Posts tonen met het label vertrouwen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vertrouwen. Alle posts tonen

maandag 22 september 2014

JA! - fondsen

Innoveren is verschrikkelijk lastig. Als men je niet voor volslagen geschift houdt, is het minste toch wel de vraag of je kunt aantonen dat gaat gebeuren wat jij zegt. Of dat het wat opbrengt. Per slot van rekening leven de meeste mensen in een wereld die wordt gedomineerd door (het verdienen, krijgen en houden van) geld. Alles draait om geld. Vooral in bedrijven kan men er wat van. Daar vragen ze zonder van schaamte van kleur te verschieten om bizniz cases. Da's leuk als je boekje zevenendertig van een nieuwe vormgeving voorziet, maar niet als je nog onbewezen technieken wilt gaan inzetten. Dan blijkt je eerste barrière je eigen werk(gever).

Het is geen bijzonder verschijnsel. Als je het ietsje verbreedt, zie je het 'overal'. NWO kent subsidies en beurzen toe; de klacht is dat het een tombola is en dat de mogelijk baanbrekende ideeën niet doordringen omdat ze nog onbewijsbaar zijn. Theatergezelschappen moeten kunnen aantonen hoeveel toeschouwers zij bij een voorstelling, die pas over twee of drie jaar 'staat', verwachten. Of, nog erger, ze moeten zaalgroottes aanvragen in plaats van voorstellingen. Welzijn lijdt er al decennia onder: de aantoondrift. Kwantificeren, benchmarken en protocolleren: termen die van onbegrip voor mensenwerk getuigen. Als een soort van kippedrift gaat bewijsvoering door het land.

De idioterie is dat er wel geld is voor vernieuwing. Maar die is onbereikbaar als je niet aan 'de regels' voldoet. En één van die regels is vaak een uitgebreid bewijsplan. Paradox: geld voor vernieuwing is vooral gericht op status quo.

Inmiddels ben ik zo ver dat ik denk dat we stomweg al die fondsen, overheden, bureaus de rug moeten toekeren en het zelf doen. Je hebt vooral last van bemoeials als je de gebruikelijke wegen naar geld kiest.

Mijn idee is het JA!-fonds.

Eén van de mooiere ontwikkeling van deze tijd is het verschijnsel crowdfunding. Ben ik nog uit de generatie voor wie directe democratie een (ijdele) hoop was; nu is daar plots directe financiën. Wat is er mooier dan dat ík kan kiezen waaraan ik mijn €100 - of meer - besteed? Websites zát waar honderden ideeën staan, die steun zoeken. En als jij en ik daarin iets zien, kunnen wíj dat steunen. Hoezo gemeente? Hoezo bank? Hoezo fonds? Communis opinio!

De variant waarvoor ik pleit, is hierop gebaseerd. Het enige verschil is dat je niet een concreet project steunt, maar een fonds. Een fonds met de nadrukkelijke doelstelling innovaties die niet direct kunnen worden bewezen, te steunen. Het 'Ja, doen we' in plaats van 'Nee, want' of 'Ja, maar'. Idealistisch? Zeker. De inleggers zullen ook idealistisch zíjn en gelóven in (maatschappelijke) projecten in plaats van financiële opbrengst. Het structureren zal nog voeten in aarde hebben. Om misbruik te reduceren zal zo'n fonds moeten worden opgeknipt in kleinere delen met allemaal dezelfde stichtingsdoelen. Kleinere delen maken de verleiding om 'een héél klein beetje te sjoemelen' kleiner.

Mijn droom is dat zo'n JA!-fonds in iedere stad te vinden is. Megalomane landelijke maatschappelijk projecten rieken al naar onzin doordat ze plaatselijke (cultuur)verschillen ontkennen en omdat ze blijkbaar uit gaan van standaardmensen en standaardoplossingen. Die tijd is voorbij. Die projecten moeten stoppen. En dus is een lokale financieringsstroom nodig. Eentje die 'van ons' is. Eentje die 'risico' kan en moet nemen als het gaat om sociale projecten die nog onbewijsbaar zijn. Eentje die niet gek is en zich laat 'misbruiken', maar wel uitgaat van vertrouwen.

