Verschillende werelden. Voor mij een gegeven. Ik schreef er al vaker over: de traagheid van de wereld van oudere mensen (en de tragere samenleving die er dús aankomt). Of dat rare verschijnsel dat je op straat fysiek dwars door het leven en netwerk van volstrekt vreemden loopt (en die binnentreedt door hen aan te spreken). Het moment waarop je je realiseert dat iedereen hetzelfde anders waarneemt (ook deze tekst kan anders aankomen bij jou dan ik bedoelde).
Social media zijn een mooi platform om dat te bekijken. Niet dat het echt goed dekkend is. Het is een weergave van onze netwerken en ons gedrag. Ondanks z'n beperkingen heb ik de indruk dat het wel één van de beste weergaves is. De belangrijkste reden daarvoor is wellicht het ongefilterde, ongecensureerde ervan. Daarmee zijn plots de uitbijters óók in beeld, zowel de negatieve als de positieve. In principe zie je nu echter alles.
Eén van de bekendste waarnemingen met betrekking tot bijvoorbeeld Twitter is dat er niet altijd even goed wordt nagedacht. Het blijft fascinerend te zien hoe een massa omspringt met informatie. De een zal het massa-hysterie noemen, de ander een hype; ikzelf zou er geen waarde-oordeel over willen vellen. Dit is de manier waarop informatie in een massa leeft; on- én offline.
De gevaren zijn ook bekend: vooral dat we elkaar nakakelen en slecht nadenken over wat er precies wordt gezegd. Zeker als de fout wordt gemaakt dat een bekende bron hetzelfde als een betrouwbare. Voorbeeld? De Bekende Nederlander die iets zegt, wat daarna gezien wordt als waarheid. Voor alle duidelijkheid: Bekende Nederlander is zeker niet alleen de media-bekende. Het zijn ook en vooral de mensen die die status binnen de social media hebben gekregen.
Maar wie geeft hen dat?
Da's dus een leuke vraag. Want als ik door m'n wimpers naar de social media kijk, dan zie ik iets opvallends. De toonaangevende mensen zijn andere mensen dan toonaangevende mensen in het 'echte leven'. Da's best opvallend. De grote denkers in het social media-landschap hebben die status te danken aan datzelfde landschap. Het is hun biotoop. Op die biotoop laten ze kennis los die anderen elders vergaarden en benoemden. Zij zijn het ook die de wetten en regelmatigheden benoemen in dat nieuwe biotoop.
In de aanloopfase is dat allemaal nog leuk. Zonder empirie kan iedereen van alles beweren. Degene met de meeste bravoure en overtuigingskracht zal ook toonaangevend kunnen worden. Dat is, denk ik, ook precies wat gebeurde: de duiders waren geen denkers (niet beledigend bedoeld). Dat gaat op grenzen stuiten, zeker als het laaghangend fruit aan inzichten is geplukt.
Mensen zijn een en ondeelbaar. Tegelijk zijn we ongelooflijk flexibel en meerdimensionaal. Niemand kent mij. Zelfs ikzelf kan mezelf nog weleens verbazen. Niemand kent jou zoals jij jezelf kent. Alle middelen waarmee we communiceren, ondersteunen een specifiek beeld van onszelf. In de wereld van social media is het land Twitter echt volslagen anders dan Google+; ook als daar één mens zichtbaar is. Ze vullen aan, nuanceren, sluiten uit, beïnvloeden.
De wormgaten die ik zoek, zijn de openingen tussen die verschillende dimensies. Mijn belangrijkste zoektocht is naar het antwoord op de vraag hoe al die nieuwe mogelijkheden een mens als individu beïnvloeden. Geen geneuzel over de nieuwste techniek. Wel veel geneuzel over de vraag wat het met míj doet als ik die mogelijkheden aan m'n repertoire toevoeg. Krijgt m'n zelfbeeld dan een oppepper? Verandert mijn idee van 'sociaal'?
Waar een vals bericht over een kat en vuurwerk in z'n kont ( het is dus níet waar) toe kan leiden...
Posts tonen met het label sociologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociologie. Alle posts tonen
maandag 6 januari 2014
vrijdag 1 november 2013
De beste expert? Dat ben ík.
Ik kreeg gisteren een vraag die me verbaasde: "Ben jij degene die we zoeken? De expert social media, die ons kan vertellen over de state of the art?"
