Wellicht dat m'n bioritme in een sceptische fase is terechtgekomen. Maar omdat ik niet in bioritmes geloof, denk ik dat dat niet zo is.
Ik heb de indruk dat twitter steeds meer een droomland is geworden.
Da's niet lullig bedoeld. Wellicht zijn er grote veranderingen in mijn tijdlijn opgetreden en is de samenstelling veranderd. Er zijn wel nieuwe volgers, maar de 'oude bekenden' zijn er nog steeds. Wel zijn die minder zichtbaar geraakt. Alsof hun gesprekken van karakter veranderden. Minder openbaar, wellicht zelfs minder in aantal.
Gelukkig is dit míjn blog met persoonlijke waarnemingen en gedachten. Het is geen onderzoeksblog of (semi)verantwoord. Het zal je niet verbazen dat ik veel meer zie in tentatieve, voelende waarnemingen.
Dat droomland; wensdenken.
Dat beeld kwam bij me op toen ik weer 's een tweet zag voorbij komen over de nieuwe overheid. De steller was van mening dat we ons niet druk hoefden te maken over overheidsproblemen, want 'de overheid gaat verdwijnen'. O?! Datzelfde heb ik met tweets die gaan over de teloorgang van 'de krant', 'de journalist', óver de komst van 'de mondige patiënt' of de paradigmawissel in de zorg.
Eerlijk gezegd, vind ik nooit enig bewijs dat dat ook gebeurt. Het zijn vaker stellenderwijs geschreven tweets dan vaststellingen.
De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik dat niet aan het medium Twitter kan en mag wijten. Het is eerder de mentaliteit, de mensen die die meningen boekstaven die droomlanderig is. Dat lukt jou en mij ook: vertellen wat er staat te gebeuren, maar vooral gebaseerd op selectieve waarneming. Voor mij is een mooi voorbeeld de ooit enorm verketterde Andrew Keen, die nu toch echt wel gelijk krijgt. Maar zijn verhaal wilden 'we' niet horen.
Droomland is gebaseerd op het ontbreken van tegengeluid. Alles en iedereen is enthousiast, positief en reageert vaak op kritisch denken met de melding dat 'het om kánsen gaat'. Da's, in de vaak door diezelfde mensen verafschuwde oude denkgewoontes en structuren, meest gebruikte discussiedoder die er bestaat: je wordt geacht méé te denken.
Zou 't (kunnen) kloppen dat droomland groeit? Als dat zo is, is dat het eind aan een veelbelovend sociaal experiment dat voor mij ooit met Twitter begon en waarin nieuwe kennissen met nieuwe meningen de kracht waren. Wat rest, is dan 'wil ik bij de club horen en me conformeren?'.
Misschien moet ik een nieuwe club zoeken. Tot dan, realiseer ik me nu tijdens het tikken, rouw ik over de uit zicht verdwenen kennissen, vrienden en meningen.
Posts tonen met het label social media. Alle posts tonen
Posts tonen met het label social media. Alle posts tonen
donderdag 8 mei 2014
donderdag 24 april 2014
Een onbeschofte
Hoe doe jij dat?
Je staat met iemand te praten. Degene met wie je spreekt, is iemand die je niet echt góed kent. Dat is wederzijds. Als je een vraag stelt, krijg je stomweg géén antwoord. Het Ik Praat Tegen Een Muur-effect.
Het ergste geval daarvan wat ík ooit meemaakte, is een hoge ambtenaar, die ik wel degelijk kende, die stomweg midden in een gesprek wegliep omdat-i een interessantere sociale relatie zag. Over fatsoen gesproken.
Dit soort mensen en hun gedrag, hoort in mijn mapje 'onbeschofte horken'. Ik vind het stuitend. Als iemand iets tegen je zegt in een context die je beiden vrijwillig koos in de wetenschap dat er met je kan worden gesproken, vind ik dit werkelijk buiten alle grenzen. Hautain-arrogant.
Ik ben dan best wel rancuneus. Iemand die zich zó gedraagt, wíl ik niet eens kennen. Die zal ik proberen straal te negeren. Gelukkig ken ik maar een paar van dergelijke idioten (vaak 'leidinggevenden', die inderdaad psychopatische trekjes (b)lijken te hebben).
Het vreemde aan mijn mapje is dat er relatief weinig echte mensen in zitten en relatief veel digitale vormen van echte mensen.
Zo langzamerhand begin ik me wat zorgen te maken over wat ik zie gebeuren. Ik denk dat op social media-platforms dit horkengedrag veel meer voorkomt, met Twitter als extreemste vorm.
Iedereen die in een of andere vorm 'aan social media doet', is bewust een wereld ingestapt waar het gesprek de kern is. Dat je uit jezelf niet in gesprek gaat met wildvreemden is tot daaraan toe. Niet reageren op een poging tot gesprek van een ander, is niet anders te karakteriseren als (misplaatste) hoogmoed. 'Jij spreekt met mij, maar wie bén je eigenlijk?'.
Begin nu niet met slappe excuses als 'maar ik heb veel te veel volgers en mensen die met me willen spreken'. Dan moet je je zorgen dat het wél behapbaar is. Wellicht zelfs jezelf afvragen wat je in vredesnaam aan het dóen bent als het zoveel is. Dat, immers, is dan een zinloze situatie, die - cynisch genoeg - anderen gebruikt om jóuw status op te baseren.
Ik temper m'n aantal volgers in de zin dat ik niet met alle geweld op zoek ben naar méér. In zeker opzicht trots ben ik op het feit dat ik altijd iedereen heb geantwoord, met uitzondering van maximaal tien gevallen waarin het niet kón.
Zoals ik een paar dagen terug blogde over de manier waarop groepen in- en uitsluiten: dit is precies dezelfde techniek. Geen antwoord geven, is het signaal afgeven dat je de ander niet van een niveau acht waardoor je antwoord zou moeten geven. Je verwaardigt je niet daartoe, tot dat niveau.
Aan beide zijden van een social media lijntje bevinden zich ménsen. Dat betekent dat daar echt nog steeds conventies bestaan die dit gedrag interpreteren als 'sociaal uitsluitend'. Dat dienen de niet-antwoorders zich terdege te moeten beseffen, in het bijzonder diegenen die zichzelf de status 'superieur' hebben aangemeten.
Twitter is een sociale puinhoop. Twitter is wellicht de openste van alle social mediaplatforms. 'Slotjes' op Twitter-accounts zijn nog steeds geen teken van de juiste mores kennen. Google+ en Facebook zijn al een stuk geslotener: daar hebben je vríenden zich om je heen verzameld. Het karakter van Twitter is anders; veel meer gericht op gesprekken met nieuwe onbekenden. En dan niet antwoorden?!
Mij zal het niet verbazen als (de opener) social media aan een neergang zijn begonnen, juist door dit soort van onderschatting. Ik hoop van harte van niet. Zeker in de beginjaren heb ik heel veel waardevolle contacten en waardevolle kennis opgedaan, maar ik zie ook de teloorgang bij Twitter: reclame-zender.
Je staat met iemand te praten. Degene met wie je spreekt, is iemand die je niet echt góed kent. Dat is wederzijds. Als je een vraag stelt, krijg je stomweg géén antwoord. Het Ik Praat Tegen Een Muur-effect.
Het ergste geval daarvan wat ík ooit meemaakte, is een hoge ambtenaar, die ik wel degelijk kende, die stomweg midden in een gesprek wegliep omdat-i een interessantere sociale relatie zag. Over fatsoen gesproken.
Dit soort mensen en hun gedrag, hoort in mijn mapje 'onbeschofte horken'. Ik vind het stuitend. Als iemand iets tegen je zegt in een context die je beiden vrijwillig koos in de wetenschap dat er met je kan worden gesproken, vind ik dit werkelijk buiten alle grenzen. Hautain-arrogant.
Ik ben dan best wel rancuneus. Iemand die zich zó gedraagt, wíl ik niet eens kennen. Die zal ik proberen straal te negeren. Gelukkig ken ik maar een paar van dergelijke idioten (vaak 'leidinggevenden', die inderdaad psychopatische trekjes (b)lijken te hebben).
Het vreemde aan mijn mapje is dat er relatief weinig echte mensen in zitten en relatief veel digitale vormen van echte mensen.
Zo langzamerhand begin ik me wat zorgen te maken over wat ik zie gebeuren. Ik denk dat op social media-platforms dit horkengedrag veel meer voorkomt, met Twitter als extreemste vorm.
Iedereen die in een of andere vorm 'aan social media doet', is bewust een wereld ingestapt waar het gesprek de kern is. Dat je uit jezelf niet in gesprek gaat met wildvreemden is tot daaraan toe. Niet reageren op een poging tot gesprek van een ander, is niet anders te karakteriseren als (misplaatste) hoogmoed. 'Jij spreekt met mij, maar wie bén je eigenlijk?'.
Begin nu niet met slappe excuses als 'maar ik heb veel te veel volgers en mensen die met me willen spreken'. Dan moet je je zorgen dat het wél behapbaar is. Wellicht zelfs jezelf afvragen wat je in vredesnaam aan het dóen bent als het zoveel is. Dat, immers, is dan een zinloze situatie, die - cynisch genoeg - anderen gebruikt om jóuw status op te baseren.
Ik temper m'n aantal volgers in de zin dat ik niet met alle geweld op zoek ben naar méér. In zeker opzicht trots ben ik op het feit dat ik altijd iedereen heb geantwoord, met uitzondering van maximaal tien gevallen waarin het niet kón.
