Het is een populair op conferenties en workshops: de topsporter die komt uitleggen hoe hij of zij dat bereikte. Altijd leuk, want de organisator krijgt het vaak voor elkaar zo iemand ook nog te laten zeggen dat volharden een belangrijke factor is. Slim verpakt, kom je de boodschap tegen dat hard werken en je uiterste best doen je naar je doel brengen. Een betere motivatie voor je medewerkers kun je je haast niet voorstellen: een beroemdheid die je medewerkers duidelijk maakt dat hard werken góed is.
Het is onzin!
Een paar jaar geleden schreef, naar ik me herinner Wired, er al over. De aandacht voor de verhalen van succesvollen als leerstof voor niet-succesvollen is onzin. De gedachte die aan die aandacht ten grondslag ligt, gaat er van uit dat dat gebleken succes extern valt te verklaren. Ofwel: het is aan te leren door je uiterste best te doen. Wat te vaak wordt veronachtzaamd, is de factor aanleg. Het wordt niet vergeten, maar speelt in die theorie slechts een marginale rol.
Al die jochies die fanatiek voetballen in de hoop ooit wereldberoemd voetballer te worden. Al die ouders die hun kinderen als paarden aansporen hun uiterste best te doen een Bijzonder Mens te worden, hetzij sportief hetzij intellectueel. IJdele hoop. Die ene toevallige passeerbeweging is geen indicatie voor een nieuwe topvoetballer, maar ouders hebben de neiging strohalmpjes te grijpen. En dus pieken de aantallen hoogbegaafden.
Dat appeleren aan ambitie is zo heerlijk doorzichtig dat het verbazingwekkend is dat er nog zóveel mensen serieus op in gaan.
Niet om jou, lezer, te beledigen, maar je zult echt nooit tot de top gaan behoren. Waarom zou je je daarom wel daarnaar gedragen en je daarvoor inspannen?
De slimste houding is de wijze lessen van top-sporters en top-ondernemers níet te beoordelen als wíjze lessen, maar als leuke wetenswaardigheden over het leven en loopbaan van talentvolle types. Ze zijn immers geen gemiddelde voorbeelden, maar uitbijters, extremen, exoten.
Een paar dagen geleden schreef ik over goal setting als methode die verkeerd kan uitpakken. Dat geldt in sterke mate voor deze voorbeelden. Mensen voorbeelden voorhouden waarvan overduidelijk is dat zij die nooit zullen evenaren, zal averechts werken. Het is daarom een Groot Raadsel waarom ex-sporters menen (beter) organisatie-advies te kunnen geven vanwege hun specifieke sportieve inspanning.
Het is veel verstandiger te weten waar jóuw grenzen liggen, wat jóuw ambities zijn en wat jíj daarvoor wilt opofferen.
Voor werkgevers is het verstandig zich ook af te vragen of zij wel over voldoende middelen om top-kwaliteit in huis te hebben, halen en houden. Want de niet-genoemde kant van die topdogs is wel dat zij een aantal factoren méér verdienen dan de gemiddelde werknemer.
Dat is het idiote aan al die voorbeeldmensen. Ze dienen vooral als voorbeelden voor wat ambitie, inspanning en volharding teweeg kunnen brengen. Maar systematisch wordt vergeten wat dat kóst. Zoals zo vaak: alleen de voordelen worden benadrukt.
Misschien moet eens worden gekeken naar die kosten: de gekreukte en gekwetste kinderen, de opgebrande en naar de concurrent vertrokken werknemers.
Posts tonen met het label druk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label druk. Alle posts tonen
vrijdag 25 juli 2014
dinsdag 18 maart 2014
Stemmen móet?!
Het zal wel. Sinds wanneer is het zo dat je móet stemmen om recht van klagen of spreken te hebben? Da's baarlijke nonsens.
Stemmen is een democratisch recht. Toch? Tenzij ik ooit ergens een fundamentele wetswijziging heb gemist, is dat toch echt nog steeds het uitgangspunt. Maar omdat ik ook weleens een wijziging in de wegenverkeerswet miste over de maximale asdruk van de aanhanger die ik niet heb, sluit ik niet uit ooit iets anders belangrijk ook te hebben gemist. In dit geval meen ik oprecht te kunnen zeggen dat dat niet zo is. Stemmen is een democratisch recht.
Als dat zo is, snap ik het niet meer.
Blijkbaar is er een soort collectieve misleiding ontstaan dat je je democratisch recht móet uitoefenen. Maar een recht is juist een recht omdat het jou het recht geeft het níet uit te oefenen. Anders is het een plicht. Een een stemplicht kennen we al lang niet meer.
Maar je moet stemmen omdat je anders geen recht van spreken - lees: klagen - hebt later. Is ook drog. Volgens aanhangers van die redenering is stemrecht een zwaarwegend en belangrijk recht waarmee je niet lichtzinnig mag omspringen. Daar kan ik me helemaal in vinden. Wat dan wel weer frappant is, is dat dat zwaarbelangrijk recht onmiddellijk totaal waardeloos wordt gemaakt door te doen alsof je het aanbod partijen altijd voldoende keuze biedt om jouw mening te verkondigen.
