Dan zijn de café's levendig. Als er maar geen (statische) reclame te zien is. Da's dodelijk. Het systeem kan betaald worden doordat de bedrijven die meedoen een deelnamebedrag betalen voor de uitzending.
Ik zie het wel voor me, hoor.
Privacy? Die is net zo als met gordijnen en winkeletalages: mensen die langs lopen, werpen een blik naar binnen. Zijn de gordijnen dicht of de etalages donker achter rolluiken, dan zie je niets. Meedoen is zoiets als de gordijnen open of dichtgetrokken hebben.
Inbrekers? Ach, kom. De schermen zijn buiten geplaatst en niet elders op te vragen dan binnen die straal van 250 meter. De inbreker zal dus nog steeds op stap moeten en nog steeds observeren. Net als altijd.
Dat zal vast wel gebeuren: de Ja, maar-reactie. Varkens in het Singelpark, camera's met stadsgezichten, een beekje door de Breestraat, kijkers in de stad.... Ja, maar....
Innovatie. Het lijkt er in Leiden meer op dat dat het van een strik voorzien van de spreekwoordelijke doos in out of the box is.
Labels:
Breestraat,
experiment,
innovatie,
Lakenhal,
Leiden,
orthodox,
privé,
publiek,
reclame,
sociaal,
verbinden,
zichtbaar
vrijdag 2 mei 2014
Ik heb iets met onrecht; althans, met wat ík als onrecht beschouw. Want net als geloof en andere normenstelsels bestaat er geen absoluut recht of onrecht. Hippe vogels benoemen dat nu als contextgevoelig. Mij zal het een biet zijn, zolang het maar rekenschap geeft dat ook die context historisch en cultureel bepaald is.
Vandaag zag ik dit werk van Joep van Lieshout. Het is te zien in de Leidse De Lakenhal.

In De lakenhal is een tentoonstelling te zien over het beroemde Leidse laken. Hoe dat zit en wat er te zien is, mag je elders opzoeken of op de website van het museum.
Wat dit werk van Van Lieshout voor mij zo bijzonder maakt, is - naast het esthetisch element - dat het het sinistere, het duistere van die Gouden Eeuw verbeeldt. Van Lieshout zelf vertelde dat iedereen er in kan zien, wat-i wil, maar uit zijn eigen woorden valt ontegenzeglijk op te maken dat hijzelf de donkere kant voor ogen had: "De geschiedenis van de lakenindustrie is er ook een van onderdrukking en uitbuiting".
Het is mij opgevallen dat veel kunst, zeker de figuratieve, vooral positieve, haast utopische beelden aanbieden. Dat heeft ongetwijfeld ook met het tijdsbeeld te maken. Maar het effect is wel dat je makkelijk het beeld krijgt dat het geschilderde op de realiteit lijkt.
Toen ik dit beeld zag, was het eerste gevoel iets van beklemming. Ik zie nog steeds een mens die aan de trekkracht van de (weef)machine probeert te ontsnappen; alsof-i met rubberbanden vastzit en je wéét dat-i op een gegeven moment weer snoeihard wordt terug getrokken.
Het bijzondere is, dat, als je aan de andere kant gaat staan, je een heel ander gevoel krijgt. Dan zie je de stok in de rechterhand van het persoon veel beter, waardoor plots een 'heer' de machine trekt.
Kijk. Dat vind ik dus heel bijzonder: dat je perspectief zo'n verschil kan maken. Van Lieshout maakte een sculptuur die mooi is, maatschappij-kritisch én blijkbaar verschillende perspectieven in zich heeft. Nu heb ik geen idee of hij dat zo ook bedoeld - díe vraag stelde ik niet omdat-i pas later opborrelde - maar mij maakt het niet uit.
Ik zie het zo, en dat mocht van hem. Toch?
Vandaag zag ik dit werk van Joep van Lieshout. Het is te zien in de Leidse De Lakenhal.
