Posts tonen met het label oud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oud. Alle posts tonen

zondag 3 augustus 2014

Hij komt: de 'zelfstandige met geld', de zmg'er.

Hij ís er al. Maar we zien hem nog niet.

Een probleem moet je van verschillende kanten bekijken, vooral een vastgelopen exemplaar. Zoals ik hier al vaker beweerde, geldt dat ook, en met name, voor 'de econonomische crisis'. Die gaat structureel niet worden opgelost zonder een herbezinning en herdefiniëring van wat arbeid eigenlijk is.

Het is óók een probleem waarvoor de oplossing al beschikbaar is; als je 'm wílt zien en ermee verder wilt.

Begin eens aan het eind.

Je arbeidzame leven zit er op. Na jaren zwoegen liggen daar de zeeën van tijd, de oceanen met nieuwe mogelijkheden. Wat doe je daarmee? Da's een ongelooflijk relevante vraag, want die zeeën en oceanen waren er al tijd al, maar jij was bezig met iets anders: geld verdienen. Dat móet kloppen, want als je je passie - blegh-woord - of je vreugde had gevolgd, had je wellicht (waarschijnlijk, denk ik zelfs) iets anders gedaan.

Maar goed. Nu is er de kans om dingen te doen die je echt leuk vindt, die je intrinsieke bevrediging opleveren. Je kunt aspecten die je niet bevallen, buitensluiten en je kunt werk dat je niet bevalt stomweg negeren. Een mooi toekomstbeeld, dat voor de een meer realiteit zal worden dan voor de ander.

Maar er is een groep die interessant is. Dat is de groep mensen die zo heeft gewerkt en geleefd dat zij financieel onafhankelijk kunnen gaan leven. Hetzij omdat zij hebben gespaard, hetzij omdat ze soberder bestaanswensen hebben; maar bovenal omdat ze financieel onafhankelijk zijn van wérk. We kennen ze allang onder verschillende namen: de rentenier, de gepensioneerde, de babyboomer.

Dit zijn de ZMG'ers; de zelfstandigen met geld. Een categorie die we nog niet kenden, maar die wel bestaat.

Het zijn al die mensen die op de arbeidsmarkt actief blijven of worden, maar dan op hún voorwaarden. Het zijn professionals, ervaren mensen die hun kennis en ervaring voor heel lage tarieven kunnen vermarkten, omdat geld geen drijfveer meer is. Het zijn de mensen die door hun keuzes voor werkgevers keiharde oordelen vellen over werkgevers (als men zelfs grátis niet voor je wil werken...).

De arbeidsmarkt zal worden opgeschud. In een afhankelijke periode zullen werknemers werken ondergeschikt aan de wensen van werkgevers teneinde een toekomst op te bouwen. In die periode wordt gespaard voor de oude dag. Dan komt er iets wat we niet eerder kenden: de onafhankelijke periode. Dat is de periode waarin het gouden koord van de werkgever wordt verbroken.

Het is niet het principe wat nieuw is, maar wel de omvang en intentie. Renteniers kenden we al. Maar mensen die op grote schaal nieuwe banen gaan benutten om nog actief te zijn; da's relatief onbekend.

Het zál ook gebeuren. Ouderen worden geacht langer te participeren op de arbeidsmarkt. Maar nooit hoor je iemand over de instrumenten om dat te stimuleren laat staan te sturen. Nog steeds wordt gedacht in termen van de koorden van salaris en loon. Maar wat als dat wegvalt?

De effecten zullen er ook zijn. Niet iedere werknemer-op-leeftijd zal in de positie komen zelf te beslissen. Móeten werken voor een loon zal niet op slag verdwijnen. Maar wel zal een kapitaalkrachtig deel - nu al doelwit van de overheid - zich manifesteren. De kans is groot dat dat goed opgeleide mensen zullen zijn. Werkgevers zullen die ZMG'ers, goedkoop, ongetwijfeld willen hebben. "Hoeveel zmg'ers heb jij in dienst?" Maar de keuzes van ZMG'ers zullen veelzeggend kunnen zijn.