Zoals ik een paar dagen terug blogde over de manier waarop groepen in- en uitsluiten: dit is precies dezelfde techniek. Geen antwoord geven, is het signaal afgeven dat je de ander niet van een niveau acht waardoor je antwoord zou moeten geven. Je verwaardigt je niet daartoe, tot dat niveau.
Aan beide zijden van een social media lijntje bevinden zich ménsen. Dat betekent dat daar echt nog steeds conventies bestaan die dit gedrag interpreteren als 'sociaal uitsluitend'. Dat dienen de niet-antwoorders zich terdege te moeten beseffen, in het bijzonder diegenen die zichzelf de status 'superieur' hebben aangemeten.
Twitter is een sociale puinhoop. Twitter is wellicht de openste van alle social mediaplatforms. 'Slotjes' op Twitter-accounts zijn nog steeds geen teken van de juiste mores kennen. Google+ en Facebook zijn al een stuk geslotener: daar hebben je vríenden zich om je heen verzameld. Het karakter van Twitter is anders; veel meer gericht op gesprekken met nieuwe onbekenden. En dan niet antwoorden?!
Mij zal het niet verbazen als (de opener) social media aan een neergang zijn begonnen, juist door dit soort van onderschatting. Ik hoop van harte van niet. Zeker in de beginjaren heb ik heel veel waardevolle contacten en waardevolle kennis opgedaan, maar ik zie ook de teloorgang bij Twitter: reclame-zender.
vrijdag 11 april 2014
Het bekende kip-ei
Eerlijk? Ik denk dat iedereen graag beroemd en bekend wil zijn. Misschien niet eens vanwege de status alswel vanwege het gevoel gewaardeerd te worden. Dat beroemde pluimpje dat iedereen toch graag wil ontvangen.
Gelukkig worden we niet allemaal beroemd. Dat vereist(?) een kwaliteit die anderen niet hebben: een prachtig lichaam, een formidabele vaardigheid, een geniaal brein. Iets bijzonders. Dat dat 'bijzondere' kan worden gemanipuleerd, weten we ook wel. De tijd van de ongerepte beroemdheid is al lang voorbij nu marketeers over zoveel kennis en instrumenten beschikken om ons oordeel te beïnvloeden. Dat neemt niet weg dat het ook hen niet snel zal lukken de klokkenluider van de Notre Dame een schoonheidsprijs te laten winnen.
Bekend zijn, is iets heel anders.
Bekendheid vereist niet veel meer dan dat veel mensen je kennen. Da's de kern. De vraag is uiteraard wel op basis waarvan die mensen je dan kennen. Want als het niets voorstelt en alleen maar een kwantitatieve indicator zouden we allemaal bekend kunnen zijn, toch?
Bekendheid is de indicatie voor iets heel anders dan beroemdheid: (de grootte van) je netwerk. Waar precies de grens ligt, is niet exact vast te stellen. Als je netwerk uit drie vrienden bestaat, ben je in een middelgrote stad vast geen grote bekende. Zijn het er een paar honderd dan lukt dat al beter. En als die paar honderd ook nog 's strategisch handig zijn (zelf ook grote netwerken hebben), dan mag je iemand vast 'bekend in de stad' noemen.
Ik weet niet of het je is opgevallen. Bekendheid is het aantal mensen dat jou kent. Het aantal mensen dat jij kent, is iets heel anders. Dat kunnen immers ook heel goed mensen zijn die je ooit eens ontmoette, maar die geen enkele reactie hebben als je naam wordt genoemd.
Het is allemaal zo vanzelfsprekend. Maar voor de wereld van de digitale mens zijn het complexe aangelegenheden. Die worden gedomineerd door kwantitatieve overzichten van kennissen. Je kent het vast wel: iemand met veel volgers op Twitter, met veel relaties in Google+ of Facebook is een bekende Nederlander.
Nog steeds denk ik dat dat helemaal niets zegt anders dan dat het er veel zijn. Veel interessanter is hoeveel ínvloed iemand heeft op gedrag en denken of hoeveel mensen zijn/haar naam spontaan noemen als ze worden gevraagd naar hun netwerk. Dat gaat heel andere verhoudingen opleveren.
Maar goed, ik zit nu dus wat te mijmeren over de vraag hoe dat nu zit met die bekendheid in de digitale wereld. Hoe werkt het? Is het zo dat een groot netwerk een pre is als je aan social media begint? Of, misschien beter, kun je zonder iemand te kennen toch een bekend persoon worden? Hoe bepaal je dat dan?
Ik ken wat mensen wier mening ik op prijs stel. Overigens mag ik ze allemaal, ook als hun mening diametraal tegenover de mijne staat. Het zijn niet allemaal bekende mensen. Een aantal wel. Via hen heb ik ontdekt dat bekendheid in een groep niet hetzelfde is als bekendheid daarbuiten. Wat dat betreft, is het nog steeds allemaal hetzelfde als tijdens het pre-digitale tijdperk: smaakbepalende trendsetters kunnen ook bínnen een beperkte groep smaakbepalend en bekend zijn.
In een wereld die digitaal is verbonden en sociaal veel groter is dan ooit, zijn die subverzamelingen daarom echter relatief onbelangrijker geworden. Bekend vereist een nóg grotere groep mensen.
Ik geef het op. Bekend worden is me te moeilijk (en teveel werk). En beroemd zou ik ook al niet worden.
Gelukkig worden we niet allemaal beroemd. Dat vereist(?) een kwaliteit die anderen niet hebben: een prachtig lichaam, een formidabele vaardigheid, een geniaal brein. Iets bijzonders. Dat dat 'bijzondere' kan worden gemanipuleerd, weten we ook wel. De tijd van de ongerepte beroemdheid is al lang voorbij nu marketeers over zoveel kennis en instrumenten beschikken om ons oordeel te beïnvloeden. Dat neemt niet weg dat het ook hen niet snel zal lukken de klokkenluider van de Notre Dame een schoonheidsprijs te laten winnen.
Bekend zijn, is iets heel anders.
Bekendheid vereist niet veel meer dan dat veel mensen je kennen. Da's de kern. De vraag is uiteraard wel op basis waarvan die mensen je dan kennen. Want als het niets voorstelt en alleen maar een kwantitatieve indicator zouden we allemaal bekend kunnen zijn, toch?
Bekendheid is de indicatie voor iets heel anders dan beroemdheid: (de grootte van) je netwerk. Waar precies de grens ligt, is niet exact vast te stellen. Als je netwerk uit drie vrienden bestaat, ben je in een middelgrote stad vast geen grote bekende. Zijn het er een paar honderd dan lukt dat al beter. En als die paar honderd ook nog 's strategisch handig zijn (zelf ook grote netwerken hebben), dan mag je iemand vast 'bekend in de stad' noemen.
Ik weet niet of het je is opgevallen. Bekendheid is het aantal mensen dat jou kent. Het aantal mensen dat jij kent, is iets heel anders. Dat kunnen immers ook heel goed mensen zijn die je ooit eens ontmoette, maar die geen enkele reactie hebben als je naam wordt genoemd.
Het is allemaal zo vanzelfsprekend. Maar voor de wereld van de digitale mens zijn het complexe aangelegenheden. Die worden gedomineerd door kwantitatieve overzichten van kennissen. Je kent het vast wel: iemand met veel volgers op Twitter, met veel relaties in Google+ of Facebook is een bekende Nederlander.
Nog steeds denk ik dat dat helemaal niets zegt anders dan dat het er veel zijn. Veel interessanter is hoeveel ínvloed iemand heeft op gedrag en denken of hoeveel mensen zijn/haar naam spontaan noemen als ze worden gevraagd naar hun netwerk. Dat gaat heel andere verhoudingen opleveren.
Maar goed, ik zit nu dus wat te mijmeren over de vraag hoe dat nu zit met die bekendheid in de digitale wereld. Hoe werkt het? Is het zo dat een groot netwerk een pre is als je aan social media begint? Of, misschien beter, kun je zonder iemand te kennen toch een bekend persoon worden? Hoe bepaal je dat dan?
Ik ken wat mensen wier mening ik op prijs stel. Overigens mag ik ze allemaal, ook als hun mening diametraal tegenover de mijne staat. Het zijn niet allemaal bekende mensen. Een aantal wel. Via hen heb ik ontdekt dat bekendheid in een groep niet hetzelfde is als bekendheid daarbuiten. Wat dat betreft, is het nog steeds allemaal hetzelfde als tijdens het pre-digitale tijdperk: smaakbepalende trendsetters kunnen ook bínnen een beperkte groep smaakbepalend en bekend zijn.
In een wereld die digitaal is verbonden en sociaal veel groter is dan ooit, zijn die subverzamelingen daarom echter relatief onbelangrijker geworden. Bekend vereist een nóg grotere groep mensen.
Ik geef het op. Bekend worden is me te moeilijk (en teveel werk). En beroemd zou ik ook al niet worden.
dinsdag 21 januari 2014
Als kennis toeneemt, neemt de verwarring toe
Het lastige aan (goed) onderzoek is dat het nogal genuanceerd is. Er is eigenlijk geen onderzoek dat absolute waarheden oplevert, zeker sociaal-wetenschappelijk niet. Dat is dus echt iets anders dan dat het níets oplevert. De ellende is dat een goed onderzoeker ook zijn onderzoekscondities en uitzonderingen noemt. Daardoor is onderzoek geldig onder precies die condities. Zul je zien dat jij net andere hebt.
