Negentien jaar heb ik geforensd tussen Leiden en Utrecht, een jaar of drie tussen Leiden en Rijswijk, en een krappe driekwart jaar tussen Leiden en 's Hertogenbosch. Het lijkt me dat ik wel enige forens-ervaring heb.
Forensen is een bezigheid die voor degene die een beetje oplet, een bron van vermaak en verhalen is. Er gebeurt eigenlijk altijd wel iets. Maar wat de meeste forensen opvalt, is dat er zo weinig contact is. We stappen in en 'doen ons ding'.
Van Leiden-Utrecht kan ik me vooral herinneren dat na verloop van jaren heel veel mensen elkaar van gezicht kennen en ook bijna altijd dezelfde wachtplek op een perron kiezen en dezelfde zitplaats in de trein. Maar elkaar bijna nooit spreken.
Eigenlijk maf. Dé momenten om elkaar kort te spreken, waren de verstoringen. Bij dat van buiten komend onheil treden al die psychologisch processen in werking die horen bij onzekerheid. Er is een aanleiding om contact te zoeken; net zoals jonge kinderen aanleiding zijn voor contact maken, of dieren. Maar zo, zonder aanleiding elkaar aanspreken? Nee, dát doen we niet.
Laat ik duidelijk zijn: ik deed en doe het ook niet (vaak). De treinreis heen was in mijn geval net lang genoeg om de krant te lezen (minus de sportpagina's). De terugreis was ik vaak versuft door het kantoorklimaat,samen met zo te zien de rest van de coupé. Dan heb je niet zoveel behoefte aan een gesprek.
Dat is precies de gedachte die ik had toen ik las over een psychologisch experiment/onderzoek, dat aantoont dat die gesprekken het reizen juist aantrekkelijker maken. In tegenstelling tot wat werd verwacht en in tegenstelling tot de algemene notie dat het ook niet hóórt, vreemden aankijken en vreemden aanspreken.
In het artikel wordt benadrukt dat op een steeds dichter bevolkt rakende planeet - enigszins dramatisch geformuleerd - juist die (kennis van) sociale interactie van groot belang is. Drukke omgevingen met stampvol openbaar vervoer zou in die optiek baat hebben bij pratende mensen, die voor elkaar de reispijn verzachten.
Stel dat dat waar is. Voor mij blijft er dan toch echt nog een vraagteken staan. Op de plek van de vraag 'waaróver begin je dan?'.
Dat is toch wel een cruciale vraag, lijkt me. Als je dat verkeerd doet, dan pakt je goedbedoelde actie wellicht faliekant verkeerd uit. Dan ben je ineens opdringerig. Of vreemd. Je moet wel een goede aanleiding hebben.
Jaren geleden zat ik in de trein terug te lezen in Why Everything Bas Is Good For You toen de jongen die naast me zat me vroeg waar dat boek met die intrigerende titel over ging. Dat werd een leuk gesprek. En ik ben een keer aangesproken door een jongedame die wilde weten wat dat "zo leuk vormgegeven apparaatje" voor diende. Dat was een gekraakte mifi (zoiets als deze) en dat gesprek stokte al vrij snel.
En dan zijn er al die keren dat ikzelf eigenlijk wel iets zou hebben willen zeggen, maar de woorden niet vond. Het is net anders dan op een conferentie of receptie, waar je kunt vragen waarom de ander daar is. Om die vraag in de trein naar Utrecht te stellen, komt toch anders over lijkt me.
Een paar jaar geleden heb ik al 's iets geschreven over het probleem. Het probleem van sociale conventies die het moeilijk maken je te uiten. Want sommige dingen 'zeg je niet'.
Toch is het onderzoeksresultaat waar. Ik heb zelf gemerkt dat je in een andere rol véél makkelijker mensen aanspreekt. Alsof je buiten jezelf staat. Journalisten en fotografen kennen het verschijnsel (vast). Dat zou betekenen dat de belemmering sociaal en aangeleerd is. En dus af te leren.
Eerlijk gezegd, spreek ik steeds meer mensen aan. Nog lang niet zoveel als ik zou willen. En ook vaak nog de foute (de aso automobilist bijvoorbeeld). Maar het gebeurt. En het is waar: met uitzondering van die aso automobilist zijn het eigenlijk altijd leuke gesprekjes.