Dán laat je de bestaande structuren achter je en stoomt op. Dan heb je geen burgerinitiatief, maar burger(s) met initiatief. Dan hebben we weer meer heft in handen.

dinsdag 27 mei 2014

Waarin noch mensch noch machine heerscht

Het zijn gevaarlijke tijden. Letterlijk.

De idee heeft postgevat dat de turbulente periode waarin we ons bevinden, de overgang markeert van de ene maatschappelijke fase naar een andere. We hebben immers al 'revoluties' meegemaakt: de stoommachine, het wiel, de informatie, de elektriciteit, allemaal zijn het beelden, iconen geworden om de nieuwe grondslag te benoemen. En nu borrelt en bruist het weer. Dus is er vast weer een overstap gaande en is het de vraag waar we zullen uitkomen.

Vraag één is waarom we ergens zóuden moeten uitkomen? Alle revoluties in het verleden verliepen stukken trager. Niet voor niets waarschuwen sociologen al decennia voor het vertekenend effect van de beeldspraak revolutie. Die impliceert een snelle omwenteling. Maar snel ging het niet. Wel ingrijpend.

Dat we op weg zijn naar een nieuwe fase kun je evengoed betwijfelen.

Sinds de laatste grote stap - de komst van het Internet - is er naast de verbondenheid nog iets verandert: de snelheid. Veranderingen, gepland en ongepland, gaan sneller dan ooit en met grotere invloed dan ooit. Het zou best kunnen dat die toenemende snelheid de essentie van de omwenteling is. Da's geen originele observatie. Dat we inmiddels zo snel gaan dat we de controle kwijt raken, is echter wel een verontrustende. Zoals een helling af rennen onvermijdelijk leidt tot je benen voorbij rennen, zo kan ook een samenleving onder druk volledig defragmenteren.

Ik moest er aan denken toen ik vandaag voor de zoveelste keer in het Leidse verkeer moest zijn. Wat een drama: wij, als verkeersdeelnemers. Met name de automobilist is een vreemd wezen. In andere blogposts hier is het terug te vinden: vooral mannen, als zij achter het stuur kruipen transformeren ze. In machtswellustigen. In karakters die zelf onfeilbaar zijn. In rare kwiebussen.

We zijn de controle kwijt, doordat we allemaal denken de controle te hebben (behouden).

Wat dat betreft, lijkt het verkeer wel op wat de samenleving doormaakt. De overeenstemming vermindert. Ook hier is technologie de as waarom dat draait.

Technologie zou het verkeer veiliger moeten maken. Dat lukt alleen als de mens voor honderd procent wordt uitgeschakeld. Nu is er een situatie waarin twee kapiteins een schip besturen. Een situatie waarin noch mens noch machine de baas is.

Zeker autorijden is steeds eenvoudiger geworden. Voor alles bestaat wel een technologische oplossing, van achteruit parkeren tot en met alcoholdetectie en anticiperen. Als bestuurder ben je geneigd te denken dat je het apparaat, en zijn omgeving, beheerst.

Veel verder van de werkelijkheid kun je niet af zitten. De hele dag vinden bijna-ongelukken plaats, véél. Doordat bestuurders zich niet aan regels houden, maar die bedoel ik niet. Wel degene die voertuigbeheersing vereisen: manoeuvreren en parkeren met name. Man, man, hoeveel chauffeurs dat niet meer kunnen en blijkbaar (onbewust) teveel vertrouwen op de auto. Maar de auto doet niet álles. Dan parkeren we dus maar dubbel of op een onmogelijke plaats.

In de statistieken vind je dat maar fractioneel terug. Terwijl de stap naar ongeluk vaak tien centimeter is, of een fractie van een seconde.

Het is, vind ik, een voorbeeld van de invloed van technologie-in-ontwikkeling. Niet dat het verleden per sé beter is. Maar zonder volledige realisatie van 'de toekomst' ontstaat een halfproduct dat vleesch noch visch is. Dat feitelijk vol gevaren zit, doordat sommigen zich teveel richten op wat nog moet komen en anderen niet.

Gevaar moet je leren herkennen; aan de hand van heel basale ervaringen. Fietsen in de regen, zónder paraplu voor je hoofd. Een voertuig parkeren, met slechts twee buitenspiegels. Sjórren aan een stuur, zonder stuurbekrachtiging. Navigeren, zónder navigatie-ondersteuning. Geen piepjes, niets.

