maandag 25 november 2013
moeders en dochters
Dochter gebleekt haar met zwarte strengen erdoorheen. Een grijswitte ruimvallende trainingsbroek van de soort Kijk Mijn Strakke Fitnessbillen Eens. Maar dan net niet. Grote gouden oorringen, een decolleterend tshirt en een bontkraagjack maakten de outfit af.
Ook ma was iets van 1.60 meter hoog en vergelijkbaar gekleed. Een strakke witte legging met goudstiksels aan de zijkant. Godzijgeprezen was die legging ondoorzichtig, maar haar blauwe Croqs maakten dat meer dan goed. Geblondeerd en gepiekt haar, een tenger figuur en een gewatteerde knielange jas maakten het beeld af.
Zelfde soort kleding, zelfde bouw, dat moest haast wel die mannenvreemde verhouding zijn van moeders en dochters als vriendinnen. Een raadselachtig fenomeen waarin wij mannen toch enige jaloezie menen te bespeuren omdat het vaker de moeder is die zich richt op de jeugdmode dan andersom.
Hoe je je kunt vergissen.
"Ken je niet telluh, jeuh. Stomkop. D'r staat dertig euro op de rekening. Hoeveel moet er dan nog bij?". Dat was dus de dochter tegen de moeder.
In de vijf minuten dat ze in de weer waren met het apparaat ging dat op die manier door. Over de biljetten die gekreukt het apparaat in ging en 'dus' werden geweigerd. "Godver.". Over de totale hoeveelheid geld die nodig was en er in werd gelegd en weer er uit werd gehaald. "Kíjk dan effe op je telefoon hoeveel er nu op staat. D'r moest geen honderdtien maar negentig bij". Meteen weer een graai in de machine om er een paar biljetten uit te pakken. "Godver, trut, nou weet ik het niet meer.".
Half omgedraaid tegen de machine aanleunend en op haar telefoon kijkend, wachtte dochterlief uiteindelijk op het recuutje. "Pak die pas er nou uit!"... Nu mocht ik.
Het heeft iets vreemds: jonge mensen die zo tekeergaan tegen ouderen. Uit de manier praten en reageren kon je opmaken dat het voor hen de gewone manier van converseren was. Maar toch.
De woorden zijn bijna verdwenen, want de snotaap is tegenwoordig de gewoonste zaak van de wereld. Dat is niet de deugniet, de dondersteen of de Pietje Bell. De snotaap is het brutaaltje dat respectloosheid tot standaardreactie heeft gemaakt. Snotapen willen nogal eens uitgroeien tot kleine gezins-terroristen; van die krengen die hun zin doordrijven bij ouders die daar geen echt antwoord op hebben.
Soms denk ik dat de generaties na de mijne steeds verder zijn weggedreven van het idee dat samenleven en opvoeden balanceer-acts zijn. Er ís geen absolute waarheid of oplossing. Het is de omgeving, de situatie, de context die bepaalt wat een betere keuze is dan een andere. Nóóit straffen, áltijd belonen, áltijd praten; het bestaat niet in die absolute vormen. De uitersten zijn zelfs slecht; zoals alles wat té is, slecht is.
Op weg naar huis werd ik bijna omver gefietst door twee jongetjes die door de winkelstraat fietsten. Zij zeiden niets. Ik ook niet. Eigenlijk fout. Maar ik fietste vroeger ook zo over de stoepen.
vrijdag 22 november 2013
Jouw stad, hun stad, geen stad
Ze doen me nog steeds aan lemmingen denken: amsterdammers. Iedere keer dat je er bent, verbaas je je over hun volstrekt idiote gedrag in het verkeer. Zoals lemmingen zich met ware doodsverachting van de rotsen storten, zo storten de amsterdammers zich in het verkeer. Daar waar de lemming het vanuit een collectief gevoel doet, lijkt de amsterdammer gedreven door hoge eigendunk. Verkeer, anderen, toeristen; het zijn hinderlijke bijverschijnselen in je leven. waarom zou je je er iets van aantrekken?