Er blijkt niks engs aan het aanspreken van wildvreemden te zijn.
Posts tonen met het label psychologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label psychologie. Alle posts tonen
zaterdag 26 juli 2014
zaterdag 22 februari 2014
Trollen zijn écht gek
In spreekbeurten en workshops vertel ik geregeld over veranderende omgangsvormen en -normen. Als je er scherp naar kijkt, is vooral de term dis-inhibition relevant: ontremming. Niet de vormen als zodanig zijn nieuw - dat wordt vaak gedacht van alles wat Internet mogelijk maakt - maar wel snelheid en omvang. Lekker anoniem - ís dat zo?! - zeg je vanachter een machine meer dan in een persoonlijk contact. We schelden elkaar verrot. Maar ook: we zijn veel eerlijker in het invullen van vragenlijsten over gevoelige onderwerpen.
De samenvatting is feitelijk heel erg eenvoudig: de digitale uiting is een vergroting en versnelling van de fysieke wereld.
Dat betekent dus dat er ook criminelen zijn - die groter bereik en meer effect (kunnen) hebben - en ettertjes. Die laatste groep is al heel lang bekend onder de naam trollen.
Als je actief zichtbaar bent in en met social media ben je vast al eens met zo iemand in aanraking gekomen; ik wel in elk geval. Je beweert iets, jouw mening bevalt iemand niet en die reageert op een onwaarschijnlijk aggressieve manier daarop. Ik heb die mensen altijd geprobeerd te zien als mensen die het lastig vinden in gesprek te zijn, maar wel degelijk een mening hebben. Als ik móet toegeven: diep in m'n hart zaten er wel veel tussen die volslagen randdebiel leken te zijn. Geen land mee te bezeilen.
Niet reageren op trollen, is een belangrijke tip. Maar ja, wat ís een trol? Dat is iets wat ik nog steeds lastig vind, dus de eerste keer is de kans groot dat ik wél zal reageren. Totdat zelfs ik doorheb dat dit een echte trol is.
Dat dat toch 'best wel vreemde mensen' zijn, kun je lezen in bijvoorbeeld dit artikel op Addicting Info: Internet Trolls Are Psychopathic, Sadistic, And Sometimes Paid By Fox News.
De samenvatting van het onderzoek is wellicht handig:
Die laatste zin heb ik vet gezet. Dit is zo'n zin waar je leuke gevolgen aan kunt verbinden. Als het zo is dat trolgedrag een uiting is die wordt gebruikt door sadisten, psychopaten en Machiavellinisten; mag je dan, omgekeerd, zeggen dat de stijl van bijvoorbeeld GeenStijl een indicatie is voor dat persoonlijkheidstype en dat dat daarmee een verzamelplaats is van horrible people, zoals Slate ze noemt?
Ik denk dat dat wat ver gaat, maar zeker ook niet onzin is. Die gestoorde geesten zijn daar inderdaad te vinden. Maar ook al die figuren zie het allemaal wel 'mooi' en 'stoer' vinden wat in dergelijke omgevingen wordt beweerd en gedaan; wellicht is het toch goed eens aan zelfreflectie te doen en je af te vragen of het wel sociaal gezien normaal is wat je zo leuk vind.
Niet dat ik enige illusie heb dat die mensen dat kúnnen:
De samenvatting is feitelijk heel erg eenvoudig: de digitale uiting is een vergroting en versnelling van de fysieke wereld.
Dat betekent dus dat er ook criminelen zijn - die groter bereik en meer effect (kunnen) hebben - en ettertjes. Die laatste groep is al heel lang bekend onder de naam trollen.
Als je actief zichtbaar bent in en met social media ben je vast al eens met zo iemand in aanraking gekomen; ik wel in elk geval. Je beweert iets, jouw mening bevalt iemand niet en die reageert op een onwaarschijnlijk aggressieve manier daarop. Ik heb die mensen altijd geprobeerd te zien als mensen die het lastig vinden in gesprek te zijn, maar wel degelijk een mening hebben. Als ik móet toegeven: diep in m'n hart zaten er wel veel tussen die volslagen randdebiel leken te zijn. Geen land mee te bezeilen.
