Een typisch stadsjongetje was het, vind ik. Z'n ouders leken dat ook te vinden; haar dat halflang, donkerblond en met gekrulde lokken wordt gedragen. Een stijl die je zomaar ook in Wassenaar aantreft als statement voor vrije geesten. Dit jochie had iets van Pietje Bell; alsof-i net ijs had gegeten en met de kring gesmolten chocolade-ijs om z'n mond was weg gegaan. Geen tijd om schoon te maken.
Hij zal iets van elf jaar zijn: een jochie op een fiets die nog nét een slag te groot is. "Op de groei gekocht". Zo eentje waar je wel goed op kunt fietsen, maar waar je met moeite opstapt. Je kunt er wel al net zo hard mee als op een 'echte fiets'. Het meest lijkt het op zo'n servet-tafellaken-situatie: het een niet meer, het andere nog niet.
Hij moest de straat oversteken, vlak nadat de spoorwegovergang open was gegaan. Dan heb je even meer verkeer door die straat. De verkeersgolf was al voorbij. En dan zie je plots een jochie van een jaar of elf oversteken. Zo'n beeld dat je tientallen keren kunt zien.
Het was niet het jochies uiterlijk of z'n fiets die me frappeerden, maar z'n alertheid. Een echt stadskind dat weet wat een stad ís. Het is een soort toegevoegde laag. Een laag die je eigenlijk pas herkent als je een vergelijkbaar kind uit 'een dorp' ernaast zet. Je kunt het streetwise noemen, maar persoonljk vind ik dat teveel het schoffieskarakter benadrukken. Het is veel meer een kind dat qua ervaring verder is dan de kinderwereld, meer op de hoogte van de echte wereld en z'n gevaren. Dat wil niet zeggen dat die kinderwereld er niet meer is.
Het deed me denken aan m'n eigen verhuizing uit de stad naar een dorp. De afkeurende opmerkingen over taalgebruik: meer dan vijftig jaar later weet je nog steeds dat die zijn gemaakt. Maar ook mijn eigen beeld van het dorp: waar ze ietwat simpel leken te zijn.
In de honderd meter dat-i voor me fietste, flitste dat door me heen. Bij iedere beweging die hij met z'n grote fiets maakte, keek-i goed om zich heen. In tegenstelling tot heel wat volwassenen passeerde hij geen andere fietsers zonder eerst om te kijken. Aan de manier waarop-i dat deed, zag je dat-i goed wist wat (verkeers)gevaar is.
Net op het moment dat ik dacht "die red het wel in de wereld" reed-i rechtdoor waar de weg rechtsaf ging. Zonder z'n hand uit te steken. Op één van de gevaarlijkste plekken die Leiden kent. Er was geen auto te zien, da's waar.
Elders in de stad heb je meer van die plekken, waarbij doorgaand verkeer feitelijk een bocht maakt maar wel voorrang heeft. Als je daar rechtdoor wilt, is het best link. Je slaat af en staat 'tegen de weghelft opgesteld'. Het voelt alsof je een stilstaand doelwit bent.
's Middags dacht ik dat iemand dat doelwit letterlijk opvatten. Op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer en een meter of twee ná de bocht stond een man. "Die is gek", denk je dan, "want een automobilist zal je nét te laat zien.". Daar ga je toch niet staan?
Het was nog gekker. De reden dat de man daar stilstond, stond naast hem. Een hond, zo groot als een veel te dikke big, die nodig moest en had besloten dat dáár te doen. En dan heb je weer zo'n beeld: een dikke bulldogteef die gehurkt haar plasje doet midden op de rijbaan en een baas aan het lijntje die er met z'n grijze haar en grijze snor schaapachtig bij staat te grimassen. Een volslagen zot beeld.
De man ademde met z'n grimas ook iets uit van 'ik kan er ook niets aan doen'. De tien kilo vlees bepaalde blijkbaar wat er gebeurde. Op een weg die, als honderd meter verderop het verkeerslicht groen zou geven, vol zou lopen met auto's.
Het jochie. De man. De stad.
Posts tonen met het label verkeer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verkeer. Alle posts tonen
woensdag 10 september 2014
dinsdag 2 september 2014
De valse Nederlandse volksaard
Het zal me een worst zijn hoe jij je in het verkeer gedraagt, zolang ik (wij) er geen last van heb. Da's, denk ik, mijn grondhouding.
Het komt er op neer dat ik naar regels kijk als instrumenten om een geschil te beslechten. Rode stoplichten zijn onzinnig op wegen waar ('s avonds bij voorbeeld) in geen velden of wegen ander verkeer is te bekennen. Het is betwistbaar of je daar dan voor moet stoppen 'omdat de regel nu eenmaal zo is'. Maar áls er iets misgaat, ben je wel de lul als je daar door rood reed.
Hoe drukker, hoe belangrijker hoe jíj met regels om gaat. Rood licht negeren, is dáár vragen om problemen. En recht op het aanstormende verkeer in een eenrichtingstraat af rijden, verdient ook geen schoonheidsprijs. Die leveren conflicten op, die je subiet verliest.
In dat kader heb ik met verbazing gekeken naar fietsers in (oost-)Berlijn. Die nemen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, de stoepen, zwenkend tussen voetgangers. Ik heb me laten vertellen dat het een overblijfsel is uit de pre-fietsperiode. De brede wegen waren voor de tram, bus en auto. Op de trottoirs is dat nog terug te zien in de vorm van de bestrating: veel stoepen hebben een centrale strook van afwijkend materiaal. Dat schijnt fietspad aan te duiden. En dus rijdt iedereen - bíjna iedereen - over de stoep. Vooral het 'tegen het verkeer in fietsen' is populair.
Op de weg fietsen doen minder mensen. En dat terwijl de wegen eigenlijk gewoon geschikt zijn, zowel oost als west en zowel de drukke als de stille. Dat neemt niet weg dat een 'tegengestelde stoepfietser' ons toebeet 'Primitiven' te zijn. Terwijl het toch echt fietsstrook was.
Hoe kan het dat die enorme stad op die manier met fietsers omgaat? Wij hebben er hier concepten voor nodig; zoals shared spaces.
Vandaag dacht ik het te zien. De Berlijners accepteren de fietsers. Dat is één. Maar belangrijker: beide respecteren elkaar. Eigenlijk heb ik geen enkele van de tientallen ontmoetingen gezien dat de voetganger níet opzij ging voor de stoepfietsers, heb ik geen enkele keer gezien dat de stoepfietser zijn weg af dwong of heb ik gezien dat beide elkaar stonden verrot te schelden.