Het denken in verhoogde AOW- en pensioenleeftijden geeft aan dat vooralsnog te sterk wordt geredeneerd vanuit een eerste fase, waarin 'werken voor inkomen' geldt. En zolang de inzet van 'inkomen voor werk' wordt weg gezet als 'vrijwilligerswerk' - alsof dat niet professioneel kan zijn - zal de ZMG'er als fenomeen nog niet veel kans maken.

donderdag 19 juni 2014

Nieuwe concurrenten

Als het onder je neus gebeurt, is dat geen garantie dat je het ook opmerkt. Nabijheid is geen voordeel.

De bloemetjes voor je voeten maken minder kans te worden gezien dan de verder weg liggende. Dat dat niet alleen bloemetjes geldt, bewezen de hondenpoep onder je schoenzool, de plassen water waarin je stapte en de weinig opstekende stoeptegel die je liet struikelen wel.

Perspectief is bepalend. Uit de innovatieleer weten we, bijvoorbeeld, dat verandering haast niet tot stand komt vanuit het centrum van de status quo. Die heeft teveel constraints, belemmerende factoren: 'zo doen we het al járen', 'is bewezen dat het meer oplevert?'. Verandering moet van buiten komen. De vraag 'wat wil de klant?' speelt daarin een cruciale rol. Voor de status quo is het de vraag aan de per definitie conservatíeve klant. Voor de vernieuwer de vraag aan de toekómstige, gewenste klant.

Als je je niet kunt losmaken van alledag, zul je niet in staat zijn verandering waar te nemen. Alledag levert je de beslommeringen, de waan, maar vooral ook het perspectief. Vaak zal verandering bedreigend overkomen op de status quo. 'Iets ánders doen?! Deden we het dus niet goed?!' Pikant, alsof die hele grote omgeving niet autonoom kan veranderen.

Dat het lastig is verandering en zijn gevolgen te herkennen, realiseerde ik me de afgelopen weken.

Steeds meer aandacht gaat uit naar het verdringen van betaalde werknemers door onbetaalde, of dat nu stagiaires of vrijwilligers zijn. Da's een heel terechte zorg. Maar wat géén aandacht krijgt, is de verdringing van vrijwilligers door vrijwilligers.

Vrijwilligers verdrongen door vrijwilligers?!

Jazeker.

Het vrijwilligerswerk dat ik doe, bestaat al een poos (en is nimmer gedaan door betaalde werknemers). Het is werk dat vanouds meer door ouderen dan jongeren wordt gedaan. Wat dat betreft, is het ook een reality check. De groep mensen die dit vrijwillig doet, is door de bank genomen ouder, man en blank. Allemaal, óók de donkerder en jongere vrijwilligers, kozen er zelf voor en doen het serieus en met plezier.

Dan, op een dag, staat er een jongeman. Hij is gestuurd. Inderdaad, gestuurd de Sociale Dienst van onze gemeente. Iedere jongere wordt geacht een tegenprestatie te leveren in ruil voor een bijstandsuitkering (contra-prestatie associeert vast teveel met de gestopte kunstenaarsregeling BKR). En dus staat-i daar.

Het gaat nu niet om de vraag of je dit kunt verplichten, wat wel en wat geschikt is, of dit 'dwangarbeid' is of niet, of of dit werkelijk zoden aan de dijk zet. Het gaat om het effect.

Deze vrijwilliger verandert de instroom en verdringt daardoor de 'klassieke vrijwilliger'.

In feite is het niet zo moeilijk te zien. De klassieke vrijwilliger is de degene die een deel van zijn of haar tijd wil besteden ten behoeve van anderen. Dat kan variëren van een 2-3 uur per week tot zo'n 12 uur per week. Inderdaad, ook uitschieters naar boven bestaan. Voor het beeld: kleine banen en motivatie die bestaat uit tijdbesteding en altruïsme.

Door de Sociale Dienst op dit spoor gezette mensen verschillen daar heel erg van. Ze zijn jonger, ze 'moeten' voltijds vrijwilligerswerk doen, ze doen het niet voor zichzelf maar als contraprestatie. Kortom, een heel ander type.

Over wat er dan ontstaat, hoor je niemand. Steeds meer zullen dergelijke 'nieuwe vrijwilligers' de klassieke verdringen (alleen al omdat zij meer uren moeten maken). Daarmee is het zoveelste domino-effect gestart, waardoor de mogelijkheden tot zinvolle tijdsbesteding worden beperkt voor ouderen. Zelfs dat wordt afgegrendeld.