Een andere om je rekenschap van te geven is dat een toename van kennis ook leidt tot mínder kennis. Ik heb er weleens de analogie met een kaart voor gebruikt. Hoe meer details die bevat, hoe minder overzicht. Toenemende kennis over de sociale werkelijkheid - daarover heb ik het bijna altijd - leidt voor veel mensen tot verwarring: "Ja, maar ander onderzoek zegt dat iets anders.". Dat kan heel goed kloppen.
Van onszelf en ons eigen gedrag snappen we nog niet zo héél veel.
Vandaag zag ik iets waardoor ik daaraan moest denken. Het gaat over onze kennis van social media; hoe informatie zich daar beweegt en hoe wij daarin een rol spelen. De samenvatting? Daarop is geen eenduidig antwoord te geven. Interactie en gemeenschapsgevoel zijn belangrijk. Dat wel.
Is dat teleurstellend? Is dat 'weer zo'n onbruikbaar wetenschappelijk onderzoeksresultaat'? Is dat een gebrek aan kennis om dat eenduidige toch te vinden?
Nou, nee. Het is eerder dat de eerste beweringen over een fenomeen als het internet of social media zich vaak op een globaal niveau bevinden. Dat verklaart (deels) ook waarom die verklaringen niet alles verklaarden. Op nauwkeuriger detailniveau zijn uitzonderingen te vinden. Precies hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de maatschappijtheorie van Karl Marx, de disciplineringsgedachte van Foucault of de denkbeelden van ene Jung of Freud. Uitzonderingen bevestigen de regel, maar dan anders.
3 Scientific Studies With Real Insight Into Social Media ; da's een zwakte van mij, de titel trekt. Als je daarin dan een redenering vindt die ongeveer zo verloopt:
en
dan
Tja, dan kom je tot de conclusie dat het karakter van je bedrijf of van je product dan wel dienst in hoge mate bepalend is voor de techniek, het platform dat je inzet.
Wat wij allemaal al láng wisten: het gaat daarbij niet om zenden of bereik, maar om interactie en boeien.
En nu hoop ik wel dat al die zendende bedrijven op vooral Twitter snel de les leren en 'm peren.
Een andere om je rekenschap van te geven is dat een toename van kennis ook leidt tot mínder kennis. Ik heb er weleens de analogie met een kaart voor gebruikt. Hoe meer details die bevat, hoe minder overzicht. Toenemende kennis over de sociale werkelijkheid - daarover heb ik het bijna altijd - leidt voor veel mensen tot verwarring: "Ja, maar ander onderzoek zegt dat iets anders.". Dat kan heel goed kloppen.
Van onszelf en ons eigen gedrag snappen we nog niet zo héél veel.
Vandaag zag ik iets waardoor ik daaraan moest denken. Het gaat over onze kennis van social media; hoe informatie zich daar beweegt en hoe wij daarin een rol spelen. De samenvatting? Daarop is geen eenduidig antwoord te geven. Interactie en gemeenschapsgevoel zijn belangrijk. Dat wel.
Is dat teleurstellend? Is dat 'weer zo'n onbruikbaar wetenschappelijk onderzoeksresultaat'? Is dat een gebrek aan kennis om dat eenduidige toch te vinden?
Nou, nee. Het is eerder dat de eerste beweringen over een fenomeen als het internet of social media zich vaak op een globaal niveau bevinden. Dat verklaart (deels) ook waarom die verklaringen niet alles verklaarden. Op nauwkeuriger detailniveau zijn uitzonderingen te vinden. Precies hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de maatschappijtheorie van Karl Marx, de disciplineringsgedachte van Foucault of de denkbeelden van ene Jung of Freud. Uitzonderingen bevestigen de regel, maar dan anders.
3 Scientific Studies With Real Insight Into Social Media ; da's een zwakte van mij, de titel trekt. Als je daarin dan een redenering vindt die ongeveer zo verloopt:
... this study does make it clear just how powerful user interactions are, and why they might even be more important than anything you produce on your own.
en
In the previous section, we found that the best way to influence sales on social networks is by encouraging audience interactions. In this section, we can expand that notion to realize that if you want to have an audience large enough to interact with itself, “viral marketing” isn’t the way to do it.
(...)
If you want to grow, you need to stop thinking about producing content “worth sharing,” and start thinking about how to produce content worth coming back for.
dan
After digging deeper into the data, however, they found some surprising revelations:
If you look at percent changes in community posting, this influenced sales 30 times more than percent changes in traditional media coverage.
Using the same approach, changes in blog posting frequency influenced sales 3 times more than changes in traditional media coverage.
Blog posts had an influence on traditional media coverage
Community posts had an even stronger influence on blog posts
In other words, it would be extremely foolish to assume that the traditional media coverage was more important than the community activity. In reality, sales were being primarily driven by community activity, reflecting what we learned in the first study above. Just as importantly, blog and traditional media coverage were being driven, in part, by community activity.
Tja, dan kom je tot de conclusie dat het karakter van je bedrijf of van je product dan wel dienst in hoge mate bepalend is voor de techniek, het platform dat je inzet.
Businesses with topically-oriented solutions are more relevant on forums, which are built around topics rather than friends and family
Wat wij allemaal al láng wisten: het gaat daarbij niet om zenden of bereik, maar om interactie en boeien.
En nu hoop ik wel dat al die zendende bedrijven op vooral Twitter snel de les leren en 'm peren.
vrijdag 8 november 2013
Over een Leids plein
Het is een ietwat lastig begrip: plein. Die heb je in soorten en maten. Het Rode Plein, het Pietersplein; dat zijn pléinen met een kapitale P.. De Italiaanse pleinen verdienen die P ook, maar dan eerder vanwege hun sfeer. Dúizenden pleinen zijn er op de wereld te vinden. De meerderheid gedoemd hun leven te slijten in onbekendheid bij de rest van de wereld. Van die pleinen die eerder lijken te zijn ontstaan als een soort van restsom in de stedelijke ontwikkeling: "Verrek, de straten sluiten niet goed aan. Dat wordt dus een plein.".
Pleinen. Zelfs een verbreding van een straat loopt het risico te worden gebombardeerd tot plein. Blijkbaar heeft het iets statusverhogends: plein zijn.
Hier in Leiden hebben we dus ook pleinen. Die zijn interessant. Niet al die pleinen heten ook plein. Er is ook een hele reeks pleinen die markt heet. Daaraan kun je een mooie uitleg ophangen: dat in vroeger tijden die open ruimtes de naam kregen die het gebruik eraan gaf - en de pleinen dus 'nutteloze' ruimtes waren. Garenmarkt, beestenmarkt, lammermarkt, kaasmarkt: handelsmarkten die ruimte nodig hadden, en niet exclusief Leids.
De ellende is dat die pleinen, ontdaan van hun functie, geen ankerpunt meer hebben. Het zijn lege ruimtes waarvan het het de vraag is wat je ermee moet. Inderdaad: parkeerplaats is vaak hun lotsbestemming.
De plein-pleinen hebben dat anker meestal nog wel: een kerk, een station, een (verwijzing naar) monument. Die pleinen zijn daarom meestal ook ingericht in overeenstemming met dát ankerpunt. Ze ondervinden de invloed daarvan, daar waar de functieloze pleinen 'onbeschermd' zijn.
De ergste pleinen zijn toch wel de winkelpleinen. In de loop van de jaren zestig vat de gedachte post dat consumenten alles bij elkaar wilden hebben. De eerste winkelcentra duiken op: winderige winkelgebiedjes als In de Boogaard in Rijswijk. De tot dan over de buurt, wijk en stad verspreide winkeltjes leggen het loodje tegen de opgewekte gemakzucht.
Ongelooflijk veel van die winkelpleinen en -centra zijn mislukt, in ieder geval in termen van beleving. De winkelier die de winkel afsluit en naar een andere wijk of stad vetrekt om te wonen, heeft echt heel andere gevolgen voor het leefklimaat dan de winkelier die achter of boven zijn winkel woonde. Anonieme leegte heerst na sluitingstijd; een onvriendelijke leegte.
Die pleinen hebben wij hier ook. Want in Leiden woont geen bijzonder soort mens, geen apart ras of nieuw type. Ook hier zijn die winderige fouten neergezet.
De komende tijd wordt er weer eentje opgekalefaterd. Het is een lullig pleintje, qua formaat. Maar het wordt een plein. In de directe omgeving heeft de kaalslag al plaatsgevonden. Een indrukwekkende oppervlakte ligt klaar voor 'wonen, winkelen en werken'. Nog te bouwen.
Heel verstandig en slim is de zet om de ontwikkeling van het gebied vergezeld te laten gaan van goede informatievoorziening. Er is een website. Er zijn mensen actief op Twitter en Facebook.
Maar het ontbreekt aan iets. Er is haast geen gesprek.
Het heet, onbescheiden, Het Plein Van Leiden. Dat is niet niks. Als je dan hoort dat de ontwikkeling wordt begeleid door het gebruik van óók social media, dan springt je hart op. Gaan we het zien gebeuren in Leiden? Een bouwproject waarbij de buurtbewoners virtueel meekijken door die grote gaten in de bouwschutting, commentaar geven en, uiteraard, het véél beter weten dan de bouwers. Gaan we zien dat de buurtbewoners meepraten?