Vandaag zag ik met andere ogen ons Nederlands gedrag. Da's anders, in zijn bedoeling. De Nederlandse verkeersdeelnemer lijkt uit te gaan van superioriteit, de zijne. Ik wil die kant op, jij gaat maar opzij. Oók fietsers doen daaraan volop mee. Tegenfietsers zijn eerder provocateurs of spelers van chicken games. In elk geval zijn het geen coöperatieve type-jes.
Wij negeren regels in volledig en uitsluitend eigenbelang. Het is frappant te zien hoe Nederlanders in staat zijn anderen in problemen te brengen zolang zíj maar veilig zijn.
Nederland is o zo trots op z'n open samenleving, onze volksaard. Dat dat 'open' feitelijk zou moeten worden vervangen door het veel terechtere 'onverschillig' werd voor mij (weer) bewezen, in Berlijn deze keer. Want in het land dat bekend staat om z'n Gründlichkeit en het misbruikte Befehl ist Befehl, blijkt men véél socialer en volwassener te zijn dan hier.
Blijkbaar is het voor Nederlanders noodzakelijker regels en scheidsrechters te hebben.
Het komt er op neer dat ik naar regels kijk als instrumenten om een geschil te beslechten. Rode stoplichten zijn onzinnig op wegen waar ('s avonds bij voorbeeld) in geen velden of wegen ander verkeer is te bekennen. Het is betwistbaar of je daar dan voor moet stoppen 'omdat de regel nu eenmaal zo is'. Maar áls er iets misgaat, ben je wel de lul als je daar door rood reed.
Hoe drukker, hoe belangrijker hoe jíj met regels om gaat. Rood licht negeren, is dáár vragen om problemen. En recht op het aanstormende verkeer in een eenrichtingstraat af rijden, verdient ook geen schoonheidsprijs. Die leveren conflicten op, die je subiet verliest.
In dat kader heb ik met verbazing gekeken naar fietsers in (oost-)Berlijn. Die nemen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, de stoepen, zwenkend tussen voetgangers. Ik heb me laten vertellen dat het een overblijfsel is uit de pre-fietsperiode. De brede wegen waren voor de tram, bus en auto. Op de trottoirs is dat nog terug te zien in de vorm van de bestrating: veel stoepen hebben een centrale strook van afwijkend materiaal. Dat schijnt fietspad aan te duiden. En dus rijdt iedereen - bíjna iedereen - over de stoep. Vooral het 'tegen het verkeer in fietsen' is populair.
Op de weg fietsen doen minder mensen. En dat terwijl de wegen eigenlijk gewoon geschikt zijn, zowel oost als west en zowel de drukke als de stille. Dat neemt niet weg dat een 'tegengestelde stoepfietser' ons toebeet 'Primitiven' te zijn. Terwijl het toch echt fietsstrook was.
Hoe kan het dat die enorme stad op die manier met fietsers omgaat? Wij hebben er hier concepten voor nodig; zoals shared spaces.
Vandaag dacht ik het te zien. De Berlijners accepteren de fietsers. Dat is één. Maar belangrijker: beide respecteren elkaar. Eigenlijk heb ik geen enkele van de tientallen ontmoetingen gezien dat de voetganger níet opzij ging voor de stoepfietsers, heb ik geen enkele keer gezien dat de stoepfietser zijn weg af dwong of heb ik gezien dat beide elkaar stonden verrot te schelden.
Vandaag zag ik met andere ogen ons Nederlands gedrag. Da's anders, in zijn bedoeling. De Nederlandse verkeersdeelnemer lijkt uit te gaan van superioriteit, de zijne. Ik wil die kant op, jij gaat maar opzij. Oók fietsers doen daaraan volop mee. Tegenfietsers zijn eerder provocateurs of spelers van chicken games. In elk geval zijn het geen coöperatieve type-jes.
Wij negeren regels in volledig en uitsluitend eigenbelang. Het is frappant te zien hoe Nederlanders in staat zijn anderen in problemen te brengen zolang zíj maar veilig zijn.
Nederland is o zo trots op z'n open samenleving, onze volksaard. Dat dat 'open' feitelijk zou moeten worden vervangen door het veel terechtere 'onverschillig' werd voor mij (weer) bewezen, in Berlijn deze keer. Want in het land dat bekend staat om z'n Gründlichkeit en het misbruikte Befehl ist Befehl, blijkt men véél socialer en volwassener te zijn dan hier.
Blijkbaar is het voor Nederlanders noodzakelijker regels en scheidsrechters te hebben.
Labels:
Berlijn,
egocentrisch,
fietsen,
handhaving,
landsaard,
oordelen,
politie,
regels,
sociaal,
verkeer
dinsdag 27 mei 2014
Waarin noch mensch noch machine heerscht
Het zijn gevaarlijke tijden. Letterlijk.
De idee heeft postgevat dat de turbulente periode waarin we ons bevinden, de overgang markeert van de ene maatschappelijke fase naar een andere. We hebben immers al 'revoluties' meegemaakt: de stoommachine, het wiel, de informatie, de elektriciteit, allemaal zijn het beelden, iconen geworden om de nieuwe grondslag te benoemen. En nu borrelt en bruist het weer. Dus is er vast weer een overstap gaande en is het de vraag waar we zullen uitkomen.
Vraag één is waarom we ergens zóuden moeten uitkomen? Alle revoluties in het verleden verliepen stukken trager. Niet voor niets waarschuwen sociologen al decennia voor het vertekenend effect van de beeldspraak revolutie. Die impliceert een snelle omwenteling. Maar snel ging het niet. Wel ingrijpend.
Dat we op weg zijn naar een nieuwe fase kun je evengoed betwijfelen.
Sinds de laatste grote stap - de komst van het Internet - is er naast de verbondenheid nog iets verandert: de snelheid. Veranderingen, gepland en ongepland, gaan sneller dan ooit en met grotere invloed dan ooit. Het zou best kunnen dat die toenemende snelheid de essentie van de omwenteling is. Da's geen originele observatie. Dat we inmiddels zo snel gaan dat we de controle kwijt raken, is echter wel een verontrustende. Zoals een helling af rennen onvermijdelijk leidt tot je benen voorbij rennen, zo kan ook een samenleving onder druk volledig defragmenteren.
Ik moest er aan denken toen ik vandaag voor de zoveelste keer in het Leidse verkeer moest zijn. Wat een drama: wij, als verkeersdeelnemers. Met name de automobilist is een vreemd wezen. In andere blogposts hier is het terug te vinden: vooral mannen, als zij achter het stuur kruipen transformeren ze. In machtswellustigen. In karakters die zelf onfeilbaar zijn. In rare kwiebussen.
We zijn de controle kwijt, doordat we allemaal denken de controle te hebben (behouden).