Echt, Castells krijgt gelijk met z'n verdringing en het ontstaan van een nutteloze, irrelevante klasse(1), zij het dat hier polítici de kwade genius blijken te zijn.


(1)
In this system, rather than exploitation in the traditional sense, the key issue for labor is the differentiation between three categories: those who are the source of innovation and valuation; those who are mere executants of instructions; and whose who are structurally irrelevant, either as workers (not enough education,
living in areas without the proper infrastructure and institutional environment for global production) and as consumers (too poor to be part of the market).

dinsdag 8 april 2014

Spoken? Ze bestáán!

Onze woonloopbaan in Leiden beloopt zo'n vijfendertig jaar. We zijn begonnen 'op kamers' in één van de oudste wijken van Leiden: d'Oude Morsch. Twee kamers in een huis uit de vroege zes-/zeventiende eeuw, met uitzicht over het Galgewater en de Blauwpoortsbrug. Zo'n huis en buurt met verhalen. Een fragmentje daarvan hebben wij in de tien jaar dat we er woonden, meegemaakt. Ondanks de bevroren ramen in de winter, het optrekkend vocht waardoor schoenen binnen een week konden beschimmelen - echt waar - of iedereen die op de vreemdste momenten op de ramen tikte om 'het toilet te gebruiken', te vragen 'hoe het er binnen uit ziet' of gewoon om te klieren, was het een waanzinnige plek.

De volgende stap was een woning uit de jaren dertig. Dat was zo'n enorm populaire woning met glas in lood, een tuin en rode baksteen. En gehorig. Dat hoort erbij. Wie in zulke woningen wil wonen, moet kunnen incasseren en niet al te moeilijk doen. Boven onze woonkamer woonden andere mensen dan boven de slaapkamertjes; onder drie bovenwoningen heb je twee benedenwoningen. Ook dit was een situatie met moderne gebreken: klein en ook hier geen cv. Ook hier werd de rioolontstopper geregeld gebeld. Maar het was gezellig. Flinterdunne muurtjes en houten vloeren geven sfeer. Echt.

Nu wonen we bijna veertien jaar in nieuwbouw. De rioolontstopper is niet meer geweest. 'Grappig' is dat het hout in dit nieuwe huis binnen negen jaar al aan het rotten sloeg, terwijl de vorige twee huizen daarvan absoluut geen last hadden. Over kwaliteit gesproken (de verklaring van timmermannen is dat dat oude hout de tijd kreeg te rijpen - te drogen - en het moderne niet).

Wat zo'n nieuw huis níet heeft, is een eigen sfeer. Dat je plots ontdekt dat in die schimmelkast een luik zit dat toegang biedt tot een 'riool' naar de beerput. Dat de buren je kunnen vertellen wie er ooit woonden. Wij vonden, met twee kinderen, een ambtenarenwoning echt erg klein, maar hoorden dat daar ooit een gezin woonde, met vier kinderen. Het is leuk om te zien hoe de vloerbelijning plots stokt; een toilet of douche was er pas in de jaren zestig/zeventig ingebouwd ten koste van een doorgang of van een kast.

In onze vorige twee woningen leefde het. Geluidjes die je niet direct kon plaatsen. De muis achter het behang (omdat het behang op rachels van de muur af was gespannen) of in het plafond dat op riet was gestuct. De wind die in en met de gaskachel speelt. Het 'knallen' van afkoelend hout in de zomer. In moderne huizen zijn ook wel geluiden. Maar heel andere. Dat zijn veel meer de door de betonconstructie doorgegeven contactgeluiden van soms húizen verder. De stemmen die via het mechanisch ventilatiesysteem je huis binnendringen. Maar het huis zélf doet weinig.

Het fascinerendst was de ontdekking dat hout een geheugen heeft.

Heel af en toe maakten we dat mee. Dan kraakte de vloer alsof er iemand liep. Volgens de buurman aan het Kort Galgewater, die er al eeuwen leek te wonen, was dat het geheugen. "Wat hoort, zijn je eigen voetstappen en de plankenvloer die terug vormt in z'n ruststand. Dat gaat in het tempo en langs de route die je zelf liep. Let maar eens op." Dan lag je in bed en hoorde je heel zacht krakend iemand het huis door gaan.