Niet reageren op trollen, is een belangrijke tip. Maar ja, wat ís een trol? Dat is iets wat ik nog steeds lastig vind, dus de eerste keer is de kans groot dat ik wél zal reageren. Totdat zelfs ik doorheb dat dit een echte trol is.
Dat dat toch 'best wel vreemde mensen' zijn, kun je lezen in bijvoorbeeld dit artikel op Addicting Info: Internet Trolls Are Psychopathic, Sadistic, And Sometimes Paid By Fox News.
De samenvatting van het onderzoek is wellicht handig:
In two online studies (total N = 1215), respondents completed personality inventories and a survey of their Internet commenting styles. Overall, strong positive associations emerged among online commenting frequency, trolling enjoyment, and troll identity, pointing to a common construct underlying the measures. Both studies revealed similar patterns of relations between trolling and the Dark Tetrad of personality: trolling correlated positively with sadism, psychopathy, and Machiavellianism, using both enjoyment ratings and identity scores. Of all personality measures, sadism showed the most robust associations with trolling and, importantly, the relationship was specific to trolling behavior. Enjoyment of other online activities, such as chatting and debating, was unrelated to sadism. Thus cyber-trolling appears to be an Internet manifestation of everyday sadism.
Die laatste zin heb ik vet gezet. Dit is zo'n zin waar je leuke gevolgen aan kunt verbinden. Als het zo is dat trolgedrag een uiting is die wordt gebruikt door sadisten, psychopaten en Machiavellinisten; mag je dan, omgekeerd, zeggen dat de stijl van bijvoorbeeld GeenStijl een indicatie is voor dat persoonlijkheidstype en dat dat daarmee een verzamelplaats is van horrible people, zoals Slate ze noemt?
Ik denk dat dat wat ver gaat, maar zeker ook niet onzin is. Die gestoorde geesten zijn daar inderdaad te vinden. Maar ook al die figuren zie het allemaal wel 'mooi' en 'stoer' vinden wat in dergelijke omgevingen wordt beweerd en gedaan; wellicht is het toch goed eens aan zelfreflectie te doen en je af te vragen of het wel sociaal gezien normaal is wat je zo leuk vind.
Niet dat ik enige illusie heb dat die mensen dat kúnnen:
For example, people with Machiavellian traits just want to manipulate the conversation, as well as the people who are involved in it. This type of person isn’t going to take part in an honest discussion of the issues, no matter what you do.
It is also pointless to try to reason with a psychopath, or to expect such a person to have empathy for others. Someone with these traits doesn’t have the ability to feel emotions like empathy, sympathy or concern for others.
A sadist gets pleasure out of knowing that he or she has upset someone. The more you argue or fight with a sadistic person, the more he or she gets out of the exchange.
Labels:
antisociaal,
beledigen,
disruptie,
Geenstijl,
pesten,
psychologie,
schelden,
trol,
verrot
zondag 27 oktober 2013
Maatvoering
Eén van de mooiere boektitels die ik ken, is deze Een kaart, niet het gebied. De inhoud kan ik me eerlijk gezegd niet herinneren. Ook niet na een zoekopdracht naar de handige boeksamenvattingen van middelbare scholieren. De titel daarentegen is me altijd bijgebleven.
Het fascinerende aan reductie is het weglaten. Wát laat de weergave niet zien? Een kaart ís het gebied niet. Zou dat wel zijn, dan is de kaart waardeloos want net zo groot als het gebied. Is-t-i te schematisch, dan is-t-i waardeloos omdat je er te weinig houvast aan hebt.
Dat we reductie nodig hebben, staat buiten kijf. De hele dag, ons hele sociale leven reduceren we. Mensen worden in groepen ingedeeld: handzamer om te onthouden. Nuances willen we in een beslissingsproces zoveel mogelijk voorkomen omdat ze beslissen vaak bemoeilijken. Het blijkt lastig om te gaan met zaken die goed én slecht zijn, positief én negatief, aantrekken én afstoten.
Toch zitten we zo in elkaar.
De menselijke maat is een moeilijke. Het is de maatvoering tot waar we ons behaaglijk voelen. Wordt-i overstegen, dan gaat het onbehagen toenemen: we bevatten het niet meer. De een sneller dan de ander.