In De lakenhal is een tentoonstelling te zien over het beroemde Leidse laken. Hoe dat zit en wat er te zien is, mag je elders opzoeken of op de website van het museum.
Wat dit werk van Van Lieshout voor mij zo bijzonder maakt, is - naast het esthetisch element - dat het het sinistere, het duistere van die Gouden Eeuw verbeeldt. Van Lieshout zelf vertelde dat iedereen er in kan zien, wat-i wil, maar uit zijn eigen woorden valt ontegenzeglijk op te maken dat hijzelf de donkere kant voor ogen had: "De geschiedenis van de lakenindustrie is er ook een van onderdrukking en uitbuiting".
Het is mij opgevallen dat veel kunst, zeker de figuratieve, vooral positieve, haast utopische beelden aanbieden. Dat heeft ongetwijfeld ook met het tijdsbeeld te maken. Maar het effect is wel dat je makkelijk het beeld krijgt dat het geschilderde op de realiteit lijkt.
Toen ik dit beeld zag, was het eerste gevoel iets van beklemming. Ik zie nog steeds een mens die aan de trekkracht van de (weef)machine probeert te ontsnappen; alsof-i met rubberbanden vastzit en je wéét dat-i op een gegeven moment weer snoeihard wordt terug getrokken.
Het bijzondere is, dat, als je aan de andere kant gaat staan, je een heel ander gevoel krijgt. Dan zie je de stok in de rechterhand van het persoon veel beter, waardoor plots een 'heer' de machine trekt.
Kijk. Dat vind ik dus heel bijzonder: dat je perspectief zo'n verschil kan maken. Van Lieshout maakte een sculptuur die mooi is, maatschappij-kritisch én blijkbaar verschillende perspectieven in zich heeft. Nu heb ik geen idee of hij dat zo ook bedoeld - díe vraag stelde ik niet omdat-i pas later opborrelde - maar mij maakt het niet uit.
Ik zie het zo, en dat mocht van hem. Toch?
Labels:
impressie,
Joep,
klasse,
Lakenhal,
Leiden,
perspectief,
sociaal,
uitbuiting,
van Lieshout,
waarnemen
dinsdag 15 april 2014
Een man zonder eigenschappen
Komt de titel van deze blogpost je bekend voor? Dat is heel goed mogelijk, want het is een variatie op Musils De Man Zonder Eigenschappen.
Die roman is zo'n roman waarvan je denkt 'die móet ik lezen' - zeker ook omdat dat bijdraagt aan een intellectueel imago. Ik kwam nooit tot het eind. Sterker, ik denk dat ik niet heel veel verder dan de eerste honderd pagina's kwam. In deel drie. Dat was zo'n dertig jaar geleden.
Een collega bij het Sociologisch Instituut, waar ik toen werkte, promoveerde en kreeg het boek kado. De titel intrigeerde me. Hij is imiddels al weer jaren hoogleraar en ik las het boek nooit uit. Maar de titel bleef zeuren.
Sinds een week of twee ben ik, weer, van plan zeker het eerste deel te gaan lezen. De reden daarvoor is een gesprek met iemand over de vraag wíe ik ben. Altijd leuk om over jezelf na te denken.
In dat gesprek heb ik mezelf omschreven als iemand die met veel gemak zijn rol als een mantel kan afleggen. Het kost me weinig moeite me in verschillende omgevingen te bewegen, zolang ik daar ook kennis/informatie kan opdoen. Vooral sociale (omgangs)vormen zijn boeiend. Of ik nu als chauffeur optreed, als docent, als blogger of als verslaggever; dát is de rol die ik dan heb.
Het is bijvoorbeeld leerzaam te weten dat de samenleving mensen vooral beoordeeld op hun beroep(sstatus) en helemaal níet op de wijsheid van hun gedachten. Dat wist je al. Maar je ervaarde het nooit.
Maar goed. Dat afleggen van die mantels, dat in zeker opzicht als een toneelspeler een rol aanmeten, is wat Musil ook beschrijft. Vandaar de gedachte dat ik zijn meesterwerk toch eigenlijk eens écht moet lezen. Of het ervan komt?!