Nee, dus. Er is een ideëendoos (voor een tijdelijke bestemming voor een braakliggend stuk grond). En verder is het vooral zenden, informatie verschaffen.
Het Plein Van Leiden; wat was het mooi geweest als 'we' hadden kunnen meepraten, vragen stellen of gratis 'advies' geven. Het is een druk stukje Leiden. Veel mensen komen er langs, hebben er last van, wringen zich op de fiets langs bussen en vrachtwagens, moeten er als scholier langs naar school.
Zo'n pleinaanpassing is immers niet alleen slopen en bouwen. Het is ook en vooral een bezigheid die de sociale structuur raakt. En díe bestaat uit mensen.
Mensen die je vooral moet laten meepraten en -denken, die je ook in deze fase partner moet laten zijn. Dan heb je ook grotere kans dat het hún project, hún wijk, hún plein wordt.
Waar je ook meer bij betrokken bent als het klaar is.
Pleinen. Zelfs een verbreding van een straat loopt het risico te worden gebombardeerd tot plein. Blijkbaar heeft het iets statusverhogends: plein zijn.
Hier in Leiden hebben we dus ook pleinen. Die zijn interessant. Niet al die pleinen heten ook plein. Er is ook een hele reeks pleinen die markt heet. Daaraan kun je een mooie uitleg ophangen: dat in vroeger tijden die open ruimtes de naam kregen die het gebruik eraan gaf - en de pleinen dus 'nutteloze' ruimtes waren. Garenmarkt, beestenmarkt, lammermarkt, kaasmarkt: handelsmarkten die ruimte nodig hadden, en niet exclusief Leids.
De ellende is dat die pleinen, ontdaan van hun functie, geen ankerpunt meer hebben. Het zijn lege ruimtes waarvan het het de vraag is wat je ermee moet. Inderdaad: parkeerplaats is vaak hun lotsbestemming.
De plein-pleinen hebben dat anker meestal nog wel: een kerk, een station, een (verwijzing naar) monument. Die pleinen zijn daarom meestal ook ingericht in overeenstemming met dát ankerpunt. Ze ondervinden de invloed daarvan, daar waar de functieloze pleinen 'onbeschermd' zijn.
De ergste pleinen zijn toch wel de winkelpleinen. In de loop van de jaren zestig vat de gedachte post dat consumenten alles bij elkaar wilden hebben. De eerste winkelcentra duiken op: winderige winkelgebiedjes als In de Boogaard in Rijswijk. De tot dan over de buurt, wijk en stad verspreide winkeltjes leggen het loodje tegen de opgewekte gemakzucht.
Ongelooflijk veel van die winkelpleinen en -centra zijn mislukt, in ieder geval in termen van beleving. De winkelier die de winkel afsluit en naar een andere wijk of stad vetrekt om te wonen, heeft echt heel andere gevolgen voor het leefklimaat dan de winkelier die achter of boven zijn winkel woonde. Anonieme leegte heerst na sluitingstijd; een onvriendelijke leegte.
Die pleinen hebben wij hier ook. Want in Leiden woont geen bijzonder soort mens, geen apart ras of nieuw type. Ook hier zijn die winderige fouten neergezet.
De komende tijd wordt er weer eentje opgekalefaterd. Het is een lullig pleintje, qua formaat. Maar het wordt een plein. In de directe omgeving heeft de kaalslag al plaatsgevonden. Een indrukwekkende oppervlakte ligt klaar voor 'wonen, winkelen en werken'. Nog te bouwen.
Heel verstandig en slim is de zet om de ontwikkeling van het gebied vergezeld te laten gaan van goede informatievoorziening. Er is een website. Er zijn mensen actief op Twitter en Facebook.
Maar het ontbreekt aan iets. Er is haast geen gesprek.
Het heet, onbescheiden, Het Plein Van Leiden. Dat is niet niks. Als je dan hoort dat de ontwikkeling wordt begeleid door het gebruik van óók social media, dan springt je hart op. Gaan we het zien gebeuren in Leiden? Een bouwproject waarbij de buurtbewoners virtueel meekijken door die grote gaten in de bouwschutting, commentaar geven en, uiteraard, het véél beter weten dan de bouwers. Gaan we zien dat de buurtbewoners meepraten?
Nee, dus. Er is een ideëendoos (voor een tijdelijke bestemming voor een braakliggend stuk grond). En verder is het vooral zenden, informatie verschaffen.
Het Plein Van Leiden; wat was het mooi geweest als 'we' hadden kunnen meepraten, vragen stellen of gratis 'advies' geven. Het is een druk stukje Leiden. Veel mensen komen er langs, hebben er last van, wringen zich op de fiets langs bussen en vrachtwagens, moeten er als scholier langs naar school.
Zo'n pleinaanpassing is immers niet alleen slopen en bouwen. Het is ook en vooral een bezigheid die de sociale structuur raakt. En díe bestaat uit mensen.
Mensen die je vooral moet laten meepraten en -denken, die je ook in deze fase partner moet laten zijn. Dan heb je ook grotere kans dat het hún project, hún wijk, hún plein wordt.
Waar je ook meer bij betrokken bent als het klaar is.
dinsdag 5 november 2013
Eén van de visionairen
The medium is the message
Eén van de bekendste one liners, denk ik. McLuhan, degene die 'm introduceerde, bedoelde ermee dat niet uitsluitend de ínhoud belangrijk is, maar ook de drager. De drager bepaalt hoe de boodschap wordt overgebracht.
Je stapt er zo makkelijk overheen.
Het is je misschien opgevallen dat in dit blog vrij veel gebruik wordt gemaakt van leestekens; met name het nadrukteken. Dat is niet voor niets. De eenvoudigste vorm van meerdere betekenissen van woorden en de invloed van het medium daarin, is de taal. "Ik houd van jou". Zegt-i "ík houd van jou", "ik hóud van jou", "ik houd van jóu"?!
Tegenwoordig hebben we effetjes meer dragers, media tot onze beschikking: garantie voor wanorde en misverstanden. Maar McLuhan wees eigenlijk op iets anders: de invloed van het medium op onze sociale interactie.
Inderdaad: sneller, grootschaliger en ongeremder. Nog steeds zijn we het zelf, maar wel via een kanaal dat invloed heeft op onze boodschappen.
Je kent de flame wars op usenet vast nog wel. Van die ongemeen felle scheldpartijen in discussiegroepen op het Internet die kort opvlammen. Of de begintijd van de elektronische post, met de aanbeveling om berichten vooral voorzichtig te gebruiken.
De aandacht gaat grotendeels naar digitale media. Vooral social media moeten het ontgelden. Terwijl het, McLuhan volgend, niet eens over gaat. Dan zou het gaan om het medium. Dan heb je het eerder over 'de computer', of wellicht 'het Internet', dan over de toepassingen. McLuhan wees op de invloed van 'de kranten', niet op afzonderlijke titels.
McLuhan wees in de jaren zestig op iets waarvan ik me nú afvraag of we daar actief mee omgaan. Eerlijk gezegd, denk ik dat we onszelf laten leven door media.
Hoe bewust ben jij je van die invloed? Van de invloed dat televisie, als voorbeeld, is bedoeld voor bewégend beeld en dus alles probeert te vertalen in beweging. Zelfs de praatprogramma's - sterven die uit? - moeten op die wijze uitnodigend zijn.
Die invloed gaat zo ver dat zij effect heeft op onze manier van waarnemen. Overtrokken?!
Kijk maar eens naar televisieregistraties. Uiteraard is de invloed groot doordat iemand besluit welke stukken we te zien krijgen. Maar er wordt ook bepaald hoe we iets beoordelen. Spanning? Dan is de kans groot dat een close up(!) wordt gebruikt van een gezicht dat spanning verbeeld. Ik weet niet hoe vaak jij dat in werkelijkheid tegen komt. Ik zelden. Angst? De regisseur reikt je de handvatten - in zíjn ogen - wel aan. Zónder muziek (en visuele cues) gaan we het dagelijks leven nog met moeite interpreteren.
Het is mooi dat er meer, betere en breder toegankelijke communicatiekanalen zijn. Dat maakt het echter niet eenvóudiger, maar ingewikkelder.
Dat is wat McLuhan bedoelde: van al die kanalen moet je ook nog eens de invloed schatten. Ga 'r maar aan staan.
Labels:
communicatie,
internet,
invloed,
McLuhan,
medium,
social media
vrijdag 1 november 2013
De beste expert? Dat ben ík.
Ik kreeg gisteren een vraag die me verbaasde: "Ben jij degene die we zoeken? De expert social media, die ons kan vertellen over de state of the art?"
Oppervlakkig beluisterd, is het een logische vraag. Je koopt iets en wilt uiteraard de beste kwaliteit voor je geld. Zou ik ook doen. Zou jij ook doen. Dan vraag je "ben jij de beste?". Als je mij een beetje kent, weet je het antwoord al. Ik zal dat nooit van mezelf zeggen. Kwaliteitsbeoordelingen móeten van anderen komen, willen ze een béétje overtuigend zijn. Al die social media experts en goeroe's; zelfverklaarde keurslagers die ook nog eens zelf het vlees keuren. Als je dat gelooft en die wilt inhuren: succes!
Als je wilt weten of ik goed ben, zul je me bezig moeten zien. Er bestáán helemaal geen social media experts.