Vaak wordt gedacht dat die menselijke maat vooral op gaat voor historische gebeurtenissen. Geen van ons kan zich voorstellen hoeveel mensen het leven lieten op de modderige slagvelden van de Eerste Wereldoorlog, hoe bloederig Wounded Knee of een Aztekenofferplaats er uit zagen, of hoe verscheurd een vliegtuigongeluk waarbij iedereen het leven liet. Het is stomweg teveel. Alleen de kille cijfers, maar geen beeld van te vormen.
Menselijke maat is belangrijk.
Niet voor niets lieten megalomane heersers, ook kerkvorsten, gebouwen neerzetten waarin het individu nietig wordt. Kleineren, is de opzet. Het overweldigt de bezoeker. De grootsheid van het gebouw, de structuur, overheerst.
Dat megalomane, onmenselijke is bij lange na niet verdwenen. Sterker, het steeds verder verwijderen van de menselijke maat lijkt eerder toe- dan af te nemen.
Bedrijven. De buurtwinkel werd supermarkt. Supermarkten werden groter en groter. De weidewinkels; tientallen kassa's en 'alles onder één dak te koop'. Binnenkort ook in Nederland? Woonwarenhuizen. Tuincentra. Groter groeien ze. Of: groeiden ze. Inmiddels tekent zich een ook lichtjes een tegenbeweging af naar kleinschaliger en lokaal geöriënteerd.
Als je slim bent, zorg je dus dat je die menselijk maat in de gaten houdt. Vooral als je de goegemeente wilt belazeren, moet je niet al te groot zijn.
Zo'n NSA-affaire had ongetwijfeld mínder aandacht gekregen als ze minder grootschalig was geweest. Ik acht het zelfs aannemelijk dat een kleinschaliger opzet búiten de aandacht was gebleven, óók als de optelsom van die kleinschaligen even groot was als nu. Want denk je nu echt dat alleen de NSA zo bezig is? Natuurlijk niet. Ook andere 'geheime' diensten doen aan list en bedrog. Maar de klungels in de VS doen het meteen zó groot dat de rest van de wereld underdog werd.
Da's nu precies het gevoel wat je moet zien te vermijden. Dat betrokkenen zich machteloos, een nummer voelen. Het gaat gebeuren, hoor: de zorginstellingen zullen worden ingehaald door kleinschalige, menselijke voorzieningen. Onderwijsinstituten idem. Centralisatie in één gebouw gaat worden beconcurreerd door onderwijs is gebouwen die sféér hebben, menselijk zijn.
Het leek allemaal zo doelmatig. Ook hier zal gaan gelden dat een netwerk de oplossing kan zijn. Een netwerk dat zich aandient als een kaart. Een netwerk wat we snappen. Een netwerk van vele samenwerkende kleintjes.
Niet dat het een structúúrprobleem is. Als je dit wilt, dan zul je een cultúúr moeten hebben gericht op sámenwerken. Dát wordt pas lastig: de macht verdélen.
Het fascinerende aan reductie is het weglaten. Wát laat de weergave niet zien? Een kaart ís het gebied niet. Zou dat wel zijn, dan is de kaart waardeloos want net zo groot als het gebied. Is-t-i te schematisch, dan is-t-i waardeloos omdat je er te weinig houvast aan hebt.
Dat we reductie nodig hebben, staat buiten kijf. De hele dag, ons hele sociale leven reduceren we. Mensen worden in groepen ingedeeld: handzamer om te onthouden. Nuances willen we in een beslissingsproces zoveel mogelijk voorkomen omdat ze beslissen vaak bemoeilijken. Het blijkt lastig om te gaan met zaken die goed én slecht zijn, positief én negatief, aantrekken én afstoten.
Toch zitten we zo in elkaar.
De menselijke maat is een moeilijke. Het is de maatvoering tot waar we ons behaaglijk voelen. Wordt-i overstegen, dan gaat het onbehagen toenemen: we bevatten het niet meer. De een sneller dan de ander.