Wat dat betreft, lijkt het verkeer wel op wat de samenleving doormaakt. De overeenstemming vermindert. Ook hier is technologie de as waarom dat draait.
Technologie zou het verkeer veiliger moeten maken. Dat lukt alleen als de mens voor honderd procent wordt uitgeschakeld. Nu is er een situatie waarin twee kapiteins een schip besturen. Een situatie waarin noch mens noch machine de baas is.
Zeker autorijden is steeds eenvoudiger geworden. Voor alles bestaat wel een technologische oplossing, van achteruit parkeren tot en met alcoholdetectie en anticiperen. Als bestuurder ben je geneigd te denken dat je het apparaat, en zijn omgeving, beheerst.
Veel verder van de werkelijkheid kun je niet af zitten. De hele dag vinden bijna-ongelukken plaats, véél. Doordat bestuurders zich niet aan regels houden, maar die bedoel ik niet. Wel degene die voertuigbeheersing vereisen: manoeuvreren en parkeren met name. Man, man, hoeveel chauffeurs dat niet meer kunnen en blijkbaar (onbewust) teveel vertrouwen op de auto. Maar de auto doet niet álles. Dan parkeren we dus maar dubbel of op een onmogelijke plaats.
In de statistieken vind je dat maar fractioneel terug. Terwijl de stap naar ongeluk vaak tien centimeter is, of een fractie van een seconde.
Het is, vind ik, een voorbeeld van de invloed van technologie-in-ontwikkeling. Niet dat het verleden per sé beter is. Maar zonder volledige realisatie van 'de toekomst' ontstaat een halfproduct dat vleesch noch visch is. Dat feitelijk vol gevaren zit, doordat sommigen zich teveel richten op wat nog moet komen en anderen niet.
Gevaar moet je leren herkennen; aan de hand van heel basale ervaringen. Fietsen in de regen, zónder paraplu voor je hoofd. Een voertuig parkeren, met slechts twee buitenspiegels. Sjórren aan een stuur, zonder stuurbekrachtiging. Navigeren, zónder navigatie-ondersteuning. Geen piepjes, niets.
Natuurlijk gaat het om de instelling. De toekomst mag mooi lijken; hij ís er nog niet. Er zijn nog kinderziektes te overwinnen. Ook maatschappelijk.
De idee heeft postgevat dat de turbulente periode waarin we ons bevinden, de overgang markeert van de ene maatschappelijke fase naar een andere. We hebben immers al 'revoluties' meegemaakt: de stoommachine, het wiel, de informatie, de elektriciteit, allemaal zijn het beelden, iconen geworden om de nieuwe grondslag te benoemen. En nu borrelt en bruist het weer. Dus is er vast weer een overstap gaande en is het de vraag waar we zullen uitkomen.
Vraag één is waarom we ergens zóuden moeten uitkomen? Alle revoluties in het verleden verliepen stukken trager. Niet voor niets waarschuwen sociologen al decennia voor het vertekenend effect van de beeldspraak revolutie. Die impliceert een snelle omwenteling. Maar snel ging het niet. Wel ingrijpend.
Dat we op weg zijn naar een nieuwe fase kun je evengoed betwijfelen.
Sinds de laatste grote stap - de komst van het Internet - is er naast de verbondenheid nog iets verandert: de snelheid. Veranderingen, gepland en ongepland, gaan sneller dan ooit en met grotere invloed dan ooit. Het zou best kunnen dat die toenemende snelheid de essentie van de omwenteling is. Da's geen originele observatie. Dat we inmiddels zo snel gaan dat we de controle kwijt raken, is echter wel een verontrustende. Zoals een helling af rennen onvermijdelijk leidt tot je benen voorbij rennen, zo kan ook een samenleving onder druk volledig defragmenteren.
Ik moest er aan denken toen ik vandaag voor de zoveelste keer in het Leidse verkeer moest zijn. Wat een drama: wij, als verkeersdeelnemers. Met name de automobilist is een vreemd wezen. In andere blogposts hier is het terug te vinden: vooral mannen, als zij achter het stuur kruipen transformeren ze. In machtswellustigen. In karakters die zelf onfeilbaar zijn. In rare kwiebussen.
We zijn de controle kwijt, doordat we allemaal denken de controle te hebben (behouden).
Wat dat betreft, lijkt het verkeer wel op wat de samenleving doormaakt. De overeenstemming vermindert. Ook hier is technologie de as waarom dat draait.
Technologie zou het verkeer veiliger moeten maken. Dat lukt alleen als de mens voor honderd procent wordt uitgeschakeld. Nu is er een situatie waarin twee kapiteins een schip besturen. Een situatie waarin noch mens noch machine de baas is.
Zeker autorijden is steeds eenvoudiger geworden. Voor alles bestaat wel een technologische oplossing, van achteruit parkeren tot en met alcoholdetectie en anticiperen. Als bestuurder ben je geneigd te denken dat je het apparaat, en zijn omgeving, beheerst.
Veel verder van de werkelijkheid kun je niet af zitten. De hele dag vinden bijna-ongelukken plaats, véél. Doordat bestuurders zich niet aan regels houden, maar die bedoel ik niet. Wel degene die voertuigbeheersing vereisen: manoeuvreren en parkeren met name. Man, man, hoeveel chauffeurs dat niet meer kunnen en blijkbaar (onbewust) teveel vertrouwen op de auto. Maar de auto doet niet álles. Dan parkeren we dus maar dubbel of op een onmogelijke plaats.
In de statistieken vind je dat maar fractioneel terug. Terwijl de stap naar ongeluk vaak tien centimeter is, of een fractie van een seconde.
Het is, vind ik, een voorbeeld van de invloed van technologie-in-ontwikkeling. Niet dat het verleden per sé beter is. Maar zonder volledige realisatie van 'de toekomst' ontstaat een halfproduct dat vleesch noch visch is. Dat feitelijk vol gevaren zit, doordat sommigen zich teveel richten op wat nog moet komen en anderen niet.
Gevaar moet je leren herkennen; aan de hand van heel basale ervaringen. Fietsen in de regen, zónder paraplu voor je hoofd. Een voertuig parkeren, met slechts twee buitenspiegels. Sjórren aan een stuur, zonder stuurbekrachtiging. Navigeren, zónder navigatie-ondersteuning. Geen piepjes, niets.
Natuurlijk gaat het om de instelling. De toekomst mag mooi lijken; hij ís er nog niet. Er zijn nog kinderziektes te overwinnen. Ook maatschappelijk.
donderdag 10 oktober 2013
Storm?!
In eerste instantie dacht ik: "Zijn we gek geworden?". Maar in tweede instantie, een seconde later, schoten me de woorden van oudere mensen te binnen: "Als de kinderen zo onrustig zijn, is er storm op komst.". Zou dat ook voor slechter weer gelden? In dat geval kloppen beide.
