Posts tonen met het label marketing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label marketing. Alle posts tonen

zondag 26 oktober 2014

De omgekeerde stad

Verandering is leven. Wat niet verandert, ís dood of gáát dood. Survival of the fittest: niet de sterkste maar de best aangepaste (fittest) overleeft.

Deze verwarring wordt grotendeels toegeschreven aan de gewijzigde betekenis van fittest. Toen deze term ontstond in Engeland betekende fittest vooral meest passend (to fit → passen) of het geschiktst in tegenstelling tot in de beste fysieke conditie.


Veranderende betekenis is vaak een bron van ellende; zeker als-i bewúst wordt toegepast.

Het naakte feit dat een stad als Leiden aan city marketing doet, is op de keper beschouwd een veeg teken voor de inwoners. Tal van initiatieven zijn bezig met het verkopen van de stad. Waar marketing zich richt op 'klantrelaties' doet zich echter iets opvallends voor. De klant is primair niet de inwoner. De klant is de toerist, de dagjesmens, de winkelende mens, de congresbezoeker, degene van búiten de stad.

Daarmee is de stad omgekeerd. Was het decennia geleden nog de plek waar werd samengewoond, -geleefd en -geproduceerd in de vorm van een samenleving, is het nu een productiemiddel geworden. De stad als onderneming, als bedrijf. Niet de inwoner, zijn voorkeuren en belangen zijn richtinggevend, maar het daarvan losstaande belang van de vreemdeling. Dat impliceert principieel vervreemding in de stad. Waar ooit mensen naar Leiden kwamen omdat ónze sfeer hen beviel en aantrok, nu wordt de sfeer aangepast aan hún wensen. Dat in toeristische kernen als Amsterdam en Barcelona de inwoners de stad hún stad niet meer vinden, is in dat licht geen onverwachte ontwikkeling. Ook Leiden loopt dat risico.

Een stad is van en voor z'n inwoners. Dat kan inderdaad frustrerend zijn op het moment dat de resultante daarvan niet jóuw gewenste resultante is. Wellicht ís een stad als Leiden wel een slaperig provinciestadje en niet een creatieve broedplaats of dynamisch cultureel centrum. Soit. Incasseren, dus. Maar nooit proberen om die stadsgeest te ontkennen en tóch iets anders te maken. Daarmee vervreemdt je.

Ik denk dat (veel van de) stads- en burgerinitiatieven daaraan leiden: een vervreemding van de stad, die zij zien als een neutraal, kneedbaar geheel. Waarin niet de gevolgen voor het samenleven, maar wel voor 'de toerist' of 'de economie' aandacht krijgen. Dan heb je de stad omgedraaid, ten dienste van andere belangen. Zonder dat uit te spreken.

Het is het eeuwig probleem van (sociale) verandering en vernieuwing. Dat gaat altijd gepaard met die survival of the fittest, overal en altijd.

Het betekent al helemaal niet dat de 'sterkste' het morele recht heeft te doen wat hij wil met de 'zwakkere' met de motivatie dat dat nu eenmaal zo werkt in de natuur. Kapitalisten, fascisten en nazi's gebruikten dit argument om hun imperialistische aspiraties te verdedigen.


Het laadt verantwoordelijkheid op jouw schouders; als je verandering wilt bewerkstelligen. De verantwoordelijkheid serieus aandacht te schenken aan degenen die géén voordeel zullen behalen, degenen die nádeel zullen ondervinden en degenen die geen stem hebben. Je mag het ook 'eerlijk spelen' noemen. Niet voor niets kost verandering tijd. Die is nodig voor gewenning en overdenking. Een stad leeft langzamer dan een beleidsnota bestaat.

donderdag 10 juli 2014

De tranen van een olifant

Als je mij zou vragen 'Zou jij een krantenbericht lezen over een olifant die huilt als-i wordt bevrijd?' dan had ik ontkennend geantwoord. Ik heb een gruwelijke hekel aan het projecteren van menselijk gedrag op dieren. De pekinees Wolf ís geen wezen met wie je communiceert via taal. En een olifant die húilt?!