Vaak wordt gedacht dat die menselijke maat vooral op gaat voor historische gebeurtenissen. Geen van ons kan zich voorstellen hoeveel mensen het leven lieten op de modderige slagvelden van de Eerste Wereldoorlog, hoe bloederig Wounded Knee of een Aztekenofferplaats er uit zagen, of hoe verscheurd een vliegtuigongeluk waarbij iedereen het leven liet. Het is stomweg teveel. Alleen de kille cijfers, maar geen beeld van te vormen.
Menselijke maat is belangrijk.
Niet voor niets lieten megalomane heersers, ook kerkvorsten, gebouwen neerzetten waarin het individu nietig wordt. Kleineren, is de opzet. Het overweldigt de bezoeker. De grootsheid van het gebouw, de structuur, overheerst.
Dat megalomane, onmenselijke is bij lange na niet verdwenen. Sterker, het steeds verder verwijderen van de menselijke maat lijkt eerder toe- dan af te nemen.
Bedrijven. De buurtwinkel werd supermarkt. Supermarkten werden groter en groter. De weidewinkels; tientallen kassa's en 'alles onder één dak te koop'. Binnenkort ook in Nederland? Woonwarenhuizen. Tuincentra. Groter groeien ze. Of: groeiden ze. Inmiddels tekent zich een ook lichtjes een tegenbeweging af naar kleinschaliger en lokaal geöriënteerd.
Als je slim bent, zorg je dus dat je die menselijk maat in de gaten houdt. Vooral als je de goegemeente wilt belazeren, moet je niet al te groot zijn.
Zo'n NSA-affaire had ongetwijfeld mínder aandacht gekregen als ze minder grootschalig was geweest. Ik acht het zelfs aannemelijk dat een kleinschaliger opzet búiten de aandacht was gebleven, óók als de optelsom van die kleinschaligen even groot was als nu. Want denk je nu echt dat alleen de NSA zo bezig is? Natuurlijk niet. Ook andere 'geheime' diensten doen aan list en bedrog. Maar de klungels in de VS doen het meteen zó groot dat de rest van de wereld underdog werd.
Da's nu precies het gevoel wat je moet zien te vermijden. Dat betrokkenen zich machteloos, een nummer voelen. Het gaat gebeuren, hoor: de zorginstellingen zullen worden ingehaald door kleinschalige, menselijke voorzieningen. Onderwijsinstituten idem. Centralisatie in één gebouw gaat worden beconcurreerd door onderwijs is gebouwen die sféér hebben, menselijk zijn.
Het leek allemaal zo doelmatig. Ook hier zal gaan gelden dat een netwerk de oplossing kan zijn. Een netwerk dat zich aandient als een kaart. Een netwerk wat we snappen. Een netwerk van vele samenwerkende kleintjes.
Niet dat het een structúúrprobleem is. Als je dit wilt, dan zul je een cultúúr moeten hebben gericht op sámenwerken. Dát wordt pas lastig: de macht verdélen.
woensdag 16 oktober 2013
Slapend sms'en
Slaapwandelen kende ik. Maar dat er ook zoiets bestaat als slaap-sms'en is voor mij nieuw: Sleeptexting is the new sleepwalking. Ik lees het net in The Atlantic.
Het is eigenlijk wel een logisch verhaal; dat je in je slaap nog handelingen kunt uitvoeren. Dan is het logischerwijs ook mogelijk te sms'en. En moorden te plegen. Dat schijnt dus werkelijk te kunnen.
Juist die sms'jes - en de moorden - zetten me aan het denken. In tegenstelling tot een 'klassieke slaapwandelaar' hebben die acties namelijk gevolgen. Een rondwandelend kind is meer een bijzonderheid en goed voor de anekdotes later. Zo stond één van onze beide zonen toen-i een jaar of zes, in de winter, in een open voordeur: "Ik moet plassen!".
Eerlijk gezegd heb ik het zelf ook eens meegemaakt; een jaar of acht geleden. Mijn vader was een paar jaar eerder overleden en mijn moeder woonde nog steeds in het oude huis, alleen.
'Heel zeker' zit in m'n geheugen. Heel zeker dat ik 's nachts de telefoon hoorde gaan, opnam en niets hoorde. Omdat ik dacht dat het m'n moeder was die niet goed was geworden, heb ik me aangekleed, ben ik in de auto gesprongen en naar haar toe gereden. Je raadt het: helemaal duister en in rust. Ik dus weer terug.
