Posts tonen met het label publiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label publiek. Alle posts tonen

zaterdag 3 mei 2014

Leidse cosmetica

Hoe zou het zijn als....? Een vraag die me vaak te binnen schiet. Even anders kijken naar wat je voor vanzelfsprekend aan neemt; dat trucje. Het werkt het best op plaatsen waar je vaak komt en die je 'dus' niet meer echt beleeft.

Zo kletst een deel van Leiden alweer een hele poos over de Breestraat. Een straat waaraan weinig méér eer is te behalen, omdat-i fundamenteel verkeerd is: te smal én te breed, één van de twee verkeersaders in de stad, en zonder karakter. De oplossingen zijn voorspelbaar: maak er een voetgangersgebied van waar het 'gezellig' toeven is. Geen idee wat 'gezellig' precies is, maar blijkbaar zijn dat terrassen.

Eerder heb ik geschreven dat veel rigoureuzere richtingen zouden moeten worden ingeslagen: leg een beek aan. De Breestraat is niet vlak, maar valsplat. Hoe mooi zou het zijn als over de as van de weg, in twee richtingen, een ondiep beekje stroomt? Wedden dat het een enorm effect heeft op hoe de straat wordt beleefd? En dus hoe men zich er gedraagt.

conduit

Een stad levendig maken, vereist dat je leven, beweging zichtbaar maakt. Op die gedachte is het volgende gebaseerd.

Laat de gemeente Leiden tientallen abri-achtige panelen plaatsen, door héél de stad. Maar laat die panelen niet gebruiken voor reclame maar om het stadsleven in een cirkel van 250 meter rond het paneel te tonen.

Met stadsleven bedoel ik niet het straatleven - da's immers juist te weinig - maar het vanaf de straat onzichtbare leven om je heen. Bewegend en live.

Loop over de Oude Vest en kijk naar binnen in één van de zalen van de Lakenhal. Loop over de Breestraat en kijk binnen bij winkels of zie hoe wordt geconfereerd in de Stadsgehoorzaal. Loop door een woonstraat en zie de achtertuin of achtergevel (alhoewel ik hier nog de meeste problemen zou verwachten).

De techniek - kleine, eenvoudige camera's - is er. In Limburg, weet ik, zit een bedrijf dat bezig is met stadsschermen en contextgevoelige informatie. Dit is een variant en eenvoudiger.

Als toerist of dagjesmens, of als Leienaar!, loop je dan door de stad en je kunt zien wat er in je omgeving is te zien áchter de gevels. Vooral musea en dergelijke kunnen een veel groter bereik halen op die manier. Zij gaan naar de bezoeker in diens habitus tóe! Een restaurant, een winkel: effe kijken hoe het er van binnen uit ziet.

De beelden zijn te koppelen aan het moment. 's Avonds zal er in de stikdonkere musea niets te zien zijn. Dan zijn de café's levendig. Als er maar geen (statische) reclame te zien is. Da's dodelijk. Het systeem kan betaald worden doordat de bedrijven die meedoen een deelnamebedrag betalen voor de uitzending.

Ik zie het wel voor me, hoor.

Privacy? Die is net zo als met gordijnen en winkeletalages: mensen die langs lopen, werpen een blik naar binnen. Zijn de gordijnen dicht of de etalages donker achter rolluiken, dan zie je niets. Meedoen is zoiets als de gordijnen open of dichtgetrokken hebben.

Inbrekers? Ach, kom. De schermen zijn buiten geplaatst en niet elders op te vragen dan binnen die straal van 250 meter. De inbreker zal dus nog steeds op stap moeten en nog steeds observeren. Net als altijd.

Dat zal vast wel gebeuren: de Ja, maar-reactie. Varkens in het Singelpark, camera's met stadsgezichten, een beekje door de Breestraat, kijkers in de stad.... Ja, maar....

Innovatie. Het lijkt er in Leiden meer op dat dat het van een strik voorzien van de spreekwoordelijke doos in out of the box is.

zaterdag 26 april 2014

Leids bedriegertje

Volgens mij staat-i er al zowat een jaar. En al die tijd onopgemerkt, want niemand die hem herstelde.

Tijd in de openbare ruimte: een mooi stel.