Natuurlijk gaat het om de instelling. De toekomst mag mooi lijken; hij ís er nog niet. Er zijn nog kinderziektes te overwinnen. Ook maatschappelijk.

zaterdag 26 april 2014

Leids bedriegertje

Volgens mij staat-i er al zowat een jaar. En al die tijd onopgemerkt, want niemand die hem herstelde.

Tijd in de openbare ruimte: een mooi stel.

In de vorige buurt waar wij woonden, staat een katholieke kerk. Die beiert er lustig op los om ons, omwonenden, op de tijd te wijzen of in pogingen ons naar binnen te lokken voor de verering (Het is dat we dat geluid gewoon zijn waardoor we denken dat moskeeën meer herrie maken dan kerken, maar ik betwijfel dat ten zeerste). Veel belangrijker is echter zijn torenklok.

Sinds een jaar of twee, drie ben ik gestopt met het dragen van een horloge. Niet bepaald een beuwste keuze: het batterijtje raakte leeg, het ding liep niet echt goed meer, ik kon geen leuk nieuw model vinden, en m'n telefoon heeft ook een tijdaanduiding. Einde polshorloge. Hij hoort het toch niet; maar ik mis 'm niet. De smartphone voldoet en op straat weet je op gegeven moment de vast tijdaanwijzers te vinden.

Die van de kerk hierboven is een duivelskind, een onbetrouwbare. Omzettingen naar zomertijd en weer terug wil-i nogal eens te laat doorvoeren. Een paar dágen te laat. In de tijd dat wij binnen zijn bereik woonden, gaf-i er geregeld ook 'gewoon' de brui aan. Dan stond-i plots stil. Ooit was d rolverdeling dat de koster dan de toren in klom - zo beeldde ik me dat, als kind, in - en het mechaniek bijstelde. Híj was de dienaar van de tijd. Inmiddels zal ook hier wel de automatisering zijn intrede hebben gedaan en is 'de computer' de schuldige (en de koster de mens die de procesfout niet opmerkte). Het effect is dat iedereen die de kerk kent, op z'n hoede is. Is dit echt wel de júiste tijd?!

NS kon er ook wat van. In de negentien-twintig jaar dat ik forensde tussen Leiden en Utrecht is dat altijd een bron van verbazing geweest. In het pre-smartphone tijdperk weet de reiziger het verschil in tijd aan zijn eigen onvolkomenheid. Het kon toch niet dat de stationsklokken, die immers centraal worden aangestuurd, het bij het verkeerde eind konden hebben? Je eigen polshorloge was vast weer 's niet opgewonden of had een verse batterij nodig. Met de komst van de smartphone - in mijn geval - is dat ernstig in twijfel getrokken. Die telefoons waren immers mini-computers, die synchroniseerden met nauwkeurige klokken. Al ras bleek dat de stationsklok er vaak naast zat en zo'n één, twee minuten achter liep. Als cynisch geworden treinforens heb ik de NS er vaak van verdacht dat met opzet te doen. Die kleine afwijking wekt wel de indruk dat de nét te late trein netjes op tijd is.

Die synchroniserende apparaten zijn niet per sé geloofwaardig. Je kunt grote of vette vraagtekens plaatsen bij hun betrouwbaarheid. Da's best wel onhandig nu steeds meer mensen zich niet meer baseren op polshorloges. Die, immers, raadpleeg je heel eenvoudig door de pols waaraan het horloge is bevestigd zichtbaar te maken en af te lezen. Je telefoon moet je toch iedere keer uit een zak opvissen, draaien tot je hem goed beet hebt en dan aanzetten. Iedere tijdbron in de openbare ruimte is dan mee genomen. Na verloop van tijd weet je de straatklokken te vinden, de digitale klokken bij tankstations of in de reclameverlichting van winkels, de kerken.

Maar die moeten dan wel betrouwbaar zijn.

Deze hieronder staat in Leiden (Leidenaren moeten kunnen raden wáár). Op de foto staat iets wat niet klopt. Zie jij het?

20140426-162213.jpg

Het is alleen aan deze kant van de straatklok te zien: wat is de tijd die de klok aangeeft?