Het levert idiote taferelen op. Fietsers, brommers en voetgangers die maar doen wat hen goeddunkt. Nu ben ik nog steeds een groot voorstander van langzaam verkeer voorrang geven. Maar géven is toch echt iets anders dan némen. Nemen kan, als je dat verkeerd doet, heel slecht aflopen. Leukst zijn de automobilisten die menen dat in Amsterdam metropoolse allures en arrogantie gelden. Van die klungels die denken dat doordrukken om sneller op de plek van bestemming te komen, een goede weg is. Jammer; ik ben er dol op dergelijke aso's te dwarsbomen, zeker als ik een veel grotere bus bestuur. Dan blijf je netjes in je hok, hoe hard je ook claxonneert en naar je voorhoofd wijst.
Verbazingwekkend zijn ook de meningen van amsterdammers. Toeristen - dé kurk waarop de stad drijft - zijn een minderwaardig type mens. Die kunnen zich helemaal niet gedragen in het verkeer. Dan huren ze fietsen - of, erger, geruisloze electrische brommertjes - en schuiven ondoordacht door de stad. Een vreemd oordeel, want die toerist houdt de stad in leven. En de amsterdammers doen zelf wel voor hoe je moet fietsen in de stad: vanuit jezelf redenerend. Bijzonder raar dat je dan geërgerd kijkt naar vreemden die jouw voorbeeldgedrag volgen. Het is toch de mores van de straat? Zo leren Nederlanders toch ook te overleven in het Siciliaanse of Parijse stadsverkeer? Zo snel en goed mogelijk aanpassen. Dat dóen die toeristen ook.
Amsterdam blijft een gespleten stad. Ze teert heel erg op een imago uit het verleden, maar verloochent dat ook. Trots op de vrijgevochtenheid, op de vrijheid en de dynamiek. Dat is terecht, maar voor een groot deel gebaseerd op het verleden en de overgeleverde verhalen. Feitelijk is de stad een stuk burgerlijker dan het beeld dat amsterdammers cultiveren.
Natuurlijk zijn er enclaves te vinden die afwijken. Die zijn in iedere grote stad te vinden. In Amsterdam dus ook. Maar wie nu de binnenstad bezoekt, zal dezelfde sfeer aantreffen als willekeurig welke binnenstad. De hele binnenstad is vergeven van de feestverlichting: rond de boomtakken geweven, aan de gevels geplakt, in de etalages. Op de Dam is het echt grandioos 'over the top normaal'. De De Bijenkorf is werkelijk behángen met die lichtjes en zelfs het paleis is niet ontkomen aan de lichtsnoeren. Het verplichte kerstdorp is hier - uiteraard, want Amsterdam waant zich een wéreldstad - groter en ligt als één lang lint tussen de Dam en het Centraal Station.
Als ik op dagen als deze door zo'n stad als Amsterdam reis, dan bekruipt me toch iedere keer weer die gedachte over die dubbelzinnigheid: rebels en uitzonderlijk willen zijn, maar zo burgerlijk zíjn. Koningsdag? Je zou haast verwachten dat de stedelingen daarover kritisch zijn, maar het grootste feest is in Amsterdam te vinden. Dat geldt net zo goed voor de Gezellige Decemberfeestdagen; de stad doet er zó hartstochtelijk aan mee.
Het aardige daaraan is wel dat het voor veel mensen reden is eventjes onder te duiken in die lichtjessfeer. Die, als de avond valt, zo rustgevend de ellende van de dag wegpoetst. Even is de stad een sprookje.
zondag 6 oktober 2013
Ballonnen boven Leiden
Het liefst zou'k in zo'n diepzee-observatiebol aanwezig zijn: wel alles zien, horen en ruiken, maar met een gegarandeerde comfort zone om me heen. Als dat mogelijk is: ook een luie zetel alsmede andere luxe. Tegelijk weet je dat dat de ervaring vernielt. De vermoeidheid, het aanstoten, het opwellend chagrijn als je weer 's met z'n allen stilstaat, mee móeten, onderdeel van de massa zijn: dát is de essentie, onderdompelen. Die bol is niet meer dan een geïnnoveerde tv. Zoals zoveel innovaties, als het om menselijk gedrag gaat, een gedeeltelijke reproductie.
