Hoe doe jij dat?
Je staat met iemand te praten. Degene met wie je spreekt, is iemand die je niet echt góed kent. Dat is wederzijds. Als je een vraag stelt, krijg je stomweg géén antwoord. Het Ik Praat Tegen Een Muur-effect.
Het ergste geval daarvan wat ík ooit meemaakte, is een hoge ambtenaar, die ik wel degelijk kende, die stomweg midden in een gesprek wegliep omdat-i een interessantere sociale relatie zag. Over fatsoen gesproken.
Dit soort mensen en hun gedrag, hoort in mijn mapje 'onbeschofte horken'. Ik vind het stuitend. Als iemand iets tegen je zegt in een context die je beiden vrijwillig koos in de wetenschap dat er met je kan worden gesproken, vind ik dit werkelijk buiten alle grenzen. Hautain-arrogant.
Ik ben dan best wel rancuneus. Iemand die zich zó gedraagt, wíl ik niet eens kennen. Die zal ik proberen straal te negeren. Gelukkig ken ik maar een paar van dergelijke idioten (vaak 'leidinggevenden', die inderdaad psychopatische trekjes (b)lijken te hebben).
Het vreemde aan mijn mapje is dat er relatief weinig echte mensen in zitten en relatief veel digitale vormen van echte mensen.
Zo langzamerhand begin ik me wat zorgen te maken over wat ik zie gebeuren. Ik denk dat op social media-platforms dit horkengedrag veel meer voorkomt, met Twitter als extreemste vorm.
Iedereen die in een of andere vorm 'aan social media doet', is bewust een wereld ingestapt waar het gesprek de kern is. Dat je uit jezelf niet in gesprek gaat met wildvreemden is tot daaraan toe. Niet reageren op een poging tot gesprek van een ander, is niet anders te karakteriseren als (misplaatste) hoogmoed. 'Jij spreekt met mij, maar wie bén je eigenlijk?'.
Begin nu niet met slappe excuses als 'maar ik heb veel te veel volgers en mensen die met me willen spreken'. Dan moet je je zorgen dat het wél behapbaar is. Wellicht zelfs jezelf afvragen wat je in vredesnaam aan het dóen bent als het zoveel is. Dat, immers, is dan een zinloze situatie, die - cynisch genoeg - anderen gebruikt om jóuw status op te baseren.
Ik temper m'n aantal volgers in de zin dat ik niet met alle geweld op zoek ben naar méér. In zeker opzicht trots ben ik op het feit dat ik altijd iedereen heb geantwoord, met uitzondering van maximaal tien gevallen waarin het niet kón.
Zoals ik een paar dagen terug blogde over de manier waarop groepen in- en uitsluiten: dit is precies dezelfde techniek. Geen antwoord geven, is het signaal afgeven dat je de ander niet van een niveau acht waardoor je antwoord zou moeten geven. Je verwaardigt je niet daartoe, tot dat niveau.
Aan beide zijden van een social media lijntje bevinden zich ménsen. Dat betekent dat daar echt nog steeds conventies bestaan die dit gedrag interpreteren als 'sociaal uitsluitend'. Dat dienen de niet-antwoorders zich terdege te moeten beseffen, in het bijzonder diegenen die zichzelf de status 'superieur' hebben aangemeten.
Twitter is een sociale puinhoop. Twitter is wellicht de openste van alle social mediaplatforms. 'Slotjes' op Twitter-accounts zijn nog steeds geen teken van de juiste mores kennen. Google+ en Facebook zijn al een stuk geslotener: daar hebben je vríenden zich om je heen verzameld. Het karakter van Twitter is anders; veel meer gericht op gesprekken met nieuwe onbekenden. En dan niet antwoorden?!
Mij zal het niet verbazen als (de opener) social media aan een neergang zijn begonnen, juist door dit soort van onderschatting. Ik hoop van harte van niet. Zeker in de beginjaren heb ik heel veel waardevolle contacten en waardevolle kennis opgedaan, maar ik zie ook de teloorgang bij Twitter: reclame-zender.
Posts tonen met het label mores. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mores. Alle posts tonen
donderdag 24 april 2014
donderdag 12 december 2013
Verlichte tijden
Het voordeel van een stad als Leiden is dat culturen dicht bij elkaar te vinden zijn. Wie van de ene kant van de stad naar de andere fietst - een klusje van 20-30 minuten - doorkruist wijken die heel erg van elkaar verschillen.