De EXIF van de foto vermeld dat-i om 15.05 uur is gemaakt. Als je goed kijkt, is dat ook te zien. Het cijfer zes zou loodrecht naar beneden moeten staan. Maar loodrecht naar beneden kom je uit halverwege de vijf en de zes. De cijferplaat is verdraaid. Een ietsiepietsie klein beetje. Dan kunnen de wijzers nog zo de juiste tijd aanwijzen; als de aflezing zo wordt getruct, is het Leids Bedriegertje geboren.

Het lullige: genoeg om iedereen die de binnenstad van Leiden binnen gaat een snelle blik te laten werpen op de tijd en denken "Shit, ik kom te laat!".

zondag 1 december 2013

Kwaliteit managen

Kwaliteitsmedewerkers en -managers: ik blijk er een paar te kennen. Pas geleden zat ik op de tribune van onze geliefde rugbyclub te kijken naar - een toen al niet meer te verliezen - wedstrijd met zo iemand. Ze was in die functie terechtgekomen na ziekte en reorganisatie. Gelukkig was het antwoord bevestigend op de belangrijkste vraag: 'Heb je er plezier in?". Je zal niet de eerste zijn die na een langdurige ziekte geen plek meer heeft en wordt weggepest met een non-functie en -werk.

Kwaliteit is een belangrijk aspect van je werk. Het is een waardering, door anderen geuit, over je werk op punten als esthetiek, vakkundigheid of robuustheid. Kwaliteit zie, hoor of voel je ergens aan af. De verf die strak op je kozijnen zit. De stof die zwaar en stevig aanvoelt. De muziek die de instrumenten uit dánst.

En dan zit ik dus te praten met een kwaliteitsmanager.

Eigenlijk zijn dat vreemde functies. Niet dat het niet goed is dat ze er zijn. Juist wel. De invulling bevreemdt me. Kwaliteitsmedewerkers gáán helemaal niet over kwaliteit, maar over regels en protocollen.

Sterker, mijn idee is dat kwaliteitswerk zich juist níet laat meten met regels en protocollen. Dat is gericht op een minimale basis en manier van werken. Een bedrijf zal zich helemaal níet richten op het overschrijden van die minimale eis, maar juist die minimale eis als richtsnoer gebruiken. Dat immers is winstgevend: het minimum doen waarvoor de klant nog betaalt.

Intern zijn die kwaliteitsmedewerkers nog van enige waarde. Maar al die bedrijven die ermee reclame maken of die benadrukken dat zíj zijn gecertificeerd, vertellen meteen ook dat zij zich minimalistisch opstellen. Zeker ISO-certificaten zijn holle vaten, omdat het grootste deel van het certificatieproces door de beoordeelde zélf wordt gedaan.

Kwaliteit lever je uit liefde voor je product of dienst. Kwaliteit lever je ongeacht de wegen die je ervoor moet bewandelen. Kwaliteit staat op gespannen voet met reglementering.

Kwaliteitsmedewerkers maken duidelijk dat jouw kwaliteit onder druk staat. Blijkbaar heb je beambten nodig die de kwaliteit bewaken. Dat zie ik bij de vakman niet snel gebeuren; bij massa-produktie wel.

Dát is wat kwaliteit dus is: "wij gaan voor het minimum.".

woensdag 25 september 2013

Vaderliefde

Het benieuwdst ben ik eigenlijk naar de titel van deze blogpost. Soms begint het verhaal dáár. Soms moet-i aan het eind de lading zien te dekken. Dit is er zo eentje.

Leiden heeft weer een studentenbelangenbehartigingsorganisatie (jeuj, wát een lang woord): de LSBo. Ik was bij hun lanceringsevenement. Met een heuse hoogleraar en een echte wethouder. Alhoewel niet eens langdurig was er ook een dagvoorzitter ingeschakeld. Serieuzer kan haast niet.

Zo'n organisatie start uiteraard met zo'n officieel moment. Die zijn zelden de moeite waard: de plichtmatige dankwoordjes, het symbolisch geboortegeschenk. Zo'n bijeenkomst is ook niet bedoeld om vooral zwaar serieus te zijn. Het is feest. Er wordt gestart en de beste combinatie is die van kwinkslagen gelardeerd met wat serieus advies.

Dat gebeurde hier ook.