Oppervlakkig beluisterd, is het een logische vraag. Je koopt iets en wilt uiteraard de beste kwaliteit voor je geld. Zou ik ook doen. Zou jij ook doen. Dan vraag je "ben jij de beste?". Als je mij een beetje kent, weet je het antwoord al. Ik zal dat nooit van mezelf zeggen. Kwaliteitsbeoordelingen móeten van anderen komen, willen ze een béétje overtuigend zijn. Al die social media experts en goeroe's; zelfverklaarde keurslagers die ook nog eens zelf het vlees keuren. Als je dat gelooft en die wilt inhuren: succes!
Als je wilt weten of ik goed ben, zul je me bezig moeten zien. Er bestáán helemaal geen social media experts.
Die term wekt de indruk alsof social media een losstaand fenomeen zijn. Dat zijn ze niet. In de afgelopen jaren heb ik tal van figuren de revue zien passeren als expert. Meestal waren ze dan expert in het gebruik van een softwareprogramma of een techniek. In principe niets anders dan al die hardwerkende trainers in het gebruik van Word of Outlook indertijd. Welk knopje doet wat. Daarmee wil ik zeker níet beweren dat dat onbelangrijk werk is.
Social media halen echter zoveel overhoop en zo aan het vervlechten met het reële leven, dat heel andere kennis nodig is om ze te begrijpen. Degene die me de vraag stelde of ik iets kan uitleggen over social media is op zoek naar een geesteswetenschapper. En, ja, dat ben ik en daar weet ik wel wat van.
De grap is dat de vraag zo breed is dat-i lijkt op de vraag of iemand je iets over het leven kan vertellen. Om te begrijpen wat social media doen, zul je je moeten verdiepen in bijvoorbeeld sociologie. Je zult menselijk (groeps)gedrag moeten snappen. Dat is iets anders dan een beetje grasduinen in de sociologische onderzoeken en er uit halen wat in je kraam te pas komt.
De vraagsteller maakt me weer eens duidelijk hoe mensen die die wereld níet kennen, er beelden over hebben. Vooral alsof het een heel andere wereld is. Da's vreemd. Want de mensen die de toetsenborden of de schermen beroeren, zijn gewone mensen met een reëel leven.
Wat je ziet, is dus niet zozeer een andere wereld. Het is een ander venster op onze wereld. Een venster dat ook tot dan verborgen facetten zichtbaar maakt. Fraude, criminaliteit en (kinder)porno zíjn geen internet-uitvindingen. Ze zijn mensen eigen. Dat geldt ook voor meningen, pesten en korte lontjesgedrag; niets nieuws. Wel sneller, sterker en breder zichtbaar.
Da's schrikken.
Wat mij echt heel erg veel deugd doet, is dat de social media ontwikkelingen een grotere aandacht voor de geesteswetenschappen met zich meebrengt. Steeds meer mensen zijn geïnteresseerd geraakt in de sociologie en de psychologie. Wat mij betreft, is dat winst omdat daardoor ook meer begrip zal (kunnen) ontstaan voor maatschappelijke verhoudingen. Meer mensen zullen gaan denken over maatschappijvormen, over solidariteit of over het wezen van de mens.
Het gáát niet om techniek, niet om apps, niet om de instellingen in Facebook of Twitter. Het gaat om ons, mensen, en ons groepsgedrag. En da's 'best wel' ingewikkeld. Dat kan ik je wél vertellen.
Oppervlakkig beluisterd, is het een logische vraag. Je koopt iets en wilt uiteraard de beste kwaliteit voor je geld. Zou ik ook doen. Zou jij ook doen. Dan vraag je "ben jij de beste?". Als je mij een beetje kent, weet je het antwoord al. Ik zal dat nooit van mezelf zeggen. Kwaliteitsbeoordelingen móeten van anderen komen, willen ze een béétje overtuigend zijn. Al die social media experts en goeroe's; zelfverklaarde keurslagers die ook nog eens zelf het vlees keuren. Als je dat gelooft en die wilt inhuren: succes!
Als je wilt weten of ik goed ben, zul je me bezig moeten zien. Er bestáán helemaal geen social media experts.
Die term wekt de indruk alsof social media een losstaand fenomeen zijn. Dat zijn ze niet. In de afgelopen jaren heb ik tal van figuren de revue zien passeren als expert. Meestal waren ze dan expert in het gebruik van een softwareprogramma of een techniek. In principe niets anders dan al die hardwerkende trainers in het gebruik van Word of Outlook indertijd. Welk knopje doet wat. Daarmee wil ik zeker níet beweren dat dat onbelangrijk werk is.
