Posts tonen met het label gemeente. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gemeente. Alle posts tonen

maandag 7 juli 2014

De waanwerkelijkheid van 'spookjongeren'

Vorige week verscheen een lokaal Amsterdams rapport over 'spookjongeren'. Blijkbaar is door de onderzoekers geschat dat in heel Nederland tussen de 100.000 en 200.000 'spookjongeren' leven. In nieuws-arme tijden is dat een aantal dat voldoende reden is voor landelijke media om aandacht aan 'spookjongeren' te besteden.

Wat jongeren tot 'spookjongeren' maakt, is hun onzichtbaarheid voor instanties. Da's een uitermate interessante. Wie bovenstaande link naar Het Parool volgde, zal hebben gelezen dat die onzichtbaarheid de (veronderstelde) ellende waarin die jongeren verkeren alleen maar vergroten; buiten bereik van de (schuld)hulpverlening, van de sociale dienst, van opleidingsinstituten. Ze groei(d)en op voor galg en rad, een mega-Pietje Bell maar dan misdadig; het beeld is dat van randfiguren.

Deze blogpost gaat zoals altijd niet over wel of niet gelijk. Wat opvalt, is die ene zin 'onttrekken aan instanties'. Blijkbaar mág dat niet. Gisteren deed ik de voor mij stuitende ontdekking dat voor sommigen in de (schuld)hulpverlening dat niet mag omdat er regels zijn, omdat in de samenleving rechten en plichten bestaan.

Dat is een waanidee: dat een samenleving door regels, bij diktaat, bestaat. Toch is het die irrealiteit die momenteel overheerst. Geregeld is geregeld. Klaar. Voltooid.

In die waan geloven heel veel mensen. Zo is de regel dat jongeren onder de 27 of op school moeten zitten of werken. Dat is zo geregeld bij wet (waarin ook is geregeld dat ze de eerste maand geen recht op financiële ondersteuning hebben). Dat mag je vinden. Maar de grap is dat gemeenten daarop, de wet, beleid ontwikkelen en zich duur laten adviseren en duur laten ondersteunen, met 'innovatieve apps en methoden', die de plank volledig mis slaan.

De mogelijkheid dat een groeiende groep jongeren zich actief onttrekt aan de overheid komt niet op. En toch is dat wat je ziet gebeuren. Dat een deel van de heterogene groep jongeren de overheid niet nodig denkt te hebben. Laat dat nu net het type jongere zijn dat vaak wordt betiteld als 'problematisch' of 'spookjongere'.

De werkelijkheid van alledag is de samenleving; niet de werkelijkheid van regels.

Dat je iets niet mág, is voor veel mensen geen enkele belemmering het toch te doen. Het verkeer vind ik nog steeds een prima voorbeeld. Op papier waterdicht geregeld, maar in de praktijk één janboel van meer toevallige niet-ongelukken dan van goed gereguleerde verkeersstromen.

Dat heeft alles te maken met een regelsysteem dat niet in staat is - de steeds snellere - veranderingen in de samenleving bij te benen. Op dat moment wordt dat regelsysteem belemmerend, een keurslijf. Dan gaan we met z'n allen sluiproutes zoeken.

Dat eist nieuwe aanpakken en nieuwe uitvoerders. Eerste Kamerlid Tof Thissen heb ik in zijn toenmalige functie van directeur van Divosa - 'de sociale diensten' - meerdere keren gloedvol horen betogen dat 'medewerkers van sociale diensten er zijn voor de cliënten en dat zij in hun belang de grenzen van de wetgeving moeten opzoeken en oprekken'. Grandioos! Helemaal mee eens. Maar waar Thissen keer op keer géén oplossing voor had, is dat die medewerker daarna wel zou worden beoordeeld aan de hand van het handhaven van regels.

Het eist ook nadenken. In Leiden hebben we een levensgevaarlijke weg, waar veilige passeermogelijkheden zijn gemaakt. Die zijn binnen een maand alweer vervangen door een levensgevaarlijke (vanwege bouwwerkzaamheden). Die ligt er nu een jaartje en het ís een levensgevaarlijke plek.

Vooral kinderen die niet wachten op groen. Eigen schuld, dikke bult; je kúnt het zeggen. Maar toch. Ikzelf heb er binnen twee maanden drie keer meegemaakt dat vrachtwagencombinaties het behouden van snelheid belangrijker vonden dan stoppen voor rood en die eenzame fietser. Serieus, je schrikt je lam.

Dan ben je er nog niet. Aan de overkant wacht je een regelgewijs juiste situatie. Haaietanden geven aan dat je een voorrangsweg nadert en je dus moet wachten.

Maar dít is de realiteit:

Photo 07-07-14 14 42 58

Meer dan twee, drie fietsers kunnen er niet wachten (ooit gezien hoeveel scholieren op dit soort van plekken wil oversteken?). Maar werkelijk knots: je zíet niets. De gemeente Leiden laat het onkruid er welig en hoog tieren en zorgt er daarmee voor dat onveilig nu extreem onveilig is. Een volwassenen van gemiddelde lengte ziet niets (laat staan alles onder de 1.78). Achter je een drukke verkeersweg, voor je verkeer dat voorrang heeft en jouw 'veilige' plek is zo'n vier vierkante meter. Ooit zo gestaan?

Dat is waanrealiteit. Dat we kunnen regelen en we ons daarna daar ook nog eens aan houden.

'Spookjongeren'?! Ik zou als gemeente, als sociale dienst, eens héél hard gaan nadenken over dat fenomeen. En dan niet in termen van 'ze houden zich niet aan regels'.

dinsdag 18 maart 2014

Stemmen móet?!

Het zal wel. Sinds wanneer is het zo dat je móet stemmen om recht van klagen of spreken te hebben? Da's baarlijke nonsens.

Stemmen is een democratisch recht. Toch? Tenzij ik ooit ergens een fundamentele wetswijziging heb gemist, is dat toch echt nog steeds het uitgangspunt. Maar omdat ik ook weleens een wijziging in de wegenverkeerswet miste over de maximale asdruk van de aanhanger die ik niet heb, sluit ik niet uit ooit iets anders belangrijk ook te hebben gemist. In dit geval meen ik oprecht te kunnen zeggen dat dat niet zo is. Stemmen is een democratisch recht.