Meestal valt er niet veel nieuws te horen. per slot van rekening is het een feestelijke gebeurtenis. De kwinkslag is net iets belangrijker dan kennisvermeerdering (alhoewel die twee elkaar niet uitsluiten, zoals de professor met zíjn kwinkslagen aantoonde).

In die context is het opvallend wat er werd gezegd. Voor een buitenstaander als ik een wat vreemde gewaarwording. Ik zat erbij, keek ernaar en dacht aan het eind: "Is dit eigen initiatief? Of is het een geregisseerde ontwikkeling? En door wie dan?".

Het gehoor van enkele tientallen studenten, jonge mensen, werd toegesproken door oudere heren. Oudere heren die, afgaand op de amicale aanspreektitel en -toon, elkaar goed kennen.

De hooggeleerde heer deed de veruit grootste duit in de pot. Te vaak kwam de suggestie voorbij dat hij een belangrijke rol heeft gespeeld in de realisatie van dit initiatief. Te groot was het aantal onderwerpen waarvan hij vond dat ze 'moesten worden geadresseerd'. Te veel leken die onderwerpen terug te voeren op politíeke voorkeuren.

Alsof de belangenbehartiging niet zonder heel veel vaderlijk advies aan de studenten zélf kan worden overgelaten.

Nu kún je, zoals gebeurde, daar een grap over maken en vaststellen dat er voldoende werk ligt voor de komende twintig, nee drieëntwintig of zelfs vijfentwintig jaar.

Maar bij mij knaagt nu dus echt het idee: hoe serieus is dit initiatief eigenlijk genomen?

maandag 26 augustus 2013

Aangepaste regels

Daar heb je d'r weer een. Zo'n situatie waarin achteraf iets wordt recht geredeneerd. Achteraf. Dat is het sleutelwoord. Niet of het al dan niet moreel of juridisch verwerpelijk is.

Een deel van Nederland heeft zich verbaasd over wat een oprichter van Alpe d'Huzes deed: geld krijgen uit de opbrengsten. En dat terwijl de stichting die ondermeer hij oprichtte nu juist zo sympathiek oogde vanwege het antistrijkstokbeleid. Ik heb hem zijn verhaal vol verve horen vertellen op een Divosa-congres, een club waar - hoe klein is de wereld - de huidige voorzitter van de stichting werkte. Persoonlijk vond ik het een af en toe over the top verhaal. Gelet op de reacties deelde he gros van de aanwezige sociale dienstmedewerkers die mening niet.

Het heeft inmiddels iets van een verkeersovertreder die een bekeurende politieagent tracht te overtuigen: "Ik reed 150 omdat ik naar een bevalling moet". Dat soort. De rationalisering waarom nu juist jij en jouw situatie een uitzondering op de regel vormen. En, eerlijk gezegd, de eerlijkste die ik ooit op televisie zag, was een man die op een bekakte toon een agent toe beet "wie denk je dat ik ben? Ga toch achtef gewone mensen aan". Eerlijk is eerlijk; hij werd bekeurd.

Die ex post-argumenten kloppen niet vaak, omdat ze een soort van deus ex machina introduceren. Die kennen we allemaal uit de (televisie)detectives waarin de Miss Marple's of Hercule Poirot's onverwacht blijken te beschikken over meer informatie dan jij, de kijker. Dan wordt oplossen vooral een leuk kijkspel.

Het is ook precies wat ik in dit geval zie gebeuren. Een deel van de goegemeente valt over de betaling - "dat zou toch nooit gebeuren?!" - en een deel billijkt het - "de man stak er ongelooflijk veel tijd in". Dat is dus typisch ex post.

Natuurlijk is er veel tijd in gestoken. Vast en zeker is er kans op inkomensderving. Maar de ellende is dat da pas gaandeweg de rit blijkt en dat vóóraf beloften zijn gedaan. Beloften die je gestamd moet doen. Zeker als je actief bent in een circuit dat hoort te zijn gebaseerd op vertrouwen, filantropie en vrijwilligheid. De kleinste aantasting van da vertrouwen, kan desastreuze gevolgen hebben. De directeur van welk fonds kreeg een riant salaris? Met welk effect op de opbrengsten?