In de vorige buurt waar wij woonden, staat een katholieke kerk. Die beiert er lustig op los om ons, omwonenden, op de tijd te wijzen of in pogingen ons naar binnen te lokken voor de verering (Het is dat we dat geluid gewoon zijn waardoor we denken dat moskeeën meer herrie maken dan kerken, maar ik betwijfel dat ten zeerste). Veel belangrijker is echter zijn torenklok.

Sinds een jaar of twee, drie ben ik gestopt met het dragen van een horloge. Niet bepaald een beuwste keuze: het batterijtje raakte leeg, het ding liep niet echt goed meer, ik kon geen leuk nieuw model vinden, en m'n telefoon heeft ook een tijdaanduiding. Einde polshorloge. Hij hoort het toch niet; maar ik mis 'm niet. De smartphone voldoet en op straat weet je op gegeven moment de vast tijdaanwijzers te vinden.

Die van de kerk hierboven is een duivelskind, een onbetrouwbare. Omzettingen naar zomertijd en weer terug wil-i nogal eens te laat doorvoeren. Een paar dágen te laat. In de tijd dat wij binnen zijn bereik woonden, gaf-i er geregeld ook 'gewoon' de brui aan. Dan stond-i plots stil. Ooit was d rolverdeling dat de koster dan de toren in klom - zo beeldde ik me dat, als kind, in - en het mechaniek bijstelde. Híj was de dienaar van de tijd. Inmiddels zal ook hier wel de automatisering zijn intrede hebben gedaan en is 'de computer' de schuldige (en de koster de mens die de procesfout niet opmerkte). Het effect is dat iedereen die de kerk kent, op z'n hoede is. Is dit echt wel de júiste tijd?!

NS kon er ook wat van. In de negentien-twintig jaar dat ik forensde tussen Leiden en Utrecht is dat altijd een bron van verbazing geweest. In het pre-smartphone tijdperk weet de reiziger het verschil in tijd aan zijn eigen onvolkomenheid. Het kon toch niet dat de stationsklokken, die immers centraal worden aangestuurd, het bij het verkeerde eind konden hebben? Je eigen polshorloge was vast weer 's niet opgewonden of had een verse batterij nodig. Met de komst van de smartphone - in mijn geval - is dat ernstig in twijfel getrokken. Die telefoons waren immers mini-computers, die synchroniseerden met nauwkeurige klokken. Al ras bleek dat de stationsklok er vaak naast zat en zo'n één, twee minuten achter liep. Als cynisch geworden treinforens heb ik de NS er vaak van verdacht dat met opzet te doen. Die kleine afwijking wekt wel de indruk dat de nét te late trein netjes op tijd is.

Die synchroniserende apparaten zijn niet per sé geloofwaardig. Je kunt grote of vette vraagtekens plaatsen bij hun betrouwbaarheid. Da's best wel onhandig nu steeds meer mensen zich niet meer baseren op polshorloges. Die, immers, raadpleeg je heel eenvoudig door de pols waaraan het horloge is bevestigd zichtbaar te maken en af te lezen. Je telefoon moet je toch iedere keer uit een zak opvissen, draaien tot je hem goed beet hebt en dan aanzetten. Iedere tijdbron in de openbare ruimte is dan mee genomen. Na verloop van tijd weet je de straatklokken te vinden, de digitale klokken bij tankstations of in de reclameverlichting van winkels, de kerken.

Maar die moeten dan wel betrouwbaar zijn.

Deze hieronder staat in Leiden (Leidenaren moeten kunnen raden wáár). Op de foto staat iets wat niet klopt. Zie jij het?

20140426-162213.jpg

Het is alleen aan deze kant van de straatklok te zien: wat is de tijd die de klok aangeeft?

De EXIF van de foto vermeld dat-i om 15.05 uur is gemaakt. Als je goed kijkt, is dat ook te zien. Het cijfer zes zou loodrecht naar beneden moeten staan. Maar loodrecht naar beneden kom je uit halverwege de vijf en de zes. De cijferplaat is verdraaid. Een ietsiepietsie klein beetje. Dan kunnen de wijzers nog zo de juiste tijd aanwijzen; als de aflezing zo wordt getruct, is het Leids Bedriegertje geboren.

Het lullige: genoeg om iedereen die de binnenstad van Leiden binnen gaat een snelle blik te laten werpen op de tijd en denken "Shit, ik kom te laat!".

maandag 25 november 2013

moeders en dochters

Ik schat dat ze een jaar of achttien is. En haar moeder vijftig. Zoiets. Ze stonden voor me in de rij om geld te storten.