Als dat zo is, snap ik het niet meer.

Blijkbaar is er een soort collectieve misleiding ontstaan dat je je democratisch recht móet uitoefenen. Maar een recht is juist een recht omdat het jou het recht geeft het níet uit te oefenen. Anders is het een plicht. Een een stemplicht kennen we al lang niet meer.

Maar je moet stemmen omdat je anders geen recht van spreken - lees: klagen - hebt later. Is ook drog. Volgens aanhangers van die redenering is stemrecht een zwaarwegend en belangrijk recht waarmee je niet lichtzinnig mag omspringen. Daar kan ik me helemaal in vinden. Wat dan wel weer frappant is, is dat dat zwaarbelangrijk recht onmiddellijk totaal waardeloos wordt gemaakt door te doen alsof je het aanbod partijen altijd voldoende keuze biedt om jouw mening te verkondigen.

Als er iets is wat we de afgelopen jaren steeds meer zijn realiseren, dan is dat toch echt dat dat een wensbeeld is. Er is geen enkele partij die jouw meningen en doelen precíes onderschrijft. Niet voor niets is dat kiezen zo moeilijk. Ze passen geen van allen voor honderd procent en dus dient zich die (ellendige) keuzevraag aan: wat geef ik prioriteit en wat minder? Da's kiezen: van maximaal naar optimaal (en verder naar beneden via suboptimaal en 'minst slechte').

Als ik serieus zou omgaan met m'n stemrecht zou het heel goed zo kunnen zijn dat ik níet stem. Althans, geen stem uitbreng. De gang naar het stemlokaal maak ik dan wel, maar op een of andere manier moet ik kunnen uitdrukken dat ik voor niemand of geen partij in het bijzonder kies.

Eigenlijk is het dwingelandij van diegenen die vinden dat je móet stemmen om recht van (mee)spreken te hebben. Nog afgezien van het gegeven dat niemand kan weten óf ik heb gestemd en op wie, is die houding feitelijk enorm aanmatigend.

Als iemand serieus zaken afwegend tot de ontdekking komt dat niemand zijn stem verdiend, dan moet hij die stem ook niet vergooien aan soort van tweede, derde of vierde keuze.

Dat is ook een van de verontrustende zaken aan de toenemende fixatie op opkomstcijfers. Die zeggen niets; zeker niet als mensen naar de stembus worden gelokt met feestjes en braderieën of worden gedwongen door sociale druk. Daarmee wordt het opkomstpercentage wellicht opgekrikt, maar de democratie zeker geen dienst bewezen.

Dat doe je door je af te vragen waarom die opkomst zo laag is. Mogelijk zijn dat de vragenstellers zelf: de politieke partijen en zij die leven van het politiek bedrijf. Om in hun eigen termen te blijven: het is lastig voor wc-eend iets anders aan te bevelen dan wc-eend.

Da's een ongemakkelijke mogelijke waarheid.

zondag 16 maart 2014

Integriteit

Daarom geloof ik steeds minder dat er een echte bedreiging uitgaat van de nieuwe verslaggevers. Als je genoeg tijd doorbrengt tussen de mensen die lokaal nieuws verslaan, dan zal je gaan opvallen dat dat een een cultuurtje is.

Een nieuwsjager zal ik niet snel worden. Dat behoeft enige uitleg. Want onderzoeksjournalistiek - voor mij een synoniem voor langere artikelen met diepgang - lijkt me weer wél wat. Wat me niet boeit, is de jacht op nieuwtjes en 'de eerste zijn'. Ik vond, vind en zal vast blijven vinden dat mensen die dat nastreven met vuur spelen. In hun gefixeerdheid op de scoop lopen ze een reëel risico de realiteit uit ogen te verliezen, of interpretatiefouten te maken. Het heeft iets van de beruchte jacht op bonussen.

Wat je vastlegt, zijn je eigen waarneming en interpretatie. In de afgelopen jaren heb ik gemerkt hoe dat tot verschillen kan leiden, óók bij ogenschijnlijk triviale zaken. Een politicus op verkiezingstournee die één kraam bezoekt, bezoekt ook één kraam, maar elders "bleef (hij) staan bij kramen'. Meervoud. Zeker nu, in verkiezingstijd, sta ik af en toe verbaasd en denk "waren wij echt bij dezelfde bijeenkomst?!".

Het heeft allemaal volgens de deskundigen te maken met professionaliteit. De professional, de opgeleide journalist, betrap je niet op interpretatie. Nou, mooi wel. Zeker voor 'het plaatje' maken televisieverslaggevers ook esthetische keuzes, waardoor de context wordt beïnvloed. Da's wezenlijk anders dan de werkelijkheid manipuleren, zoals critici nogal makkelijk-ongenuanceerd geregeld brullen.

Het grote verschil tussen beide groepen is, denk ik nu, de integriteit.

Ook mensen die niet de beroepsopleiding hebben gevolgd, kunnen heel goed journalist zijn. Een goede pen, een scherpe blik en een goed stel hersens zijn belangrijke instrumenten. De beroepsopleiding voegt daaraan in essentie niets toe, anders dan methodieken. De belangrijkste, ethiek en integriteit, léér je niet echt. Daar moet je wel van op de hoogte zijn, maar, net als levenservaring, zal ervaring met de dilemma's vormend zijn.

Wat ik denk te zien, is dat veel van de nieuwe verslaggevers zich vooral daar niet al te veel mee bezig houden. Er lijkt veel te worden gewerkt vanuit een zeer particuliere interesse. Dat speelt altijd een rol, zoals ik beweerde, maar nu beïnvloedt het het keuzemoment. Da's wezenlijk anders: iemand die ergens wel of niet naartoe gaat en iemand die schrijft wat-i zag of hoorde (en dat alleen vanuit eigen perspectief kán).

Dat is wat me opvalt bij lokale media: de selectieve interesse. Stomweg omdat het geen dagelijks werk is in de zin van loonvormend en er 'dus' minder tijd aan kan worden besteedt, of wordt besteed. In het gros van de gevallen is het (vergelijkbaar met) vrijwiligerswerk. Zelfs met dat gegeven bekend en geaccepteerd, is er nog steeds selectie op basis van voorkeur, niet van praktische belemmeringen en bezwaren.