Die term wekt de indruk alsof social media een losstaand fenomeen zijn. Dat zijn ze niet. In de afgelopen jaren heb ik tal van figuren de revue zien passeren als expert. Meestal waren ze dan expert in het gebruik van een softwareprogramma of een techniek. In principe niets anders dan al die hardwerkende trainers in het gebruik van Word of Outlook indertijd. Welk knopje doet wat. Daarmee wil ik zeker níet beweren dat dat onbelangrijk werk is.
Social media halen echter zoveel overhoop en zo aan het vervlechten met het reële leven, dat heel andere kennis nodig is om ze te begrijpen. Degene die me de vraag stelde of ik iets kan uitleggen over social media is op zoek naar een geesteswetenschapper. En, ja, dat ben ik en daar weet ik wel wat van.
De grap is dat de vraag zo breed is dat-i lijkt op de vraag of iemand je iets over het leven kan vertellen. Om te begrijpen wat social media doen, zul je je moeten verdiepen in bijvoorbeeld sociologie. Je zult menselijk (groeps)gedrag moeten snappen. Dat is iets anders dan een beetje grasduinen in de sociologische onderzoeken en er uit halen wat in je kraam te pas komt.
De vraagsteller maakt me weer eens duidelijk hoe mensen die die wereld níet kennen, er beelden over hebben. Vooral alsof het een heel andere wereld is. Da's vreemd. Want de mensen die de toetsenborden of de schermen beroeren, zijn gewone mensen met een reëel leven.
Wat je ziet, is dus niet zozeer een andere wereld. Het is een ander venster op onze wereld. Een venster dat ook tot dan verborgen facetten zichtbaar maakt. Fraude, criminaliteit en (kinder)porno zíjn geen internet-uitvindingen. Ze zijn mensen eigen. Dat geldt ook voor meningen, pesten en korte lontjesgedrag; niets nieuws. Wel sneller, sterker en breder zichtbaar.
Da's schrikken.
Wat mij echt heel erg veel deugd doet, is dat de social media ontwikkelingen een grotere aandacht voor de geesteswetenschappen met zich meebrengt. Steeds meer mensen zijn geïnteresseerd geraakt in de sociologie en de psychologie. Wat mij betreft, is dat winst omdat daardoor ook meer begrip zal (kunnen) ontstaan voor maatschappelijke verhoudingen. Meer mensen zullen gaan denken over maatschappijvormen, over solidariteit of over het wezen van de mens.
Het gáát niet om techniek, niet om apps, niet om de instellingen in Facebook of Twitter. Het gaat om ons, mensen, en ons groepsgedrag. En da's 'best wel' ingewikkeld. Dat kan ik je wél vertellen.
Oppervlakkig beluisterd, is het een logische vraag. Je koopt iets en wilt uiteraard de beste kwaliteit voor je geld. Zou ik ook doen. Zou jij ook doen. Dan vraag je "ben jij de beste?". Als je mij een beetje kent, weet je het antwoord al. Ik zal dat nooit van mezelf zeggen. Kwaliteitsbeoordelingen móeten van anderen komen, willen ze een béétje overtuigend zijn. Al die social media experts en goeroe's; zelfverklaarde keurslagers die ook nog eens zelf het vlees keuren. Als je dat gelooft en die wilt inhuren: succes!
Als je wilt weten of ik goed ben, zul je me bezig moeten zien. Er bestáán helemaal geen social media experts.
Die term wekt de indruk alsof social media een losstaand fenomeen zijn. Dat zijn ze niet. In de afgelopen jaren heb ik tal van figuren de revue zien passeren als expert. Meestal waren ze dan expert in het gebruik van een softwareprogramma of een techniek. In principe niets anders dan al die hardwerkende trainers in het gebruik van Word of Outlook indertijd. Welk knopje doet wat. Daarmee wil ik zeker níet beweren dat dat onbelangrijk werk is.
Social media halen echter zoveel overhoop en zo aan het vervlechten met het reële leven, dat heel andere kennis nodig is om ze te begrijpen. Degene die me de vraag stelde of ik iets kan uitleggen over social media is op zoek naar een geesteswetenschapper. En, ja, dat ben ik en daar weet ik wel wat van.
De grap is dat de vraag zo breed is dat-i lijkt op de vraag of iemand je iets over het leven kan vertellen. Om te begrijpen wat social media doen, zul je je moeten verdiepen in bijvoorbeeld sociologie. Je zult menselijk (groeps)gedrag moeten snappen. Dat is iets anders dan een beetje grasduinen in de sociologische onderzoeken en er uit halen wat in je kraam te pas komt.
De vraagsteller maakt me weer eens duidelijk hoe mensen die die wereld níet kennen, er beelden over hebben. Vooral alsof het een heel andere wereld is. Da's vreemd. Want de mensen die de toetsenborden of de schermen beroeren, zijn gewone mensen met een reëel leven.
Wat je ziet, is dus niet zozeer een andere wereld. Het is een ander venster op onze wereld. Een venster dat ook tot dan verborgen facetten zichtbaar maakt. Fraude, criminaliteit en (kinder)porno zíjn geen internet-uitvindingen. Ze zijn mensen eigen. Dat geldt ook voor meningen, pesten en korte lontjesgedrag; niets nieuws. Wel sneller, sterker en breder zichtbaar.
Da's schrikken.
Wat mij echt heel erg veel deugd doet, is dat de social media ontwikkelingen een grotere aandacht voor de geesteswetenschappen met zich meebrengt. Steeds meer mensen zijn geïnteresseerd geraakt in de sociologie en de psychologie. Wat mij betreft, is dat winst omdat daardoor ook meer begrip zal (kunnen) ontstaan voor maatschappelijke verhoudingen. Meer mensen zullen gaan denken over maatschappijvormen, over solidariteit of over het wezen van de mens.
Het gáát niet om techniek, niet om apps, niet om de instellingen in Facebook of Twitter. Het gaat om ons, mensen, en ons groepsgedrag. En da's 'best wel' ingewikkeld. Dat kan ik je wél vertellen.
Labels:
epert,
guru,
kennis,
presentatie,
social media,
sociologie
woensdag 10 juli 2013
Waarin de Waarheid de Leugen achterhaalt
Heb jij nog weleens het idee dat je er toe doet?
Mocht je 'ja' hebben geantwoord, dan denk ik dat je in een illusie leeft. Mocht je 'nee' hebben geantwoord, dan ben je mogelijk een ietsepietsie te somber. Natuurlijk doe je er toe; mits je binnen de doeleinden van anderen bruikbaar bent.
Dit blog gaat over het dagelijks leven. En over innovatie. Eigenlijk zou ik moeten schrijven 'verandering', want innovatie heeft iets van vooruitgang, ontwikkeling ten goede. Bij innovaties moet je echter altijd ook de vraag stellen: ten goede van wie? Dat is dan ook wat in al die blogposts gebeurt, de vraag: wat zie je eigenlijk? Niet met de pretentie het antwoord te weten - dat bepaal jíj voor jezelf.
Dat de samenleving gelaagd is, weten jij en ik ook wel. Dat er mensen zijn die het beter hebben dan anderen, ook. Hopelijk heb je ook door dat het verhaal van de gelijke kansen een sprookje is; de startposities zijn om te beginnen al niet voor iedereen gelijk. Rangorde, onrecht en ongelijkheid zijn fundamentele onderdelen van een samenleving. Die bannen we nooit helemaal uit.
Maar hypocrisie viert hoogtij.
Onder het mom van 'klantgerichtheid', 'algemeen belang' of 'maatschappelijke relevantie' wordt veel nonsens verkocht. Dat adviesorganisaties dat doen, is nog begrijpelijk. Die leven van hielenlikkerij en hovaardij. Zo snap ik nog steeds niet waarom gemeenten niet doorhebben dat ze binnen hun eigen gemeentegrenzen vaak minstens zo goede adviezen kunnen vinden als die waarvoor ze nu goudgeld betalen aan ingehuurde adviseurs. Blijkbaar gáát het helemaal niet om het advies.
Storend is het als je weet dat je wordt belogen waar je bij staat.
De post is er zo een. PostNL om precies te zijn: een fantasie-verhaal, waarvan je toch niet gelooft dat zij er zélf iets van geloven?
Dat je postbodes de laan uitstuurt om die direct te vervangen door - toevallig hoor - goedkopere postbezorgers. Omdat het werk eenvoudiger is geworden. Dat er sindsdien slechter wordt bezorgd en post verdwijnt; terloops detail.
Of die ongelooflijke redenering rond de betaling van pakketbezorgers. Omdat er weer meer pakketten per straat (kunnen) worden bezorgd, is het volgens PostNL logisch dat je per straat niet meer gaat verdienen. Terwijl de grondslag voor de betaling een pakketprijs is. Als je wordt geschoren, log je stil. Als je achteraf teleurgesteld bent over je eigen onderhandelingsresultaat, moet je niet kinderachtig de spelregels veranderen tijdens het spel. Als je vindt dat je met zelfstandige onderaannemers werkt, moet je die ook zo behandelen en niet alsof het verkapte werknemers zijn. Dat gelooft niemand én het riekt naar oplichting en fraude.
PostNL is er best wel goed in: onzin verkopen. Post bezorgen ze niet meer op maandag, omdat het aanbod dan zo laag is. Nee, die is mooi. Dat is een redenering die honderd procent is gebaseerd op en ingegeven door bedrijfsbelang. De klant, de geadresseerde speelt nul en generlei rol.
Jij en ik doen gewoon niet mee.