Ik heb het al 's eerder geschreven: de samenleving versneld én vertraagd. Da's een niet mis te verstaan probleem voor de toekomst; niks 'uitdaging'.
Enerzijds gaan technologische ontwikkelingen steeds sneller, gaan veranderingen die dat voortbrengt steeds sneller, wordt de hoeveelheid informatie met de seconden groter, wordt de kennis die je nodig hebt om 'samen te leven' steeds groter.
En tegelijk worden steeds meer mensen langzamer, worden steeds meer mensen gebrekkiger, zoeken steeds meer mensen houvast.
Waardoor? Door de versnelling die nu eenmaal het gevolg is van onze economische principes, en het biologische gegeven dat we steeds ouder (kunnen) worden. Dat wringt.
Vandaag was weer eens zo'n dag waarop ik dacht: "Wat als jíj oud zou zijn?". Zo'n dag met van die kleine akkefietjes die meestal onopgemerkt door je waarneming schieten. Van die momenten dat je even zou kunnen denken: "Als we meer ouderen hebben, gaan we dit dus veel meer meemaken.".
Zo'n bus met rolstoellift bijvoorbeeld. Die moet bij voorkeur vlak staan. Dan struikelt er niemand bij het op- of afstappen en dan wringt het platform ook niet. Als ik vandaag bij de flat van een hoogbejaarde slecht ter been zijnde dame aankom, staan er twéé auto's asociaal dubbel geparkeerd. Daardoor moet de bus, achteruit stekend, heel scheef aanrijden. Het gevolg? Dat iemand van 95 meer risico moet nemen omdat iemand van een jaar of 25 te beroerd is om zich aan regels te houden.
Hoezo, 25? Dat is mijn schatting, want de chauffeur en bijrijder stapten net uit toen ik achteruit stak. Tja, die heb ik in onvervalst Nederlands en woede duidelijk gemaakt dat door hun gedrag nu een oude dame risico moest nemen. Jammer genoeg zei m'n bijrijder toen hij terugkwam dat het volgens hem Polen waren die geen woord hadden begrepen van wat ik zei.
Die bussen zijn een bron van inspiratie om je druk te maken over verkeersgedrag. Maak je borst maar nat, als je je eraan ergert dat die busjes behoedzaam verkeersdrempels en andere obstakels in de weg nemen. Het worden er alleen maar meer. En ook de scootmobiel en de trage chauffeur gaan in aantallen toenemen.
Niet dat dat sommigen ervan weerhoudt dergelijke busjes over de tegenliggerbaan links in te halen, het doodnormaal te vinden dat je van stoplicht naar stoplicht rijdt op basis van een noodstop'techniek' of elkaar proberen op te jutten door te kleven.
Die mensen zullen me worst wezen. Ze doen maar. Het kost hén hartkloppingen, hoge bloeddruk en een hoog benzineverbruik. O, en wellicht tien-twaalf seconden tijdwinst.
Belangrijker is weer die spanning tussen haast en kalmte. Want als er steeds meer langzamen gaan komen; gaan die levensgevaarlijk rijdende snellen dan langzamer? Of blijven ze menen werkelijk béter te zijn in het verkeer?
Leiden voert een op papier goed beleid voor langzaam verkeer. Bij vrij veel stoplichten krijgt langzaam verkeer een groot vak vooraan; ook vóór de eerste wachtende auto.
Jammer genoeg bestaat er een soort bestuurder op wie die situatie als een rode lap werkt. Of, zoals vandaag, gewoon niet eens zíen dat dat vlak is aangebracht. Hoppa, we duwen die fietsers gewoon opzij. En een scootmobiel ook. Net zo makkelijk.
Zoals ik zei: het gaat niet om het niet naleven van verkeersregels. Het gaat me om het conflicterende van snel en langzaam. Dat wordt echt een dingetje, waarvoor we oplossingen nodig zullen hebben.
En die zullen echt niet alleen in de techniek moeten worden gevonden. Het is een vooral een kwestie van mentaliteit. Zoals bij veel volkeren respect voor ouderen een groot goed is, zo zullen wij dat ook moeten zien terug te vinden.
Ik heb het al 's eerder geschreven: de samenleving versneld én vertraagd. Da's een niet mis te verstaan probleem voor de toekomst; niks 'uitdaging'.
Enerzijds gaan technologische ontwikkelingen steeds sneller, gaan veranderingen die dat voortbrengt steeds sneller, wordt de hoeveelheid informatie met de seconden groter, wordt de kennis die je nodig hebt om 'samen te leven' steeds groter.
En tegelijk worden steeds meer mensen langzamer, worden steeds meer mensen gebrekkiger, zoeken steeds meer mensen houvast.
Waardoor? Door de versnelling die nu eenmaal het gevolg is van onze economische principes, en het biologische gegeven dat we steeds ouder (kunnen) worden. Dat wringt.
Vandaag was weer eens zo'n dag waarop ik dacht: "Wat als jíj oud zou zijn?". Zo'n dag met van die kleine akkefietjes die meestal onopgemerkt door je waarneming schieten. Van die momenten dat je even zou kunnen denken: "Als we meer ouderen hebben, gaan we dit dus veel meer meemaken.".
Zo'n bus met rolstoellift bijvoorbeeld. Die moet bij voorkeur vlak staan. Dan struikelt er niemand bij het op- of afstappen en dan wringt het platform ook niet. Als ik vandaag bij de flat van een hoogbejaarde slecht ter been zijnde dame aankom, staan er twéé auto's asociaal dubbel geparkeerd. Daardoor moet de bus, achteruit stekend, heel scheef aanrijden. Het gevolg? Dat iemand van 95 meer risico moet nemen omdat iemand van een jaar of 25 te beroerd is om zich aan regels te houden.
Hoezo, 25? Dat is mijn schatting, want de chauffeur en bijrijder stapten net uit toen ik achteruit stak. Tja, die heb ik in onvervalst Nederlands en woede duidelijk gemaakt dat door hun gedrag nu een oude dame risico moest nemen. Jammer genoeg zei m'n bijrijder toen hij terugkwam dat het volgens hem Polen waren die geen woord hadden begrepen van wat ik zei.
Die bussen zijn een bron van inspiratie om je druk te maken over verkeersgedrag. Maak je borst maar nat, als je je eraan ergert dat die busjes behoedzaam verkeersdrempels en andere obstakels in de weg nemen. Het worden er alleen maar meer. En ook de scootmobiel en de trage chauffeur gaan in aantallen toenemen.