Toch heb ik het gelezen.

Het is de Huffington Post die een paar dagen terug het verhaal bracht onder de kop Raju The Elephant Cries After Being Rescued Following 50 Years Of Abuse, Chains. Mijn cynische Ik verwachtte een tranentrekkend verhaal over de heldhaftige, succesvolle poging een zielige olifant te jatten onder de ogen van een bende slechterikken. Het verhaal zoals iedere organisatie op zoek naar geld, naar buiten zou brengen.

Dat is ook zo. Er wórdt geld gezocht. Maar ik ben nu wel geboeid door die tranen van de olifant. Is het zo dat het dier, dat zonder twijfel zwaar is mishandeld door opeenvolgende volslagen geschifte eigenaren, die emotie zo gericht kan tonen? Is een vijftigjarige(!) olifant die meer dan de helft van z'n leven slécht is behandeld door mensen, weten dat deze mensen góede bedoelingen hebben? Dat het niet de volgende eigenaren zijn in een serie van wellicht 27?!

De Huffington Post hyperlinkte ook naar een artikel in de Daily Mail.

Wellicht wat sensationeel en emotie zoekend van toon is het wel een artikel met a. veel foto's - onthutsende - en b. net iets meer informatie over de tranen.

"But we stood our ground and refused to back down – and as we did so, tears began to roll down Raju's face. Some no doubt were due to the pain being inflicted by the chains, but he also seemed to sense that change was coming. It was as if he felt hope for the first time in a very long time."


Uiteindelijk ben ik er niet uit. Helemaal los van het idiote exploiteren van dieren ten behoeve van toeristen - wij - komen de tranen me vreemd over. Een dier met pijn dat weet dat dit alles goedbedoeld is?! Als mens vind ik het soms al moeilijk te accepteren dat de tandarts me pijn deed om me te helpen. Of de analist om bloed af te nemen. De tranen vind ik nog steeds een vreemd verhaal.

Geen enkel probleem heb ik met het redden, ook niet als het illegaal zou zijn gebeurt (maar een olifant breng je niet zo makkelijk ergens anoniem onder als bijvoorbeeld een kolibrie).

Lastig wordt het als je me vraagt wat het oplevert. Weinig, denk ik. Blijkbaar bestaat er op plekken op de wereld een heel ander idee over de relatie mens-dier. Voor mij is dat net zoiets als de vraag of de Islam barbaars is omdat in sommige landen de sharia geldt. Zijn wij superieur? Nee. En dus zul je andersdenkenden moeten overtuigen, niet verketteren.

Daar ligt dus nog een hele weg te gaan. Naast de ethische vraag of je dit met dieren mág doen, ligt er ook de vraag naar inkomsten. Daarmee ook meteen de vraag aan onszelf. Wíj zijn het die dergelijke olifanten zo behandelen (laten) door ernaar te kijken. Of de beren die langs de weg in voormalig Joegoslavië kunstjes doen.

Da's misschien nog de belangrijkste conclusie die je als lezer zou moeten trekken; dat je, als je ooit een geketend toeristisch dier tegenkomt, je omdraait en wegloopt.

donderdag 27 maart 2014

Omroepbeleid is merkenbeleid

Het stond in m'n krant en dus is het waar. Toch?!

In de De Volkskrant stond dit naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur over de toekomst van het omroepbestel:
Daarnaast is versterking van het merk NPO achterhaald, volgens ingewijden. 'Het is niet van deze tijd om merken rond netten te bouwen', aldus een commissielid. 'Juist merken als De Wereld Draait Door en Wie is de mol?, die ook op internet groot zijn, hebben de toekomst.'


Da's een verontrustende mening, vind ik.