Ik snap de vergoeilijkers dan ook niet. Dat de man er veel in stak en inkomsten mis liep, akkoord. Maar zouden er elders in de organisatie niet óók vrijwilligers zijn die in die situatie zijn terecht gekomen? Die veel, té veel, tijd staken in de actie? Die daardoor in een gevarenzône terecht kwamen? Of is dat iets wat uitsluitend hogere echelons kan overkomen?

Haast beledigend voor de vrijwilligers zijn degenen die menen dat het allemaal zo'n vaart niet loopt want de man "haalde miljoenen binnen en in relatie daartoe is dit niks". Wíe haalde die miljoenen op? Wíe putte zich uit? Ik moet bekennen dat ik de indruk had dat dat werd gedaan door een gróep mensen.

En dan is er nog de reactie dat het aansturen en leiding geven aan zo'n organisatie een dergelijke beloning rechtvaardigen. Degene die dat meent, heeft werkelijk níets begrepen van de ophef over salarissen de afgelopen vijf jaar. Die denkt dat de graaicultuur mag blijven bestaan, onder het mom dat men 'er recht op heeft'. Dat recht bestáát niet. Het is een poging ons een illusie op te dringen.

Wat mij betreft, valt er niets goed te praten. Voor mij is dit een graaier.

Niet omdat hij niet hard werkte en veel deed. Wel omdat hij zichzelf een uitzonderingspositie toebedeelde en daarmee zijn eigen beloftes brak. Daarom is het iemand wiens woord mij geen stuiver meer waard is.

En het bestuur dan? Weet je. Dat is een goede vraag. Jezelf verschuilen achter 'wij wisten het niet' en tegelijk aangeven dat er 'stevige discussies' zijn gevoerd; wel de organisatie 'professionaliseren' door een nieuwe structuur - met betáálde mensen?! - en niet de mentaliteit: ach, het heet bestuur. Mijn indruk is dat dat evenveel boter op het hoofd heeft.

Hemelbestormers en wereldverbeteraars; op een gegeven moment stijgen ze zo ver op dat de zon hun vleugels er af doet vallen.

maandag 6 mei 2013

Kortetermijn houtrot

Vandaag openbaarde zich weer eens een plek rot hout. Met dank aan de gemeente Leiden, die jaren her van mening was dat hardhout moest worden uitgebannen uit de stad.

De politiek en maatschappelijk correcte mening is uiteraard dat je activiteiten geen onnodige belasting voor de planeet met zich moeten brengen. Bewust(er) bezig zijn, is nooit weg. De tijd waarin de bomen tot in de hemel leken te groeien, is voorbij. Daarin speelt gelukkig de recessie niet eens een bepalende rol. De discussies over conserveringsmiddelen in tuinhekjeshout, over teakhouten eenjaarstuintafels en over onkruidbestrijding zijn al veel eerder gestart en gevoerd.

Maar eerlijk gezegd, verkeerd.

Ik heb grote problemen met de manier waarop we zulke afwegingen aanvliegen. Het idee fixe van marktwerking wordt ontmaskerd doordat de beslissingen worden overgelaten aan mensen die die beslissing niet kúnnen nemen. Niet omdat ze zo dom zijn, maar stomweg omdat ze de consequenties niet kunnen overzien. Het is aan een centrale instantie, een overheid, om dat overzicht te hebben en te bewaken wat is afgesproken. In een land als Nederland verwacht ik dan dat een overheid zorgdraagt voor een keuze uit goede en verantwoorde producten.

Dat is regelrecht in tegenspraak met marktwerking. Da's ook de bedoeling. Want die 'marktwerking' is niet veel anders dan de ongelijke confrontatie tussen fabrikantenclaims en consumentenportemonnees. En daaroverheen dan de saus die alles eetbaar moet maken: 'maar de consument is toch mans genoeg om te kiezen?!'.

Nee!

Toch is een overheid geen garantie op succes. Alle - meer dan 150 - schuifpuien hier in de wijk bewijzen het. Ze rotten onder je ogen weg.

Leiden is jaren terug aan de slag gegaan met millieu. En terecht. Onkruidbestrijding werd plots gedaan met borstelwagens en wegbrandmachines. Slootbeschoeiingen werden gemaakt van herbruikt plastic (of rubber?!). Voor zover ik weet, is dat deels succesvol gebleken. Inmiddels is een aanpak ontstaan die veel meer uitgaat van zoeken naar balans en naar aanpak van oorzaken in plaats van uitwassen. Niet al het onkruid wordt als onkruid ervaren. Niet alle loze vierkante meters grond moeten onkruidvrij zijn; bewoners kunnen er ook onderhoud aan plegen (en sier-onkruid planten).