Social media halen echter zoveel overhoop en zo aan het vervlechten met het reële leven, dat heel andere kennis nodig is om ze te begrijpen. Degene die me de vraag stelde of ik iets kan uitleggen over social media is op zoek naar een geesteswetenschapper. En, ja, dat ben ik en daar weet ik wel wat van.
De grap is dat de vraag zo breed is dat-i lijkt op de vraag of iemand je iets over het leven kan vertellen. Om te begrijpen wat social media doen, zul je je moeten verdiepen in bijvoorbeeld sociologie. Je zult menselijk (groeps)gedrag moeten snappen. Dat is iets anders dan een beetje grasduinen in de sociologische onderzoeken en er uit halen wat in je kraam te pas komt.
De vraagsteller maakt me weer eens duidelijk hoe mensen die die wereld níet kennen, er beelden over hebben. Vooral alsof het een heel andere wereld is. Da's vreemd. Want de mensen die de toetsenborden of de schermen beroeren, zijn gewone mensen met een reëel leven.
Wat je ziet, is dus niet zozeer een andere wereld. Het is een ander venster op onze wereld. Een venster dat ook tot dan verborgen facetten zichtbaar maakt. Fraude, criminaliteit en (kinder)porno zíjn geen internet-uitvindingen. Ze zijn mensen eigen. Dat geldt ook voor meningen, pesten en korte lontjesgedrag; niets nieuws. Wel sneller, sterker en breder zichtbaar.
Da's schrikken.
Wat mij echt heel erg veel deugd doet, is dat de social media ontwikkelingen een grotere aandacht voor de geesteswetenschappen met zich meebrengt. Steeds meer mensen zijn geïnteresseerd geraakt in de sociologie en de psychologie. Wat mij betreft, is dat winst omdat daardoor ook meer begrip zal (kunnen) ontstaan voor maatschappelijke verhoudingen. Meer mensen zullen gaan denken over maatschappijvormen, over solidariteit of over het wezen van de mens.
Het gáát niet om techniek, niet om apps, niet om de instellingen in Facebook of Twitter. Het gaat om ons, mensen, en ons groepsgedrag. En da's 'best wel' ingewikkeld. Dat kan ik je wél vertellen.
Labels:
epert,
guru,
kennis,
presentatie,
social media,
sociologie
maandag 21 oktober 2013
miskend netwerk
Ze bestaan echt, hoor: die dagen waarmee de duvel speelt. "Het is alsof de duvel ermee speelt" betekent zoveel als "da's toevallig!". Of dat echt zo is?! Toeval bestaat, maar sommige onderwerpen zijn zó populair dat de kans ook wel érg groot is dat je het vaker tegenkomt.
Vandaag heb ik twee gesprekken gevoerd waarin netwerken een belangrijke rol spelen. In beide gesprekken kwam ook het thema van het miskende netwerk voorbij.
De term is verleidelijk: netwerk. Iets als een spinnenweb of een visnet, stellen we ons in het dagelijks taalgebruik erbij voor. En iets veiligs: risico's worden gespreid, lasten gedeeld en een groep die je beschermd.
Een netwerk bestaat uit knooppunten. Die knooppunten zijn niet per definitie allemaal even sterk. Een netwerk is dús per definitie flexibel, op zoek naar stabiliteit. Posities zijn niet vaststaand; ook niet ten opzichte van elkaar. Er is altijd een dynamische kracht aanwezig.
Netwerken zijn onlosmakelijk verbonden met interactie. Ze zijn er dus al zo lang er leven is. In dat opzicht is de mededeling dat we 'nu in een netwerksamenleving zijn terecht gekomen' enigszins onzin.
Niet de netwerken zijn nieuw. Ze zijn volop in beweging, waardoor posities veranderen. Onrust heerst.
Overheden bijvoorbeeld hebben decennialang in de veronderstelling verkeerd dat zij bepaalden wat in het collectieve en openbare deel van de samenleving gebeurde. De kritiek op de ivoren torens van de ambtenarij en het eigen dromen najagen van politici, komt daaruit voort; "u bedenkt van achter uw bureau wat goed is voor ons". Die positie was ook vrij eenvoudig te handhaven, omdat informatie niet makkelijk toegankelijk was.
Da's allemaal aan het veranderen. Exclusieve instrumenten zijn breder beschikbaar, en dat geldt ook voor informatie en kennis. Machtscentra zijn aan het verschuiven. De overheid heeft moeite daar mee om te gaan. Plots is de dynamiek de dynamiek van een netwerk. Daar is geen regisseur in bedacht. het netwerk zélf, de verhoudingen bepalen de dynamiek.