Niet dat dat sommigen ervan weerhoudt dergelijke busjes over de tegenliggerbaan links in te halen, het doodnormaal te vinden dat je van stoplicht naar stoplicht rijdt op basis van een noodstop'techniek' of elkaar proberen op te jutten door te kleven.
Die mensen zullen me worst wezen. Ze doen maar. Het kost hén hartkloppingen, hoge bloeddruk en een hoog benzineverbruik. O, en wellicht tien-twaalf seconden tijdwinst.
Belangrijker is weer die spanning tussen haast en kalmte. Want als er steeds meer langzamen gaan komen; gaan die levensgevaarlijk rijdende snellen dan langzamer? Of blijven ze menen werkelijk béter te zijn in het verkeer?
Leiden voert een op papier goed beleid voor langzaam verkeer. Bij vrij veel stoplichten krijgt langzaam verkeer een groot vak vooraan; ook vóór de eerste wachtende auto.
Jammer genoeg bestaat er een soort bestuurder op wie die situatie als een rode lap werkt. Of, zoals vandaag, gewoon niet eens zíen dat dat vlak is aangebracht. Hoppa, we duwen die fietsers gewoon opzij. En een scootmobiel ook. Net zo makkelijk.
Zoals ik zei: het gaat niet om het niet naleven van verkeersregels. Het gaat me om het conflicterende van snel en langzaam. Dat wordt echt een dingetje, waarvoor we oplossingen nodig zullen hebben.
En die zullen echt niet alleen in de techniek moeten worden gevonden. Het is een vooral een kwestie van mentaliteit. Zoals bij veel volkeren respect voor ouderen een groot goed is, zo zullen wij dat ook moeten zien terug te vinden.
donderdag 8 augustus 2013
Snappu?!
Het werkt echt. Als je iets uitlegt, komt een boodschap beter binnen. Het vreemde is dat we dat allemaal weten, want op school werkte dat al zo. Dat wat je begreep (en leuk vond) onthield je beter dan kennis waar jij niets mee had.
Waarom leggen we dan niet alles uit?
Mij verbaast het nog steeds: het afdwingen van gelijk omdat 'de regels zo zijn'. Blijkbaar hebben we een zo complex geheel gemaakt dat ook de uitvoerders de ratio niet meer kennen. En dan val je, logischerwijs, terug op de regels zelf. Met als gevolg dat op den duur niemand meer echt weet waarom het is zoals het is.
Leg me maar eens uit waarom de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, voor auto's, 50 km/u is. Dat geldt net zo goed voor regels die te maken hebben met vestigingseisen, met afspraken om een paspoort te verlengen, met aanbieden van vuilnis langs de straatkant of met toelating tot Nederland. Talloos vaak gebeurt het; dat je eigenlijk niet goed begrijpt waarom het is of gaat zoals het is of gaat.
Uitleggen werkt. Verschillende gemeenten casu quo ambtenaren hebben al 'ontdekt' wat ze dus vanuit hun schooltijd al lang wisten. Groningen meldt dat zo'n aanpak tot 38% intrekking van bezwaarschriften leidde.
Let wel. Het gaat hier dus niet om informatieverstrekking over je rechten of iets dergelijks. Het gaat om informatie over jóuw situatie op dát moment. Dat is dan ook de makke bij al die partijen die menen dat publieksvriendelijke informatieverstrekking voldoende is. Algemene informatie in begrijpelijk Nederlands voegt net zo weinig toe als algemene informatie in ónbegrijpelijk Nederlands.
Waar ze dat goed hebben doorgehad, is in de wereld van de verkeersregeling.
Bijna iedere stad heeft ze inmiddels wel: van die verkeerslichten die aangeven hoe lang het nog gaat duren voordat je groen licht krijgt. Ze schijnen zebraklokken te heten. In het ene geval tellen de cijfers de seconden af. In andere gevallen loopt een lichtring leeg. In alle gevallen is het de bedoeling dat de wachtende wéét waarop-i wacht.

In Leiden hebben we die dingen ook. Of wij ze echt goed hebben ingesteld, weet ik zo net nog niet. Vlakbij het oude belastingkantoor stond ik afgelopen lente te wachten voor zo'n verkeerslicht. Maar daar deed zich het idiote verschijnsel voor dat de lichtring een keer of drie weer helemaal opnieuw begon, als-t-i bijna leeg was.
Kijk, dan sta je als fietser te kijken hoe autoverkeer keer op keer voorrang krijgt. En jij mag blijven wachten. Een soort tweederangsburger- of -verkeersdeelnemergevoel.
Begrip kan ook tot geheel nieuwe inzichten leiden.
Waarom leggen we dan niet alles uit?
Mij verbaast het nog steeds: het afdwingen van gelijk omdat 'de regels zo zijn'. Blijkbaar hebben we een zo complex geheel gemaakt dat ook de uitvoerders de ratio niet meer kennen. En dan val je, logischerwijs, terug op de regels zelf. Met als gevolg dat op den duur niemand meer echt weet waarom het is zoals het is.
Leg me maar eens uit waarom de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, voor auto's, 50 km/u is. Dat geldt net zo goed voor regels die te maken hebben met vestigingseisen, met afspraken om een paspoort te verlengen, met aanbieden van vuilnis langs de straatkant of met toelating tot Nederland. Talloos vaak gebeurt het; dat je eigenlijk niet goed begrijpt waarom het is of gaat zoals het is of gaat.
Uitleggen werkt. Verschillende gemeenten casu quo ambtenaren hebben al 'ontdekt' wat ze dus vanuit hun schooltijd al lang wisten. Groningen meldt dat zo'n aanpak tot 38% intrekking van bezwaarschriften leidde.
Let wel. Het gaat hier dus niet om informatieverstrekking over je rechten of iets dergelijks. Het gaat om informatie over jóuw situatie op dát moment. Dat is dan ook de makke bij al die partijen die menen dat publieksvriendelijke informatieverstrekking voldoende is. Algemene informatie in begrijpelijk Nederlands voegt net zo weinig toe als algemene informatie in ónbegrijpelijk Nederlands.
Waar ze dat goed hebben doorgehad, is in de wereld van de verkeersregeling.
Bijna iedere stad heeft ze inmiddels wel: van die verkeerslichten die aangeven hoe lang het nog gaat duren voordat je groen licht krijgt. Ze schijnen zebraklokken te heten. In het ene geval tellen de cijfers de seconden af. In andere gevallen loopt een lichtring leeg. In alle gevallen is het de bedoeling dat de wachtende wéét waarop-i wacht.
In Leiden hebben we die dingen ook. Of wij ze echt goed hebben ingesteld, weet ik zo net nog niet. Vlakbij het oude belastingkantoor stond ik afgelopen lente te wachten voor zo'n verkeerslicht. Maar daar deed zich het idiote verschijnsel voor dat de lichtring een keer of drie weer helemaal opnieuw begon, als-t-i bijna leeg was.