Ook in deze tijd van het jaar is dat weer goed zichtbaar.
Mijn route voert me door 'nette wijken' waar orde en netheid heersen en door 'mindere wijken' waar warmte de straat op straalt. Dat laatste mag je zowel overdrachtelijk als letterlijk nemen.
In de volksbuurten, zoals ze vroeger werden genoemd, is een groot aantal voortuinen, gevels en ramen versierd en verlicht met kerstattributen. In tegenstelling tot wat zich wellicht nu voor je geestesoog ontrolt, is het niet extreem buitensporig.

Natuurlijk zijn er huizen te vinden die extreem zijn bewerkt. Van die huizen waarvan de buurtbewoners vertellen dat de bewoner "in oktober, november al is begonnen met het van zolder halen van de versiering en het weg sjouwen van een deel van de woonkamermeubels". Het gros van de versierde huizen is veel soberder: het raam is versierd, er staat een kerstboom, er hangt in de woonkamer her en der kerstversiering.
Maar het hangt er wel al vanaf eind november.
Het huis waarvan het huiskamerraam hierboven op de foto staat, is een klein huis. Voor het raam staat een hele verzameling kleine huisjes. Binnen een kerstboom. Als je op een koude, een natte, een stormachtige - of alle tegelijk - avond langs loopt en fietst, oogt dat warme en gemoedelijk.
Dat is wat gebeurt: in die wijken is het plezier - óók - naar buiten gekeerd. De toeschouwer is niet de bewoner. De toeschouwer is de voorbijganger.
Diametraal daar tegenover staat het overgrote deel van de Leidse wijken. Daar wordt met enig dedain neergekeken op die uitbundige feestverlichting. Daar zie je dat dan ook haast niet. De voorbijganger wordt nog wel een blik naar binnen gegund; op een ruime woonkamer, met boekenkast, en af en toe een (grote) kerstboom. De kerstversiering wordt hier niet al te ver voor de feestdagen zichtbaar aangebracht, ín huis. En esthetisch verantwoord.
Alle sociale groepen hebben zo hun normen en waarden. Maar waar de ene groep zich sterker richt op 'buiten´, op andere (anonieme) groepsleden, richt een ander zich juist op de gezelligheid ín huis. Of dat ook iets zegt over sociale betrokkenheid, over de kracht van de buurt, durf ik niet te beweren. Maar het is wel het overdenken waard...
Als studentenstad heeft Leiden uiteraard ook studenten. Die zijn wat moeilijker te plaatsen omdat de variatie in woonvormen zo enorm groot is. Van de 'echte studentenhuizen' kun je wel met een gerust hart stellen dat die zich met hun versiering profileren; liefst over the top of met een schunnige ondertoon. Eén ding staat wél vast: echt serieus is het allemaal niet bedoeld.

De foto is wat overbelicht op het moment suprême: boven de deur een schattig kersthertje van licht... met een denneboompje suggestief tussen de benen oprijzend.
Ook in deze tijd van het jaar is dat weer goed zichtbaar.
Mijn route voert me door 'nette wijken' waar orde en netheid heersen en door 'mindere wijken' waar warmte de straat op straalt. Dat laatste mag je zowel overdrachtelijk als letterlijk nemen.
In de volksbuurten, zoals ze vroeger werden genoemd, is een groot aantal voortuinen, gevels en ramen versierd en verlicht met kerstattributen. In tegenstelling tot wat zich wellicht nu voor je geestesoog ontrolt, is het niet extreem buitensporig.
Natuurlijk zijn er huizen te vinden die extreem zijn bewerkt. Van die huizen waarvan de buurtbewoners vertellen dat de bewoner "in oktober, november al is begonnen met het van zolder halen van de versiering en het weg sjouwen van een deel van de woonkamermeubels". Het gros van de versierde huizen is veel soberder: het raam is versierd, er staat een kerstboom, er hangt in de woonkamer her en der kerstversiering.
Maar het hangt er wel al vanaf eind november.
Het huis waarvan het huiskamerraam hierboven op de foto staat, is een klein huis. Voor het raam staat een hele verzameling kleine huisjes. Binnen een kerstboom. Als je op een koude, een natte, een stormachtige - of alle tegelijk - avond langs loopt en fietst, oogt dat warme en gemoedelijk.
Dat is wat gebeurt: in die wijken is het plezier - óók - naar buiten gekeerd. De toeschouwer is niet de bewoner. De toeschouwer is de voorbijganger.