In die situatie kan - gaat! - het dus gebeuren dat andere partijen sterker worden dan jij. Voor een partij die comfortabel 'op het pluche' of 'aan de knoppen zat' moet dat een lastige ervaring zijn. Het zal je dan ook niet verrassen dat het gesprek vooral ging over het begeleiden van gemeenten in dergelijke trajecten (op verzoek krijg je van mij de naam van m'n gsprekspartner).
Waar, in essentie, overheden zich moeten realiseren ónderdeel te zijn van een netwerk, geldt bijna het omgekeerde voor individuen.
Niet dat individuen niet in een netwerk opereren. Dat doen ze - uiteraard - wel. Sterker, de netwerktheorieën zijn ontstaan op basis van waarneming van menselijk gedrag. Als ze al bestaan: mensen zonder netwerk, de eenzamen, sterven eerder. Dat zegt vast wel iets over de noodzaak van sociaal contact.
Over een bijzondere variant spraken we in het tweede gesprek; over de fixatie van werkzoekenden op het vinden van een baan. Da's eigenlijk raar. Niet de eigen kracht, inspiratie, droom, competenties of energie staat centraal, maar de afhankelijkheid van anderen die banen aanbieden.
Sollicitatieplicht past niet meer in deze tijd. Enerzijds worden werkzoekenden getraind in het nieuwe netwerken en vooral het belang van netwerken. Tegelijk wordt langs de andere kant diezelfde werkzoekende terug geduwd (in de tijd) om zichzelf afhankelijk te maken van initiatieven van anderen: het aanbieden van banen. Het zélf actief worden en wérk maken uit eigen energie - de nieuwe weg - is echter de manier die past in dat netwerk. Dat zal het UWV, dat zullen politici en ambtenaren zich eindelijk eens moeten realiseren.
Netwerken: zo simpel is dat nog niet. En een wondermiddel helemaal al niet!
Vandaag heb ik twee gesprekken gevoerd waarin netwerken een belangrijke rol spelen. In beide gesprekken kwam ook het thema van het miskende netwerk voorbij.
De term is verleidelijk: netwerk. Iets als een spinnenweb of een visnet, stellen we ons in het dagelijks taalgebruik erbij voor. En iets veiligs: risico's worden gespreid, lasten gedeeld en een groep die je beschermd.
Een netwerk bestaat uit knooppunten. Die knooppunten zijn niet per definitie allemaal even sterk. Een netwerk is dús per definitie flexibel, op zoek naar stabiliteit. Posities zijn niet vaststaand; ook niet ten opzichte van elkaar. Er is altijd een dynamische kracht aanwezig.
Netwerken zijn onlosmakelijk verbonden met interactie. Ze zijn er dus al zo lang er leven is. In dat opzicht is de mededeling dat we 'nu in een netwerksamenleving zijn terecht gekomen' enigszins onzin.
Niet de netwerken zijn nieuw. Ze zijn volop in beweging, waardoor posities veranderen. Onrust heerst.
Overheden bijvoorbeeld hebben decennialang in de veronderstelling verkeerd dat zij bepaalden wat in het collectieve en openbare deel van de samenleving gebeurde. De kritiek op de ivoren torens van de ambtenarij en het eigen dromen najagen van politici, komt daaruit voort; "u bedenkt van achter uw bureau wat goed is voor ons". Die positie was ook vrij eenvoudig te handhaven, omdat informatie niet makkelijk toegankelijk was.
Da's allemaal aan het veranderen. Exclusieve instrumenten zijn breder beschikbaar, en dat geldt ook voor informatie en kennis. Machtscentra zijn aan het verschuiven. De overheid heeft moeite daar mee om te gaan. Plots is de dynamiek de dynamiek van een netwerk. Daar is geen regisseur in bedacht. het netwerk zélf, de verhoudingen bepalen de dynamiek.
In die situatie kan - gaat! - het dus gebeuren dat andere partijen sterker worden dan jij. Voor een partij die comfortabel 'op het pluche' of 'aan de knoppen zat' moet dat een lastige ervaring zijn. Het zal je dan ook niet verrassen dat het gesprek vooral ging over het begeleiden van gemeenten in dergelijke trajecten (op verzoek krijg je van mij de naam van m'n gsprekspartner).
Waar, in essentie, overheden zich moeten realiseren ónderdeel te zijn van een netwerk, geldt bijna het omgekeerde voor individuen.