Dát lijkt mij dus wel een reusachtig interessant en relevant onderzoek: de werkwijze van journalisten bij lokale media. Niet dat ik enthousiast word van een invulling als 'is er hoor en wederhoor' toegepast, maar wel 'waarom is iets gekozen als nieuwswaardig'. Ik zou als hypothese willen stellen dat lokale verslaggevers ceteris paribus, onder gelijke omstandigheden, selectiever zijn.

Vooralsnog ga ík er van uit dat dat waar is en dat de integriteit van veel lokale verslagleggers betwistbaar is; omdat ze sommige dingen niet wíllen verslaan.

zondag 2 maart 2014

De waarde van ervaring

Wellicht heb jij je rijbewijs? Zo niet, dan moet je eens proberen je verkeerslessen op school terug te halen.

Dat zijn wellicht nog de tekenendste voorbeelden van de afstand tussen theorie en praktijk. Mijn rijbewijs haalde ik ergens halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw. Inmiddels zijn de lessen en het examen gemoderniseerd. De essentie is niet anders.

Nooit of te nimmer ben ik zo'n autootje, fietser, tram, bus of voetganger tegen gekomen, zoals ze werden getekend gebruikt in het theorieboekje. En nooit ben ik een verkeerssituatie tegen gekomen die zo lekker rustig was als die in dat boekje. In werkelijkheid was het altijd net anders, was het altijd een stuk rommeliger en onoverzichtelijker. Met de komst van dia's en daarna video is dat al een stuk beter. Maar nog steeds... om te kunnen toetsen op regelkennis heb je simulaties nodig.

Zoals iedere goede instructeur en examinator je na het slagen op het hart drukte: 'Autorijden ga je pas nú echt leren. Overschat jezelf niet en onderschat vooral andermans gedrag niet.' En daar gíng je; het verkeer in, vol met anderen die het helemaal niet zo nauw nemen met de geleerde regels.

En inderdaad, pas na jaren snap je wat ze daarmee bedoelden. Pas als je kennis toepast, wordt ze waardevol voor je: praktijkervaring. Dat wordt exponentieel belangrijker in 'sociale' beroepen, iedereen die met mensen omgaat. Van de politieagent in blauw op straat tot en met de psychiatrisch verpleegkundige en de gemeentelijke beslisser. Allemaal hebben ze hun regels geleerd en weten ze, in theorie, hoe het moet, in elkaar steekt of waar je recht op hebt.

Maar pas na jaren ervaring kunnen ze die regels adequaat toepassen.

Na jaren zie het verschill - wellicht - tussen iets met opzet doen, bij toeval doen of niets aan kunnen doen. Ik durf te wedden dat ook jij daarvan voorbeelden hebt meegemaakt. En dat je in die situaties eigenlijk niet goed uit de voeten kon met 'de regels'.

De reden dat ik dit alles - "wisten we al lang!" - zo opschrijf, is dat het verbazingwekkend en verontrustend is dat we steeds meer de nadruk leggen op die formele kennis. Om een baan te krijgen, moet je een bepaald niveau halen: afgemeten aan formele kennis. Pas geleden zocht een organisatie een 'excellente kracht'.

Heb je je weleens afgevraagd wat er gebeurt als je een team hebt van dat soort van medewerkers? Die allemaal worden gepositioneerd als 'excellent zo ook worden verkocht aan de klanten, zo ook worden benaderd? Als excelleren uitblinken is; hoe doe je dat dan onder gelijken? Zou zoiets uiteindelijk niet ongelooflijk slecht uitpakken?

Dat pákt slecht uit. De best presterende teams en bedrijven zijn de gemêleerde. Ook bekend: combineer de creatieve geest met de zakelijke, slim met ervaren, analyticus met pragmaticus. Voeg daaraan dan wel de vereiste toe dat men elkaar in diens capaciteiten waardeert en respecteert; da's wel noodzakelijk. De slimmerik die meent dat-i meer waard is dan een ongeschoolde, is feitelijk de zandkorrel in de machinerie.

Wat rest, lezer, is de vraag: als je dat allemaal (al) weet, hoe is het dan in vredesnaam mogelijk dat we al die ervaring door het gootsteenputje laten verdwijnen? Want hoe je het wendt of keert, ervaring is leeftijdgebonden. En juist de ouderen raken we nu kwijt.

dinsdag 25 februari 2014

Blauwe zones-onzin

Er wordt beweerd dat regeren vooruitzien is. Dat zou betekenen dat besturen - ook een vorm van regeren, regie voeren - dat ook moet zijn en dat bestuursknechten, de beleidsmakers, dat ook doen.

Daar geloof ik steeds minder van.

Over gemeente-ambtenaren werd door (ex-)collega's laatdunkend gesproken. Buiten hun gehoord, uiteraard, want het waren wel de opdrachtgevers. Maar wat ik ervan begreep, is dat het niet veel zaaks is. Niet veel kennis en niet veel visie, om het nog netjes te herformuleren. Toen ik dat voor het eerst hoorde, weet ik nog, dacht ik: 'dat kan niet waar zijn. Dat zien ze verkeerd'.

Nou, er zit een kern van waarheid in. Inmiddels ben ik zo ver dat ik stevig twijfel.

Ongelooflijk veel 'beleid' is die titel niet waard. Uit mijn SCPtijd weet ik dat tóen al is vastgesteld dat op lokaal niveau beleidsstukken werden gekopieerd en dat externe bureaus leefden van het schrijven van lokaal beleid voor diverse gemeenten. Zeker als een nieuwe wet in uitvoering moest worden genomen, werd driftig 'inspiratie gezocht bij collega-gemeenten'. Die praktijken zullen vandaag de dag niet anders zijn. Het bewijs daarvoor zijn al die die organisaties die nog steeds een goede boterham verdienen aan dergelijke 'implementatietrajecten'; of zoals momenteel 'transities'.