Diametraal daar tegenover staat het overgrote deel van de Leidse wijken. Daar wordt met enig dedain neergekeken op die uitbundige feestverlichting. Daar zie je dat dan ook haast niet. De voorbijganger wordt nog wel een blik naar binnen gegund; op een ruime woonkamer, met boekenkast, en af en toe een (grote) kerstboom. De kerstversiering wordt hier niet al te ver voor de feestdagen zichtbaar aangebracht, ín huis. En esthetisch verantwoord.
Alle sociale groepen hebben zo hun normen en waarden. Maar waar de ene groep zich sterker richt op 'buiten´, op andere (anonieme) groepsleden, richt een ander zich juist op de gezelligheid ín huis. Of dat ook iets zegt over sociale betrokkenheid, over de kracht van de buurt, durf ik niet te beweren. Maar het is wel het overdenken waard...
Als studentenstad heeft Leiden uiteraard ook studenten. Die zijn wat moeilijker te plaatsen omdat de variatie in woonvormen zo enorm groot is. Van de 'echte studentenhuizen' kun je wel met een gerust hart stellen dat die zich met hun versiering profileren; liefst over the top of met een schunnige ondertoon. Eén ding staat wél vast: echt serieus is het allemaal niet bedoeld.
De foto is wat overbelicht op het moment suprême: boven de deur een schattig kersthertje van licht... met een denneboompje suggestief tussen de benen oprijzend.
maandag 25 november 2013
moeders en dochters
Ik schat dat ze een jaar of achttien is. En haar moeder vijftig. Zoiets. Ze stonden voor me in de rij om geld te storten.
Dochter gebleekt haar met zwarte strengen erdoorheen. Een grijswitte ruimvallende trainingsbroek van de soort Kijk Mijn Strakke Fitnessbillen Eens. Maar dan net niet. Grote gouden oorringen, een decolleterend tshirt en een bontkraagjack maakten de outfit af.
Ook ma was iets van 1.60 meter hoog en vergelijkbaar gekleed. Een strakke witte legging met goudstiksels aan de zijkant. Godzijgeprezen was die legging ondoorzichtig, maar haar blauwe Croqs maakten dat meer dan goed. Geblondeerd en gepiekt haar, een tenger figuur en een gewatteerde knielange jas maakten het beeld af.
Zelfde soort kleding, zelfde bouw, dat moest haast wel die mannenvreemde verhouding zijn van moeders en dochters als vriendinnen. Een raadselachtig fenomeen waarin wij mannen toch enige jaloezie menen te bespeuren omdat het vaker de moeder is die zich richt op de jeugdmode dan andersom.
Hoe je je kunt vergissen.
"Ken je niet telluh, jeuh. Stomkop. D'r staat dertig euro op de rekening. Hoeveel moet er dan nog bij?". Dat was dus de dochter tegen de moeder.
In de vijf minuten dat ze in de weer waren met het apparaat ging dat op die manier door. Over de biljetten die gekreukt het apparaat in ging en 'dus' werden geweigerd. "Godver.". Over de totale hoeveelheid geld die nodig was en er in werd gelegd en weer er uit werd gehaald. "Kíjk dan effe op je telefoon hoeveel er nu op staat. D'r moest geen honderdtien maar negentig bij". Meteen weer een graai in de machine om er een paar biljetten uit te pakken. "Godver, trut, nou weet ik het niet meer.".
Half omgedraaid tegen de machine aanleunend en op haar telefoon kijkend, wachtte dochterlief uiteindelijk op het recuutje. "Pak die pas er nou uit!"... Nu mocht ik.
Het heeft iets vreemds: jonge mensen die zo tekeergaan tegen ouderen. Uit de manier praten en reageren kon je opmaken dat het voor hen de gewone manier van converseren was. Maar toch.
De woorden zijn bijna verdwenen, want de snotaap is tegenwoordig de gewoonste zaak van de wereld. Dat is niet de deugniet, de dondersteen of de Pietje Bell. De snotaap is het brutaaltje dat respectloosheid tot standaardreactie heeft gemaakt. Snotapen willen nogal eens uitgroeien tot kleine gezins-terroristen; van die krengen die hun zin doordrijven bij ouders die daar geen echt antwoord op hebben.
Soms denk ik dat de generaties na de mijne steeds verder zijn weggedreven van het idee dat samenleven en opvoeden balanceer-acts zijn. Er ís geen absolute waarheid of oplossing. Het is de omgeving, de situatie, de context die bepaalt wat een betere keuze is dan een andere. Nóóit straffen, áltijd belonen, áltijd praten; het bestaat niet in die absolute vormen. De uitersten zijn zelfs slecht; zoals alles wat té is, slecht is.