Niet dat individuen niet in een netwerk opereren. Dat doen ze - uiteraard - wel. Sterker, de netwerktheorieën zijn ontstaan op basis van waarneming van menselijk gedrag. Als ze al bestaan: mensen zonder netwerk, de eenzamen, sterven eerder. Dat zegt vast wel iets over de noodzaak van sociaal contact.
Over een bijzondere variant spraken we in het tweede gesprek; over de fixatie van werkzoekenden op het vinden van een baan. Da's eigenlijk raar. Niet de eigen kracht, inspiratie, droom, competenties of energie staat centraal, maar de afhankelijkheid van anderen die banen aanbieden.
Sollicitatieplicht past niet meer in deze tijd. Enerzijds worden werkzoekenden getraind in het nieuwe netwerken en vooral het belang van netwerken. Tegelijk wordt langs de andere kant diezelfde werkzoekende terug geduwd (in de tijd) om zichzelf afhankelijk te maken van initiatieven van anderen: het aanbieden van banen. Het zélf actief worden en wérk maken uit eigen energie - de nieuwe weg - is echter de manier die past in dat netwerk. Dat zal het UWV, dat zullen politici en ambtenaren zich eindelijk eens moeten realiseren.
Netwerken: zo simpel is dat nog niet. En een wondermiddel helemaal al niet!
zondag 13 oktober 2013
Gevoeligheden
Ieder beroep heeft z'n eigen codes. Veranderingen daarin verraden soms ontwikkelingen in een beroep.
Sociologen hebben ooit vastgesteld dat beroepen waarin veel vrouwen werkzaam zijn, over het algemeen lager worden beloond, betaald dan beroepen waarin veel mannen werken. Die situatie is nog steeds niet fundamenteel anders: vrouwen verdienen minder dan mannen, grosso modo.
Het is niet de bedoeling die kennis zo te gebruiken, maar het kan wel: van een beroep dat feminiseert, kan worden verwacht dat het in status aan het veranderen is. Die verlaagt. Andersom geldt ook: een toename van mannelijke beroepsbeoefenaren is vaak een teken van stijgende beloningsniveaus. Dat gebeurt allemaal niet van de ene op de andere dag. Maar de tendensen zijn er.
Iets vergelijkbaars gebeurt met vaktaak, jargon. Op het moment dat vaktermen worden opgenomen in het algemeen taalgebruik, daalt de status van dat beroep een fractie. De kern is eigenlijk heel vanzelfsprekend: als iedereen snapt hoe iets wordt gedaan, is de exclusiviteit minder. Vaktaal is echt heel belangrijk voor beroepsstatus.
Een mooi voorbeeld zijn de journalisten.
De afgelopen maanden ben ik minstens tien keer tegen de felle reacties aangelopen van journalisten die zich hevig verzetten tegen het 'schrijven van stukjes' in plaats van het 'schrijven van artikelen'. Dat is eigenlijk een tekenende reactie.
'Ik schrijf 'artikelen'' is een achterhoedegevecht.
De erosie van het journalistieke beroep lijkt hevig. Lijkt, want ik denk dat het wel meevalt. Wat wél gebeurt, is dat een specifieke categorie journalistiek werk erodeert: het dagelijks, beschrijvend nieuws. Dat wordt inmiddels ook goed gedaan door talloze websites, bloggers en andersoortige schrijvers.
Die mensen spreken vaak over het schrijven van stukjes. Zo wordt dat ook ervaren. Het interessante aan de reactie is dat er blijkbaar een open zenuw wordt geraakt. Een open zenuw die mogelijk neerkomt op: 'shit, ze hebben gelijk. Dit zíjn stukjes'. Hoe je er ook naar kijkt, een overtrokken reactie op terminologie wijst vaak op een status die bijna uitsluitend is gebaséérd op terminologie.
Eerlijk gezegd ben ik van mening dat de term er niet heel veel toe doet. Maar inmiddels ben ik er ook achter dat de verdedigers van 'artikel' vaak een werkwijze en schrijfstijl hebben die eenvoudig zijn te kopieëren. Het zijn niet bepaald de beste onderzoeksjournalisten of stijlbepalers.
'stukjes schrijven': zo ís het gewoon, en dat is voor veel journalisten heel bedreigend.
Sociologen hebben ooit vastgesteld dat beroepen waarin veel vrouwen werkzaam zijn, over het algemeen lager worden beloond, betaald dan beroepen waarin veel mannen werken. Die situatie is nog steeds niet fundamenteel anders: vrouwen verdienen minder dan mannen, grosso modo.
