Posts tonen met het label openbaar vervoer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label openbaar vervoer. Alle posts tonen

zaterdag 26 juli 2014

Het gesprek met de onbekende

Negentien jaar heb ik geforensd tussen Leiden en Utrecht, een jaar of drie tussen Leiden en Rijswijk, en een krappe driekwart jaar tussen Leiden en 's Hertogenbosch. Het lijkt me dat ik wel enige forens-ervaring heb.

Forensen is een bezigheid die voor degene die een beetje oplet, een bron van vermaak en verhalen is. Er gebeurt eigenlijk altijd wel iets. Maar wat de meeste forensen opvalt, is dat er zo weinig contact is. We stappen in en 'doen ons ding'.

Van Leiden-Utrecht kan ik me vooral herinneren dat na verloop van jaren heel veel mensen elkaar van gezicht kennen en ook bijna altijd dezelfde wachtplek op een perron kiezen en dezelfde zitplaats in de trein. Maar elkaar bijna nooit spreken.

Eigenlijk maf. Dé momenten om elkaar kort te spreken, waren de verstoringen. Bij dat van buiten komend onheil treden al die psychologisch processen in werking die horen bij onzekerheid. Er is een aanleiding om contact te zoeken; net zoals jonge kinderen aanleiding zijn voor contact maken, of dieren. Maar zo, zonder aanleiding elkaar aanspreken? Nee, dát doen we niet.

Laat ik duidelijk zijn: ik deed en doe het ook niet (vaak). De treinreis heen was in mijn geval net lang genoeg om de krant te lezen (minus de sportpagina's). De terugreis was ik vaak versuft door het kantoorklimaat,samen met zo te zien de rest van de coupé. Dan heb je niet zoveel behoefte aan een gesprek.

Dat is precies de gedachte die ik had toen ik las over een psychologisch experiment/onderzoek, dat aantoont dat die gesprekken het reizen juist aantrekkelijker maken. In tegenstelling tot wat werd verwacht en in tegenstelling tot de algemene notie dat het ook niet hóórt, vreemden aankijken en vreemden aanspreken.

In het artikel wordt benadrukt dat op een steeds dichter bevolkt rakende planeet - enigszins dramatisch geformuleerd - juist die (kennis van) sociale interactie van groot belang is. Drukke omgevingen met stampvol openbaar vervoer zou in die optiek baat hebben bij pratende mensen, die voor elkaar de reispijn verzachten.

Stel dat dat waar is. Voor mij blijft er dan toch echt nog een vraagteken staan. Op de plek van de vraag 'waaróver begin je dan?'.

Dat is toch wel een cruciale vraag, lijkt me. Als je dat verkeerd doet, dan pakt je goedbedoelde actie wellicht faliekant verkeerd uit. Dan ben je ineens opdringerig. Of vreemd. Je moet wel een goede aanleiding hebben.

Jaren geleden zat ik in de trein terug te lezen in Why Everything Bas Is Good For You toen de jongen die naast me zat me vroeg waar dat boek met die intrigerende titel over ging. Dat werd een leuk gesprek. En ik ben een keer aangesproken door een jongedame die wilde weten wat dat "zo leuk vormgegeven apparaatje" voor diende. Dat was een gekraakte mifi (zoiets als deze) en dat gesprek stokte al vrij snel.

En dan zijn er al die keren dat ikzelf eigenlijk wel iets zou hebben willen zeggen, maar de woorden niet vond. Het is net anders dan op een conferentie of receptie, waar je kunt vragen waarom de ander daar is. Om die vraag in de trein naar Utrecht te stellen, komt toch anders over lijkt me.

Een paar jaar geleden heb ik al 's iets geschreven over het probleem. Het probleem van sociale conventies die het moeilijk maken je te uiten. Want sommige dingen 'zeg je niet'.

Toch is het onderzoeksresultaat waar. Ik heb zelf gemerkt dat je in een andere rol véél makkelijker mensen aanspreekt. Alsof je buiten jezelf staat. Journalisten en fotografen kennen het verschijnsel (vast). Dat zou betekenen dat de belemmering sociaal en aangeleerd is. En dus af te leren.

Eerlijk gezegd, spreek ik steeds meer mensen aan. Nog lang niet zoveel als ik zou willen. En ook vaak nog de foute (de aso automobilist bijvoorbeeld). Maar het gebeurt. En het is waar: met uitzondering van die aso automobilist zijn het eigenlijk altijd leuke gesprekjes.