Op weg naar huis werd ik bijna omver gefietst door twee jongetjes die door de winkelstraat fietsten. Zij zeiden niets. Ik ook niet. Eigenlijk fout. Maar ik fietste vroeger ook zo over de stoepen.
Dochter gebleekt haar met zwarte strengen erdoorheen. Een grijswitte ruimvallende trainingsbroek van de soort Kijk Mijn Strakke Fitnessbillen Eens. Maar dan net niet. Grote gouden oorringen, een decolleterend tshirt en een bontkraagjack maakten de outfit af.
Ook ma was iets van 1.60 meter hoog en vergelijkbaar gekleed. Een strakke witte legging met goudstiksels aan de zijkant. Godzijgeprezen was die legging ondoorzichtig, maar haar blauwe Croqs maakten dat meer dan goed. Geblondeerd en gepiekt haar, een tenger figuur en een gewatteerde knielange jas maakten het beeld af.
Zelfde soort kleding, zelfde bouw, dat moest haast wel die mannenvreemde verhouding zijn van moeders en dochters als vriendinnen. Een raadselachtig fenomeen waarin wij mannen toch enige jaloezie menen te bespeuren omdat het vaker de moeder is die zich richt op de jeugdmode dan andersom.
Hoe je je kunt vergissen.
"Ken je niet telluh, jeuh. Stomkop. D'r staat dertig euro op de rekening. Hoeveel moet er dan nog bij?". Dat was dus de dochter tegen de moeder.
In de vijf minuten dat ze in de weer waren met het apparaat ging dat op die manier door. Over de biljetten die gekreukt het apparaat in ging en 'dus' werden geweigerd. "Godver.". Over de totale hoeveelheid geld die nodig was en er in werd gelegd en weer er uit werd gehaald. "Kíjk dan effe op je telefoon hoeveel er nu op staat. D'r moest geen honderdtien maar negentig bij". Meteen weer een graai in de machine om er een paar biljetten uit te pakken. "Godver, trut, nou weet ik het niet meer.".
Half omgedraaid tegen de machine aanleunend en op haar telefoon kijkend, wachtte dochterlief uiteindelijk op het recuutje. "Pak die pas er nou uit!"... Nu mocht ik.
Het heeft iets vreemds: jonge mensen die zo tekeergaan tegen ouderen. Uit de manier praten en reageren kon je opmaken dat het voor hen de gewone manier van converseren was. Maar toch.
De woorden zijn bijna verdwenen, want de snotaap is tegenwoordig de gewoonste zaak van de wereld. Dat is niet de deugniet, de dondersteen of de Pietje Bell. De snotaap is het brutaaltje dat respectloosheid tot standaardreactie heeft gemaakt. Snotapen willen nogal eens uitgroeien tot kleine gezins-terroristen; van die krengen die hun zin doordrijven bij ouders die daar geen echt antwoord op hebben.
Soms denk ik dat de generaties na de mijne steeds verder zijn weggedreven van het idee dat samenleven en opvoeden balanceer-acts zijn. Er ís geen absolute waarheid of oplossing. Het is de omgeving, de situatie, de context die bepaalt wat een betere keuze is dan een andere. Nóóit straffen, áltijd belonen, áltijd praten; het bestaat niet in die absolute vormen. De uitersten zijn zelfs slecht; zoals alles wat té is, slecht is.
Op weg naar huis werd ik bijna omver gefietst door twee jongetjes die door de winkelstraat fietsten. Zij zeiden niets. Ik ook niet. Eigenlijk fout. Maar ik fietste vroeger ook zo over de stoepen.
Labels:
bejegening,
cultuur,
flexibel,
jeugd,
kwaadaardig,
mentaliteit,
mores,
opvoeden,
opzet,
publiek
donderdag 21 november 2013
Gezelschapsspel
Aan de lange tafel in het theaterrestaurant zat een uur vóór voorstelling niemand. Vanaf zesenveertig minuten vóór voorstelling begon het druppelen. Een jonger meisje dat meteen en duidelijk gewend een laptop tevoorschijn toverde en aansloot op het in de tafel verborgen stopcontact. Binnen een minuut scheen er witblauwig licht op haar gezicht en samengevouwen handen. De concentratie leek op die van een in gebed verzonken kloosterzuster.