Een merk 'bouwen' is niet een kwestie van een nachtje ijs. In tegenstelling tot wat het werkwoord 'bouwen' insinueert, is het niet bepaald een beheerst proces. Eerder is het vallen en opstaan, zoeken naar fans en luisteren naar hun wensen, overwegen of daarbij kan en wil worden aangesloten. Dat is dus toch principieel anders dan het bouwen van een gebouw vanaf een blauwdruk.

Merk. Tijd. Sleutelwoorden.

Stel, je bent verantwoordelijk voor de positionering van DWDD in die nieuwe situatie. Dan heb je een paar jaar 'gebouwd' aan 'het merk'. Denkt iemand nu echt dat dat merk zich laat verdringen door iets anders? Wat gebeurt, is dat prográmma's veel meer macht krijgen. Voor de sombermansen: ook - vooral? - de populistische flutpogramma's.

Maar wellicht gaat iemand me ooit eens uitleggen waarin, op dit punt, de vernieuwing zit. Het bredere 'omroep' wordt ingewisseld voor het smalle 'programma'. Dat zou vooruitgang zijn, omdat "het niet van deze tijd is merken rond netten te bouwen". Nee, om programma's wel. Wat een ongelooflijke onzin. Zég dan dat er binnen afzienbare tijd één omroep is met talloze programma's. Want da's de enig logisch volgende stap als programma's zelfstandige eenheden worden. Zoals nu een omroep z'n programma's ordent, zo zal dat dan ook gebeuren. Dat immers is een groot verschil tussen tv en internet: de schaalbaarheid.

Maar goed; ik zie met angst en beven nu de toekomst tegemoet. De genoemde programma's blijven tot het bittere einde werken aan hun merk en dus hun overlevingskansen. Lieve help. Programma's die Peyton Place-achtig nooit meer weg gaan. Een angstbeeld. Een nachtmerrie.

images

Gelukkig is dit niet de kern van het advies.

Dat is een pleidooi voor een veel opener systeem, waarin ook nieuwkomers een uitzendplek kunnen krijgen. Da's mooi, toch? Niet dat het zo zal gaan werken, als de kansen zich eens per vijf jaar voordoen en er toch echt verdeeld gaat worden. Het klinkt allemaal o zo sympathiek zo'n open systeem, maar dat heeft alleen waarde als er geen platformschaarste is. Gaan we dus naar heel veel meer zenders? Gaan we naar programma=zender=tvkanaal?

Snel dat rapport lezen, dus. En vooral te zijner tijd ook de reactie van de staatssecretaris, want die geeft de uiteindelijke richting aan. De Raad voor Cultuur adviseert.

Ik duim voor een situatie waarin we niet worden geconfronteerd met nooit verdwijnende programma's. Dat heeft niets dynamisch, maar wel iets enorm statisch. Leuteren over merken? Prima. Debatteren over het verschil tussen tv en internet? Vast machtig mooi. Maar zorg nu eens voor dynamiek! Da's een stuk moeilijker, hè?

zaterdag 22 maart 2014

Een filmpje, meer niet

Het is mijn zoons schuld dat ik aan dit filmpje moest denken. Hij zat America's Funniest Home Video's te kijken.

https://www.youtube.com/watch?feature=player_detailpage&v=UWXictuN0wI

vrijdag 28 februari 2014

Opleuken in Leiden

Zojuist vielen er drie stempassen op de deurmat. Het vierde lid van ons gezin krijgt 'm in een 'studentenhuis' toegestuurd; vast op en daarna verdwijnend in de stapels folders en onduidelijk drukwerk. Niet voor niets loopt het mis met allerlei betalingen. Maar dat terzijde.

Waarom we stempassen krijgen, is me een raadsel. Niet alleen zijn het gewoon A5-formaat velletjes papier - en zeker geen pasjes - maar ze lijken me ook overbodig. Sinds járen zijn alle Nederlanders verplicht zich te kunnen legitimeren. Dus waarom die extra post? Omdat we het al lang zo doen? Dá's een goede reden, zeg: omdat we het zo altijd al doen.

In Leiden niet, hoor.