Dit is ook wel een mooie. De beloning van bestuurders. Vandaag kwam in het Twitterwereldje ondermeer dit langs:

Of het juist is, maakt niet eens uit. Het gaat om het waandenken wat steeds vaker wordt ontmaskerd. Het idee van heel veel mensen dat ze hun hoge salaris wáárd zijn. Want anders verdwijnen ze. Anders worden er lagere winsten gemaakt. Want het is 'marktconform'. Mijn hemel, hoe krom moet je wel niet praten om jezelf iets wijs te maken. 'Marktconform'?! Terwijl je zelf deel uitmaakt van die prijszetting? Dat kán niet eens, idioten! Je hebt een ónafhankelijk referentiunt nodig. Maar wie meent récht te hebben op veel, redeneert daar naartoe. En dat kan vooral goed als je jezelf als ijkpunt ziet.
Dat ABP-citaat is een voorbeeld daarvan. Natúúrlijk is het schandalig. Het ABP beheert andermans geld en garandeert inkomens op hogere leeftijd. Natúúrlijk bepaalt de missie van een organisatie de salarissen. Als iemand graag veel wil verdienen, dan bij een private onderneming. Stuitend was ook de dame die - ik meen - marketingmanager is bij ABN. Zij vond het haar récht een exorbitant salaris te krijgen en ook dat spaarders daar niets over te zeggen hebben. Ik heb een dag later al ons spaargeld bij de ABN weg gehaald. Met zo'n asociale, egoïstische geldwolf wil ik liefst niets van doen hebben. De rekeningcourant mogen ze beheren.
Wat nu zo bijzonder is aan bedrijven - en zeker al die in of voortkomend uit het semi-publieke segment - is dat ze inmiddels wél doorhebben dat (werken aan) je imago belangrijk is. Het zingt rond: aanwezig zijn op social media, webcare, storytelling, authenticiteit, maatschappelijk verantwoord ondernemen. En allemaal vergeten ze dat je dat niet kunt manipuleren: de waarheid komt op den duur altijd langszij en gaat er overheen. Dan knapt de zeepbel.
Het is niet eens cynisch. Van dichtbij heb ik meegemaakt hoe een organisatie intern haar klanten vooral zag als bron van inkomsten, maar naar buiten deed alsof alles 'door en voor' hen werd gedaan. Intern werd een administratieve werkelijkheid gefabriceerd voor subsidiegevers, terwijl extern fraudebestrijding werd verkocht. Zulke organisaties kunnen uiteraard een poos een imago in elkaar knutselen. De ellende voor hen is echter dat de boodschap van de succesvolle inzet van social media direct is gekoppeld aan een mentaliteit, een cultuur, aan de genen van de organisatie. Authenticiteit, het belangrijkste begrip, heeft ook alles te maken met eelijkheid.
Het eerst zijn de graaiers eraan gegaan. De komende jaren zullen we zien of klanten en consumenten gaan kiezen voor eerlijke bedrijven die zij vertrouwen of blijven volharden in het leegschudden van hun portemonnee in de zakken van zakkenvullers.
Mocht je 'ja' hebben geantwoord, dan denk ik dat je in een illusie leeft. Mocht je 'nee' hebben geantwoord, dan ben je mogelijk een ietsepietsie te somber. Natuurlijk doe je er toe; mits je binnen de doeleinden van anderen bruikbaar bent.
Dit blog gaat over het dagelijks leven. En over innovatie. Eigenlijk zou ik moeten schrijven 'verandering', want innovatie heeft iets van vooruitgang, ontwikkeling ten goede. Bij innovaties moet je echter altijd ook de vraag stellen: ten goede van wie? Dat is dan ook wat in al die blogposts gebeurt, de vraag: wat zie je eigenlijk? Niet met de pretentie het antwoord te weten - dat bepaal jíj voor jezelf.
Dat de samenleving gelaagd is, weten jij en ik ook wel. Dat er mensen zijn die het beter hebben dan anderen, ook. Hopelijk heb je ook door dat het verhaal van de gelijke kansen een sprookje is; de startposities zijn om te beginnen al niet voor iedereen gelijk. Rangorde, onrecht en ongelijkheid zijn fundamentele onderdelen van een samenleving. Die bannen we nooit helemaal uit.
Maar hypocrisie viert hoogtij.
Onder het mom van 'klantgerichtheid', 'algemeen belang' of 'maatschappelijke relevantie' wordt veel nonsens verkocht. Dat adviesorganisaties dat doen, is nog begrijpelijk. Die leven van hielenlikkerij en hovaardij. Zo snap ik nog steeds niet waarom gemeenten niet doorhebben dat ze binnen hun eigen gemeentegrenzen vaak minstens zo goede adviezen kunnen vinden als die waarvoor ze nu goudgeld betalen aan ingehuurde adviseurs. Blijkbaar gáát het helemaal niet om het advies.
Storend is het als je weet dat je wordt belogen waar je bij staat.
De post is er zo een. PostNL om precies te zijn: een fantasie-verhaal, waarvan je toch niet gelooft dat zij er zélf iets van geloven?
Dat je postbodes de laan uitstuurt om die direct te vervangen door - toevallig hoor - goedkopere postbezorgers. Omdat het werk eenvoudiger is geworden. Dat er sindsdien slechter wordt bezorgd en post verdwijnt; terloops detail.
Of die ongelooflijke redenering rond de betaling van pakketbezorgers. Omdat er weer meer pakketten per straat (kunnen) worden bezorgd, is het volgens PostNL logisch dat je per straat niet meer gaat verdienen. Terwijl de grondslag voor de betaling een pakketprijs is. Als je wordt geschoren, log je stil. Als je achteraf teleurgesteld bent over je eigen onderhandelingsresultaat, moet je niet kinderachtig de spelregels veranderen tijdens het spel. Als je vindt dat je met zelfstandige onderaannemers werkt, moet je die ook zo behandelen en niet alsof het verkapte werknemers zijn. Dat gelooft niemand én het riekt naar oplichting en fraude.
PostNL is er best wel goed in: onzin verkopen. Post bezorgen ze niet meer op maandag, omdat het aanbod dan zo laag is. Nee, die is mooi. Dat is een redenering die honderd procent is gebaseerd op en ingegeven door bedrijfsbelang. De klant, de geadresseerde speelt nul en generlei rol.
Jij en ik doen gewoon niet mee.
Dit is ook wel een mooie. De beloning van bestuurders. Vandaag kwam in het Twitterwereldje ondermeer dit langs:
Of het juist is, maakt niet eens uit. Het gaat om het waandenken wat steeds vaker wordt ontmaskerd. Het idee van heel veel mensen dat ze hun hoge salaris wáárd zijn. Want anders verdwijnen ze. Anders worden er lagere winsten gemaakt. Want het is 'marktconform'. Mijn hemel, hoe krom moet je wel niet praten om jezelf iets wijs te maken. 'Marktconform'?! Terwijl je zelf deel uitmaakt van die prijszetting? Dat kán niet eens, idioten! Je hebt een ónafhankelijk referentiunt nodig. Maar wie meent récht te hebben op veel, redeneert daar naartoe. En dat kan vooral goed als je jezelf als ijkpunt ziet.
Dat ABP-citaat is een voorbeeld daarvan. Natúúrlijk is het schandalig. Het ABP beheert andermans geld en garandeert inkomens op hogere leeftijd. Natúúrlijk bepaalt de missie van een organisatie de salarissen. Als iemand graag veel wil verdienen, dan bij een private onderneming. Stuitend was ook de dame die - ik meen - marketingmanager is bij ABN. Zij vond het haar récht een exorbitant salaris te krijgen en ook dat spaarders daar niets over te zeggen hebben. Ik heb een dag later al ons spaargeld bij de ABN weg gehaald. Met zo'n asociale, egoïstische geldwolf wil ik liefst niets van doen hebben. De rekeningcourant mogen ze beheren.
Wat nu zo bijzonder is aan bedrijven - en zeker al die in of voortkomend uit het semi-publieke segment - is dat ze inmiddels wél doorhebben dat (werken aan) je imago belangrijk is. Het zingt rond: aanwezig zijn op social media, webcare, storytelling, authenticiteit, maatschappelijk verantwoord ondernemen. En allemaal vergeten ze dat je dat niet kunt manipuleren: de waarheid komt op den duur altijd langszij en gaat er overheen. Dan knapt de zeepbel.
Het is niet eens cynisch. Van dichtbij heb ik meegemaakt hoe een organisatie intern haar klanten vooral zag als bron van inkomsten, maar naar buiten deed alsof alles 'door en voor' hen werd gedaan. Intern werd een administratieve werkelijkheid gefabriceerd voor subsidiegevers, terwijl extern fraudebestrijding werd verkocht. Zulke organisaties kunnen uiteraard een poos een imago in elkaar knutselen. De ellende voor hen is echter dat de boodschap van de succesvolle inzet van social media direct is gekoppeld aan een mentaliteit, een cultuur, aan de genen van de organisatie. Authenticiteit, het belangrijkste begrip, heeft ook alles te maken met eelijkheid.
Het eerst zijn de graaiers eraan gegaan. De komende jaren zullen we zien of klanten en consumenten gaan kiezen voor eerlijke bedrijven die zij vertrouwen of blijven volharden in het leegschudden van hun portemonnee in de zakken van zakkenvullers.