Maar dat is omdat het niet hun éigen beleid is, niet hún visie. Dat is dus omdat ze iets móeten uitvoeren, zul je wellicht ter verdediging aanvoeren. Daarin heb je deels gelijk (zij dat het nogal wat zegt over het draagvlak als implementaties zó moeten verlopen).

Toch zit het dieper.

Neem in Leiden het parkeren. Da's echt zo'n onderwerp dat in veel steden en dorpen als onkruid in een aangeharkte tuin een probleem vormt.

Net als overal neemt ook in Leiden de parkeerdruk toe. Dat heeft álles te maken met nieuwe vormen en mogelijkheden van mobiliteit. Vormen die overigens de komende twintig jaar fundamenteel zullen kunnen gaan veranderen, denk ik. Voorlopig zitten we er nog even mee: meer auto's - en autogebruik - dan parkeerplekken.

Maar als mensen vaak of vaker de auto nemen om zich te verplaatsen, dan moeten ze die auto ook ergens kwijt; daar waar je woont, waar je werkt, waar je koopt en waar je recreërt. De hoogste in die pikorde is 'daar waar je woont', want dat vervoermiddel is vooral handig als je het 'bij de hand' hebt. Volgens sommigen is dat synoniem aan 'recht voor de deur'.

In een omgeving met weinig parkeerplaatsen en veel behoefte daaraan levert dat dus een probleem op. Binnensteden zijn ook botsende belangen van bewoners en bezoekers. In de meeste gevallen hebben de bouwers uit de 17de, 18de en 19de eeuw, en eerder, geen rekening gehouden met automobiliteit.

Wat bedenkt een gemeente in zo'n geval? De druk krijg je naar beneden door het parkeren in die ongewenste gebieden te ontmoedigen. 'Van die hot spots maken we blauwe zônes." En dus worden de stoepbanden bij stations en in winkelgebieden blauw geverfd: kort-parkeren toegestaan. Of er wordt een vergunningensysteem ingevoerd. Dat levert nog wat óp ook.

Wat mij betreft een voorbeeld van geen-beleid. Wat onmiddellijk gebeurt - ook in Leiden - is dat de automobilist uitwijkt naar omliggende wijken waar parkeren zonder beperkingen nog wél mogelijk is. Inderdaad, nu ontstaat dáár het probleem. Dat had een kind kunnen voorzien. Pas als een kritische afstand tot de bestemming wordt bereikt stopt dat verspreidingseffect. In een kleine stad als Leiden is dat dus een probleem.

Het zijn dingen als dit die mij aan twijfelen brachten: wordt er nu echt zo slecht nagedacht?

maandag 24 februari 2014

Wegcijferen als methode

Zeker ook bij mijn laatste werkgever kwamen ze voor; van die cursussen Adviesvaardigheden. Ik heb er altijd een afkeer van gehad, omdat onder de prachtigste titels iedere keer weer dat ene doel terug kwam: hoe verkóóp ik de ander iets. Adviesvaardigheden? Dan heeft zo'n verkoper bij een van de dozenschuivende ketens die vast ook.

Het wrange is dat de cursussen vaak de nadruk leggen op 'de klant'. Die moet centraal staan. Daar moet je naar luisteren. Diens problemen moet je oplossen. Je zou haast denken dat iedereen die die cursussen heeft gevolg en ieder bedrijf dat ze afneemt, mensen en bedrijven zijn die het beste met je voorhebben, altruïstische meedenkers.

Niets is minder waar.

De klant wordt in het pak genaaid waar-i bij staat. De klant centraal stellen? Ja, om hem een probleem aan te praten of een probleem groter en zwaarder te maken dan nodig. Wat je leert, is jezelf echter niet te zichtbaar te maken als verkoper. Ik kan dat slecht, omdat ik het nog steeds een bepaalde vorm van oplichting, van manipulatie vind. Maar ja, duizenden adviseurs en consultants verdienen een enorme zakcent met dat 'adviseren'.

Wat ik zo mis in die trainingen en bij die adviseurs, is de vaardigheid jezelf weg te cijferen. Niet jezelf onzichtbaar maken, maar jezelf dienstbaar maken.

Dat klinkt als een open deur. Want dat dóen ze toch allemaal? Nee, dat doen ze niet, want ze moeten geld opbrengen. Wegcijferen leidt in een (fors?) aantal gevallen tot het advies eens bij een concurrent raad of hulp te zoeken. Gewoon, omdat díe op een bepaald punt gewoon beter is. En dá's in het belang van de klant. Bijna nooit in het belang van de cliënt is een adviesorganisátie. Die is niet in staat zichzelf weg te cijferen.

Dat ik veel hoop heb gevestigd op de komst van netwerken van individuen verraadt dit blog wel. Niet dat daarmee de werelden als bij toverslag een vriendelijke, eerlijke wordt. Mensen zijn uiteindelijk de actoren. Wat me wel opvalt, is dat individuen dan andere referenties en morele waarden hanteren dan organisaties (waarin het morele kompas van de directeur of het management team de koers bepaalt).

Een half jaar geleden werd ik benaderd om een grote arbeidsmarktorganisatie te adviseren en begeleiden in het omgaan met social media. In het bijzonder in het omgaan met online bedreiging.

Mijn eerste contact met de directeur deed me denken dat ik wel een groot deel van de kennis heb, maar dat het raadzaam zou zijn een collega in te schakelen. Zo gezegd, zo gedaan. Samen hebben we de opzet verkend.

Uiteindelijk hebben we naar aanleiding daarvan de directeur geadviseerd ons helemaal níet in te huren. Zijn probleem, leek ons, een heel ander. Een probleem waarbij hij ook marginaal tot niet externe hulp nodig zou hebben. Op zijn vraag naar de vergoeding voor onze verbruikte tijd: "Geen natuurlijk".

Kijk, dát is wat ik bedoel. Sámen iets doen, maar ook durven en vooral kúnnen, mógen zeggen dat een andere oplossing een betere is. Als ik dit voorheen had gedaan, was het uitgelopen op een schrobbering. Een 'misgelopen lead'.

Kul.