Massafeesten - misschien wel de meeste openbare ruimtefeesten - zijn ook niet echt 'te begrijpen'.
Is er bij een verjaardag of een bruiloft nog een duidelijke aanleiding; bij carnaval, koningsdag of Drie Oktober/Leidens Ontzet is dat al een stuk obscuurder. Het is een vrije dag! De stad viert feest! Een beetje zoals Pinksteren (nú zeggen wat dan wordt gevierd).
Toch zijn die massafeesten leuk. Je komt bekenden tegen. Je ziet je stad of wijk op een andere manier dan gewoonlijk. Het gebruik van de openbare ruimte is anders: een straat als één grote feestzaal is anders dan als de doordeweekse doorgaande verkeersader.
Het bijzondere is dat je niet in die feesten kunt plonzen zoals je een zwembad induikt. Onderdompelen is met geen mogelijkheid te vergelijken met 's ochtends aankomen en opgaan in de massa. Dat geldt in heel hoge mate voor de plaatselijke massafeesten. Het is niet de feestdag die 't feest maakt. Het is de voorpret, de opbouwende spanning, het geroezemoes in de stad; dát maakt je klaar voor het feest. Zonder dat zul je er niet veel van snappen. Goed, je kunt je lam zuipen en zeggen 'dat je er bij was'. En? Dat was het? Niet dus, want het feest zit in je genen of in je bloedbaan (en nee, niet de alcohol, wijsneus).
In de marge van zo'n feest is zóveel te beleven. In Leiden is de onbetwiste top het Drie Oktoberfeest.
Zonder morren wordt de hele binnenstad een paar dagen afgesloten. Terwijl een tramlijn door de binnenstad een - enorm opgeblazen - rel veroorzaakte. De hele stad doet mee met kermisvertier en laat zich ondersteboven de ruimte inslingeren. Terwijl het 'burgerinitiatief' singelpark geen greintje volksvermaak kent. Maar wellicht is de stad alleen op drie oktober van 'het volk', van de bevolking, en wordt de andere dagen de wil van een andere groep gevolgd?
Op drie oktober 's ochtends vroeg zie je her en der aan de randen van de stad ook auto's in het groen. De avond daarvoor was de taptoe en spelen er overal in de binnenstad bands. Dan is het meestal stervensdruk. En omdat automobilisten een raar soort mens zijn, nemen die niet de moeite een parkeerplek of -garage te zoeken. Die parkeren in bermen. Om daarna te bezopen te zijn en een taxi te nemen of vergeten zijn waar-i ook alweer staat. En dus zie je 's ochtends auto's in het groen.
Zulke raadsels zijn er meer.
Tijdens zulke feesten kun je ook altijd van die metallic-glimmende ballonnen kopen. In grote trossen boven de menigte zwevend zijn de verkopers al van verre te herkennen. Af en toe zie je zo'n ballon boven de stad zweven: ergens moet er nu een kind huilen omdat-i z'n ballon niet goed vasthield. Aan het aantal wegvliegende ballonnen kun je vast de economische situatie aflezen: hoe meer verkocht, hoe groter de kans op wegvliegers. Dit jaar zag ik géén wegvliegers. Er zijn er vast stukken minder verkocht.
Maar hoe krijgen die verkopers die enorme trossen ballonnen weer in de bestelwagen?
maandag 4 februari 2013
De wijsheid en de overmoed
Wijsheid is de vaardigheid afstand van jezelf te nemen en de kennis van een ander tot je te nemen. Wijsheid is jezelf niet té serieus nemen. Wijsheid is ervaring wel, maar ook níet, gebruiken. Wijsheid is niet noodzakelijkerwijs op de voorgrond of in het licht te vinden. Wijsheid is jezelf kennen en erkennen; je beperkingen en je kracht.