Die vaardigheid jezelf uit te vlakken, onzichtbaar(der) te maken, op te gaan in je omgeving, is wat ik, jattend, maar 'zonder eigenschappen' noem. Het is een eigenschap waarvan ik denk dat-i waardevol is, maar die te weinig wordt herkend en gewaardeerd.
In de sociale wetenschappen bestaat de methode van de participerende observatie. Je bent deel van het te onderzoeken verschijnsel, maar houdt wél je onderzoeksdoel primair. Da's dus nét anders. In de journalistiek kan het ook. Walraff is daar hét voorbeeld van. Hij nam de identitéit aan van de mensen die hij wilden beschrijven, tot en met uiterlijk, woonsituatie en dagelijks leven.
Ik trek zijn werk en betekenis dan wel uit z'n verband, maar de digitale wereld biedt ons wél de mogelijkheid te leven 'zonder eigenschappen' zoals Musil bedoelde.
Dat alleen al is reden genoeg om de 500 pagina's toch maar eens te proberen te verteren.
Die roman is zo'n roman waarvan je denkt 'die móet ik lezen' - zeker ook omdat dat bijdraagt aan een intellectueel imago. Ik kwam nooit tot het eind. Sterker, ik denk dat ik niet heel veel verder dan de eerste honderd pagina's kwam. In deel drie. Dat was zo'n dertig jaar geleden.
Een collega bij het Sociologisch Instituut, waar ik toen werkte, promoveerde en kreeg het boek kado. De titel intrigeerde me. Hij is imiddels al weer jaren hoogleraar en ik las het boek nooit uit. Maar de titel bleef zeuren.
Sinds een week of twee ben ik, weer, van plan zeker het eerste deel te gaan lezen. De reden daarvoor is een gesprek met iemand over de vraag wíe ik ben. Altijd leuk om over jezelf na te denken.
In dat gesprek heb ik mezelf omschreven als iemand die met veel gemak zijn rol als een mantel kan afleggen. Het kost me weinig moeite me in verschillende omgevingen te bewegen, zolang ik daar ook kennis/informatie kan opdoen. Vooral sociale (omgangs)vormen zijn boeiend. Of ik nu als chauffeur optreed, als docent, als blogger of als verslaggever; dát is de rol die ik dan heb.
Het is bijvoorbeeld leerzaam te weten dat de samenleving mensen vooral beoordeeld op hun beroep(sstatus) en helemaal níet op de wijsheid van hun gedachten. Dat wist je al. Maar je ervaarde het nooit.
Maar goed. Dat afleggen van die mantels, dat in zeker opzicht als een toneelspeler een rol aanmeten, is wat Musil ook beschrijft. Vandaar de gedachte dat ik zijn meesterwerk toch eigenlijk eens écht moet lezen. Of het ervan komt?!
Die vaardigheid jezelf uit te vlakken, onzichtbaar(der) te maken, op te gaan in je omgeving, is wat ik, jattend, maar 'zonder eigenschappen' noem. Het is een eigenschap waarvan ik denk dat-i waardevol is, maar die te weinig wordt herkend en gewaardeerd.
In de sociale wetenschappen bestaat de methode van de participerende observatie. Je bent deel van het te onderzoeken verschijnsel, maar houdt wél je onderzoeksdoel primair. Da's dus nét anders. In de journalistiek kan het ook. Walraff is daar hét voorbeeld van. Hij nam de identitéit aan van de mensen die hij wilden beschrijven, tot en met uiterlijk, woonsituatie en dagelijks leven.
Het standpunt dat Musil uiteindelijk in zijn roman uitwerkt is dat het maatschappelijk handelen het 'ik' uitholt en uiteindelijk wegvaagt. Het leidt tot allerlei eigenschappen die de mens wegdrijven van wie hij werkelijk is. Een mens doet er daarom het beste aan afstand te nemen van het maatschappelijk handelen en te leven als een 'man zonder eigenschappen'.