Kijk, dan sta je als fietser te kijken hoe autoverkeer keer op keer voorrang krijgt. En jij mag blijven wachten. Een soort tweederangsburger- of -verkeersdeelnemergevoel.
Begrip kan ook tot geheel nieuwe inzichten leiden.
Labels:
gemeente Groningen,
informatie,
kennis,
leren,
onrecht,
onverwacht,
schooltijd,
uitleg,
verkeer,
vermeerdering
Locatie:
Leiden, Nederland
vrijdag 28 juni 2013
Dit is Leiden
Leiden inderdaad. Eén van de gevaarlijker kruispunten in de stad. Zoals iedere stad heeft ook Leiden van die black spots. Maar er is iets bijzonders te zien op de foto. Althans, iets wat ik als bijzonder ervaar.
Netjes geformuleerd zou ik moeten schrijven: de oplossing is niet gekozen met het gedrag van weggebruikers in gedachte. Mijn primaire reactie toen ik 't zag: da's toch wel de stompzinnigste plek om die borden te plaatsen!
Het gaat om het bord met de blauwe P en zijn onderbord.
Het zal vast weer zo'n geval zijn van "de regels schrijven voor". Dat het stompzinnig is uit het oogpunt en in het belang van de automobilist én de fietsers, telt helemaal níet. Terwijl de intentie van al die borden toch echt is het weggegedrag in goede, veilige banen te leiden.
Stel je komt met de auto van rechts en wilt rechtsaf slaan. Dan word je geacht heel goed rechts én links te kijken want er kunnen fietsers aankomen. Ofwel, ín de bocht ben je hopelijk geconcentreerd bezig met de andere weggebruikers.
En dan zet de gemeente Leiden juist dáár een bord neer dat a. een stuk van je zicht op het fietspad wegneemt en b. een heel epistel bevat over de tijdvakken waarin het parkeerschijfregime geldt. Dát zou je hebben gelezen, als je er in de drukte de tijd voor nam.
Waarom staat dat bord daar en waarom zo? Het maakt de situatie alleen maar gevaarlijker. En het geeft aan dat degene die die plaats koos, geen flauw benul heeft van menselijk gedrag. Of dacht-i echt dat iemand die een auto de bocht door stuurt, óók in staat is in minder dan een seconde meerdere woorden informatie tot zich te nemen?
Hoe dom kun je zijn....
Waarom staat dat bord niet op de plaats waar het relevant wordt? Iets voorbij de kruising, vlak na de bruine kliko's, beginnen de parkeerplaatsen. Waarom staat dat bord niet daar? Met voor mijn part ook een brede blauwe baan over het wegdek om aan te geven: vanaf hier heeft u een parkeerschijf nodig.
Echt, gemeente Leiden, hier is maar één kwalificatie mogelijk: dom.
Labels:
belang,
interactie,
juridisering,
overzicht,
regelgeving,
verkeer
Locatie:
Leiden, Nederland
maandag 24 juni 2013
De opmars van de groene mannetjes
Hij stond op een brandendhete zomerdag midden op de snelweg: een man met een vlag. Te zwaaien naar voorbijrijdend verkeer. Van een afstand was hij al te zieken het eerste wat je dan denkt: "Díe is gek. Zo met die hitte daar met een vlag staan zwaaien'.
Bij passeren bleek het een pop te zijn.
Hij stond volkomen apathisch en geautomatiseerd met een vlag te zwaaien in de hoop dat wij, automobilisten, zouden doorhebben dat er wegwerkzaamheden aan kwamen en we dus voorzichtiger moesten rijden. Of iemand zich er íets van aantrok, kan ik me niet meer herinneren. Maar wel dat we die vakantie dergelijke zwaaipoppen vaker tegenkwamen.

Je moet toch iets om de aandacht op je boodschap te vestigen. In het nabije verleden dachten we nog dat verkeersregels en -borden informatief genoeg zouden zijn om het verkeer ordentelijk te laten verlopen.
Nu zijn regels één en zelfcorrectie twee én drie. Ofwel: je kunt wel dénken dat iets is geregeld, maar als je niet controleert op naleving verwatert de discipline snel. Dat begint, als altijd, met een kleine barst, een klein vergrijp, een onbenullige overtreding. Van die dingen waarvan we denken: "Waar máák je je druk om?". Nou, om het begin van de aftakeling.
In de jaren zestig lopen grote delen van de samenleving te hoop tegen de naar hun oordeel veel te beklemmende regels. Politieagenten die met U moeten worden aangesproken; die op hun woord worden geloofd. Militairen eisen het recht op lang(er) haar, want gevechtskracht schuilt niet in de haarlengte. Op zich kón het ook soepeler. En nóg soepeler. En daarna nóg...
De beweging die ontstaat, is gebaseerd op de idee dat zelfcontrole en -correctie mogelijk is. De geschiedenis geeft aan dat dat systematisch wordt overschat. Zonder vorm van controle(dreiging) gaan wij onszelf alleen dan corrigeren als we zelf vinden dat het nodig is. En waarom zou je wachten voor een rood stoplicht als er toch niemand aankomt? Waarom zou je op een eenrichting-fietspad niet gewoon twee richtingen kunnen fietsen? Waarom zou je 120 rijden, als je auto ook 150 kan? Waarom zou je geen auto mogen parkeren op een leeg plekje stoep?
Niet dat ik van de controle ben, maar ik geloof geen bal van zelfcontrole. Dan zouden we bijvoorbeeld ook geen overgewichtige mensen hebben. Want dan beheersen we onszelf en eten niet teveel of verkeerd. Dan zouden we ook niet allemaal het idee hebben 'dat die anderen niet in het verkeer thuis horen". De werkelijkheid is toch een andere.
Een mooie vind ik het bericht dat Staatsbosbeheer een nieuwe aanpak overweegt voor zijn natuurgebieden: geen regels. De argumentatie, in mijn woorden: we hebben de afgelopen jaren vastgesteld dat mensen zich aan de regels houden en over het algemeen op de paden blijven.
Kijk. Dat is er zo een. Natuurlijk houden we ons aan regels, maar da's geen enkele reden om aan te nemen dat dat zo blijft. Als ik mag gokken? Over een jaar of vijf is de situatie dat we overal rondlopen en de natuurliefhebbers niet terug in het hok cq de paden zijn te krijgen.
Overigens is het níet zo dat we geen regels en aanwijzingen meer nodig achten. Wat aan de hand is, is dat we die eenmaal aangeven en er dan van uit gaan dat het volgens die regels verloopt. Grandioos hoeveel borden je dan soms nodig acht om aan te geven wat wel en niet mag.