De druppels werden golven. Een heuse vloedgolf zat er ook tussen.
Aan de tafel nestelde zich een gezelschap dames en heren die ook een avondje theater gingen doen: twee oudere dames, een tweetal begin vijftig mannen en een stuk of vier vrouwen in diezelfde leeftijdscategorie. Onmiddellijk slaat de sfeer om. De luidruchtigheid neemt toe. Het begroeten brengt onrust in de kalmte doordat mensen draaien, opstaan, kussen.
Of het nu oudtantes met neven en nichten zijn die de voorstelling gaan kijken waarin één hunner zussen meespeelt?! Of ouders met kinderen op leeftijd?! Het effect is hetzelfde en het patroon ook. Er is altijd wel één vrolijke frans die als een soort alpha-mannetje de aandacht opeist. Niet dat-i de regie voert. Dat doet één van de vrouwen. Niet direct in het oog springend, maar wel bepalend: "Zullen we die stapel jassen maar gewoon aan de kapstok hangen?".
Inmiddels is ook een tweetal mensen aan de andere kant van de tafel gaan zitten; tegenover elkaar. Zwijgend. Die kennen elkaar vast al jaren, waardoor de informatiewisseling tot een minimum beperkt is geraakt. Gelukkig schuiven er nog twee mensen aan. Een zachtzoemend gesprek is nu mogelijk. Jammer dat het stemgeluid van één van de tantes het onmogelijk maakt te horen waarover ze het hebben.
De tafel is nu min of meer vol. Dat betekent zoveel als dat er tussen de drie groepen een stoel vrij is: de groeps comfort zone. Ze mengen ook niet. Terwijl ze weten dat ze hetzelfde zullen gaan meemaken, spreken ze elkaar niet aan.
Op zestien minuten voor aanvang is 'het publiek' een verzameling losstaande subgroepjes. Twee vrouwen en een man, koffie drinkend, aan een statafel. Twee vrouwen, de handen warmend aan thee, die - zowaar! - een onverwachte bekende verwelkomen. Rustig wijn nippende duo's. Aan de bar zelfs twee dames die hun koffie drinken met hun jas aan! Alsof ze ieder moment weg moeten.
Twaalf minuten voor aanvang.
Het gedrentel en geloer is begonnen. De zaal is immers niet enorm groot en op de kaartjes staat 'ongeplaceerd'. In Nederland kán dat leiden tot gedoe, want, tja, je wilt wel góed zitten. De alpha-neef positioneert één van de oudere dames dan ook voor de zaaldeuren.
Negen minuten.
Het wordt drukker in de doorloop naar de toiletten. Nog even snel een plas, want ook dát wil je niet: met volle blaas worden geconfronteerd tijdens de voorstelling. Het geroezemoes is nu gewoon echt práten geworden. Het strategisch gaan staan neemt toe, terwijl de tafel langzaamaan weer leeg achter blijft. Alleen het meisje met de laptop en de vrouwen van het gezelschap zitten er nog.
Vijf.
Het gros staat voor de zaaldeur; de meesten met het kaartje in de hand. De serveersters beginnen de wanorde op de tafel terug te brengen door alles op een dienblad te stapelen en af te voeren. Met de jas op de arm gaan sommigen toch weer even zitten. Wachten is iets tussen zitten en staan.
1
De sfeer is nu weg. Het lijkt alsof er een groep mensen, direct van buiten komend, staat te wachten bij een tramhalte. De ogen van de paar zittenblijvers schieten geregeld naar de deur en de wachtenden. Gesprekken?! Het is de vraag wie nu echt nog goed hoort wat een ander zegt.
-1
Gisteren liep deze fase tot -10 vanwege twee elektrische rolstoelen die ook de zaal in moesten kunnen. Nu valt het vast mee: op -3 duikt een laatste speler op uit de toiletgroep. "Over enkele ogenblikken gaat de zaal open"
-zes
De oudere dames gaan, met de armen ingehaakt bij de jongere, in de rij staan.
Het begint (vast zometeen).
De druppels werden golven. Een heuse vloedgolf zat er ook tussen.
Aan de tafel nestelde zich een gezelschap dames en heren die ook een avondje theater gingen doen: twee oudere dames, een tweetal begin vijftig mannen en een stuk of vier vrouwen in diezelfde leeftijdscategorie. Onmiddellijk slaat de sfeer om. De luidruchtigheid neemt toe. Het begroeten brengt onrust in de kalmte doordat mensen draaien, opstaan, kussen.