Ik trek zijn werk en betekenis dan wel uit z'n verband, maar de digitale wereld biedt ons wél de mogelijkheid te leven 'zonder eigenschappen' zoals Musil bedoelde.
Dat alleen al is reden genoeg om de 500 pagina's toch maar eens te proberen te verteren.
vrijdag 4 april 2014
Wijsheden
Heb jij dat ook? Dat je via de social media - met name Twitter - wordt overspoeld met berichtjes die als reclamespotjes over komen?
Op LinkedIn lijkt het vergeven van de adviseurs en consultants die vooral op zoek zijn naar opdrachten; en daartoe net doen alsof zíj dé oplossing hebben. Eerlijk gezegd, komt dat hele LinkedIn me vooral daarom de keel uit. Echt interessante gesprekken vind ik er niet. LinkedIn is en blijft voor mij een grote Rolodex, met als aller-, allergrootste voordeel dat ik 'm niet hoed bij te houden.
Op Twitter is het net anders. Daar heerst tegenwoordig een dag- en avondcultuur (wellicht bestaat er ook een nachtcultuur, maar over het algemeen slaap ik dan).
De avondcultuur op Twitter is (nog steeds) reuze-interessant en -inspirerend. Dan vind je mensen die gesprekken voeren. Dan vind je mensen met wie je nog weleens op een opbouwende manier van mening kunt verschillen.
De dagcultuur op Twitter is een stuk minder. Natuurlijk, ook dan zijn er gesprekken gaande en ook relevante. Maar het doet me dan denken aan van die gratis huis-aan-huisblaadjes waar dat hele kleine beetje nieuws dat daarin staat, moet opboksen tegen het advertentiegeweld. In die categorie blaadjes/reclamefolders is er geeneen die het lezen waard is.
Zoals in die blaadjes 'reclame' wordt gemaakt, zo kom ik dat in de Twitterdagcultuur ook tegen. Tweets van mensen die helemaal niet uit zijn op een gesprek, maar in een menigte mensen staan te blèren. Dan krijg je berichten van anderen ge-retweet of men wijst je op kranteberichten (sic). Ook populair is citeren wat andere media ook brengen. Vervuiling, tenzij de zender er iets aan toevoegt. Becommentarieert.
Die wijsheid kwam van de week voorbij. Meer dan dit was het niet. Het is er eentje in een heel populaire denkrichting: energie wend je doelgericht aan. Weet wat je wilt en werk daar naartoe.
Volgens mij is het een ondoelmatige manier van werken.
De reden daarvoor is dat deze aanpak alleen werkt in een beperkte, gekende verzameling (en in een situatie waarin je heel nauwkeurig kunt aangeven wat je wilt).
Maar in 90% van de gevallen is dat niet zo. Zo moeilijk is dat niet om te begrijpen: hoeveel ken je en hoeveel ken je niet? Kun je een schatting maken van dat tweede? Als het goed is, weet je dat je meer níet dan wél weet.
Da's een belangrijke reden om dat gefocust werken een vreemde aanpak te vinden. Per slot van rekening is het veel logischer te werken vanuit de gedachte wat je níet wilt. Die houdt immers alle ruimte open voor ónbekende oplossingen en wegen. Dat betekent dat die aanpak een grótere kans geeft op het vinden van een weg naar een doel.
Kortom, het klínkt allemaal wel zo doelmatig, maar dat geldt onder condities. Een begrip als entropie is in dit verband ook relevant (en door mij niet uit te leggen). Ik geloof dat het neerkomt op het fenomeen dat er meer toestanden (oplossingen) zijn dan die ene gewenste.
Het is, vind ik, het overdenken waard: waarom is het afkeurenswaardig (in discussies) als iemand wel kan aangeven wat-i niet wel en niet wat-i wél wil. Het zou, denk ik, een heleboel meer begrip opleveren, als we ons realiseren dat die 'positieve' aanpak is gebaseerd op ordenen. En da's nu juist iets wat de natuur niet doet, zo leert de entropie ons.