Maar met het hardhout ging het anders dan gedacht.

De wijk waarin ik woon, is in de jaren tweeduizend gebouwd. "wildwest" was de typering van één van de bouwers over die tijd en projecten als dit. In die bouw mocht geen hardhout worden gebruikt. En dus hebben we hier alles uitgevoerd in vuren. Of, zoals een medewerker van die bouwer zei, "waaibomenhout". En rotten de kozijnen, puien en deuren onder onze ogen weg.

20130506-192720.jpg

Met als bizar effect dat de milieuvriendelijk bedoelde keuze voor niet-hardhout leidde tot een enorme milieubelasting. Als je ziet hoeveel houtrotstopper en houtrotvuller is gebruikt in de wijk, dan heb je een indicatie. Mocht die strijd uiteindelijk worden opgegeven, dan komt er een nieuw kozijn, pui of deur: van kunststof of .... hardhout. Want Leiden is tot inkeer gekomen en staat nu wel hardhout toe. Mits goedgekeurd.

Daarvoor vertrouw je dan maar op 'de overheid'. Of dat terecht is? Eerlijk gezegd, weet ik dat zo net nog niet.

vrijdag 1 maart 2013

Het eind van Het Nieuwe Werken


Ze hebben het allemaal natuurlijk allang voorspeld: dat <a href="http://het-nieuwe-werken.startpagina.nl/">Nieuwe Werken</a> kón niet lukken. Dat idee dat mensen lokatie- en tijd-onafhankelijk productiever zouden zijn dan gewoon iedere werkdag op vastgestelde tijden op kantoor verschijnen. En nu bewijst een internetbegrip als Yahoo dat dat inderdaad ook niet kan. De nieuwe topman, sorry -vrouw, van het bedrijf verordonneerde dat medewerkers zich ook op geregelde tijden op kantoor laten zien.

<a href="http://allthingsd.com/20130225/survey-says-despite-yahoo-ban-most-tech-companies-support-work-from-home-for-employees/">AllThingsD </a>(Wall Street Journal) stuitte op dit interne memo van Yahoo-topvrouw Marissa Meyer en bracht het van de week naar buiten:

<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2013/02/photo-28-02-13-18-07-50.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2013/02/photo-28-02-13-18-07-50.jpg?w=300" alt="Photo 28-02-13 18 07 50" width="300" height="287" class="alignnone size-medium wp-image-3513" /></a>

Het verhaal laat zich raden. Yahoo - een bedrijf onder druk - probeert vereende krachten te verzamelen en op die manier (weer) een positie in de kopgroep van het veld te verwerven. Dan heb je dus weer sprankelende ideeën nodig. Die krijg je niet als mensen elkaar te weinig zien. Die werkwijze past goed bij solistisch werk, maar niet bij groepswerk. Logisch, toch?

In het kielzog van Yahoo zag je de afgelopen week meer directeuren, voorzitters van raden van bestuur én hun medewerkers ineens <a href="http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/detail/3400832/2013/02/27/Nine-to-five-en-dan-de-kroeg-in-dat-is-zo-slecht-nog-niet.dhtml">'uit de kast'</a> komen over Het Nieuwe Werken. Opvallend genoeg bleken de medewerkers vooral problemen te hebben met het gevoel buiten de organisatie en vooral buiten de bedrijfspolitiek te staan. Zorgen, dus, over de kansen op promotie en zorgen over dat beroemd-beruchte 'witte voetje bij de baas'.

En dus is het aftakeling van Het Nieuwe Werken ingezet.

Níet. Vind ik.

Want het is behoorlijk inflattoir dat begrip Het Nieuwe Werken. Inmiddels lijkt het zo dat alle thuiswerk-activiteit onder Het Nieuwe Werken wordt geschaard. Ook wordt het concept ge- en misbruikt om flexibeler kantoorgebruik te rechtvaardigen. Dat dat, heel toevallig, ook leidt tot flexibeler, lees: kwantitatief beperktere, kantoorinrichting, is mooi meegenomen in deze tijden van economisch zwaar weer.