Labels:
authentiek,
eerlijkheid,
imago,
innovatie,
klantgerichtheid,
manipuleren,
marktconform,
Meerdere tags scheiden met komma's agentschapNL,
social media,
WBSO
Locatie:
Leiden, Nederland
vrijdag 7 juni 2013
En de eerste drie regels zíjn...
Vandaag is zo'n dag dat de blogpost een makkie is. Ik kan me er vanaf maken door je te wijzen op een artikel in Slate, want alles wat hieronder gaat komen, is daar uit gehaald.
Het is typisch zo'n onderwerp waarvan ik vond dat het goed is als het geregeld terugkeert in de aandacht: de vluchtige manier van lezen, van informatieverwerken. Ik zou eens moeten zien te turven hoe vaak ik dat verwijt voorbij zie komen op Twitter: dat iemand niet goed las. Ik heb er zelf ook last van, hoor. Soms laat je je helemaal meeslepen in die ongrijpbare drang ook eens ergens de eerste mee te zijn of de spitsvondigste van het stel. Maar als je dat wilt worden, moet je het juist níet nastreven.
Een nieuwtje is maar een deel van het verhaal. Veel belangrijker is wie degene ís die het brengt. Want de (status van de) brenger van het nieuws, bepáált meteen (of) het nieuws (is). Dan kun jij nog alle gelijk van de wereld hebben, als een BN-er precies dezelfde boodschap later brengt, is dát waarschijnlijk het bericht dat wordt gezien als het eerste. Lullig. Maar waar. En niets nieuws onder de zon, want zo werkt de werkelijke wereld ook. Inhoud is veel minder belangrijk dan we denken (wat dus echt anders is dan: inhoud doet er niet toe).
In Slate, dus, las ik vandaag een artikel met de titel You Won’t Finish This Article; Why people online don’t read to the end. Het antwoord op de why-vraag komt niet echt uit de verf, maar het artikel is desalniettemin lezenswaardig en informatief.
M'n advies is nú de vorige hyperlink te gebruiken en het originele artikel te lezen. Ik pik er twee citaten uit voor de overblijvers.
Het is en blijft un peu onthutsend: vijftig procent van de lezers haalt de helft van een artikel niet. Ernstiger is dat een grote groep eigenlijk niet verder komt dan de eerste regels, het eerste schermbeeld. Heel terecht stelt Farhad Manjoo dan ook de vraag wat die mensen eigenlijk wél lazen en opnamen.
En wat ze (dan dus ) doorgaven via social media.
Het is typisch zo'n onderwerp waarvan ik vond dat het goed is als het geregeld terugkeert in de aandacht: de vluchtige manier van lezen, van informatieverwerken. Ik zou eens moeten zien te turven hoe vaak ik dat verwijt voorbij zie komen op Twitter: dat iemand niet goed las. Ik heb er zelf ook last van, hoor. Soms laat je je helemaal meeslepen in die ongrijpbare drang ook eens ergens de eerste mee te zijn of de spitsvondigste van het stel. Maar als je dat wilt worden, moet je het juist níet nastreven.
Een nieuwtje is maar een deel van het verhaal. Veel belangrijker is wie degene ís die het brengt. Want de (status van de) brenger van het nieuws, bepáált meteen (of) het nieuws (is). Dan kun jij nog alle gelijk van de wereld hebben, als een BN-er precies dezelfde boodschap later brengt, is dát waarschijnlijk het bericht dat wordt gezien als het eerste. Lullig. Maar waar. En niets nieuws onder de zon, want zo werkt de werkelijke wereld ook. Inhoud is veel minder belangrijk dan we denken (wat dus echt anders is dan: inhoud doet er niet toe).
In Slate, dus, las ik vandaag een artikel met de titel You Won’t Finish This Article; Why people online don’t read to the end. Het antwoord op de why-vraag komt niet echt uit de verf, maar het artikel is desalniettemin lezenswaardig en informatief.
M'n advies is nú de vorige hyperlink te gebruiken en het originele artikel te lezen. Ik pik er twee citaten uit voor de overblijvers.
I’m going to keep this brief, because you’re not going to stick around for long. I’ve already lost a bunch of you. For every 161 people who landed on this page, about 61 of you—38 percent—are already gone. You “bounced” in Web traffic jargon, meaning you spent no time “engaging” with this page at all.
So now there are 100 of you left. Nice round number. But not for long! We’re at the point in the page where you have to scroll to see more. Of the 100 of you who didn’t bounce, five are never going to scroll. Bye!
OK, fine, good riddance. So we’re 95 now. A friendly, intimate crowd, just the people who want to be here. Thanks for reading, folks! I was beginning to worry about your attention span, even your intellig … wait a second, where are you guys going? You’re tweeting a link to this article already? You haven’t even read it yet! What if I go on to advocate something truly awful, like a constitutional amendment requiring that we all type two spaces after a period?
Wait, hold on, now you guys are leaving too? You’re going off to comment? Come on! There’s nothing to say yet. I haven’t even gotten to the nut graph.
Het is en blijft un peu onthutsend: vijftig procent van de lezers haalt de helft van een artikel niet. Ernstiger is dat een grote groep eigenlijk niet verder komt dan de eerste regels, het eerste schermbeeld. Heel terecht stelt Farhad Manjoo dan ook de vraag wat die mensen eigenlijk wél lazen en opnamen.
En wat ze (dan dus ) doorgaven via social media.
There’s a very weak relationship between scroll depth and sharing. Both at Slate and across the Web, articles that get a lot of tweets don’t necessarily get read very deeply. Articles that get read deeply aren’t necessarily generating a lot of tweets.
(...)
Schwartz tells me that on a typical Slate page, only 25 percent of readers make it past the 1,600th pixel of the page, and we’re way beyond that now. Sure, like every other writer on the Web, I want my articles to be widely read, which means I want you to Like and Tweet and email this piece to everyone you know. But if you had any inkling of doing that, you’d have done it already. You’d probably have done it just after reading the headline and seeing the picture at the top. Nothing I say at this point matters at all.
Labels:
attentie,
beeldscherm,
betrouwbaarheid,
concentratie,
imago,
lezen,
netwerken,
oppervlakkig,
snelheid,
social media,
vluchtig
Locatie:
Leiden, Nederland
donderdag 4 oktober 2012
Significant niet-causaal
Zit er werkelijk iets in, of is het gewoon giswerk op basis van brute force rekenwerk? Als je wilt, kun je je namelijk helemaal kapót rekenen aan vanalles en nog wat. En ogenschijnlijk nog verbanden vinden ook. Je kent vast het voorbeeld dat vaak wordt gebruikt om de begrippen correlatie en causaliteit uit te leggen. In een dorp wordt een statistisch significant verband berekend tussen aantallen geboorten en de aanwezigheid van ooievaars. De relatie tussen beide fenomenen is echter nul en dus is de relatie onzin. Het een veroorzaakt of verklaart het ander niet; is nuet causaal.
Zoiets gebeurt heel vaak als we nog niet goed snappen wat we zien of meemaken. Dat is ook een logische en zinvolle stap. Het is zo'n beetje: wie niet waagt, die niet wint. En wie niet zoekt, zal ook niet vinden. En dus proberen we veel te kwantificeren om daarna de variabelen met elkaar te kruisen op zoek naar verbanden. In de jaren tachtig, negentig nam dat met het bestaan van data warehouses een enorm, maar vrij korte, vlucht in de publiciteit: datamining. Oneerbiedig: dankzij de ineens beschikbare rekenkracht kon er ineens snel en willekeurig - de brute force - worden gezocht naar onvoorspelde verbanden. Een el dorado voor marketeers moet dat zijn geweest.
Uiteraard heeft datamining significante verbanden opgeleverd, net zo goed als dat er voorbeelden zijn te vinden waarin eerder bevestigend dan exploratief is gezocht. Zowel het zoeken naar verbanden die je verwacht als het vinden van volslagen onverwachte, is een risico.

Eigenlijk is het vrij logisch. Een verband dat je vindt, moet je ook kunnen verklaren. Vast nog niet honderd procent, maar een heel eind moet toch lukken. Een verband vinden dat op geen enkele manier logisch is, is een risico omdat je dan ook een niet-causaal verband kan hebben gevonden. En ja, officieel dien je eerst een theorie te hebben en met onderzoek te proberen die te ontkrachten. Lukt dat 'falsificeren' niet, dan heb je een goede theorie. Maar je moet dus wel een vermoeden, een hypothese, hebben.
In de wereld van de social media is het al een poosje een soort van Wilde Westen, zo lijkt het; een prima omgeving voor dit soort van zaken.
Wellicht dat het vooral marketeers zijn die op zoek zijn naar greep op de social media. Dat zou kunnen verklaren waarom er zo fanatiek wordt gezocht naar 'de beïnvloeders'. Dat het belangrijk wordt gevonden te weten wat de beste tijd is om een tweet te versturen. Wie nu eigenlijk de gebruikers zijn van de onderscheiden social media. Dat kún je lachend afdoen als onzin. Maar al die snippers kennis gaan op den duur vast op in een solide verhaal. En sommige snippers zullen inderdaad overbodig blijken.

Af en toe kun je je wel verbazen over de snippers die we vinden. Vandaag was het weer raak. In Venture Beat staat een artikel over een onderzoek van Compendium. Er hoort een mooie infographic bij die je zelf even mag aanclicken via het oorspronkelijk verhaal. Ook hier weer prachtig snippermateriaal: wat is het effect van het gebruik van uitroeptekens in social media? Of van vraagtekens? En hashtags? Wat zijn de leestijden van onderscheiden social media? En wat de beste lengte voor een tweet of Facebookbericht?