Wijsheid is niet te vinden in het aanmeten van een lange grijze baard. Evenmin zal een hippe bril bijdragen noch een model dat je gezicht intellectueler laat lijken. Ook zal een warrige haarbos niets toevoegen noch een lijzige stem. Excentriciteit in enig vorm draagt niet bij.
Wijsheid, in z'n pure vorm, is zelfkennis.
Als er iets is waarover ik me in m'n leven steeds meer ben gaan verbazen, dan ben ik dat zelf. Daarover heb ik eerder al geschreven omdat dat tot heel interessante inzichten en vragen leidt. Ook bij jou, lezer.
Een belangrijke les die ik leerde, is dat er dingen zijn die je móet meemaken om goed te kunnen waarderen, beoordelen. Dat zijn de traumatische levensgebeurtenissen. Een overlijden, een baan kwijtraken, een verhuizing, een (eerste) kind krijgen: dat zijn gebeurtenissen met een groot effect. Gebeurtenissen ook die je wijzer maken.
Wat ze je namelijk leren, is dat je heel anders reageert op die gebeurtenissen dan je vóóraf dacht. Een eerste kind krijgen. Vraag maar eens na hoeveel invloed dat heeft gehad. Ook voor de vaders, in hun kijk op de wereld. Die verandert op slag. En mocht je denken dat verhuizen vooral een paar dagen gekloot en gesjouw met dozen en meubels is. Doe het vooral eens en probeer aandachtig na te gaan of je niet misschien toch ook een gevoel hebt ontworteld te zijn. En of je dát vantevoren zo had voorzien.
Tot in elk geval míjn verrassing is wijsheid in een gemiddeld leven dus wél gekoppeld aan leeftijd. Leeftijd in de zin van levenservaring. En de wijsheid zit 'm in het gebruiken daarvan. Zonder omhaal van woorden: jongeren kúnnen sommige dingen niet in hun volle omvang bevatten. Grosso modo, hè; er zijn ook jongeren met heel veel levenservaring en wijsheid en er zijn ook ouderen zónder.
Als je jong bent, denk je dat je anders bent dan je ouders en de andere ouderen. Je denkt ook dat je het allemaal anders en vooral véél beter gaat doen. Dat dacht ik ook. Dat dachten al mijn generatiegenoten ook. Maar mijn ouders dachten het ook en waarschijnlijk denk of dacht jij dat ook. We zijn, in dit opzicht, niet zo ongelooflijk uniek (evenmin in het bedenken van smoesjes en uitvluchten in je jeugd. Die bedachten de ouders ook zelf al eens).
Nu ontstaat er wel een beetje een probleem. Hoe jonger hoe meer je nog 'moet' ervaren en hoe minder je je de werkelijke invloed ervan kan indenken.
Momenteel lijkt er frictie te ontstaan over de leefsituatie van ouderen. Die zijn rijk en hebben een prima leventje. Wat de mensen die dat denken, dan stoort, is dat die verdomde ouderen zich verzetten tegen die schets.
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2013/01/20130131-144411.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2013/01/20130131-144411.jpg" alt="20130131-144411.jpg" class="alignnone size-full" /></a>
Laat ik er iets tegenover zetten. Het is zuiver persoonlijk, maar ik weet uit gesprekken dat het te verbreden is. Die gesprekken mag je zelf eens (proberen te) voeren. Heel leerzaam!
Tussen mijn vijftiende en twintigste zo ongeveer had ik het beeld van gepensioneerden als mannen die, zoals mijn vader en ooms, sigaren en pijp rokend in kamers waar de zonnestralen door de rook danst (heftige) discussie voeren. Of van mensen die zélf hun tijd indelen: een boek lezend, een baantje trekkend in zee of een wandeling makend. Frappant is dat de moeders niet zo'n spectaculair rustiger leven kregen. Die bleven toch wel actief in het huishouden. Zo zie je maar weer hoe diep rolpatronen in de ziel zijn geëtst.