Op de envelop staat dat de stempas er in zit. Voor mij altijd reden om hem daarom maar niet open te maken. De datum waarop je voor iets moet gaan stemmen, ontgaat je door al die media-aandacht niet - met uitzondering van het waterschap misschien, want da's niet sexy genoeg voor de media.

Toch zou je de envelop meteen moeten open maken. Want de gemeente Leiden is inmiddels ook over op 'jolige bijsluiters om u enthousiast te maken'.

Photo 28-02-14 11 49 48

Natuurlijk is je stem een serieuze zaak. En natuurlijk is het slecht als veel mensen niet meer de moeite nemen om te stemmen.

Maar natuurlijk is het even kwalijk te denken dat die mensen niet gaan stemmen omdat het niet léuk zou zijn.

Stemmen, je vertegenwoordiger kiezen, ís geen zaak van 'leuk' of populariteit. Daarmee degradeer je democratie tot hetzelfde niveau als talloze 'contests' op televisie, die minder met kwaliteit dan met deelnemerspopulariteit hebben te maken. Dan versterk je de behoefte aan aandachtpakkende slagzinnen. Dan is verleuken het doel geworden.

Het is een Leidse gewoonte aan het worden. In de stad wordt als oplossing voor veel het opleuken gedacht. De vraag óf iets zinvol is op te leuken, wordt - in elk geval niet publiek - gesteld. Zo moet de - ooit! - belangrijkste straat van Leiden weer leuk worden om 'er te zijn'. De eerste vraag is of het nog steeds zo'n belangrijke straat ís. Leiden heeft een serie aaneengeschakelde singels. Die leuken we op door er één singelpark van te maken. De eerste vraag is: voor wíe? Leiden heeft geen spectaculair hoge opkomstpercentages bij raadsverkiezingen. Die leuken we op. De eerste vraag is: komen die kiezers niet omdat het stemproces niet léuk is?!

Screenshot

Mij doet dit weer denken aan die eindeloze discussies met mensen die menen dat 'alles in eenvoudig en begrijpelijk Nederlands beschikbaar moet zijn'. Dat is nonsens. Er zíjn onderwerpen die complex zijn en er zíjn mensen die te dom zijn om iets te begrijpen.

Ook als dat een grondrecht is, zijn er mensen die dat niets interesseert. Dát is eerder aan de orde dan dat er sprake is van de behoefte aan 'leuker maken dan het is'. Voordat je het weet, bevind je je in de situatie waarin benefietconcerten de heel terechte vraag oproepen: komen al die duizenden vanwege het dóel of vanwege de muziek? Zullen we maar uit gaan van die laatste optie?

Is het een slecht idee?

Zeer zeker niet. Iedere extra vrolijkheid is altijd meegenomen, of het nu verkiezingen zijn of een gewone grauwe winterdag. Maar mijn advies zou zijn Verkiezingsdag te organiseren, waarbij het feit dat je mág en kúnt stemmen de reden is om te feesten. Een variant op Koningsdag, dus. Met aankondigingen die níet bij de stempassen zijn ingesloten.

Maar, gemeente, probeer me niet te verleiden te komen stemmen door dát op te leuken. Zó onnozel ben ik niet.

Photo 28-02-14 11 50 01

zondag 12 januari 2014

Een Leids moment

Meer herfst dan winter. Het waait en het regent af en toe. En het is niet eens echt koud. Desalniettemin is het begin januari. Da's toch echt winter.

Ook in Leiden is het vrij beroerd weer. Een stevige wind briest door de stegen en straten. Hier horen zinnen bij als: de mensen spoeden zich naar huis; de kraag van de jas hoog opgetrokken, de blik op oneindig.

Het is de tijd van de korte dagen. De duisternis valt snel en haast plots in. Pechhebbenden zien dezer dagen het daglicht niet. Zij gaan in de duisternis weg en komen in de duisternis weer thuis.