Nu alleen nog snappen waaróm dat zo is.
Zoiets gebeurt heel vaak als we nog niet goed snappen wat we zien of meemaken. Dat is ook een logische en zinvolle stap. Het is zo'n beetje: wie niet waagt, die niet wint. En wie niet zoekt, zal ook niet vinden. En dus proberen we veel te kwantificeren om daarna de variabelen met elkaar te kruisen op zoek naar verbanden. In de jaren tachtig, negentig nam dat met het bestaan van data warehouses een enorm, maar vrij korte, vlucht in de publiciteit: datamining. Oneerbiedig: dankzij de ineens beschikbare rekenkracht kon er ineens snel en willekeurig - de brute force - worden gezocht naar onvoorspelde verbanden. Een el dorado voor marketeers moet dat zijn geweest.
Uiteraard heeft datamining significante verbanden opgeleverd, net zo goed als dat er voorbeelden zijn te vinden waarin eerder bevestigend dan exploratief is gezocht. Zowel het zoeken naar verbanden die je verwacht als het vinden van volslagen onverwachte, is een risico.
Eigenlijk is het vrij logisch. Een verband dat je vindt, moet je ook kunnen verklaren. Vast nog niet honderd procent, maar een heel eind moet toch lukken. Een verband vinden dat op geen enkele manier logisch is, is een risico omdat je dan ook een niet-causaal verband kan hebben gevonden. En ja, officieel dien je eerst een theorie te hebben en met onderzoek te proberen die te ontkrachten. Lukt dat 'falsificeren' niet, dan heb je een goede theorie. Maar je moet dus wel een vermoeden, een hypothese, hebben.
In de wereld van de social media is het al een poosje een soort van Wilde Westen, zo lijkt het; een prima omgeving voor dit soort van zaken.
Wellicht dat het vooral marketeers zijn die op zoek zijn naar greep op de social media. Dat zou kunnen verklaren waarom er zo fanatiek wordt gezocht naar 'de beïnvloeders'. Dat het belangrijk wordt gevonden te weten wat de beste tijd is om een tweet te versturen. Wie nu eigenlijk de gebruikers zijn van de onderscheiden social media. Dat kún je lachend afdoen als onzin. Maar al die snippers kennis gaan op den duur vast op in een solide verhaal. En sommige snippers zullen inderdaad overbodig blijken.
Af en toe kun je je wel verbazen over de snippers die we vinden. Vandaag was het weer raak. In Venture Beat staat een artikel over een onderzoek van Compendium. Er hoort een mooie infographic bij die je zelf even mag aanclicken via het oorspronkelijk verhaal. Ook hier weer prachtig snippermateriaal: wat is het effect van het gebruik van uitroeptekens in social media? Of van vraagtekens? En hashtags? Wat zijn de leestijden van onderscheiden social media? En wat de beste lengte voor een tweet of Facebookbericht?
Nu alleen nog snappen waaróm dat zo is.
woensdag 26 september 2012
Hoe word je beïnvloeder
Antwoord ligt echt in de datawolk die nu big data heet. Maar dat antwoord vinden, is een heel andere zaak.
Ik heb het over het meten van 'invloed'.
Twitter is bezig met de vraag. Aantallen volgers bepalen je status als beïnvloeder. Toch? Klout is ermee bezig. Aantal gecombineerd met retweets: dat is het. Toch? Er bestaat een (goed) boek over die nieuwe beïnvloeders: The New Influencers. Want zeker voor verkoopmensen, marketing, is dit een soort heilige graal.
Wat zijn beïnvloeders eigenlijk?
Ze zijn helemaal niet nieuw. Sterker, in alle tijden zijn ze wel te vinden. Stijliconen, trendsetters, smaakmakers, toonzetters, rolmodellen: ze zijn er altijd geweest. Wat wel veranderde, zijn de instrumenten die (iedereen) ter beschikking staan. Het mechanisme is mooi te zien op middelbare scholen. De populairste mensen in de klas, in de groep zijn degenen die worden nagedaan. Daar kun je heel directief mee omgaan en proberen planmatig een groep te beïnvloeden. Vaker zal het 'min of meer toevallig' gebeuren.

Planmatig wordt het als wordt geprobeerd het gedrag te beïnvloeden door het effect van voorbeelden gericht in te zetten. Reclame, dus. Een beetje zoals 'zó wil ik er ook uit zien en als ik dat koop, is dat ook zo'. Beïnvloedingstechnieken zijn daarin de crux. Hoe ver dat kan gaan, laten discussies zien over graatmagere fotomodellen die worden nageaapt, of over 'verkoopstimulerende geuren en muziek' en - wellicht de mooiste - subliminale boodschappen in televisiereclame.
En, ja, het kan ook een richting opgaan die 'we' niet willen. Ook groepen voetbalvandalen hebben hun eigen beïnvloeders. De kleding van amerikaanse street gangs overnemen in nederlandse steden, lijkt bedoeld om iets van hun gewelddadig imago mee te nemen.

Waar het om gaat, is dat die beïnvloeders gedrag beïnvloeden.
Niet aantallen volgers, niet aantallen retweets zijn de sleutel. De sleutel is of iemand een ander tot een actie kan bewegen. En natuurlijk neemt die kans toe als er grote aantallen volgers zijn in de social media. Maar ja, zonder actie wordt het verdraaid lastig vast te stellen wie wat in welke mate beïnvloedt.
Feitelijk is het probleem voor Twitter dat het bedrijf maar een deel van de oplossing in handen heeft: het communicatiekanaal en de berichten die daarin rondgaan. Maar pas als de koppeling kan worden gemaakt met daadwerkelijke actie, kun je vaststellen wie de beïnvloeders zijn. De tweep met grote aantallen volgers kan best weleens minder invloed hebben dan iemand met een hechte groep volgers. Overigens is een interessante die van de invloed op meningen omdat die nog een stuk moeilijker is vast te stellen.
Het is een eenvoudige voorstelling van zaken. Desalniettemin: wie wil bepalen wat de beïnvloeders zijn, zal moeten kunnen bepalen wie beïnvloed ís. En, tja, dát weten de social media niet... nóg niet, want wat de toekomst brengt....
Ik heb het over het meten van 'invloed'.
Twitter is bezig met de vraag. Aantallen volgers bepalen je status als beïnvloeder. Toch? Klout is ermee bezig. Aantal gecombineerd met retweets: dat is het. Toch? Er bestaat een (goed) boek over die nieuwe beïnvloeders: The New Influencers. Want zeker voor verkoopmensen, marketing, is dit een soort heilige graal.
Wat zijn beïnvloeders eigenlijk?
Ze zijn helemaal niet nieuw. Sterker, in alle tijden zijn ze wel te vinden. Stijliconen, trendsetters, smaakmakers, toonzetters, rolmodellen: ze zijn er altijd geweest. Wat wel veranderde, zijn de instrumenten die (iedereen) ter beschikking staan. Het mechanisme is mooi te zien op middelbare scholen. De populairste mensen in de klas, in de groep zijn degenen die worden nagedaan. Daar kun je heel directief mee omgaan en proberen planmatig een groep te beïnvloeden. Vaker zal het 'min of meer toevallig' gebeuren.
Planmatig wordt het als wordt geprobeerd het gedrag te beïnvloeden door het effect van voorbeelden gericht in te zetten. Reclame, dus. Een beetje zoals 'zó wil ik er ook uit zien en als ik dat koop, is dat ook zo'. Beïnvloedingstechnieken zijn daarin de crux. Hoe ver dat kan gaan, laten discussies zien over graatmagere fotomodellen die worden nageaapt, of over 'verkoopstimulerende geuren en muziek' en - wellicht de mooiste - subliminale boodschappen in televisiereclame.
En, ja, het kan ook een richting opgaan die 'we' niet willen. Ook groepen voetbalvandalen hebben hun eigen beïnvloeders. De kleding van amerikaanse street gangs overnemen in nederlandse steden, lijkt bedoeld om iets van hun gewelddadig imago mee te nemen.
Waar het om gaat, is dat die beïnvloeders gedrag beïnvloeden.
Niet aantallen volgers, niet aantallen retweets zijn de sleutel. De sleutel is of iemand een ander tot een actie kan bewegen. En natuurlijk neemt die kans toe als er grote aantallen volgers zijn in de social media. Maar ja, zonder actie wordt het verdraaid lastig vast te stellen wie wat in welke mate beïnvloedt.
Feitelijk is het probleem voor Twitter dat het bedrijf maar een deel van de oplossing in handen heeft: het communicatiekanaal en de berichten die daarin rondgaan. Maar pas als de koppeling kan worden gemaakt met daadwerkelijke actie, kun je vaststellen wie de beïnvloeders zijn. De tweep met grote aantallen volgers kan best weleens minder invloed hebben dan iemand met een hechte groep volgers. Overigens is een interessante die van de invloed op meningen omdat die nog een stuk moeilijker is vast te stellen.
Het is een eenvoudige voorstelling van zaken. Desalniettemin: wie wil bepalen wat de beïnvloeders zijn, zal moeten kunnen bepalen wie beïnvloed ís. En, tja, dát weten de social media niet... nóg niet, want wat de toekomst brengt....
Abonneren op:
Posts (Atom)