Met een openbare ruimte die we collectief gebruiken, is het volgens sommigen wél van belang dat we ons aan de regels houden. In woonwijken leidt dat geregeld tot een spanning tussen spelende kinderen en haastige automobilisten (vaak óók uit de wijk!). Het zal me verbazen als jij dat nooit hebt meegemaakt. De gemeente maakt er een 30km-zone van. Legt verkeersdrempels aan. Plaatst paaltjes aan de stoepranden. Borden die waarschuwen voor spelende kinderen.

Niet dat het echt helpt. Want ook de bewoner gaat steeds meer over tot het geven van aanwijzingen. Dan bedoel ik niet de zelfgekwaste NP-vakken. Nee, de groene mannetjes die aanzetten tot langzaam rijden: SLOW!. Díe. Van die poppetjes die langs de kant van de weg staan. Onbeweeglijk. Maar die inmiddels oprukken. Niet alleen in aantal, maar ook qua plaatsing.
De opmars van de groene mannetjes gaat inmiddels verder. In bochten om automobilisten weg te houden van de fietsstrook bijvoorbeeld. Binnen twintig meter drie stuks. Je zou er haast over gaan dromen 's nachts: van groene mannetjes die met tientallen het verkeer regelen in je straat en dan ruzieën over wie gelijk heeft.
Chuckie revamped!
Bij passeren bleek het een pop te zijn.
Hij stond volkomen apathisch en geautomatiseerd met een vlag te zwaaien in de hoop dat wij, automobilisten, zouden doorhebben dat er wegwerkzaamheden aan kwamen en we dus voorzichtiger moesten rijden. Of iemand zich er íets van aantrok, kan ik me niet meer herinneren. Maar wel dat we die vakantie dergelijke zwaaipoppen vaker tegenkwamen.
Je moet toch iets om de aandacht op je boodschap te vestigen. In het nabije verleden dachten we nog dat verkeersregels en -borden informatief genoeg zouden zijn om het verkeer ordentelijk te laten verlopen.
Nu zijn regels één en zelfcorrectie twee én drie. Ofwel: je kunt wel dénken dat iets is geregeld, maar als je niet controleert op naleving verwatert de discipline snel. Dat begint, als altijd, met een kleine barst, een klein vergrijp, een onbenullige overtreding. Van die dingen waarvan we denken: "Waar máák je je druk om?". Nou, om het begin van de aftakeling.
In de jaren zestig lopen grote delen van de samenleving te hoop tegen de naar hun oordeel veel te beklemmende regels. Politieagenten die met U moeten worden aangesproken; die op hun woord worden geloofd. Militairen eisen het recht op lang(er) haar, want gevechtskracht schuilt niet in de haarlengte. Op zich kón het ook soepeler. En nóg soepeler. En daarna nóg...
De beweging die ontstaat, is gebaseerd op de idee dat zelfcontrole en -correctie mogelijk is. De geschiedenis geeft aan dat dat systematisch wordt overschat. Zonder vorm van controle(dreiging) gaan wij onszelf alleen dan corrigeren als we zelf vinden dat het nodig is. En waarom zou je wachten voor een rood stoplicht als er toch niemand aankomt? Waarom zou je op een eenrichting-fietspad niet gewoon twee richtingen kunnen fietsen? Waarom zou je 120 rijden, als je auto ook 150 kan? Waarom zou je geen auto mogen parkeren op een leeg plekje stoep?
Niet dat ik van de controle ben, maar ik geloof geen bal van zelfcontrole. Dan zouden we bijvoorbeeld ook geen overgewichtige mensen hebben. Want dan beheersen we onszelf en eten niet teveel of verkeerd. Dan zouden we ook niet allemaal het idee hebben 'dat die anderen niet in het verkeer thuis horen". De werkelijkheid is toch een andere.
Een mooie vind ik het bericht dat Staatsbosbeheer een nieuwe aanpak overweegt voor zijn natuurgebieden: geen regels. De argumentatie, in mijn woorden: we hebben de afgelopen jaren vastgesteld dat mensen zich aan de regels houden en over het algemeen op de paden blijven.
Kijk. Dat is er zo een. Natuurlijk houden we ons aan regels, maar da's geen enkele reden om aan te nemen dat dat zo blijft. Als ik mag gokken? Over een jaar of vijf is de situatie dat we overal rondlopen en de natuurliefhebbers niet terug in het hok cq de paden zijn te krijgen.
Overigens is het níet zo dat we geen regels en aanwijzingen meer nodig achten. Wat aan de hand is, is dat we die eenmaal aangeven en er dan van uit gaan dat het volgens die regels verloopt. Grandioos hoeveel borden je dan soms nodig acht om aan te geven wat wel en niet mag.
Met een openbare ruimte die we collectief gebruiken, is het volgens sommigen wél van belang dat we ons aan de regels houden. In woonwijken leidt dat geregeld tot een spanning tussen spelende kinderen en haastige automobilisten (vaak óók uit de wijk!). Het zal me verbazen als jij dat nooit hebt meegemaakt. De gemeente maakt er een 30km-zone van. Legt verkeersdrempels aan. Plaatst paaltjes aan de stoepranden. Borden die waarschuwen voor spelende kinderen.
Niet dat het echt helpt. Want ook de bewoner gaat steeds meer over tot het geven van aanwijzingen. Dan bedoel ik niet de zelfgekwaste NP-vakken. Nee, de groene mannetjes die aanzetten tot langzaam rijden: SLOW!. Díe. Van die poppetjes die langs de kant van de weg staan. Onbeweeglijk. Maar die inmiddels oprukken. Niet alleen in aantal, maar ook qua plaatsing.
De opmars van de groene mannetjes gaat inmiddels verder. In bochten om automobilisten weg te houden van de fietsstrook bijvoorbeeld. Binnen twintig meter drie stuks. Je zou er haast over gaan dromen 's nachts: van groene mannetjes die met tientallen het verkeer regelen in je straat en dan ruzieën over wie gelijk heeft.
Chuckie revamped!
Labels:
borden,
burgerinitiatief,
kind,
klaarover,
regulering,
straatleven,
teveel,
veiligheid,
verkeer,
zelfregulering
Locatie:
Leiden, Nederland
maandag 17 september 2012
Automobilisten bestaan niet echt, auto's wel
Verkeer is eigenlijk wel een interessant fenomeen. Ooit deden we maar wat en reden paard en wagens zowel links als rechts op de weg. Alhoewel, weg... een min of meer platgereden karrespoor is waarschijnlijk een accuratere omschrijving. Naar het schijnt, werd er links gereden met paarden omdat het zwaard meestal met de rechterhand werd gehanteerd. Met paard en wagen is rechts weer handiger omdat de menner rechts zat. Enfin, hoe dan ook: de kleine grote man Napoleon heeft het rechtgetrokken tot 'rechts rijden'.