Of het nu oudtantes met neven en nichten zijn die de voorstelling gaan kijken waarin één hunner zussen meespeelt?! Of ouders met kinderen op leeftijd?! Het effect is hetzelfde en het patroon ook. Er is altijd wel één vrolijke frans die als een soort alpha-mannetje de aandacht opeist. Niet dat-i de regie voert. Dat doet één van de vrouwen. Niet direct in het oog springend, maar wel bepalend: "Zullen we die stapel jassen maar gewoon aan de kapstok hangen?".
Inmiddels is ook een tweetal mensen aan de andere kant van de tafel gaan zitten; tegenover elkaar. Zwijgend. Die kennen elkaar vast al jaren, waardoor de informatiewisseling tot een minimum beperkt is geraakt. Gelukkig schuiven er nog twee mensen aan. Een zachtzoemend gesprek is nu mogelijk. Jammer dat het stemgeluid van één van de tantes het onmogelijk maakt te horen waarover ze het hebben.
De tafel is nu min of meer vol. Dat betekent zoveel als dat er tussen de drie groepen een stoel vrij is: de groeps comfort zone. Ze mengen ook niet. Terwijl ze weten dat ze hetzelfde zullen gaan meemaken, spreken ze elkaar niet aan.
Op zestien minuten voor aanvang is 'het publiek' een verzameling losstaande subgroepjes. Twee vrouwen en een man, koffie drinkend, aan een statafel. Twee vrouwen, de handen warmend aan thee, die - zowaar! - een onverwachte bekende verwelkomen. Rustig wijn nippende duo's. Aan de bar zelfs twee dames die hun koffie drinken met hun jas aan! Alsof ze ieder moment weg moeten.
Twaalf minuten voor aanvang.
Het gedrentel en geloer is begonnen. De zaal is immers niet enorm groot en op de kaartjes staat 'ongeplaceerd'. In Nederland kán dat leiden tot gedoe, want, tja, je wilt wel góed zitten. De alpha-neef positioneert één van de oudere dames dan ook voor de zaaldeuren.
Negen minuten.
Het wordt drukker in de doorloop naar de toiletten. Nog even snel een plas, want ook dát wil je niet: met volle blaas worden geconfronteerd tijdens de voorstelling. Het geroezemoes is nu gewoon echt práten geworden. Het strategisch gaan staan neemt toe, terwijl de tafel langzaamaan weer leeg achter blijft. Alleen het meisje met de laptop en de vrouwen van het gezelschap zitten er nog.
Vijf.
Het gros staat voor de zaaldeur; de meesten met het kaartje in de hand. De serveersters beginnen de wanorde op de tafel terug te brengen door alles op een dienblad te stapelen en af te voeren. Met de jas op de arm gaan sommigen toch weer even zitten. Wachten is iets tussen zitten en staan.
1
De sfeer is nu weg. Het lijkt alsof er een groep mensen, direct van buiten komend, staat te wachten bij een tramhalte. De ogen van de paar zittenblijvers schieten geregeld naar de deur en de wachtenden. Gesprekken?! Het is de vraag wie nu echt nog goed hoort wat een ander zegt.
-1
Gisteren liep deze fase tot -10 vanwege twee elektrische rolstoelen die ook de zaal in moesten kunnen. Nu valt het vast mee: op -3 duikt een laatste speler op uit de toiletgroep. "Over enkele ogenblikken gaat de zaal open"
-zes
De oudere dames gaan, met de armen ingehaakt bij de jongere, in de rij staan.
Het begint (vast zometeen).
Labels:
contact,
familie,
Frascati,
groepsgedrag,
mores,
ongeduld,
ontmoeten,
Stereotype,
theater,
Veenfabriek,
wachten
vrijdag 31 mei 2013
Spijkers op laag water
Dat je, wachtend in een warm lentezonnetje, wat met je slimme telefoon speelt. Wat mail ophaalt. Wat twittert. Wat nieuws leest. En dan op een berichtje stuit als dit, in de De Telegraaf:
Het onderzoek waarnaar de krant verwijst, is dit:
http://www.slideshare.net/OnDevice/young-peoples-consumer-confidence-index-22121437
Zoals het de De Telegraaf betaamt, dekt de kop de lading niet helemaal. Uit de kop trek je de conclusie dat jongeren hun baan kwíjtraken door social media. Uit het artikel en het onderzoek maak je op dat het gaat om het niet kríjgen van banen: in China, India, Nigeria, Brazilië, Engeland en de VS.