Het bijzondere is dat ik helemaal bij zinnen was. Dat die telefoon ging, was volgens mij - toen direct al duidelijk - nooit gebeurd. Dat moet suggestie zijn geweest. Vreemde ervaring, hoor.
Maar dat zijn allemaal gevolgloze acties. Het kost je benzine. Of je krijgt het koud. En er schijnen koelkasten leeg te kunnen worden gegeten.
Interessanter wordt het als je blijkbaar ook gaat sms'en. Want aan die sms-boodschap valt níet te zien of-t-i door een bewust of een slapend persoon is gestuurd. Je zal maar iets heel ongewensts in gang zetten op die manier!
Het bepalen van identiteiten in de digitale wereld is al complex genoeg. Identiteitsdiefstal is echt geen 'dingetje', met de nadruk op -tje. Daarvoor hebben we aardig arsenaal aan authenticiteitbepalende procedures, die nog lang niet waterdicht zijn. Tussen haakjes: dat waren de methoden in de analoge wereld evenmin. Handtekeningen vervalsen is zelfs een vaardigheid geweest van middelbare scholieren met een slecht rapport, en grote criminelen. Maar aan de digitale omgeving stellen we andere, veel hogere eisen dan aan de bestaande.
Wat gaat er gebeuren als de betrokkene wél zelf iets verstuurd, mét de juiste codes en veiligheidswaarborgen? Maar slápend! In deze tijd is het argument van 'een vreemd tijdstip' ook behoorlijk zwakker. Kunnen we niet plaats- en tijd-onafhankelijk transacties uitvoeren? En doen we niet ook?
Of het helpt om een half uur voordat je gaat slapen alle apparaten uit te schakelen, weet ik niet. Dat wekt de indruk alsof 'het probleem' in de apparaten schuilt. Dat lijkt me onjuist: we zijn het zélf.
Mij zou het niet verbazen als slapende mensen net zo makkelijk een tablet of smartphone aanzetten als de slaapwandelende tvkijker de tv.
Het is eigenlijk wel een logisch verhaal; dat je in je slaap nog handelingen kunt uitvoeren. Dan is het logischerwijs ook mogelijk te sms'en. En moorden te plegen. Dat schijnt dus werkelijk te kunnen.
Juist die sms'jes - en de moorden - zetten me aan het denken. In tegenstelling tot een 'klassieke slaapwandelaar' hebben die acties namelijk gevolgen. Een rondwandelend kind is meer een bijzonderheid en goed voor de anekdotes later. Zo stond één van onze beide zonen toen-i een jaar of zes, in de winter, in een open voordeur: "Ik moet plassen!".
Eerlijk gezegd heb ik het zelf ook eens meegemaakt; een jaar of acht geleden. Mijn vader was een paar jaar eerder overleden en mijn moeder woonde nog steeds in het oude huis, alleen.
'Heel zeker' zit in m'n geheugen. Heel zeker dat ik 's nachts de telefoon hoorde gaan, opnam en niets hoorde. Omdat ik dacht dat het m'n moeder was die niet goed was geworden, heb ik me aangekleed, ben ik in de auto gesprongen en naar haar toe gereden. Je raadt het: helemaal duister en in rust. Ik dus weer terug.
Het bijzondere is dat ik helemaal bij zinnen was. Dat die telefoon ging, was volgens mij - toen direct al duidelijk - nooit gebeurd. Dat moet suggestie zijn geweest. Vreemde ervaring, hoor.
Maar dat zijn allemaal gevolgloze acties. Het kost je benzine. Of je krijgt het koud. En er schijnen koelkasten leeg te kunnen worden gegeten.
Interessanter wordt het als je blijkbaar ook gaat sms'en. Want aan die sms-boodschap valt níet te zien of-t-i door een bewust of een slapend persoon is gestuurd. Je zal maar iets heel ongewensts in gang zetten op die manier!