Het geheugen van hout. Als dat waar is, weet ik nu waar de spoken vandaan komen. En ook waarom zoveel mensen hongeren naar story telling. Hun huis leeft niet.

zondag 2 maart 2014

De waarde van ervaring

Wellicht heb jij je rijbewijs? Zo niet, dan moet je eens proberen je verkeerslessen op school terug te halen.

Dat zijn wellicht nog de tekenendste voorbeelden van de afstand tussen theorie en praktijk. Mijn rijbewijs haalde ik ergens halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw. Inmiddels zijn de lessen en het examen gemoderniseerd. De essentie is niet anders.

Nooit of te nimmer ben ik zo'n autootje, fietser, tram, bus of voetganger tegen gekomen, zoals ze werden getekend gebruikt in het theorieboekje. En nooit ben ik een verkeerssituatie tegen gekomen die zo lekker rustig was als die in dat boekje. In werkelijkheid was het altijd net anders, was het altijd een stuk rommeliger en onoverzichtelijker. Met de komst van dia's en daarna video is dat al een stuk beter. Maar nog steeds... om te kunnen toetsen op regelkennis heb je simulaties nodig.

Zoals iedere goede instructeur en examinator je na het slagen op het hart drukte: 'Autorijden ga je pas nú echt leren. Overschat jezelf niet en onderschat vooral andermans gedrag niet.' En daar gíng je; het verkeer in, vol met anderen die het helemaal niet zo nauw nemen met de geleerde regels.

En inderdaad, pas na jaren snap je wat ze daarmee bedoelden. Pas als je kennis toepast, wordt ze waardevol voor je: praktijkervaring. Dat wordt exponentieel belangrijker in 'sociale' beroepen, iedereen die met mensen omgaat. Van de politieagent in blauw op straat tot en met de psychiatrisch verpleegkundige en de gemeentelijke beslisser. Allemaal hebben ze hun regels geleerd en weten ze, in theorie, hoe het moet, in elkaar steekt of waar je recht op hebt.

Maar pas na jaren ervaring kunnen ze die regels adequaat toepassen.

Na jaren zie het verschill - wellicht - tussen iets met opzet doen, bij toeval doen of niets aan kunnen doen. Ik durf te wedden dat ook jij daarvan voorbeelden hebt meegemaakt. En dat je in die situaties eigenlijk niet goed uit de voeten kon met 'de regels'.

De reden dat ik dit alles - "wisten we al lang!" - zo opschrijf, is dat het verbazingwekkend en verontrustend is dat we steeds meer de nadruk leggen op die formele kennis. Om een baan te krijgen, moet je een bepaald niveau halen: afgemeten aan formele kennis. Pas geleden zocht een organisatie een 'excellente kracht'.

Heb je je weleens afgevraagd wat er gebeurt als je een team hebt van dat soort van medewerkers? Die allemaal worden gepositioneerd als 'excellent zo ook worden verkocht aan de klanten, zo ook worden benaderd? Als excelleren uitblinken is; hoe doe je dat dan onder gelijken? Zou zoiets uiteindelijk niet ongelooflijk slecht uitpakken?

Dat pákt slecht uit. De best presterende teams en bedrijven zijn de gemêleerde. Ook bekend: combineer de creatieve geest met de zakelijke, slim met ervaren, analyticus met pragmaticus. Voeg daaraan dan wel de vereiste toe dat men elkaar in diens capaciteiten waardeert en respecteert; da's wel noodzakelijk. De slimmerik die meent dat-i meer waard is dan een ongeschoolde, is feitelijk de zandkorrel in de machinerie.

Wat rest, lezer, is de vraag: als je dat allemaal (al) weet, hoe is het dan in vredesnaam mogelijk dat we al die ervaring door het gootsteenputje laten verdwijnen? Want hoe je het wendt of keert, ervaring is leeftijdgebonden. En juist de ouderen raken we nu kwijt.

donderdag 27 februari 2014

Stad der ouderen

Eerlijk gezegd, is het geen dagelijkse gedachte. Zo af en toe fladdert-i weer 's binnen. Waarom, waardoor opgewekt? Geen (bewust) idee.