Wat moet je er dus mee? Niets?!
Da's maar de vraag. Natuurlijk kun je - terecht - aanvoeren dat dit nu niet bepaald een representatief onderzoek is voor álle jeugd in álle landen. Eerder zijn het repressieve of conservatieve landen waar ofwel de staat ofwel mores (nog) bijzonder belangrijk worden gemaakt. China scoort hoog. India scoort vrij hoog. Brazilië daarentegen scoort laag.
Het is een 'lastig' onderzoek; de aantallen respondenten wijzigen nogal waardoor je iedere keer goed moet kijken wie nu eigenlijk welke antwoorden gaf. Maar ik neem aan dat de conclusie dat werkgevers zich tijdens de selectieprocedure ook baseren op andere bronnen dan je brief en cv, klopt.
Dat is precies waar het wringt.
De belangrijkste vraag die gesteld moet worden, is of werkgevers dat recht hébben: om hun keuze te baseren op duidelijk privé informatie. Mag, in de oude wereld, een werkgever zich baseren op dorpsroddel en stedelijke achterklap? Als je realistisch bent, dan stel je vast dat dat weinig elegant is, maar dat het wél gebeurt. Als de werkgever die informatie tenminste krijgt. Dat is wel een verschil: de informatie is makkelijk(er) beschikbaar. Daar gaat het dus principieel mis, want dat betekent dat de werkgever áctie onderneemt om die infromatie zélf te vergaren. Ze wordt hem niet aangereikt: hij doet 'antecendentenonderzoek'. Laat dat nu net iets zijn wat in de oude wereld niet zomaar gedaan wordt door jan en alleman. De nieuwe situatie maakt het allemaal een stuk ónduidelijker, mínder transparant. Homosexualiteit is bijvoorbeeld géén onderwerp voor antecedentenonderzoek. Wie zegt dat de social media antecedentenonderzoeker dat niet tóch meewoog?
In antecedentenonderzoek wordt gekeken naar de formele werkelijkheid: veroordelingen, schulden, kwetsbaarheden. In social media lijkt het vaak ook (vooral?) te gaan om de informele werkelijkheid: die tussen vrienden en familie. Het lijkt ook allemaal zo logisch en voorstelbaar. Een drugshulpverlener die op feesten joints rokend op z'n Facebookpagina staat. Niet handig, want z'n cliënten zien dat waarschijnlijk ook. Zoals ook 'stille alcoholisten' op het werk zijn te vinden, is de vraag - net als bij hen - vooral: wat is het effect op collega's en werk?
Dat is precies wat míj zorgen baart. De grenzen lijken te schuiven. Ik schreef het al eerder. De grens tussen werk en privé vervaagt wat. Het is echter zeer de vraag in wiens voordeel. Het gaat té ver, veel te ver, als werkgevers zich baseren op privé informatie, óók(!!) als die openbaar beschikbaar is. Een werkgever dient zich zo professioneel op te (kunnen) stellen dat die informatie geen rol speelt. Die eis mág worden gesteld, omdat ze ook aan de werknemer wordt gesteld als het gaat om het openbaren van 'bedrijfsgeheimen'. Dat wat je in het kader van het werk ter ore komt, wordt je geacht níet naar buiten te brengen. Van tweeën een.
Dat de verhoudingen schuiven werd vanochtend overigens ook op een andere manier geïllustreerd. In de De Volkskrant staat dit over Zweden:

Het is overduidelijk nog volop zoeken naar hoe ons te gedragen en beschermen in die nieuwe omgeving.
Werkloos door dom social media gebruik
LONDEN - Een op de tien jongeren grijpt naast een baan door onverstandige updates op sites als Facebook en Twitter. Steeds meer werknemers worden geselecteerd op basis van online profielen.
Dat blijkt uit een onderzoek van het Britse On Device Research. Gênante foto's, ongepaste statusupdates of scherpe commentaren op sociaalnetwerksites worden door toekomstige werkgevers hard afgestraft. Vaak krijgt men na zo’n media-inspectie niet eens meer een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek.
Tweederde van de ondervraagden maakt zich geen zorgen om hun profielaccounts en gebruiken social media dan ook niet terughoudend. Ze geven meer om wat vrienden van ze denken dan potentiële werkgevers.