Als er iets is wat we de afgelopen jaren steeds meer zijn realiseren, dan is dat toch echt dat dat een wensbeeld is. Er is geen enkele partij die jouw meningen en doelen precíes onderschrijft. Niet voor niets is dat kiezen zo moeilijk. Ze passen geen van allen voor honderd procent en dus dient zich die (ellendige) keuzevraag aan: wat geef ik prioriteit en wat minder? Da's kiezen: van maximaal naar optimaal (en verder naar beneden via suboptimaal en 'minst slechte').
Als ik serieus zou omgaan met m'n stemrecht zou het heel goed zo kunnen zijn dat ik níet stem. Althans, geen stem uitbreng. De gang naar het stemlokaal maak ik dan wel, maar op een of andere manier moet ik kunnen uitdrukken dat ik voor niemand of geen partij in het bijzonder kies.
Eigenlijk is het dwingelandij van diegenen die vinden dat je móet stemmen om recht van (mee)spreken te hebben. Nog afgezien van het gegeven dat niemand kan weten óf ik heb gestemd en op wie, is die houding feitelijk enorm aanmatigend.
Als iemand serieus zaken afwegend tot de ontdekking komt dat niemand zijn stem verdiend, dan moet hij die stem ook niet vergooien aan soort van tweede, derde of vierde keuze.
Dat is ook een van de verontrustende zaken aan de toenemende fixatie op opkomstcijfers. Die zeggen niets; zeker niet als mensen naar de stembus worden gelokt met feestjes en braderieën of worden gedwongen door sociale druk. Daarmee wordt het opkomstpercentage wellicht opgekrikt, maar de democratie zeker geen dienst bewezen.
Dat doe je door je af te vragen waarom die opkomst zo laag is. Mogelijk zijn dat de vragenstellers zelf: de politieke partijen en zij die leven van het politiek bedrijf. Om in hun eigen termen te blijven: het is lastig voor wc-eend iets anders aan te bevelen dan wc-eend.
Da's een ongemakkelijke mogelijke waarheid.
Stemmen is een democratisch recht. Toch? Tenzij ik ooit ergens een fundamentele wetswijziging heb gemist, is dat toch echt nog steeds het uitgangspunt. Maar omdat ik ook weleens een wijziging in de wegenverkeerswet miste over de maximale asdruk van de aanhanger die ik niet heb, sluit ik niet uit ooit iets anders belangrijk ook te hebben gemist. In dit geval meen ik oprecht te kunnen zeggen dat dat niet zo is. Stemmen is een democratisch recht.
Als dat zo is, snap ik het niet meer.
Blijkbaar is er een soort collectieve misleiding ontstaan dat je je democratisch recht móet uitoefenen. Maar een recht is juist een recht omdat het jou het recht geeft het níet uit te oefenen. Anders is het een plicht. Een een stemplicht kennen we al lang niet meer.
Maar je moet stemmen omdat je anders geen recht van spreken - lees: klagen - hebt later. Is ook drog. Volgens aanhangers van die redenering is stemrecht een zwaarwegend en belangrijk recht waarmee je niet lichtzinnig mag omspringen. Daar kan ik me helemaal in vinden. Wat dan wel weer frappant is, is dat dat zwaarbelangrijk recht onmiddellijk totaal waardeloos wordt gemaakt door te doen alsof je het aanbod partijen altijd voldoende keuze biedt om jouw mening te verkondigen.
Als er iets is wat we de afgelopen jaren steeds meer zijn realiseren, dan is dat toch echt dat dat een wensbeeld is. Er is geen enkele partij die jouw meningen en doelen precíes onderschrijft. Niet voor niets is dat kiezen zo moeilijk. Ze passen geen van allen voor honderd procent en dus dient zich die (ellendige) keuzevraag aan: wat geef ik prioriteit en wat minder? Da's kiezen: van maximaal naar optimaal (en verder naar beneden via suboptimaal en 'minst slechte').
Als ik serieus zou omgaan met m'n stemrecht zou het heel goed zo kunnen zijn dat ik níet stem. Althans, geen stem uitbreng. De gang naar het stemlokaal maak ik dan wel, maar op een of andere manier moet ik kunnen uitdrukken dat ik voor niemand of geen partij in het bijzonder kies.
Eigenlijk is het dwingelandij van diegenen die vinden dat je móet stemmen om recht van (mee)spreken te hebben. Nog afgezien van het gegeven dat niemand kan weten óf ik heb gestemd en op wie, is die houding feitelijk enorm aanmatigend.
Als iemand serieus zaken afwegend tot de ontdekking komt dat niemand zijn stem verdiend, dan moet hij die stem ook niet vergooien aan soort van tweede, derde of vierde keuze.
Dat is ook een van de verontrustende zaken aan de toenemende fixatie op opkomstcijfers. Die zeggen niets; zeker niet als mensen naar de stembus worden gelokt met feestjes en braderieën of worden gedwongen door sociale druk. Daarmee wordt het opkomstpercentage wellicht opgekrikt, maar de democratie zeker geen dienst bewezen.
Dat doe je door je af te vragen waarom die opkomst zo laag is. Mogelijk zijn dat de vragenstellers zelf: de politieke partijen en zij die leven van het politiek bedrijf. Om in hun eigen termen te blijven: het is lastig voor wc-eend iets anders aan te bevelen dan wc-eend.
Da's een ongemakkelijke mogelijke waarheid.
Labels:
democratie,
druk,
dwang,
gemeente,
Keuzevrijheid,
opkomst,
verkiezingen,
vrijheid
Abonneren op:
Posts (Atom)