Het is niet de bedoeling die kennis zo te gebruiken, maar het kan wel: van een beroep dat feminiseert, kan worden verwacht dat het in status aan het veranderen is. Die verlaagt. Andersom geldt ook: een toename van mannelijke beroepsbeoefenaren is vaak een teken van stijgende beloningsniveaus. Dat gebeurt allemaal niet van de ene op de andere dag. Maar de tendensen zijn er.
Iets vergelijkbaars gebeurt met vaktaak, jargon. Op het moment dat vaktermen worden opgenomen in het algemeen taalgebruik, daalt de status van dat beroep een fractie. De kern is eigenlijk heel vanzelfsprekend: als iedereen snapt hoe iets wordt gedaan, is de exclusiviteit minder. Vaktaal is echt heel belangrijk voor beroepsstatus.
Een mooi voorbeeld zijn de journalisten.
De afgelopen maanden ben ik minstens tien keer tegen de felle reacties aangelopen van journalisten die zich hevig verzetten tegen het 'schrijven van stukjes' in plaats van het 'schrijven van artikelen'. Dat is eigenlijk een tekenende reactie.
'Ik schrijf 'artikelen'' is een achterhoedegevecht.
De erosie van het journalistieke beroep lijkt hevig. Lijkt, want ik denk dat het wel meevalt. Wat wél gebeurt, is dat een specifieke categorie journalistiek werk erodeert: het dagelijks, beschrijvend nieuws. Dat wordt inmiddels ook goed gedaan door talloze websites, bloggers en andersoortige schrijvers.
Die mensen spreken vaak over het schrijven van stukjes. Zo wordt dat ook ervaren. Het interessante aan de reactie is dat er blijkbaar een open zenuw wordt geraakt. Een open zenuw die mogelijk neerkomt op: 'shit, ze hebben gelijk. Dit zíjn stukjes'. Hoe je er ook naar kijkt, een overtrokken reactie op terminologie wijst vaak op een status die bijna uitsluitend is gebaséérd op terminologie.
Eerlijk gezegd ben ik van mening dat de term er niet heel veel toe doet. Maar inmiddels ben ik er ook achter dat de verdedigers van 'artikel' vaak een werkwijze en schrijfstijl hebben die eenvoudig zijn te kopieëren. Het zijn niet bepaald de beste onderzoeksjournalisten of stijlbepalers.
'stukjes schrijven': zo ís het gewoon, en dat is voor veel journalisten heel bedreigend.
woensdag 4 september 2013
De a-sexuele aanraking
Soms denk je op latere leeftijd "Had ik maar...". Da's geen geintje. Da's iets wat je gaat overkomen. Dat je je ineens realiseert dat je met je gedachten ver weg in het verleden bent. Dat je terugkijkend op gebeuretenissen in je leven nu denkt "Dat deed is fout". Of goed, uiteraard.
De zelfbekentenissen zijn het leerzaamst en louterendst. Dan bevind je je in de krochten van jezelf. Op de plek waar je de 'heb ik spijt van'ervaringen in leven worden gehouden, in alle soorten en maten. Iedere dag komen er weer bij. Gelukkig is er een automatisch opruimsysteem meegeleverd: je vergeetachtigheid. Toch blijven sommige herinneringen taaie rakkers en andere komen ineens in beeld, de toenmalige situatie onbarmhartig helder voorstellend. Ik heb ze ook, hoor.
Over die gaan we het nu niet hebben.
Wel over het verschijnsel dat je eigenlijk pas op latere leeftijd spijt kunt hebben. Niet dat je op jong leeftijd geen fouten maakt. Maar pas na verloop van tijd kun je, terugkijkend, beslissingen in perspectief zien. Daarvoor heb je dan wel afstand nodig, tijd.
Geen idee of het bij jou klopt; maar veel mensen die ik ken, zijn in de loop van hun leven heel ander werk gaan doen dan ze als kind wilden of zelfs waarvoor ze een opleiding volgden. Niet alle jongetjes zijn brandweerman of piloot geworden en niet alle meisjes verpleegster of lerares. Om maar wat beelden uit de jaren vijftig-zestig te noemen. Veel mensen rollen door hun loopbaan (mooi woord).
Als ik nu terugkijk op míjn ervaringen dan denk ik niet dat het allemaal niets was. Maar wel dat ik, wat ik nú mijn hart volgend zou noemen, eerder psyichatrie of sociale psychologie zou zijn gaan studeren dan sociologie (wat ik deed). Dan zou ik veel eerder zijn gaan schrijven (bloggen) in de veronderstelling dat oefening kunst baart, ervaring dus.