18.000 jongvolwassenen tussen de 16 en 34 jaar deden mee aan het onderzoek. Deelnemers kwamen uit zes verschillende landen: China, India, Nigeria, Brazilië, Engeland en de VS.
Eerder deze week waarschuwde Google-topman Eric Schmidt tieners voor "onverstandig gedrag dat je levenslang achterna kan zitten".
Het onderzoek waarnaar de krant verwijst, is dit:
http://www.slideshare.net/OnDevice/young-peoples-consumer-confidence-index-22121437
Zoals het de De Telegraaf betaamt, dekt de kop de lading niet helemaal. Uit de kop trek je de conclusie dat jongeren hun baan kwíjtraken door social media. Uit het artikel en het onderzoek maak je op dat het gaat om het niet kríjgen van banen: in China, India, Nigeria, Brazilië, Engeland en de VS.
Wat moet je er dus mee? Niets?!
Da's maar de vraag. Natuurlijk kun je - terecht - aanvoeren dat dit nu niet bepaald een representatief onderzoek is voor álle jeugd in álle landen. Eerder zijn het repressieve of conservatieve landen waar ofwel de staat ofwel mores (nog) bijzonder belangrijk worden gemaakt. China scoort hoog. India scoort vrij hoog. Brazilië daarentegen scoort laag.
Het is een 'lastig' onderzoek; de aantallen respondenten wijzigen nogal waardoor je iedere keer goed moet kijken wie nu eigenlijk welke antwoorden gaf. Maar ik neem aan dat de conclusie dat werkgevers zich tijdens de selectieprocedure ook baseren op andere bronnen dan je brief en cv, klopt.
Dat is precies waar het wringt.
De belangrijkste vraag die gesteld moet worden, is of werkgevers dat recht hébben: om hun keuze te baseren op duidelijk privé informatie. Mag, in de oude wereld, een werkgever zich baseren op dorpsroddel en stedelijke achterklap? Als je realistisch bent, dan stel je vast dat dat weinig elegant is, maar dat het wél gebeurt. Als de werkgever die informatie tenminste krijgt. Dat is wel een verschil: de informatie is makkelijk(er) beschikbaar. Daar gaat het dus principieel mis, want dat betekent dat de werkgever áctie onderneemt om die infromatie zélf te vergaren. Ze wordt hem niet aangereikt: hij doet 'antecendentenonderzoek'. Laat dat nu net iets zijn wat in de oude wereld niet zomaar gedaan wordt door jan en alleman. De nieuwe situatie maakt het allemaal een stuk ónduidelijker, mínder transparant. Homosexualiteit is bijvoorbeeld géén onderwerp voor antecedentenonderzoek. Wie zegt dat de social media antecedentenonderzoeker dat niet tóch meewoog?
In antecedentenonderzoek wordt gekeken naar de formele werkelijkheid: veroordelingen, schulden, kwetsbaarheden. In social media lijkt het vaak ook (vooral?) te gaan om de informele werkelijkheid: die tussen vrienden en familie. Het lijkt ook allemaal zo logisch en voorstelbaar. Een drugshulpverlener die op feesten joints rokend op z'n Facebookpagina staat. Niet handig, want z'n cliënten zien dat waarschijnlijk ook. Zoals ook 'stille alcoholisten' op het werk zijn te vinden, is de vraag - net als bij hen - vooral: wat is het effect op collega's en werk?
Dat is precies wat míj zorgen baart. De grenzen lijken te schuiven. Ik schreef het al eerder. De grens tussen werk en privé vervaagt wat. Het is echter zeer de vraag in wiens voordeel. Het gaat té ver, veel te ver, als werkgevers zich baseren op privé informatie, óók(!!) als die openbaar beschikbaar is. Een werkgever dient zich zo professioneel op te (kunnen) stellen dat die informatie geen rol speelt. Die eis mág worden gesteld, omdat ze ook aan de werknemer wordt gesteld als het gaat om het openbaren van 'bedrijfsgeheimen'. Dat wat je in het kader van het werk ter ore komt, wordt je geacht níet naar buiten te brengen. Van tweeën een.
Dat de verhoudingen schuiven werd vanochtend overigens ook op een andere manier geïllustreerd. In de De Volkskrant staat dit over Zweden:
Het is overduidelijk nog volop zoeken naar hoe ons te gedragen en beschermen in die nieuwe omgeving.
Labels:
inmenging,
mores,
normen,
plicht,
privacy,
waarden,
werk,
werk zoeken,
werkgever,
werkloos,
werkzoekend,
wet
Locatie:
Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)