Dochter gebleekt haar met zwarte strengen erdoorheen. Een grijswitte ruimvallende trainingsbroek van de soort Kijk Mijn Strakke Fitnessbillen Eens. Maar dan net niet. Grote gouden oorringen, een decolleterend tshirt en een bontkraagjack maakten de outfit af.

Ook ma was iets van 1.60 meter hoog en vergelijkbaar gekleed. Een strakke witte legging met goudstiksels aan de zijkant. Godzijgeprezen was die legging ondoorzichtig, maar haar blauwe Croqs maakten dat meer dan goed. Geblondeerd en gepiekt haar, een tenger figuur en een gewatteerde knielange jas maakten het beeld af.

Zelfde soort kleding, zelfde bouw, dat moest haast wel die mannenvreemde verhouding zijn van moeders en dochters als vriendinnen. Een raadselachtig fenomeen waarin wij mannen toch enige jaloezie menen te bespeuren omdat het vaker de moeder is die zich richt op de jeugdmode dan andersom.

Hoe je je kunt vergissen.

"Ken je niet telluh, jeuh. Stomkop. D'r staat dertig euro op de rekening. Hoeveel moet er dan nog bij?". Dat was dus de dochter tegen de moeder.

In de vijf minuten dat ze in de weer waren met het apparaat ging dat op die manier door. Over de biljetten die gekreukt het apparaat in ging en 'dus' werden geweigerd. "Godver.". Over de totale hoeveelheid geld die nodig was en er in werd gelegd en weer er uit werd gehaald. "Kíjk dan effe op je telefoon hoeveel er nu op staat. D'r moest geen honderdtien maar negentig bij". Meteen weer een graai in de machine om er een paar biljetten uit te pakken. "Godver, trut, nou weet ik het niet meer.".

Half omgedraaid tegen de machine aanleunend en op haar telefoon kijkend, wachtte dochterlief uiteindelijk op het recuutje. "Pak die pas er nou uit!"... Nu mocht ik.

Het heeft iets vreemds: jonge mensen die zo tekeergaan tegen ouderen. Uit de manier praten en reageren kon je opmaken dat het voor hen de gewone manier van converseren was. Maar toch.

De woorden zijn bijna verdwenen, want de snotaap is tegenwoordig de gewoonste zaak van de wereld. Dat is niet de deugniet, de dondersteen of de Pietje Bell. De snotaap is het brutaaltje dat respectloosheid tot standaardreactie heeft gemaakt. Snotapen willen nogal eens uitgroeien tot kleine gezins-terroristen; van die krengen die hun zin doordrijven bij ouders die daar geen echt antwoord op hebben.

Soms denk ik dat de generaties na de mijne steeds verder zijn weggedreven van het idee dat samenleven en opvoeden balanceer-acts zijn. Er ís geen absolute waarheid of oplossing. Het is de omgeving, de situatie, de context die bepaalt wat een betere keuze is dan een andere. Nóóit straffen, áltijd belonen, áltijd praten; het bestaat niet in die absolute vormen. De uitersten zijn zelfs slecht; zoals alles wat té is, slecht is.

Op weg naar huis werd ik bijna omver gefietst door twee jongetjes die door de winkelstraat fietsten. Zij zeiden niets. Ik ook niet. Eigenlijk fout. Maar ik fietste vroeger ook zo over de stoepen.

donderdag 15 augustus 2013

De journalist als verblekend construct

Soms praten we over niet-bestaande zaken alsof ze wél bestaan. En ze bestaan ook wel, maar niet tastbaar of aanwijsbaar. Soms zijn dat metafysische concepten als 'hemel', 'hel' en 'ziel'. In aanwijsbare vorm bestaan die niet.

Die categorie concepten is interessant. Ze zijn allemaal door de mens geconstrueerd. Er is geen lieveheersbeestje dat nadenkt over naar de hemel gaan en geen vliegenvangende zonnedauw die bezig is met de hel. Concepten zijn menselijke constructen.

Om de wereld, en onszelf, te begrijpen, zijn die concepten handig als ordening. Zijn groepen als 'jongeren' en 'ouderen' nog enigszins voor te stellen op basis van fysieke kwaliteiten, andere worden een graadje moeilijker. Uniformen en andere onderscheidingstekens helpen nog weleens. Maar bij sommige is ook dat een probleem. 'Ouders'; die herken je zonder kinderen niet. En toch hebben we het geregeld over de kwaliteit van 'de opvoeding door huidige ouders'.