Deze directeur zal ons onthouden als niet-geldwolven, niet uurtje-factuurje types. Sterker, wellicht zal-i ons in de toekomst toch nog eens benaderen. Niet, Marije?

zondag 5 januari 2014

De leugen: ontslag vanwege bedrijfseconomische omstandigheden

Zelfs voor een onderneming is het iets menselijks: het leugentje om bestwil. Verklaarbaar ook, want de directeur is een mens. Het management bestaat uit mensen. Voor velen is het eigenbelang het belangrijkst, het bedrijfsbelang dat op zijn beurt wordt vertaald in kosten en baten. Goede bedrijfsvoering leidt tot hogere baten dan de ermee gepaard gaande kosten.

Maar wat te doen als de baten niet omhoog gaan? De consument, de klant kun je niet dwíngen jouw produkt of dienst af te nemen. Dus richt je je op de kosten. Dat is een idee wat ook mooi past in het beeld dat je alleen dat moet aanpakken wat jij zelf kunt beïnvloeden. En dat zijn de kosten, nietwaar?

Nu wordt het interessant.

Op een galei kun je het ritme van de beïnvloeden door de paukenist een sneller of langzamer ritme te laten aangeven. De assemblageband kun je ook sneller of langzamer laten lopen. Door de doelstellingen te verhogen krijg je, als het lukt, meer product voor hetzelfde geld. Grappige redenering, want de kosten dalen feitelijk niet. Het bedrijf krijgt méér produkt(en). Als het probleem is dat klanten die niet willen... dan los je op deze manier niets óp, maar maak je je eigen probleem groter.

Die klanten zijn bijzonder interessant.

De lolligste redenering vind ik nog steeds dat je iets moet maken waarnaar vraag is. Dat is maar zeer ten dele waar. Als dat waar zou zijn, is er haast geen innovatie mogelijk. De klant vráágt niet om nieuwe producten of diensten. Die worden hem aangeboden.

Transparantie, openheid, mondige klanten en eigen verwantwoordelijkheid: zomaar een paar trefwoorden die de regering in de rondte strooit. Het bedrijfsleven reageert daarop met holle termen als 'maatschappelijk verantwoord ondernemen'. Het imago van 'de sociale onderneming met hart voor klant, medewerker en samenleving' is belangrijk geworden.

Maar dat spoort vaak niet met de eerste vier alinea's.

De voorbeelden liggen op straat. De ministers zouden eens moeten gaan nadenken. De (overheids)opdrachtgevers zouden eens moeten nadenken. Als er een aanbesteding wordt open gesteld, is daar haast altijd een enorme lijst minimumvereisten aan bedrijven aan toegevoegd. Minimum jaaromzetten, inzicht in jaarcijfers, overzichten van andere projecten, toestemming tot boekencontrôle (en nog steeds wordt er gesjoemeld).

Maar wat onbreekt, is de vraag naar informatie over personeelsbewegingen.

Steeds vaker hanteren bedrijven een leugen om bestwil. Wat te denken van een bedrijf dat bij het UWV een ontslagaanvraag indient 'omwille van bedrijfseconomische overwegingen'? Blijkbaar gaat het met het bedrijf dus niet zo goed. Sterker, het gaat zó slecht dat er werknemers uit moeten.

Het is blijkbaar een relatief ongevaarlijke weg, want ik hoorde 'm pas geleden wéér. Wat me opvalt, is dat het een uitermate vreemde situatie is. Immers, indien 'de overheid' wéét dat een partij een zwakke broeder is, zou dat bekend moeten kunnen zijn. Het UWV ís overheid en hééft die informatie.

Nu kunnen ondernemers zonder al te veel risico kletspraatjes ophangen om hun personeel te lozen. Het zal mij benieuwen wat er gebeurt als ze weten dat ontslagaanvragen openbaar zijn. Wat de gevolgen zijn als opdrachten gepaard zouden moeten gaan van een verklaring van bijvoorbeeld het UWV. Een verklaring, vergelijkbaar aan die voor goed gedrag, dat het betrokken bedrijf géén aanvragen vanwege bedrijfseconomisch ontwikkelingen heeft gedaan in de voorgaande drie jaar.

Zo'n eis en zo'n register/verklaring is eigenlijk zó vanzelfsprekend. De klant, de opdrachtgever moet toch kunnen nagaan hoe betrouwbaar zijn opdrachtnemer eigenlijk is?

Moet je eens zien hoe snel het aantal aanvragen voor ontslag om deze reden gaat afnemen. Want dát leugentje is dan achterhaald door de waarheid.

donderdag 24 oktober 2013

Wat wil je nou, gemeente?

Het afgelopen jaar heb ik het vaker beweerd: technologie biedt geen oplossing voor ongewenst menselijk gedrag; hoe je ermee schudt of er in roert. De reden daarvoor is vrij simpel: ik zie te vaak een haast naïef geloof dat technologie ons gaat verlossen van allerlei ongemakken.

Dat is baarlijke nonsens.

Het is zo verleidelijk; de gedachte dat de inzet van technologie problemen gaat oplossen. Het is zo verleidelijk dat velen het ook wíllen geloven. En er zíjn ook voorbeelden te vinden van successen.

Een sector waar de aandacht voor technologie al jaren vrij groot is, is de thuiszorg. Niet dat die aandacht is gericht op het verhogen van de kwaliteit. De aandacht is vooral gericht op het reduceren van kosten. Da's iets wezenlijk anders.

In de thuiszorg was men er als de kippen bij om technologie in te zetten die tijdregistratie tot op de minuut nauwkeurig mogelijk maakt. Het beeld van dictatoriale registratiesystemen die zorgden voor in- en uit vliegende thuiszorgmedewerkers bij cliënten, is echt niet ver bezijden de werkelijkheid. Nog steeds niet. Dat voor bijna alle cliënten de thuiszorgmedewerker een essentiële levenslijn is naar de buitenwereld, doet in 'het plaatje' niet ter zake.

Dat zouden de ontwikkelaars van apps en andere toepassingen voor gebruik in de thuiszorg zich goed moeten afvragen: draag ik op deze manier bij aan een betere zorg? Of aan een goedkopere? Wie heeft baat bij die ontwikkeling?