De binnenstad van Leiden is in deze tijd van het jaar op z'n mooist. Niet omdat die binnenstad zo mooi is. Of omdat ze zo mooi is opgesierd met feestverlichting. Nee, op zichzelf ís de binnenstad niet eens mooi. Het is een verzameling monumentale - soms mooie - oude gebouwen. En die feestverlichting past in ieder koopcentrum rond de feestdagen.

Nee, dat allemaal is het niet waardoor de binnenstad zo mooi is.

Dat zit 'm in momenten, flitsen. Je zult het vast in meer gemeenten kunnen ervaren, maar een oude binnenstad geeft je (mij) meer kansen. Stomweg omdat er meer mogelijkheden zijn.

Hiervoor:

om een uur of half zes 's middags kom je de supermarkt uit. Die is eigenlijk al op de rand van de historische binnenstad gelegen, de begane grond van een voormalig fabriekspand gebruikend. Binnen was het nog druk. Buiten valt het mee. De meeste klanten zijn vanwege het weer snel op weg naar huis gegaan. Voor de deur staan de fietsen te wachten; rode batterij-achterlampjes vaak nog aan.

Naast de supermarkt is een steeg. Daarvan heeft Leiden er zat, evenals hofjes. Zijn stegen bij daglicht vaak gribussen, de donkerte geeft ze hun specifieke karakter. Soms worden ze griezelig, soms benauwend, soms bedreigend, soms ronduit mooi. Net als sneeuwdekken moffelt de donkerte de ongerechtigheden van de steeg weg.

Stap op de fiets, passeer de steeg, kijk naar rechts, en daar ís zo'n Leids momentje. Minder dan een seconde duurt, want dan ben je de steeg alweer voorbij en volop bezig met het verkeer en de laatste kilometer tot huis. Tegen de wind, uiteraard.

Dat korte moment is een soort foto. Het beeld van de steeg die uitzicht biedt op een donkere steenmassa: een oud herenhuis. In de gevel één verlicht raam. Dat straalt warm licht uit en geeft een inkijkje in het leven daar. Een jongeman kijkt naar buiten. Groene planten. Boeken en een bureau. Ramen, verdeeld in kleine vierkanten.

Even waan je je in een andere tijd. Dit zou zo het Londen van Dickens kunnen zijn. Het is Leiden. Het is 2014. En het bestaat alleen als flits.

Terug fietsen moet je niet willen en niet doen. In het verleden deed ik dat nog weleens. Dan is de magie van het beeld weg. Dan neem je de tijd en filter je alle projecties weg. Want in dat moment krijg je dan wel een beeld te zien; je vult het zelf ook in met gewenste elementen en 'herinneringen uit boeken', bijvoorbeeld.

Kijk, dát is Leiden. Dát is de kracht van zijn binnenstad. Dát is wat de bewoners meemaken. Omdat zij dagelijks de kans krijgen die flitsen te zien.

Als ze willen...

zondag 1 december 2013

Kwaliteit managen

Kwaliteitsmedewerkers en -managers: ik blijk er een paar te kennen. Pas geleden zat ik op de tribune van onze geliefde rugbyclub te kijken naar - een toen al niet meer te verliezen - wedstrijd met zo iemand. Ze was in die functie terechtgekomen na ziekte en reorganisatie. Gelukkig was het antwoord bevestigend op de belangrijkste vraag: 'Heb je er plezier in?". Je zal niet de eerste zijn die na een langdurige ziekte geen plek meer heeft en wordt weggepest met een non-functie en -werk.

Kwaliteit is een belangrijk aspect van je werk. Het is een waardering, door anderen geuit, over je werk op punten als esthetiek, vakkundigheid of robuustheid. Kwaliteit zie, hoor of voel je ergens aan af. De verf die strak op je kozijnen zit. De stof die zwaar en stevig aanvoelt. De muziek die de instrumenten uit dánst.

En dan zit ik dus te praten met een kwaliteitsmanager.

Eigenlijk zijn dat vreemde functies. Niet dat het niet goed is dat ze er zijn. Juist wel. De invulling bevreemdt me. Kwaliteitsmedewerkers gáán helemaal niet over kwaliteit, maar over regels en protocollen.