Omdat constructen en concepten afspraken zijn tussen mensen zijn het ideale voedingsbodems voor twist. Sommige duren voort - bij voorbeeld die over geloofszaken - terwijl andere min of meer beslecht zijn - de 'beschermde beroepen' zijn daarvan een voorbeeld. 'Min of meer' omdat die beslechting niet onwankelbaar is. Met name de technologische vooruitgang maakt breuklijnen.

Medici zijn een voorbeeld daarvan. Naast de ontdekking van de psychiatrie als serieus onderdeel van de medische wetenschap, zijn het vooral de functies die zijn gekoppeld aan medische apparatuur die voor discussie (gaan) zorgen. Een diagnose stellen, mag alleen een arts in casu een mens met de juiste opleiding. Maar wat te doen met de technologie die het mogelijk maakt (eenvoudige vooralsnog) diagnoses te stellen? De reactie is voorspelbaar: de beroepsgroep stelt dat alleen zij dat kan en mag.

Iets vergelijkbaars doen journalisten. Die bestaan helemaal niet. Wel zijn er mensen met een goed stel hersens en een vlotte pen die, omdat ze een opleiding volgden, menen een unieke aanspraak te kunnen maken op die titel. Omdat 'journalist' geen beschermd beroep is, is een eigen systeem gemaakt. 'Echte journalisten' zijn die lid zijn van de NVJ. En daarvan kan echt niet iedereen lid worden.

Ze voeren echter een achterhoedegevecht, in een veranderd medialandschap.

Wat mij zo verbaast aan de discussie in en over media en journalistiek, is dat er zo strak wordt vastgehouden aan oude beelden. In de media wandelen inmiddels tal van types rond die journalist werden genoemd toen ze bekend werden. En 'de media' is minder en minder het unieke domein van omroepen, kranten of tijdschriften. Jij en ik kunnen daar ook een plek in nemen.

Uit de meeste discussies blijkt hoe weinig adaptief vermogen de media en journalistiek hebben. In plaats van uit te gaan van coöperaties van mensen en middelen, verknoeit men tijd met hopeloze discussies over concepten: wat is het beroep journalist? Wat een publieke omroep?

Daar spelen dan ook nog eens afgunst, naijver en geld een rol. Zelden wordt het gesprek gevoerd over de kwaliteit van goed sámenwerkend journalistiek werken. Nee, het gaat om de afgeleide: marktwerking en -verstoring. Het publieke bestel is de start van alles. Zakelijke geesten zagen kans geld te verdíenen met 'media', maar probeerden meteen de spelregels te veranderen. Als dat niet lukt, klaag je, als nieuwkomer, over de spelbreker, degene die als eerste bezig waren. Dan is de publieke omroep een spelbreker, een marktverstoorder, en de overheid een financier die daarin partner in crime is.

Dat is een haast groteske reductie van de werkelijkheid.

Wij, de consumenten, zijn niet zo loyaal als gedacht. Als zich betere mogelijkheden voordoen, stappen we zonder scrupules over. Bínnen het omroepbestel wilden we nog wel lid zijn van een omroep en op die manier een statement maken. Dat gold ook voor de krant: er wás geen keus, anders dan deze steeds beperktere.

Maar de fase is al veranderd. Er komt meer en meer keuze. En we springen nu dan ook weg van onze gastheren, op weg naar talloze nieuwe. Op het Internet. Nog niet massaal, maar dat duurt geen generaties meer.

U bent een construct, dames heren journalisten en mediamensen. U bent aan het verbleken in het plaatje. Binnenkort bestaat u in deze vorm niet meer. Dan hebben we nieuwe constructen.

zondag 9 juni 2013

Hóge cultuur?! Ach, kóm zeg!

Leiden, de stad waar ik woon, is een provinciestad. Echt. Zo'n klassieke, die je nog weleens in oude romans tegenkwam. Van die gemeenschappen met dorpse karakteristieken maar grootstedelijke ambities. Vooral de Russische schrijvers aan het begin van vorige eeuw konden die sferen prima beschrijven. Voor Rusland. Met een beetje goede wil kon je de beelden ook, ietsje aangepast, ook hier projecteren.