Het bepalen van identiteiten in de digitale wereld is al complex genoeg. Identiteitsdiefstal is echt geen 'dingetje', met de nadruk op -tje. Daarvoor hebben we aardig arsenaal aan authenticiteitbepalende procedures, die nog lang niet waterdicht zijn. Tussen haakjes: dat waren de methoden in de analoge wereld evenmin. Handtekeningen vervalsen is zelfs een vaardigheid geweest van middelbare scholieren met een slecht rapport, en grote criminelen. Maar aan de digitale omgeving stellen we andere, veel hogere eisen dan aan de bestaande.
Wat gaat er gebeuren als de betrokkene wél zelf iets verstuurd, mét de juiste codes en veiligheidswaarborgen? Maar slápend! In deze tijd is het argument van 'een vreemd tijdstip' ook behoorlijk zwakker. Kunnen we niet plaats- en tijd-onafhankelijk transacties uitvoeren? En doen we niet ook?
Of het helpt om een half uur voordat je gaat slapen alle apparaten uit te schakelen, weet ik niet. Dat wekt de indruk alsof 'het probleem' in de apparaten schuilt. Dat lijkt me onjuist: we zijn het zélf.
Mij zou het niet verbazen als slapende mensen net zo makkelijk een tablet of smartphone aanzetten als de slaapwandelende tvkijker de tv.
woensdag 4 september 2013
De a-sexuele aanraking
Soms denk je op latere leeftijd "Had ik maar...". Da's geen geintje. Da's iets wat je gaat overkomen. Dat je je ineens realiseert dat je met je gedachten ver weg in het verleden bent. Dat je terugkijkend op gebeuretenissen in je leven nu denkt "Dat deed is fout". Of goed, uiteraard.
De zelfbekentenissen zijn het leerzaamst en louterendst. Dan bevind je je in de krochten van jezelf. Op de plek waar je de 'heb ik spijt van'ervaringen in leven worden gehouden, in alle soorten en maten. Iedere dag komen er weer bij. Gelukkig is er een automatisch opruimsysteem meegeleverd: je vergeetachtigheid. Toch blijven sommige herinneringen taaie rakkers en andere komen ineens in beeld, de toenmalige situatie onbarmhartig helder voorstellend. Ik heb ze ook, hoor.
Over die gaan we het nu niet hebben.
Wel over het verschijnsel dat je eigenlijk pas op latere leeftijd spijt kunt hebben. Niet dat je op jong leeftijd geen fouten maakt. Maar pas na verloop van tijd kun je, terugkijkend, beslissingen in perspectief zien. Daarvoor heb je dan wel afstand nodig, tijd.
Geen idee of het bij jou klopt; maar veel mensen die ik ken, zijn in de loop van hun leven heel ander werk gaan doen dan ze als kind wilden of zelfs waarvoor ze een opleiding volgden. Niet alle jongetjes zijn brandweerman of piloot geworden en niet alle meisjes verpleegster of lerares. Om maar wat beelden uit de jaren vijftig-zestig te noemen. Veel mensen rollen door hun loopbaan (mooi woord).
Als ik nu terugkijk op míjn ervaringen dan denk ik niet dat het allemaal niets was. Maar wel dat ik, wat ik nú mijn hart volgend zou noemen, eerder psyichatrie of sociale psychologie zou zijn gaan studeren dan sociologie (wat ik deed). Dan zou ik veel eerder zijn gaan schrijven (bloggen) in de veronderstelling dat oefening kunst baart, ervaring dus.
Of dat bloggen iets is, bepaal jij. Ik beleef er lol aan en blijf doorgaan. Jij bepaalt of je het leest en anderen aanraadt.
Sociale psychologie is me toch wel altijd blijven achtervolgen. Niet voor niets ben ik afgestudeerd in de kleinste groepen die sociologen kennen: primaire groepen en socialisatie. Dat ligt verdraaid dicht tegen sociale psychologie aan.
Nog steeds blader ik door websites die die kant van de mens tot onderwerp hebben. Nog steeds ben ik geïntrigeerd door onderzoeken naar psychopathie en leiderschap. Nog steeds vind ik het leuk te ontdekken hoe lichaamstaal werkt (daar snap ik zelf nog steeds bar weinig van). Hoe vijandigheid werkt. En wat aanraking doet.