Of dat bloggen iets is, bepaal jij. Ik beleef er lol aan en blijf doorgaan. Jij bepaalt of je het leest en anderen aanraadt.
Sociale psychologie is me toch wel altijd blijven achtervolgen. Niet voor niets ben ik afgestudeerd in de kleinste groepen die sociologen kennen: primaire groepen en socialisatie. Dat ligt verdraaid dicht tegen sociale psychologie aan.
Nog steeds blader ik door websites die die kant van de mens tot onderwerp hebben. Nog steeds ben ik geïntrigeerd door onderzoeken naar psychopathie en leiderschap. Nog steeds vind ik het leuk te ontdekken hoe lichaamstaal werkt (daar snap ik zelf nog steeds bar weinig van). Hoe vijandigheid werkt. En wat aanraking doet.
Zo las ik vandaag een ouder artikel over aanraken. Eigenlijk vooral ook omdat de digitale wereld juist dát element ontbeert. Dan sta je toch weer even te kijken van de rol die een eenvoudige handaanraking heeft. En, nee, niet de sensuele, maar de haast achteloze.
Die nonchalante aanraking die je verbindt, die je vertrouwen geeft. Die in intermenselijk verkeer een grote rol speelt. En die in de digitale wereld niet bestaat. De aanraking die cultuurgebonden is; op de ene lokatie brutaal en op de andere prettig wordt gevonden. Als je er over nadenkt, dan is die terloopse beweging - net als de onopvallende kleine teen - zó belangrijk.
Wat gaat er gebeuren als we elkaar niet meer aanraken?
De zelfbekentenissen zijn het leerzaamst en louterendst. Dan bevind je je in de krochten van jezelf. Op de plek waar je de 'heb ik spijt van'ervaringen in leven worden gehouden, in alle soorten en maten. Iedere dag komen er weer bij. Gelukkig is er een automatisch opruimsysteem meegeleverd: je vergeetachtigheid. Toch blijven sommige herinneringen taaie rakkers en andere komen ineens in beeld, de toenmalige situatie onbarmhartig helder voorstellend. Ik heb ze ook, hoor.
Over die gaan we het nu niet hebben.
Wel over het verschijnsel dat je eigenlijk pas op latere leeftijd spijt kunt hebben. Niet dat je op jong leeftijd geen fouten maakt. Maar pas na verloop van tijd kun je, terugkijkend, beslissingen in perspectief zien. Daarvoor heb je dan wel afstand nodig, tijd.
Geen idee of het bij jou klopt; maar veel mensen die ik ken, zijn in de loop van hun leven heel ander werk gaan doen dan ze als kind wilden of zelfs waarvoor ze een opleiding volgden. Niet alle jongetjes zijn brandweerman of piloot geworden en niet alle meisjes verpleegster of lerares. Om maar wat beelden uit de jaren vijftig-zestig te noemen. Veel mensen rollen door hun loopbaan (mooi woord).
Als ik nu terugkijk op míjn ervaringen dan denk ik niet dat het allemaal niets was. Maar wel dat ik, wat ik nú mijn hart volgend zou noemen, eerder psyichatrie of sociale psychologie zou zijn gaan studeren dan sociologie (wat ik deed). Dan zou ik veel eerder zijn gaan schrijven (bloggen) in de veronderstelling dat oefening kunst baart, ervaring dus.
Of dat bloggen iets is, bepaal jij. Ik beleef er lol aan en blijf doorgaan. Jij bepaalt of je het leest en anderen aanraadt.
Sociale psychologie is me toch wel altijd blijven achtervolgen. Niet voor niets ben ik afgestudeerd in de kleinste groepen die sociologen kennen: primaire groepen en socialisatie. Dat ligt verdraaid dicht tegen sociale psychologie aan.
Nog steeds blader ik door websites die die kant van de mens tot onderwerp hebben. Nog steeds ben ik geïntrigeerd door onderzoeken naar psychopathie en leiderschap. Nog steeds vind ik het leuk te ontdekken hoe lichaamstaal werkt (daar snap ik zelf nog steeds bar weinig van). Hoe vijandigheid werkt. En wat aanraking doet.
Zo las ik vandaag een ouder artikel over aanraken. Eigenlijk vooral ook omdat de digitale wereld juist dát element ontbeert. Dan sta je toch weer even te kijken van de rol die een eenvoudige handaanraking heeft. En, nee, niet de sensuele, maar de haast achteloze.