Het gaat over ouderdom en tijd. Vandaag bedacht ik het me weer toen ik door Leiden reed:
een stad verandert langzamer dan een mens


Mocht je nu dubbelknikken van de lach over deze open deur, heb je er weleens bij stilgestaan?

Inmiddels zal het iedereen wel bekend zijn dat niet alle ontwikkelingen in dezelfde pas lopen. Sommige, zeker de moderne, gaan waanzinnig snel in vergelijking tot andere, bijvoorbeeld biologische aanpassingen. Tot de komst van computers was dat uit de pas lopen nog binnen een hanteerbare bandbreedte, alhoewel de apocalytische essays al tijdens de Industriële Revolutie piekten.

Passagiers zíjn niet gestikt door zuurstofgebrek als gevolg van té snel rijdende treinen. De auto maakte de mens niet onvruchtbaar. En de telefoon heeft niet geleid tot vooral veel leeghoofdig vrouwengeklets.

Die voorspellingen zijn echt gedaan. Bij vernieuwing hoort angst voor het onbekende. Interessant is vooral dat de snelheid van verandering een grote rol speelt. Snel, té snel vooral, werkt weerstand in de hand.

Dan ben je geneigd te denken dat het vooral de technologische ontwikkelingen zijn die voor die spanning zorgen. Maar jouw stad of dorp is het ook!

Steden leven. Ze veranderen. Over de jaren heen verandert het straatbeeld, de winkels, de woningen, de staat van de woningen, de aanwezigheid van hoogbouw, de esthetische waarden. Zo'n stad past zich aan aan z'n bewoners. Maar... binnen grenzen.

De samenleving veroudert. Het aantal ouderen in stad, dorp en gehucht zal toenemen. Daarop zie je de stad al wat anticiperen. Twintig jaar geleden was een opticien een normaal beeld in de winkelstraat. Vandaag vind je er ook de handel in gehoorapparaten en verkoopt de supermarkt rollators.

Maar de stad is nog lang niet gereed.

Er zijn nog een jaar of twintig te gaan en dan gaat die hausse aan ouderen loskomen. Maar is de stád dan klaar? Want die ouderen zijn langzamer, onnauwkeuriger in hun fijne motoriek, slechthorender, slechtziender. Dat hoef j niet eens dramatisch voor te stellen om de gevolgen te voorzien.

Alleen het verkeer al. Een stad als Leiden wil een rustige, wandelbare binnenstad hebben. Da's een prima beeld toch, zul je denken. Het is een beeld dat goed aansluit bij gezonde mensen, maar niet bij minder mobiele. Parkeergarages aan de rand van de stad? Hopelijk wel met brede parkeerplaatsen en brede aan- en afvoerwegen. En in die binnenstad zijn toch wel voldoende rustplaatsen? En goed sanitair? Wat? Liggen er kinderhoofdjes? Maar hoe rollator je daar overheen?

Op die manier wordt een binnenstad speelplaats voor gezonden. Draconisch voorgesteld: de oudere medemens wordt - bewust of onbewust - in de buitenwijken gehouden. Een reservaat: die hippe en leuke binnenstad, of de saaie en vergeten buitenwijken?

woensdag 11 december 2013

Onder de indruk

De afgelopen weken ben ik vrij geregeld opgetrokken met mensen van het Leidse gezelschap Veenfabriek. Zij hebben een voorstelling die helemaal wordt gespeeld door wat we vroeger (hoog)bejaarden noemden: mensen met leeftijden vanaf 68 jaar.

Los van de kwaliteit van de voorstelling was er iets anders wat bewondering opriep: de productieleiding. Eigenlijk zat ik wat te broeden op de vraag óf en hoe ik er een blogpost aan zou wijden.

En toen arriveerden gisteravond laat de mensen van de volgende productie in het hotel: mannen. Voor de volledigheid: de Veenfabriek speelt een week lang voorstellingen in de stad Groningen. Na twee avonden die van 'ons' nu een aantal avonden een andere. Met een andere crew.