Leiden is zo'n stadje. Met 120.000 inwoners te groot voor een dorp en te klein voor een metropool. Met een prachtige eeuwenoude binnenstad; die ook als een loden last de ontwikkelingen daar afremt. Een stad met ambities die groter lijken te zijn dan de ruimte die beschikbaar is. Een stad die - daardoor? - slecht is in kiezen en - daardoor? - voor zijn imago op het verleden moet steunen. Een stad die denkt te moeten bouwen op 'cultuur' - de oude gebouwen - en 'wetenschap' - de universiteit.

Een stad die zichzelf bedondert.

Leiden lijkt de tijd van de notabelen nooit te ontgroeien. Dat is ook wel een karakteristiek van provinciesteden: dat een clique van gelijkgestemden de stad feitelijk bestuurt. Niet door (vooral) toonaangevend te zijn in het stadsbestuur, maar door sleutelposities te hebben in de uitvoering, de realisatie. Bepalend voor een (stads)cultuur is de laag van (top-)ambtenaren en ondernemers. De door hen gedeelde belangen en interesses bepalen in veel hogere mate de slagingskansen van projecten dan de dikte en doorwrochtheid van beleidsnota's of de wens van de inwoners.

Tot de bekende cultuurkenmerken van zo'n klasse horen kunst en wetenschap. Daarmee wordt een afstand geschapen tot de anderen. Voor kunst en wetenschap is een verfijnde smaak en ontwikkelde intelligentie nodig. Denkt men. Het is een hógere cultuur: die van de maatschappelijke voorhoede, van de ontwikkelde mens. Dat Leiden wél een singelpark dreigt te gaan krijgen, maar niet in staat is een veel kleinschaliger Huis van de Sport te realiseren, zegt wel degelijk iets.

Of zo'n hogere cultuur ook werkelijk hoger ís, dienen we sinds enkele decennia te betwijfelen. Was het ooit zo dat strikte mores werden overgedragen - waarin maatschappelijke verantwoordelijkheid sen veel grotere rol had, dan velen nu denken, inmiddels lijkt te verloedering de hogere cultuur te zijn binnengedrongen.

Leiden heeft zijn cultuurweken. Sinds dit jaar heten die, grootstedelijk, Signatures Cultuurweken Leiden. Tien signature pieces - Nederlands, toonbeelden - van Leidse cultuur. Niet dat het Leidse cultuur ís. Het zijn cultuuruitingen ín Leiden en, soms, door inwoners van de stad of ex-inwoners. Dat geneuzel toch vooral ook een culturéél Leiden te willen hebben, doet geen afbreuk aan de kwaliteit van die niet-Leidse cultuur. Signatures is voor liefhebbers van cultuur een verplicht nummer.

20130609-134615.jpg

In het kader van bombast heet de afsluitende bijeenkomst De Leidse Olympus, twee uur poëzie en muziek aan de voet van de oorsprong van Leiden, de Burcht. Dat soort van pittoreske decors is in Leiden in overvloed te vinden. Ze zijn niet geschikt voor grootschaligheid. Maar voor de intimiteit van poëzie wel. Poëzie, immers, is een hogere cultuuruiting. Toch? De vertelling in extreem ingedikte en ritmische vorm is vaker niet dan wel zondermeer te begrijpen. Leiden koos, gelukkig, voor toegankelijk.

En dan valt Leiden toch door de mand. Want dan mag dit wel hogere cultuur zijn, waarvoor dus een bepaalde mentaliteit nodig is; het is onthutsend te ervaren dat op vrij luide toon door de optredens en voorlezingen wordt gepraat. Niks beleefd en geïnteresseerd luisteren. Niks aandacht voor de kunsten. Nee, achter op het pleintje staan de mensen-die-ertoe-doen er toe te doen. Inclusief de eerder optredende cabaretier, dichters en schrijvers. Meer aandacht voor elkaar en kennissen dan voor het podium. Ik ben benieuwd wat de reactie zou zijn als er toevallig passerende café-gangers luidruchtig commentaar hadden gegeven. Dat was 'omdat ze er niets van begrijpen'?!

Kijk, Leiden, daarom is het hier zo vaak 'net niet'.

vrijdag 17 mei 2013

Einde van een tijd-perk


Enig idee hoe laat het is?

Ik vermoed dat mijn horloge al bijna twee jaar kapot is. Nadat-i eerst kuren vertoonde door andere data dan de werkelijke te tonen, is-t-i er ergens in de tweede helft van 2011 helemaal mee gestopt. En sindsdien ligt hij wel op z'n vaste plekje, maar doet-i niets. Een soort van stoffelijk overschot.