Het klinkt zo mooi: technologie in zetten om mensen - jou en mij - langer thuis te laten wonen. Daar valt geld (aan) te verdienen. Dat gebeurt dan ook. Het ene na het andere registratie- of communicatiessysteem wordt ontwikkeld, is innovatiever dan het andere, en verdwijnt vaker in de vergetelheid dan dat het een nationaal succes wordt.

Want zorg is mensenwerk.

Dat kun je dus heel erg fout doen. We dienen ons dan af te vragen waarom dat fout ging. Twee voorbeelden van vandaag.

Vanaf 07.00 zit in Leiden een oudere alleenwonende mevrouw te wachten op een thuiszorgmedewerker die antipsychotica komt bezorgen en laten innemen. 's Middags hoor ik dit: de thuiszorgmedewerker had gebeld, maar er werd niet open gedaan: "De bel was stuk" (die doet het gewoon). Maar wat ernstig is, is het niveau van deze medewerker die blijkbaar niet in staat is te bedenken dat je: kunt bellen naar het huis, via de buren hulp kunt vragen en zeker niet er van mag uit gaan dat er níets ernstigs aan de hand is. Ik vind het stuitend stom. Geen ander woord voor. Voor hetzelfde geld ligt er iemand op de grond en 'doet de bel het niet'.

Dit is geen uitzondering. De bejegening en probleemoplossing zijn structurele problemen. Naar mijn waarneming ook samenvallend met het inkopen van goedkopere zorg; verleend door goedkopere medewerkers, met andere motivatie dan 'zorgen'. Dan kun je leuk apps maken, maar als de zorg die wordt geboden ver beneden de maat is, zet dat geen enkele zode aan de dijk; laat staan, zoden.

Dan belazer je als gemeente-inkoper jezelf. Dan ben je bezig met het creëren van excuussituaties.

Die fixatie op kosten in plaats van effecten zag ik vandaag ook terug komen in het bericht dat in het gecontracteerd taxibusjesvervoer de milieunormen niet worden gehaald. Al die busjes voor schoolvervoer, voor gehandicaptenvervoer, voor ziekenvervoer: de meeste daarvan rijden nog steeds op diesel.

Het is een mooi streven van de plaatselijke overheden om milieuvriendelijk vervoer aan te besteden. Jammer genoeg willen diezelfde aanbesteders ook voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Dat gaat niet werken, gemeente. Concentreren op kosten betekent dat er gereden wordt met goedkopere dieselbusjes. Je kunt er vergif op innemen dat er ook steeds oudere, oncomfortabele busjes worden ingezet. Kosten tellen. Niet de kwaliteit.

Wat dit allemaal te maken heeft met innovatie?

Alles! Het tekent een volledig gebrek aan doelbepaling. Het enige wat er uit blijkt is dat een weifelende opdrachtgever die álles wil. Het tekent een opdrachtgever die spijtig genoeg ook in de illusie verkeert dat dat kán.

Het tekent ook de zoveelste situatie waarin de opdrachtgever veel te kwetsbaar is voor het argument dat 'hiermee al uw problemen worden opgelost'.

maandag 21 oktober 2013

miskend netwerk

Ze bestaan echt, hoor: die dagen waarmee de duvel speelt. "Het is alsof de duvel ermee speelt" betekent zoveel als "da's toevallig!". Of dat echt zo is?! Toeval bestaat, maar sommige onderwerpen zijn zó populair dat de kans ook wel érg groot is dat je het vaker tegenkomt.

Vandaag heb ik twee gesprekken gevoerd waarin netwerken een belangrijke rol spelen. In beide gesprekken kwam ook het thema van het miskende netwerk voorbij.

De term is verleidelijk: netwerk. Iets als een spinnenweb of een visnet, stellen we ons in het dagelijks taalgebruik erbij voor. En iets veiligs: risico's worden gespreid, lasten gedeeld en een groep die je beschermd.

Een netwerk bestaat uit knooppunten. Die knooppunten zijn niet per definitie allemaal even sterk. Een netwerk is dús per definitie flexibel, op zoek naar stabiliteit. Posities zijn niet vaststaand; ook niet ten opzichte van elkaar. Er is altijd een dynamische kracht aanwezig.

Netwerken zijn onlosmakelijk verbonden met interactie. Ze zijn er dus al zo lang er leven is. In dat opzicht is de mededeling dat we 'nu in een netwerksamenleving zijn terecht gekomen' enigszins onzin.

Niet de netwerken zijn nieuw. Ze zijn volop in beweging, waardoor posities veranderen. Onrust heerst.

Overheden bijvoorbeeld hebben decennialang in de veronderstelling verkeerd dat zij bepaalden wat in het collectieve en openbare deel van de samenleving gebeurde. De kritiek op de ivoren torens van de ambtenarij en het eigen dromen najagen van politici, komt daaruit voort; "u bedenkt van achter uw bureau wat goed is voor ons". Die positie was ook vrij eenvoudig te handhaven, omdat informatie niet makkelijk toegankelijk was.

Da's allemaal aan het veranderen. Exclusieve instrumenten zijn breder beschikbaar, en dat geldt ook voor informatie en kennis. Machtscentra zijn aan het verschuiven. De overheid heeft moeite daar mee om te gaan. Plots is de dynamiek de dynamiek van een netwerk. Daar is geen regisseur in bedacht. het netwerk zélf, de verhoudingen bepalen de dynamiek.

In die situatie kan - gaat! - het dus gebeuren dat andere partijen sterker worden dan jij. Voor een partij die comfortabel 'op het pluche' of 'aan de knoppen zat' moet dat een lastige ervaring zijn. Het zal je dan ook niet verrassen dat het gesprek vooral ging over het begeleiden van gemeenten in dergelijke trajecten (op verzoek krijg je van mij de naam van m'n gsprekspartner).

Waar, in essentie, overheden zich moeten realiseren ónderdeel te zijn van een netwerk, geldt bijna het omgekeerde voor individuen.

Niet dat individuen niet in een netwerk opereren. Dat doen ze - uiteraard - wel. Sterker, de netwerktheorieën zijn ontstaan op basis van waarneming van menselijk gedrag. Als ze al bestaan: mensen zonder netwerk, de eenzamen, sterven eerder. Dat zegt vast wel iets over de noodzaak van sociaal contact.