Dan zit je 's avonds laat zo'n beetje te luisteren naar het uitwisselen van ervaringen, de geintjes en gebbetjes, de roddels - die ik lekker voor mezelf houd, maar tjonge jonge wát een verhaal zit daarin. Om jou even lekker te maken met iets wat je niet te weten krijgt - en alles wat verder ter cafétafel komt, zo rond middernacht.

Laten we eerlijk zijn, en kortheidshalve generaliseren: mannen zijn slechter in zorgen en empathie dan vrouwen. Wat mij betreft, is dat door de productieleiders van de Veenfabriek bevestigd.

Het moet een enorme klus zijn geweest om twaalf bejaarden te begeleiden; naar een nieuwe omgeving, het theater, naar een nieuwe ervaring, op een podium staan voor een publiek, naar een leven dat heel anders is dan het dagelijks leven tot dan toe was. Dat is al een klus, en daar mag je dan ook nog eens bij optellen dat voor een aantal spelers ook nog geldt dat fysieke belemmeringen een grote rol in het leven spelen. Geheel of gedeeltelijke doofheid; goed ar-ti-cu-le-ren en luid praten, zijn noodzakelijk. Zelfs als je dat goed doet, gaat het nog geregeld mis en krijg je van komische dialogen zoals ikzelf nogal eens heb met m'n stokdove schoonmoeder: "Wilt u koffie?" "Nee, ik weet niet wie er heeft gebeld.". Vragen en antwoorden die volledig zijn losgeslagen. Daar wordt je móe van, heel moe.

Medicijnen zijn ook zoiets. Voor een verplegende of verzorgende is de geheime code die achter al die medicijnnamen schuilgaat, minder een probleem dan voor leken. Die zien Baxterrollen - van die gesealde plastic zakjes met tijden waarop de medicijnen moeten worden ingenomen - en daarmee houdt het min of meer op. Hoe koffie effect heeft, of sinaasappelsap of grapefruitsap; hoe in de gaten te houden óf de gift is ingenomen of niet: allemaal nieuw werk en nieuwe vaardigheid.

Het bijkans permanent alert zijn op omvallende of onwel wordende mensen vanwege hun gezondheid: vermoeiend moet dat zijn. Ook bijzonder lijkt me de ervaring plots heel langzaam te bewegen als je in een wereld zit waarin traagheid niet gewoon is. Maar voor oude mensen is het dat wél.

Generaliserend, hè.

De acteurs hadden drie jonge vrouwen als produktie(bege)leiding. En of de voorstelling nu wel of niet een succes was, die drie deden iets wat ik mannen nog niet zo snel zie doen.

Jonge mensen die zó waren verbonden geraakt aan 'hun' acteurs dat je haast gedachteloos over het feit heen stapt dat het voor hen helemaal nieuw werk moet zijn (geweest). Je denkt snel aan de bejaarden die acteur zijn en nieuwe ervaringen opdoen. Maar dat geldt twee kanten op. Petje af voor wat ik zag: een team - ook een man daarbij - dat heel erg soepel was geïntegreerd met het sociale leven van hun acteurs.

Middernacht zat ik zo te kijken naar de jonge mensen aan die tafel. Dat de dames dit moeilijke klusje kunnen klaren, was glashelder bewezen. Maar ik vraag me af of de mannen dat ook zouden kunnen. Die hadden natuurlijk een heel andere produktie onderhanden. Maar toch... dat gesprek ging eigenlijk niet over 'sociale' onderwerpen, maar over technische en zakelijke.

Het was in elk geval een ervaring die vertrouwen geeft in jonge mensen en hun empatisch vermogen. Tóch knaagt er wat twijfel: aan mijn eigen seksegenoten en hun vaardigheid op dat punt. Alsof een idee nog steeds bestaat dat iedereen dat wel kan. Dat daarom de pikorde de technici hoger plaatst dan de organisatoren, de mannen hoger dan vrouwen.

Niets schokkendnieuws, nee. Maar ik wil mannen-mannen dit nog weleens zien doen. Zal ze tegenvallen.

donderdag 10 oktober 2013

Storm?!

In eerste instantie dacht ik: "Zijn we gek geworden?". Maar in tweede instantie, een seconde later, schoten me de woorden van oudere mensen te binnen: "Als de kinderen zo onrustig zijn, is er storm op komst.". Zou dat ook voor slechter weer gelden? In dat geval kloppen beide.