Die nonchalante aanraking die je verbindt, die je vertrouwen geeft. Die in intermenselijk verkeer een grote rol speelt. En die in de digitale wereld niet bestaat. De aanraking die cultuurgebonden is; op de ene lokatie brutaal en op de andere prettig wordt gevonden. Als je er over nadenkt, dan is die terloopse beweging - net als de onopvallende kleine teen - zó belangrijk.
Wat gaat er gebeuren als we elkaar niet meer aanraken?
Labels:
aanraken,
afstand,
asynchroon,
communicatie,
digitaal,
intimiteit,
leeftijd,
levenservaring,
loopbaan,
maten,
psychologie,
sociologie,
studeren
Locatie:
Leiden, Nederland
maandag 24 december 2012
Evidence based?!
Daar was-t-i vandaag weer: de arts, in dit geval een neurochirurg, die 'hun' dubbelblind onderzoek superieur acht boven andere methoden. Zijn kritiek geldt een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, waarbij acteurs werden ingezet voor de dataverzameling. Nu moet ik toegeven dat de club waar ik ooit werkte, deze methode gebruikt. Op echte afwijkingen van de statistische analyses op databestanden ten gunste van meer kwalitatief onderzoek had ik het SCP nog niet betrapt. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.
De arts vindt het flut onderzoek. Want, zo redeneert hij, die acteurs hebben natuurlijk kunnen ráden waarom zij bij uitzendbureaus langsgingen. Daarenboven waren het er te weinig, waren de acteurs onderling op teveel variabelen anders en konden de onderzoekers ook daarom geen wetenschappelijk verantwoorde conclusies trekken uit het veldwerk.
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121220-184415.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121220-184415.jpg" alt="20121220-184415.jpg" class="alignnone size-full" /></a>
Nee, dan <a href="http://nl.wikipedia.org/wiki/Gerandomiseerd_onderzoek_met_controlegroep">dubbelblind uitgevoerd onderzoek</a>: dat is de top van wetenschappelijk onderzoek. In theorie wel, ja. Maar de realiteit is dat (ook) dubbelblind geen garantie geeft op wetenschappelijke betrouwbaarheid.
Het klinkt logisch. Als je iets wilt testen, dan zou je twee identieke populaties moeten hebben. Op de ene laat je hypothese A los; op de andere Niets. Als er dan een verschil is, moet dat wel worden verklaard uit de hypothese. Veel meer is het niet. De ene groep geef je wél en de andere níet een medicijn. En als het medicijn werkt, dan werkt het; terwijl je kunt stellen dat het géén toeval was want de controlegroep werd niet beter.
Nog afgezien van ethische discussies - wat doe je met levensbedreigende experimenten? Of met levensreddende medicijnen? - zijn er ook organisatorische. Waar haal je genoeg respondenten/patiënten vandaan? Hoe weet je eigenlijk zeker dat de twee groepen identiek zijn?
Hé, stop 's. Dat is de kritiek op sociaal wetenschappelijk onderzoek. Dat die mensen allemaal anders zijn. Dat ménsen allemaal anders zijn. En dat geldt voor ieder onderzoek waar mensen subject van onderzoek zijn; in de sociaal wetenschappelijke en in de medische hoek. Want jammer genoeg zijn geen twee mensen gelijk. Wel bíjna.
Uit de houding van de neurochirurg spreekt een hautaine houding over superieur medisch onderzoek die vandaag de dag afgezwakt zou moeten zijn en zeer zeker ongepast is. Wie de medische onderzoeken, met hun dubbelblind waarborgen, ziet, moet geregeld constateren dat onderzoeksresultaten de financier welgevallig zijn.
Da's ook niet vreemd.
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121220-184425.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121220-184425.jpg" alt="20121220-184425.jpg" class="alignnone size-full" /></a>
Want de kern van het probleem ís helemaal de methodologie niet. Die klopt wel. Het wordt al riskanter als het gaat om de selectie van proefpersonen. Dat is inmiddels al handel. Maar waar het uiteindelijk allemaal om draait, is de vraag wát je wilt onderzoeken: je onderzoeksvraag. En een onderzoeksvraag die ongelooflijk nauwkeurig om te verwachten problemen heen wordt geformuleerd, is natuurlijk handig. Die falsificeer je niet eenvoudig.
De vraag is dus helemaal niet of de invloed van acteurs het onderzoek verpestte, maar of het onderzoek een goede vraag hanteerde. Maat zolang artsen ons als machines beschouwen, gaat het idee van 'goed onderzoek' aan die kant niet snel veranderen.
Labels:
kritiek,
kwalitatief,
medisch,
methodologie,
RCT,
sociologie
Locatie:
Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)