Over een bijzondere variant spraken we in het tweede gesprek; over de fixatie van werkzoekenden op het vinden van een baan. Da's eigenlijk raar. Niet de eigen kracht, inspiratie, droom, competenties of energie staat centraal, maar de afhankelijkheid van anderen die banen aanbieden.

Sollicitatieplicht past niet meer in deze tijd. Enerzijds worden werkzoekenden getraind in het nieuwe netwerken en vooral het belang van netwerken. Tegelijk wordt langs de andere kant diezelfde werkzoekende terug geduwd (in de tijd) om zichzelf afhankelijk te maken van initiatieven van anderen: het aanbieden van banen. Het zélf actief worden en wérk maken uit eigen energie - de nieuwe weg - is echter de manier die past in dat netwerk. Dat zal het UWV, dat zullen politici en ambtenaren zich eindelijk eens moeten realiseren.

Netwerken: zo simpel is dat nog niet. En een wondermiddel helemaal al niet!

donderdag 12 september 2013

Treiteraars in je hoofd

Hoe zou jij het vinden als zich vreemde mensen in je huis bevinden en zich bemoeien met jouw huishouden? Vast niet prettig. Waar halen ze het recht vandaan? Wie denken ze wel dat ze zijn? Dit is jóuw huis. Jouw domein. Jouw veilige haven.

Vandaag heb ik een oudere vrouw ontmoet die last heeft van vreemde mensen in huis. Ze treiteren haar door precies die dingen te doen waaraan zij een hekel heeft: spullen aanraken die net schoon zijn, of haar uit te foeteren. Het zijn vier personen: twee mannen en twee vrouwen. Hóe ze in huis zijn terecht gekomen, weet ze niet. Ze waren er een paar maanden geleden ineens.

Niemand ziet of hoort ze. De vier mensen wonen in haar hoofd. En dat weet ze.

Als je met haar praat, snap je een heel klein beetje hoe wanhoop ontstaat. Want je wéét dat die mensen er niet zijn en dat hun stemmen dus elders vandaan komen. Maar je hóórt ze wel. Sterker, soms zíe je ook. Die stemmen houden je ook uit je slaap. Voorkomen dat je rustig thuis kunt zitten. Je eigen huis uit vluchten om rust te vinden.

Langzaam word je gesloopt.

In je omgeving leeft onwetendheid. Je oogt niet warrig. Je bént ook niet in de war. Je bent gewoon helder met een goed geheugen. En met stemmen. Niemand lijkt je te kunnen helpen. Je naasten maken zich uiteraard wel enorme zorgen. Zij komen echter niet veel verder dan het advies de stemmen te negeren. Net te doen alsof ze er niet zijn. Want je hebt zelf toch ook wel in de gaten dat ze niet echt zijn? Dat er niemand je huis binnen kan komen als alles op slot zit? Dat niemand, ook gebelde politiemensen niet, iets zíet.

Maar die stemmen, die zijn wel degelijk echt. En bedreigend.

Daar zit je dus. Met een probleem dat echt voelt als jóuw probleem. Als iets waar alleen jij iets kunt doen. Als iets waar je omgeving geen snars van begrijpt. Als iets waar je wanhopig van kan worden. Kán worden?! Wórdt!

Niks uitzonderlijk, dit verhaal. Dit type klacht komt veel voor. De wanen. De stemmen. Het lijden in stilte. Met de dood als oplossing. Want vergis je niet in het gekmakende van de situatie.

Je wist dat dementie/Alzheimer gepaard kan gaan met deze psychoses?

woensdag 11 september 2013

Gemeente-psychiatrie :waanzin

Ik heb er een hard hoofd in; of gemeenten wel zijn opgewassen tegen de naar hen gedecentraliseerde taken. Als je zo eens terugkijkt, dan zijn gemeenteambtenaren een onbekende variant van Superman: ze kunnen alles, en op korte termijn. Zowel de bepaling van huursubsidie (ooit) als de vaststelling van hondenbelasting(tarieven). Zowel de regels voor acceptabele bouw als de kwinkslagen bij een huwelijksvoltrekking. Zowel ideeën over de aanpak van hangjeugd als de doorgang van het openbaar vervoer. Werkelijk Superman.

Maar ja, het blijken toch maar gewoon mensen.

De ambtenaar bestaat uiteraard niet. Het zijn allemaal afzonderlijke werknemers, met een bijzondere werkgever: een overheid. Op zich is dat niet zo heel erg bijzonder dus. Je kunt onder ambtenaren dan ook goede en slechte aantreffen: de bevlogen vakman én de slonzige ongeïnteresseerde. Da's nu eenmaal zoals wij mensen zijn, allemaal verschillend met verschillende interesses en ambities.

Van de week zat ik met een goede kennis te praten over mijn idee om iets te doen met het kenniskapitaal dat iedere gemeente heeft in de vorm van niet-loonvormenden. Nu is zijn positie in de ambtelijke hiërarchie hoog. Voor mij dus een ideale gesprekspartner om ideeën aan te spiegelen: we kunnen elkaar vertrouwen en open spreken, en híj weet veel van de uitvoeringspraktijk sociale zekerheid.

Mijn conclusie?! Ik heb nog wat te doen. Het idee is goed. De analyse klopt. Maar de politieke gemeentelijke praktijk zal dwarsliggen. De engelstaligen noemen dat toch een reality check?

Uit ons gesprek bleek dat zo'n check ook hoognodig met ambtenaren moet worden gedaan. Of misschien nog eerder met de beleidmakers die 'de lijnen uitzetten'. Feitelijk zijn dát degenen die geen benul hebben van hun werk.

Eén van de grootste dreigingen die op de gemeenten afkomt, is wellicht die van de psychiatrisch patiënt. De praktijk van de politie ís er al een waarin psychiatrische problematieken een belangrijk rol speelt. Niet in de vorm van Hollywoodachtige seriemoordenaars, maar wel in de vorm van overlastgevende schizofrenen en dergelijke. Niets spectaculairs, maar je zult maar naast iemand wonen die permanent lasg heeft van wanen en daardoor overlast geeft.