Er blijkt niks engs aan het aanspreken van wildvreemden te zijn.

woensdag 11 september 2013

Gemeente-psychiatrie :waanzin

Ik heb er een hard hoofd in; of gemeenten wel zijn opgewassen tegen de naar hen gedecentraliseerde taken. Als je zo eens terugkijkt, dan zijn gemeenteambtenaren een onbekende variant van Superman: ze kunnen alles, en op korte termijn. Zowel de bepaling van huursubsidie (ooit) als de vaststelling van hondenbelasting(tarieven). Zowel de regels voor acceptabele bouw als de kwinkslagen bij een huwelijksvoltrekking. Zowel ideeën over de aanpak van hangjeugd als de doorgang van het openbaar vervoer. Werkelijk Superman.

Maar ja, het blijken toch maar gewoon mensen.

De ambtenaar bestaat uiteraard niet. Het zijn allemaal afzonderlijke werknemers, met een bijzondere werkgever: een overheid. Op zich is dat niet zo heel erg bijzonder dus. Je kunt onder ambtenaren dan ook goede en slechte aantreffen: de bevlogen vakman én de slonzige ongeïnteresseerde. Da's nu eenmaal zoals wij mensen zijn, allemaal verschillend met verschillende interesses en ambities.

Van de week zat ik met een goede kennis te praten over mijn idee om iets te doen met het kenniskapitaal dat iedere gemeente heeft in de vorm van niet-loonvormenden. Nu is zijn positie in de ambtelijke hiërarchie hoog. Voor mij dus een ideale gesprekspartner om ideeën aan te spiegelen: we kunnen elkaar vertrouwen en open spreken, en híj weet veel van de uitvoeringspraktijk sociale zekerheid.

Mijn conclusie?! Ik heb nog wat te doen. Het idee is goed. De analyse klopt. Maar de politieke gemeentelijke praktijk zal dwarsliggen. De engelstaligen noemen dat toch een reality check?

Uit ons gesprek bleek dat zo'n check ook hoognodig met ambtenaren moet worden gedaan. Of misschien nog eerder met de beleidmakers die 'de lijnen uitzetten'. Feitelijk zijn dát degenen die geen benul hebben van hun werk.

Eén van de grootste dreigingen die op de gemeenten afkomt, is wellicht die van de psychiatrisch patiënt. De praktijk van de politie ís er al een waarin psychiatrische problematieken een belangrijk rol speelt. Niet in de vorm van Hollywoodachtige seriemoordenaars, maar wel in de vorm van overlastgevende schizofrenen en dergelijke. Niets spectaculairs, maar je zult maar naast iemand wonen die permanent lasg heeft van wanen en daardoor overlast geeft.

Nóg hebben we een infrastructuur die mensen die in psychische nood verkeren redelijk opvangen. Maar doe brokkelt snel, heel snel af. Ook hier rukt de inflattoire term 'zelfredzaamheid' op. 'De buurt' moet in staat zijn de eigen problemen op te lossen. De betrokkene moet zelf een kring van helpenden om zich heen organiseren. Dat mensen die dergelijke problemen ondervinden nu juist degenen zijn die het minst sterk in de sociale structuur staan, is blijkbaar een ongewenst feit. Toch is dat wel zo. En dus onderschat men het probleem; op een enorme manier.

Omgaan met psychiatrische patiënten eist nogal wat. Je hebt te maken met mensen die zich niet voorspelbaar gedragen. Geduld, empathie en vakkennis zijn het minimum wat je nodig hebt. Nogmaals, het gaat óók om mensen als jij en ik, die een depressieve periode doormaakte. Maar ook om mensen met andersoortige aandoeningen.

En dan hoor je een anekdote als deze, uit de praktijk van een grote stedelijke sociale dienst:
Een medewerker van mij komt binnen met de mededeling: "Ik heb het gehad met die man. Vier keer een gesprek gehad. Hij doet 't niet, snapt 't niet, wil niet. Ik weet 't niet meer. Volgens mij is-i gek." Het lukt niet zo'n klant binnen de kaders te (bege)leiden.

Dat tekent het verschil. De professionele hulpverlener is voorbereid op zulk gedrag. Heeft tijd, geduld en vakkennis. Weet wat kan gebeuren. En wat niet. Daar is genoegzaam bekend dat je vormvrij moet kunnen werken. Liefst maatwerk leveren, op maat van de betrokkene.

Maar mededogen en vormvrij werken passen niet in een regelgeleide cultuur. Dat wordt dus nog wat met gemeenteambtenaren die met abnormaal gedrag worden geconfronteerd. Die gaan heel bijzondere situaties tegemoet.