Daar heerst de neiging tot wanorde.
Op LinkedIn lijkt het vergeven van de adviseurs en consultants die vooral op zoek zijn naar opdrachten; en daartoe net doen alsof zíj dé oplossing hebben. Eerlijk gezegd, komt dat hele LinkedIn me vooral daarom de keel uit. Echt interessante gesprekken vind ik er niet. LinkedIn is en blijft voor mij een grote Rolodex, met als aller-, allergrootste voordeel dat ik 'm niet hoed bij te houden.
Op Twitter is het net anders. Daar heerst tegenwoordig een dag- en avondcultuur (wellicht bestaat er ook een nachtcultuur, maar over het algemeen slaap ik dan).
De avondcultuur op Twitter is (nog steeds) reuze-interessant en -inspirerend. Dan vind je mensen die gesprekken voeren. Dan vind je mensen met wie je nog weleens op een opbouwende manier van mening kunt verschillen.
De dagcultuur op Twitter is een stuk minder. Natuurlijk, ook dan zijn er gesprekken gaande en ook relevante. Maar het doet me dan denken aan van die gratis huis-aan-huisblaadjes waar dat hele kleine beetje nieuws dat daarin staat, moet opboksen tegen het advertentiegeweld. In die categorie blaadjes/reclamefolders is er geeneen die het lezen waard is.
Zoals in die blaadjes 'reclame' wordt gemaakt, zo kom ik dat in de Twitterdagcultuur ook tegen. Tweets van mensen die helemaal niet uit zijn op een gesprek, maar in een menigte mensen staan te blèren. Dan krijg je berichten van anderen ge-retweet of men wijst je op kranteberichten (sic). Ook populair is citeren wat andere media ook brengen. Vervuiling, tenzij de zender er iets aan toevoegt. Becommentarieert.
Focus op wat je wilt beréiken, niet op wat je wilt vermijden.
Die wijsheid kwam van de week voorbij. Meer dan dit was het niet. Het is er eentje in een heel populaire denkrichting: energie wend je doelgericht aan. Weet wat je wilt en werk daar naartoe.
Volgens mij is het een ondoelmatige manier van werken.
De reden daarvoor is dat deze aanpak alleen werkt in een beperkte, gekende verzameling (en in een situatie waarin je heel nauwkeurig kunt aangeven wat je wilt).
Maar in 90% van de gevallen is dat niet zo. Zo moeilijk is dat niet om te begrijpen: hoeveel ken je en hoeveel ken je niet? Kun je een schatting maken van dat tweede? Als het goed is, weet je dat je meer níet dan wél weet.
Da's een belangrijke reden om dat gefocust werken een vreemde aanpak te vinden. Per slot van rekening is het veel logischer te werken vanuit de gedachte wat je níet wilt. Die houdt immers alle ruimte open voor ónbekende oplossingen en wegen. Dat betekent dat die aanpak een grótere kans geeft op het vinden van een weg naar een doel.
Kortom, het klínkt allemaal wel zo doelmatig, maar dat geldt onder condities. Een begrip als entropie is in dit verband ook relevant (en door mij niet uit te leggen). Ik geloof dat het neerkomt op het fenomeen dat er meer toestanden (oplossingen) zijn dan die ene gewenste.
Het is, vind ik, het overdenken waard: waarom is het afkeurenswaardig (in discussies) als iemand wel kan aangeven wat-i niet wel en niet wat-i wél wil. Het zou, denk ik, een heleboel meer begrip opleveren, als we ons realiseren dat die 'positieve' aanpak is gebaseerd op ordenen. En da's nu juist iets wat de natuur niet doet, zo leert de entropie ons.
Daar heerst de neiging tot wanorde.
Labels:
doelamtig,
doeltreffend,
entropie,
gericht,
sociaal
Abonneren op:
Posts (Atom)