Nóg hebben we een infrastructuur die mensen die in psychische nood verkeren redelijk opvangen. Maar doe brokkelt snel, heel snel af. Ook hier rukt de inflattoire term 'zelfredzaamheid' op. 'De buurt' moet in staat zijn de eigen problemen op te lossen. De betrokkene moet zelf een kring van helpenden om zich heen organiseren. Dat mensen die dergelijke problemen ondervinden nu juist degenen zijn die het minst sterk in de sociale structuur staan, is blijkbaar een ongewenst feit. Toch is dat wel zo. En dus onderschat men het probleem; op een enorme manier.

Omgaan met psychiatrische patiënten eist nogal wat. Je hebt te maken met mensen die zich niet voorspelbaar gedragen. Geduld, empathie en vakkennis zijn het minimum wat je nodig hebt. Nogmaals, het gaat óók om mensen als jij en ik, die een depressieve periode doormaakte. Maar ook om mensen met andersoortige aandoeningen.

En dan hoor je een anekdote als deze, uit de praktijk van een grote stedelijke sociale dienst:
Een medewerker van mij komt binnen met de mededeling: "Ik heb het gehad met die man. Vier keer een gesprek gehad. Hij doet 't niet, snapt 't niet, wil niet. Ik weet 't niet meer. Volgens mij is-i gek." Het lukt niet zo'n klant binnen de kaders te (bege)leiden.

Dat tekent het verschil. De professionele hulpverlener is voorbereid op zulk gedrag. Heeft tijd, geduld en vakkennis. Weet wat kan gebeuren. En wat niet. Daar is genoegzaam bekend dat je vormvrij moet kunnen werken. Liefst maatwerk leveren, op maat van de betrokkene.

Maar mededogen en vormvrij werken passen niet in een regelgeleide cultuur. Dat wordt dus nog wat met gemeenteambtenaren die met abnormaal gedrag worden geconfronteerd. Die gaan heel bijzondere situaties tegemoet.

zaterdag 2 maart 2013

Samenwerkende professionaliteit


Van de week was ik bij een voorlichtingsbijeenkomst over nieuw sociaal beleid bij ons in de gemeente. Het werd een standaard-avond: een zaaltje met belanghebbenden, daarvoor een wethouder met voorlichters. Op een scherm de onvermijdelijke Powerpointpresentatie (bij ons zijn ze - gelukkig - nog niet zo hip dat ze je zeeziek maken met Prezi). Vooraf koekjes en koffie en na afloop fris en licht alcoholisch plus nootjes en zoutjes. Standaard, kortom.

De wethouder beloofde twintig minuten te gebruiken om het vierjarig beleidsplan neer te zetten. Dat eist presentatievaardigheden. Laat ik volstaan met de nuchtere vaststelling dat ze bijna veertig minuten gebruikte. Standaard, kortom.

Wat ondermeer opvalt tijdens zo'n avond is de stereotype, haast saai-voorspelbare aanpak. Alhoewel direct belanghebbende organisaties loftuitingen uitten als "sprankelend" en "inspirerend", moet ik bekennen dat ik verbaasd was over de ideeën.

Je mist in de plannen stomweg het lokale karakter. Als je zo'n wethouder hoort, dan zou dat verhaal net zo goed in een buurgemeente of in een gemeente honderden kilometers verderop kunnen worden gelokaliseerd. Maar wat er nu specifiek is voor ónze gemeente? Ik heb nog geen duidelijk beeld. De beleidslijnen, de -kaders, de -clusters, ja zelfs de -ordening zijn zo algemeen dat het meer weg heeft van een invuloefening.

Voordat de kritiek komt, dat onze gemeente wel degelijk zelf beleid ontwikkelt; de kritiek geldt de manier waarop dat dan wordt bekendgemaakt aan de bevolking. Zo'n gemeente moet toch een aansprekend, éigen verhaal hebben? Een échte visie? Eentje waar de bevolking van zegt: 'ja, dat snappen we'. Dat ís er niet. Dat miste ik. Dat maakt dat ook de komende vier jaar de aansluiting bij de bevolking waarschijnlijk minimaal is.

Het wrange? Dat ambtenaren die je spreekt, stuk voor stuk denken het beste te doen voor hun burgers. Maar de gekozen woorden en de gekozen opstelling maken óók duidelijk dat diezelfde ambtenaren dat niet vanzelfsprekend mét burgers doen. Ook niet in deze tijden en met deze mogelijkheden. Het is en blijft zénden.

Wat eveneens opvalt, is de rappe opmars van de ontdekking van de integrale aanpak. Sinds een paar jaar word je dood gegooid met beleid dat 'is gericht op maatwerk', 'op de burger en diens situatie', 'op ketenafstemming en -samenwerking', op 'integrale aanpak zonder zuilen, kolommen of schotten'. Mooi, denk je dan: eindelijk wordt erkend dat de burger centraal moet staan en de overheid dienstverlenend volgt.

Toch?

Of is het ook zo dat het ook wel makkelijk is als je met meerdere partijen een zorgomgeving moet vormen? Zou het ook zo kunnen zijn dat al die afhankelijkheden ook een prima startpunt zijn voor zwartepieten? Dat het niet lukken van een geïntegreerde aanpak zometeen gaat leiden tot enorme disputen over de vraag wie nu wat en waarom fout deed?

Het is mogelijk wat cynisch gedacht, maar mij valt op dat veel van die ketengedachten ontstaan in situaties en op momenten dat het vinden van oplossingen moeilijk is: de ketens in de sociale zekerheid (die voor uitkeringsgerechtigden bar weinig opleverden), de reïntegratie (idem), maatschappelijke zorg/WMO, veiligheid.

Nu ben ik groot voorstander van integratie. Maar dan wel ook écht. Dan moeten betrokkenen hun autonomie durven en willen opgeven. Dan moeten identiteiten kunnen wegvallen en professionaliteit samengevoegd. Dát is integratie. Dát is het belang van de klant, de burger, de patiënt: samengevoegde professionaliteit.

En dat is dus echt anders dan samenwerkende organisaties. Sterker, ik denk dat ik gisteravond tussen de regels door hoorde hoe organisaties allang bezig zijn met het éigen hachie. Niet het jouwe of het mijne.