In de loop van de tijd zijn er nogal wat regels bij gekomen om het almaar toenemende verkeer in goede banen te leiden. Wie heeft voorrang in welke situatie? Welk verkeer mag waar rijden? Heeft een koe in de wegenverkeerswet dezelfde status als een voetganger? Kortom, regels zat. En het aardige is dat we bijna allemaal vinden dat we die regels goed toepassen, maar dat anderen dat niet doen. Een beetje alsof verkeersregels er alleen zijn voor anderen. Die, tussen twee haakjes, jóu zien als als andere, waardoor die regels toch echt voor iedereen, inclusief die onfeilbaren, gelden.
Ons gedrag in het verkeer is een bron van vermaak en ergernis, niet in de laatste plaats vanwege die houding dat wíj het nooit fout doen. Vooral automobilisten zijn een vreemd soort. Feitelijk bestaan ze niet.
Hun bestaan ontlenen ze aan hun voertuig. In een theater, bij voorbeeld, zul je bar weinig mensen aantreffen die zich op moment automobilist wanen. Persoonlijk fascineren mij het meest de mensen die hun relatie met de auto zo hecht achten dat ze hem vertroetelen; hetzij door hem altijd direct voor de voordeur te willen hebben staan - en daarvoor zelfs vijf meter willen schuiven ten koste van de leefomgeving van ons allen, het milieu - en degenen die hun auto tot in extremo tot hun persoonlijk domein maken. Waren dat ooit de hangertjes in de vorm van voetballen of behaatjes aan de achteruitkijkspiegel, nu is er een hele 'mediabeleving' nodig in de vorm van (bijna) hifi-geluid, video en telefoon. Langzaam migreren, zo lijkt het, steeds meer mensen naar een nomadisch bestaan in auto's waarin je kunt wonen.

Het aardige aan een automobilist is dat-i dat is als-t-i achter het stuur zit. Je ziet het ook weleens gebeuren: een ogenschijnlijk bedaagd mens stapt in en de auto vertrekt alsof bestuurt door een wilde. Nu moet ik toegeven dat ook ik niet ongevoelig zal zijn. Het geluid van een startende motor en de wetenschap dat jíj die paardenkrachten beheerst, hebben iets verleidelijks. Of dat vooral voor mannen geldt, weet ik niet. En evenmin waar dat dan begint: wij rijden in een heel oude Peugeot met bar weinig paardenkrachten volgens snelheidsduivels.

Dat automobilisten eigenlijk niet bestaan, bleek me vandaag ook weer 's. Bij het rechtdoor rijden, op de fiets, probeerde een automobilist of hij nog even voorlangs rechtsaf kon. Niet dus. Maar wat ik me realiseerde, is dat ik in die situatie de áuto zag als mijn tegenspeler en níet de bestuurder. En als ik erover nadenk: alleen als ik in een gevaarlijke situatie oversteek - fietsend of lopend - zoek ik de ogen van de automobilist. In de andere gevallen is het de auto.
Misschien dat dat verklaart waarom er zo vaak wordt gesproken over 'daar gaat weer zo'n Golfje' of 'moet je die Mercedes zien rijden' en 'die Audi kan écht niet parkeren'. Alsof die auto geen bestuurder heeft met een eigen wil.
In de loop van de tijd zijn er nogal wat regels bij gekomen om het almaar toenemende verkeer in goede banen te leiden. Wie heeft voorrang in welke situatie? Welk verkeer mag waar rijden? Heeft een koe in de wegenverkeerswet dezelfde status als een voetganger? Kortom, regels zat. En het aardige is dat we bijna allemaal vinden dat we die regels goed toepassen, maar dat anderen dat niet doen. Een beetje alsof verkeersregels er alleen zijn voor anderen. Die, tussen twee haakjes, jóu zien als als andere, waardoor die regels toch echt voor iedereen, inclusief die onfeilbaren, gelden.
Ons gedrag in het verkeer is een bron van vermaak en ergernis, niet in de laatste plaats vanwege die houding dat wíj het nooit fout doen. Vooral automobilisten zijn een vreemd soort. Feitelijk bestaan ze niet.
Hun bestaan ontlenen ze aan hun voertuig. In een theater, bij voorbeeld, zul je bar weinig mensen aantreffen die zich op moment automobilist wanen. Persoonlijk fascineren mij het meest de mensen die hun relatie met de auto zo hecht achten dat ze hem vertroetelen; hetzij door hem altijd direct voor de voordeur te willen hebben staan - en daarvoor zelfs vijf meter willen schuiven ten koste van de leefomgeving van ons allen, het milieu - en degenen die hun auto tot in extremo tot hun persoonlijk domein maken. Waren dat ooit de hangertjes in de vorm van voetballen of behaatjes aan de achteruitkijkspiegel, nu is er een hele 'mediabeleving' nodig in de vorm van (bijna) hifi-geluid, video en telefoon. Langzaam migreren, zo lijkt het, steeds meer mensen naar een nomadisch bestaan in auto's waarin je kunt wonen.
Het aardige aan een automobilist is dat-i dat is als-t-i achter het stuur zit. Je ziet het ook weleens gebeuren: een ogenschijnlijk bedaagd mens stapt in en de auto vertrekt alsof bestuurt door een wilde. Nu moet ik toegeven dat ook ik niet ongevoelig zal zijn. Het geluid van een startende motor en de wetenschap dat jíj die paardenkrachten beheerst, hebben iets verleidelijks. Of dat vooral voor mannen geldt, weet ik niet. En evenmin waar dat dan begint: wij rijden in een heel oude Peugeot met bar weinig paardenkrachten volgens snelheidsduivels.
Dat automobilisten eigenlijk niet bestaan, bleek me vandaag ook weer 's. Bij het rechtdoor rijden, op de fiets, probeerde een automobilist of hij nog even voorlangs rechtsaf kon. Niet dus. Maar wat ik me realiseerde, is dat ik in die situatie de áuto zag als mijn tegenspeler en níet de bestuurder. En als ik erover nadenk: alleen als ik in een gevaarlijke situatie oversteek - fietsend of lopend - zoek ik de ogen van de automobilist. In de andere gevallen is het de auto.
Misschien dat dat verklaart waarom er zo vaak wordt gesproken over 'daar gaat weer zo'n Golfje' of 'moet je die Mercedes zien rijden' en 'die Audi kan écht niet parkeren'. Alsof die auto geen bestuurder heeft met een eigen wil.
Abonneren op:
Posts (Atom)