Er is nog steeds geen opvolger gekomen. Dat heeft heel veel te maken met mijn wens 'een heel ander soort van horloge' te hebben. Zoals mij bekend, heb ik dan geen enkel beeld voor ogen wat dat dan is. Als de gelegenheid zich voordoet, herken ik 'm.

Maar dat 'heel ander soort' zit 'm in elk geval niet in de grootte. Mijn hemel, wat een knotsen van horloges worden er tegenwoordig verkocht en gedragen. Volgens mijn neef - die zo'n knotsenhorloge, Kyboe, importeert in Nederland - is het juist hip. Maar ja, hij verkoopt die knotsen dan ook nog 's met frutseltjes en blinkerdjes eraan. Tot míjn stomme verbazing doet-i het goed; ze vallen in de smaak. Maar het zijn dus niet de 'heel andere' die ik zoek. Het zijn grote.

Mijn vermoeden is dat ik dat 'heel ander soort' horloge zal vinden in of een volledig afwijkende vormgeving of draagwijze, of in een afwijkende tijdnotatie. Maar tot op heden heb ik die nog niet echt gvonden: omdat ik er niet fanatiek naar op zoek ben - ik moet er tegenaan lopen - en omdat wat een beetje in de buurt kwam wel enorm prijzig was.

Dus ik ga horlogeloos door het leven.



Hetgeen de vraag oproept of ik de tijd niet mis. Nou. Eigenlijk niet. De functionele invulling van het tijd aflezen is ingenomen door m'n iPhone. Of door de talloze klokken en digitale waarnemers op straat. En die laatste vertellen me vaak ook nog de temperatuur! De tijd missen is dus eigenlijk niet aan de orde.

Daarom begin ik me steeds meer af te vragen of dat horloge er nog wel komt. Want dat telefoontijdkijken bijvoorbeeld is iets wat ik steeds meer mensen zie doen of hoor zeggen te doen. De vraag is wat er gebeurt met 'de tijd'. Blijkbaar is de periode waarin we de tijd zelf moesten meenemen om de pols, verandert. Maar in welke richting?

Het is niet zo dat 'tijd' minder belangrijk is geworden. Het lijkt er, denk ik, meer op dat 'tijd' ubiquitous, alom aanwezig is geworden. Mijn illusie is dat het niet dragen van een persoonlijk horloge me tijdsvrijheid geeft. In werkelijkheid is de tijd dwingender geworden.

De iPhone piept geregeld om me 'even te waarschuwen' dat ik iets moet doen. Een functie die ik overigens bij voorkeur níet gebruik. En verder zijn er overal wel tijdbewaarders om me heen. Op straat - waar ze vaak worden gezien als 'reclame', terwijl een wind- of regenmeter in Nederland óók interessante informatie geeft, in de keuken - de oven én de magnetron laten op vijf centimeter afstand de tijd zien, in de huiskamer - waar een 'echte' klok de tijd aangeeft, maar de thermostaat ook en de tv, de hd-recorder en een overgebleven restklokje. In het openbaar vervoer geven de bussen, trams en treinen de tijd weer - en hun achterstand ten opzichte ervan. Overal is de tijd.

Daarmee dient zich een nieuw probleem aan. Welke tijd is de juiste? Mijn horloge liet ik vroeger twee minuten voorlopen op de stationsklokken. Dan had je een klein beetje speling. Grote onzin uiteraard, want je wíst van die twee minuten. Maar toch. De stationsklokken bleken geregeld inderdaad een andere tijd aan te geven dan bijvoorbeeld de gesynchroniseerde iPhone-tijd. En de klokjes hier in de keuken kun je zowat iedere dag gelijk zetten omdat er weer 's iemand op het instelknopje drukte.

Alomtegenwoordig. Hoe leuk en handig. Maar dan moet het wel eenduidig zijn.



Je hebt er een prachtige roman over: Het Klokkengelijkzetinstituut, geschreven door Tanpinar. Ik kocht het boek meteen, alleen op basis van die titel. Echt. En het is me erg goed bevallen. Dat klokkengelijkzetinstituut is inderdaad een anker in de roman. Maar feitelijk gaat het verhaal over oud - de eerste helft - en nieuw - de andere, inderdaad - Turkije; en over bureaucratie, nepotisme, familieverhoudingen, maar ook over (de idioterie van) innovatie. Kortom, veel meer.