Van dat beeld klopt weinig. Dat is gebaseerd op de veronderstelling dat je, zoals het op dat moment ís, gezond bent. Maar lezen vereist voor iedere ouder wordende mens alleen al meer licht; schemerlampjes maken lezen erg lastig. Dat je lichamelijke ongemakken krijgt, snappen we. Maar ook dat daarmee je eigenwaarde een waanzinnige knauw krijgt? Je moet gehólpen worden, door hulpmiddelen of door mensen. Dát is wat telt: knakkende eigenwaarde. Of een die ík me toen zeker ook niet realiseerde: je leefwereld wordt steeds kleiner. Niet (alleen) door verminderend mobiliteit, maar veel erger doordat de mensen uit jouw sociale netwerk uitsterven. Dat staat er niet voor niets zo cru. Veel hoogbejaarden leven in een onzichtbare isoleercel, alleen.
En dan hoor en lees je jongeren raaskallen over ouderen, alles en iedereen boven de vijftig op één hoop gooiend. Overigens doen onwijze ouderen dat ook over jongeren door hun eigen jeugdervaring tot uitgangspunt te nemen. Alsof de wereld in een generatie niet veranderde.
Neem de 'rijkdom van ouderen'. Het is niet de vraag óf dat zo is, maar hoe dat zo is gekomen. Een vrij waarschijnlijk scenario voor de generaties 55+ is dit.
De financiële moraal is voor hen die van zuinigheid. Niet lenen maar sparen en dan pas iets kopen. Dit zijn de eerste generaties die huizen gaan kópen. Maar dit zijn ook de generaties die een ingewortelde afkeer hebben van kopen op krediet. Het zijn ook de generaties van zuinigheid. Die van 'doe maar gewoon' (en daarmee inderdaad minder ondernemend, ja). Dit zijn de mensen die opgroeiden met een beeld in het achterhoofd dat zij 'voor de kinderen later' iets opzij moesten leggen. Of die een reserve opbouwden voor slechtere tijden 'want je weet het nooit'.
Dit zijn de mensen die, kortom, spaarden door geld niet uit te geven.
Dat is essentieel. Uitzonderingen daargelaten heb je het nú dus over mensen die zichzelf iets ontzegden en daarvoor worden bestraft: 'je hebt dat geld toch? Geef daarvan wat af'. Hoeveel moeite kost het je om je voor te stellen dat de conclusie hiervan is: het was veel beter geweest als ik al mijn geld had opgemaakt aan dingen die ík leuk vind, aan dingen die ik me toen ontzegde. Snap je dat dat een verbrassend, hedonistisch effect heeft?
Ook wij hebben zo'n potje voor noodgevallen. Gespaard door zuinig te zijn, door geregeld niet te doen wat wel kón, door sober te zijn, want kinderen kosten geld en noodgevallen zijn nooit te voorspellen. Dat noodgeval is nu gekomen: ik werk niet meer. Dus op het moment dat de WW stopt, zijn wij aangewezen op die reserve. Een jaar geleden hebben we toen uitgerekend dat we daarmee op WWniveau kunnen rondkomen tot (net niet) aan het pensioen. Daarvoor is dat potje ook. De kinderen hebben pech. Dat is wel het - ook weer zoiets: rekening houden met het sómberste - slechtste scenario. Wie weet, loop ik nog tegen de baan van mijn leven aan. Niets op voorhand uitsluiten, want hoop doet leven.
Wijsheid is jezelf kennen. Wijsheid is jezelf opofferen als dat moet. Het betekent echter niet je te laten krenken door mensen waarvan je kunt wéten dat zij zich over enkele jaren precies hetzelfde gaan realiseren.
Want zo fundamenteel anders dan voorgaande en komende generaties ben je niet, hoor. Dat dénk je maar. In je jeugdige onschuld.