Ik heb het al 's eerder geschreven: de samenleving versneld én vertraagd. Da's een niet mis te verstaan probleem voor de toekomst; niks 'uitdaging'.
Enerzijds gaan technologische ontwikkelingen steeds sneller, gaan veranderingen die dat voortbrengt steeds sneller, wordt de hoeveelheid informatie met de seconden groter, wordt de kennis die je nodig hebt om 'samen te leven' steeds groter.

En tegelijk worden steeds meer mensen langzamer, worden steeds meer mensen gebrekkiger, zoeken steeds meer mensen houvast.

Waardoor? Door de versnelling die nu eenmaal het gevolg is van onze economische principes, en het biologische gegeven dat we steeds ouder (kunnen) worden. Dat wringt.

Vandaag was weer eens zo'n dag waarop ik dacht: "Wat als jíj oud zou zijn?". Zo'n dag met van die kleine akkefietjes die meestal onopgemerkt door je waarneming schieten. Van die momenten dat je even zou kunnen denken: "Als we meer ouderen hebben, gaan we dit dus veel meer meemaken.".

Zo'n bus met rolstoellift bijvoorbeeld. Die moet bij voorkeur vlak staan. Dan struikelt er niemand bij het op- of afstappen en dan wringt het platform ook niet. Als ik vandaag bij de flat van een hoogbejaarde slecht ter been zijnde dame aankom, staan er twéé auto's asociaal dubbel geparkeerd. Daardoor moet de bus, achteruit stekend, heel scheef aanrijden. Het gevolg? Dat iemand van 95 meer risico moet nemen omdat iemand van een jaar of 25 te beroerd is om zich aan regels te houden.

Hoezo, 25? Dat is mijn schatting, want de chauffeur en bijrijder stapten net uit toen ik achteruit stak. Tja, die heb ik in onvervalst Nederlands en woede duidelijk gemaakt dat door hun gedrag nu een oude dame risico moest nemen. Jammer genoeg zei m'n bijrijder toen hij terugkwam dat het volgens hem Polen waren die geen woord hadden begrepen van wat ik zei.

Die bussen zijn een bron van inspiratie om je druk te maken over verkeersgedrag. Maak je borst maar nat, als je je eraan ergert dat die busjes behoedzaam verkeersdrempels en andere obstakels in de weg nemen. Het worden er alleen maar meer. En ook de scootmobiel en de trage chauffeur gaan in aantallen toenemen.

Niet dat dat sommigen ervan weerhoudt dergelijke busjes over de tegenliggerbaan links in te halen, het doodnormaal te vinden dat je van stoplicht naar stoplicht rijdt op basis van een noodstop'techniek' of elkaar proberen op te jutten door te kleven.

Die mensen zullen me worst wezen. Ze doen maar. Het kost hén hartkloppingen, hoge bloeddruk en een hoog benzineverbruik. O, en wellicht tien-twaalf seconden tijdwinst.

Belangrijker is weer die spanning tussen haast en kalmte. Want als er steeds meer langzamen gaan komen; gaan die levensgevaarlijk rijdende snellen dan langzamer? Of blijven ze menen werkelijk béter te zijn in het verkeer?

Leiden voert een op papier goed beleid voor langzaam verkeer. Bij vrij veel stoplichten krijgt langzaam verkeer een groot vak vooraan; ook vóór de eerste wachtende auto.

Jammer genoeg bestaat er een soort bestuurder op wie die situatie als een rode lap werkt. Of, zoals vandaag, gewoon niet eens zíen dat dat vlak is aangebracht. Hoppa, we duwen die fietsers gewoon opzij. En een scootmobiel ook. Net zo makkelijk.

Zoals ik zei: het gaat niet om het niet naleven van verkeersregels. Het gaat me om het conflicterende van snel en langzaam. Dat wordt echt een dingetje, waarvoor we oplossingen nodig zullen hebben.

En die zullen echt niet alleen in de techniek moeten worden gevonden. Het is een vooral een kwestie van mentaliteit. Zoals bij veel volkeren respect voor ouderen een groot goed is, zo zullen wij dat ook moeten zien terug te vinden.