Zo las ik vandaag een ouder artikel over aanraken. Eigenlijk vooral ook omdat de digitale wereld juist dát element ontbeert. Dan sta je toch weer even te kijken van de rol die een eenvoudige handaanraking heeft. En, nee, niet de sensuele, maar de haast achteloze.
Die nonchalante aanraking die je verbindt, die je vertrouwen geeft. Die in intermenselijk verkeer een grote rol speelt. En die in de digitale wereld niet bestaat. De aanraking die cultuurgebonden is; op de ene lokatie brutaal en op de andere prettig wordt gevonden. Als je er over nadenkt, dan is die terloopse beweging - net als de onopvallende kleine teen - zó belangrijk.
Wat gaat er gebeuren als we elkaar niet meer aanraken?
De zelfbekentenissen zijn het leerzaamst en louterendst. Dan bevind je je in de krochten van jezelf. Op de plek waar je de 'heb ik spijt van'ervaringen in leven worden gehouden, in alle soorten en maten. Iedere dag komen er weer bij. Gelukkig is er een automatisch opruimsysteem meegeleverd: je vergeetachtigheid. Toch blijven sommige herinneringen taaie rakkers en andere komen ineens in beeld, de toenmalige situatie onbarmhartig helder voorstellend. Ik heb ze ook, hoor.
Over die gaan we het nu niet hebben.
Wel over het verschijnsel dat je eigenlijk pas op latere leeftijd spijt kunt hebben. Niet dat je op jong leeftijd geen fouten maakt. Maar pas na verloop van tijd kun je, terugkijkend, beslissingen in perspectief zien. Daarvoor heb je dan wel afstand nodig, tijd.
Geen idee of het bij jou klopt; maar veel mensen die ik ken, zijn in de loop van hun leven heel ander werk gaan doen dan ze als kind wilden of zelfs waarvoor ze een opleiding volgden. Niet alle jongetjes zijn brandweerman of piloot geworden en niet alle meisjes verpleegster of lerares. Om maar wat beelden uit de jaren vijftig-zestig te noemen. Veel mensen rollen door hun loopbaan (mooi woord).
Als ik nu terugkijk op míjn ervaringen dan denk ik niet dat het allemaal niets was. Maar wel dat ik, wat ik nú mijn hart volgend zou noemen, eerder psyichatrie of sociale psychologie zou zijn gaan studeren dan sociologie (wat ik deed). Dan zou ik veel eerder zijn gaan schrijven (bloggen) in de veronderstelling dat oefening kunst baart, ervaring dus.
Of dat bloggen iets is, bepaal jij. Ik beleef er lol aan en blijf doorgaan. Jij bepaalt of je het leest en anderen aanraadt.
Sociale psychologie is me toch wel altijd blijven achtervolgen. Niet voor niets ben ik afgestudeerd in de kleinste groepen die sociologen kennen: primaire groepen en socialisatie. Dat ligt verdraaid dicht tegen sociale psychologie aan.
Nog steeds blader ik door websites die die kant van de mens tot onderwerp hebben. Nog steeds ben ik geïntrigeerd door onderzoeken naar psychopathie en leiderschap. Nog steeds vind ik het leuk te ontdekken hoe lichaamstaal werkt (daar snap ik zelf nog steeds bar weinig van). Hoe vijandigheid werkt. En wat aanraking doet.
Zo las ik vandaag een ouder artikel over aanraken. Eigenlijk vooral ook omdat de digitale wereld juist dát element ontbeert. Dan sta je toch weer even te kijken van de rol die een eenvoudige handaanraking heeft. En, nee, niet de sensuele, maar de haast achteloze.
Die nonchalante aanraking die je verbindt, die je vertrouwen geeft. Die in intermenselijk verkeer een grote rol speelt. En die in de digitale wereld niet bestaat. De aanraking die cultuurgebonden is; op de ene lokatie brutaal en op de andere prettig wordt gevonden. Als je er over nadenkt, dan is die terloopse beweging - net als de onopvallende kleine teen - zó belangrijk.
Wat gaat er gebeuren als we elkaar niet meer aanraken?
Labels:
aanraken,
afstand,
asynchroon,
communicatie,
digitaal,
intimiteit,
leeftijd,
levenservaring,
loopbaan,
maten,
psychologie,
sociologie,
studeren
Locatie:
Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)