Het Nieuwe Werken is echter iets heel anders.

Niet dat ik pretendeer dé of een definitie te hebben van Het Nieuwe Werken, wil ik wel een poging wagen de geest ervan te benoemen. Die zou wat mij betreft moeten zijn dat niet het wérken centraal staat, maar de atmosfeer, de cultuur, de omgeving. Het Nieuwe Werken is werken in een veilige omgeving. Die omgeving voelt als thuis, net zo veilig en net zo flexibel. Dát is Het Nieuwe Werken: je thuisvoelen.

Thuis is vooral een kwestie van geborgenheid. Dat is een kernbegrip in het Nieuwe Denken, zoals ik dat maar ven noem. Onder verschillende namen en in verschillende gedaanten en variaties zie je het terug: in de idee van een <em>tribe</em>, in de nieuwe organisatievormen, in verdienmodellen op basis van 'geven, en later innen', in begrippen als gunfactor.

Dat is wat veel ondernemers die 'aan Het Nieuwe Werken beginnen' niet snappen. Het Nieuwe Werken is geen kunstje met laptops, mobiele telefoons of thuiswerkplekken. Het Nieuwe Werken is ontastbaar.

Het Nieuwe Werken is niet ontstaan binnen grote, bestaande bedrijven. De eerste aanzetten komen heel ergens anders vandaan; uit de wereld van de kleine, beginnende bedrijven. De ondernemers die, niet per sé zelf gekózen, samenhokten en later huisvesting vonden in omgevingen als Seats2Meet. Dát is het begin: mensen die hun eigen ding deden, maar ook aanspraak zochten. Die gelijkgestemden klonterden in nieuwe vormen van bedrijfsvoering.

Voor mij is er ook reden aan te nemen dat grote bedrijven niet aan Het Nieuwe Werken kúnnen doen anders dan de cosmetische versie. Kom maar op. Eén van de problemen waar grote bedrijven mee worstelen, is nu juist die samenhangende cultuur, is nu juist (het ontbreken van) geborgenheid. Hoe identificeer je je met een werkgever die slechts een losvaste relatie met jou heeft? Vergis je niet: dát is wel een verschil met (ooit) bijvoorbeeld PTT. Dat bedrijf had een levenslange relatie met personeel en personeel vond zichzelf lid van de postfamilie.

In een groot bedrijf één samenhangende cultuur bewerkstelligen eist nogal wat. Een gemiddeld bedrijf gaat niet doen wat bijvoorbeeld Apple doet: hoe je het wendt of keert een stevig gesloten (angst)cultuur scheppen. Het Nieuwe Werken maakt iets anders noodzakelijk: een huiselijke sfeer bijna. Dat betekent dat werk en privé minder strikt zijn gescheiden. Dat is niet hetzelfde als de geslepen directeur die slinks meer arbeidsuren te krijgen door te stellen "dat we hier geen negen tot vijf-mentaliteit hebben". De kans is groot dat dat gewoon ouderwetse uitbuiting is. In Het Nieuwe Werken is er oprechte interesse.

Gaat Het Nieuwe Werken het redden? Da's dus een heel lastige.

In de meeste bedrijven is het inmiddels al zo gedevalueerd tot synoniem voor slechtere arbeidsomstandigheden en klassiek thuiswerken dat de kansen op cultuuraanpassing gering zijn. Die kansen zijn er wel bij de startende ondernemers: de eenpersoons tot max. vijfpersoons bedrijven om de schaalgrootte te bepalen. Maar veel essentiëler is de opstelling van íedereen in die onderneming. Het Nieuwe Werken lukt alleen als iedereen ook het idee heeft volwaardig deel te nemen. Ik geloof er niets van dat de huidige generatie leidinggevende daartoe in staat is. Ook van de nieuwe ondernemers zal een deel door de mand vallen als het bedrijf groeit: dan ontpopt zich de klassieke directieve directeur.

Maar zolang we onze startende ondernemers koesteren - zeker de idealistische - is er hoop op verandering. Die tegenkracht is alleen maar positief.

In afwachting van die ontwikkelingen moeten we maar accepteren dat Het Nieuwe Werken devalueert en dat met name overheden nog steeds denken dat 'programma's' en 'plannen van (huisvestings)eisen' zoden aan de dijk zetten. Dat doen ze níet!