Sterker, mijn idee is dat kwaliteitswerk zich juist níet laat meten met regels en protocollen. Dat is gericht op een minimale basis en manier van werken. Een bedrijf zal zich helemaal níet richten op het overschrijden van die minimale eis, maar juist die minimale eis als richtsnoer gebruiken. Dat immers is winstgevend: het minimum doen waarvoor de klant nog betaalt.

Intern zijn die kwaliteitsmedewerkers nog van enige waarde. Maar al die bedrijven die ermee reclame maken of die benadrukken dat zíj zijn gecertificeerd, vertellen meteen ook dat zij zich minimalistisch opstellen. Zeker ISO-certificaten zijn holle vaten, omdat het grootste deel van het certificatieproces door de beoordeelde zélf wordt gedaan.

Kwaliteit lever je uit liefde voor je product of dienst. Kwaliteit lever je ongeacht de wegen die je ervoor moet bewandelen. Kwaliteit staat op gespannen voet met reglementering.

Kwaliteitsmedewerkers maken duidelijk dat jouw kwaliteit onder druk staat. Blijkbaar heb je beambten nodig die de kwaliteit bewaken. Dat zie ik bij de vakman niet snel gebeuren; bij massa-produktie wel.

Dát is wat kwaliteit dus is: "wij gaan voor het minimum.".

zondag 10 november 2013

Weg met de doelgroep! Leve het doeldenken.

Eigenlijk is dit een logische verwant van de blogpost van gisteren over HEMA, die o zo goed zijn in relatiemanagement. Dat is niet (alleen) de leverancier; dat is vooral de klant. Zíjn tevredenheid over en vertrouwen in HEMA zijn de spil waarom alles draait; niet eens zozeer de producten of het assortiment.

Datzelfde zie ik gebeuren rondom het begrip doelgroep.

Dat doelgroepen niet belangrijk zijn, zal niemand beweren. Wat de posítie van doelgroepen is, is een andere vraag. Denken in termen van doelgroepen kan ook (bewustzijn)vernauwend werken.

Neem een politieke partij. In de politiek lijkt de situatie 180 graden gedraaid te zijn. Probeerde een partij in den beginne zoveel mogelijk medestanders voor zíjn standpunten te vinden; tegenwoordig is het van groter belang dat de standpunten en keuzes aansluiten bij de voorkeur van de kiezers en leden.

Da's vreemd, omdat het impliciet duidelijk maakt dat inhoud ondergeschikt is gemaakt aan kwantiteit, aan macht. Het is niet "ik vind dit en hoevelen zijn het met me eens?". Het doeldenken lijkt verzwakt.

Het is niet de politiek die me ertoe bracht dit te schrijven.

Eigenlijk is het dat vermaledijde doelmatigheidsdenken wat weer een rol speelt. Doeldenken betekent ook dat je falen meerekent: het kán zijn dat onvoldoende mensen het met je eens zijn. Doeldenken is een manier van denken en werken die neerkomt op gelóven in je doel en je ook erbij neerleggen als dat onbereikbaar blijkt (of niet, als je een stijfkop bent).

Doeldenken is meer aanbodgericht, terwijl doelgroepdenken meer vraaggericht is. Of beter: lijkt. Want doelgroepdenken ís dat in feite helemaal niet. Doelgroepdenkers bepalen wat zíj zien als opinie, als behoefte van een doelgroep. Zij zijn ook degenen die de doelgroep definiëren. Feitelijk reduceert doelgroepdenken de ander tot een willoos individu.

Een goed voorbeeld hoe dat, naar mijn idee, fout kan uitwerken, is de wereld van werkloosheidbestrijding en reïntegratie.

Je kunt daar de positie innemen dat alle activiteiten die jouw organisatie ontwikkelt, moeten zijn gericht op het vinden van werk. Prima te verdedigen standpunt (zij het dat ik er nogal anders tegenaan kijk. Maar dat terzijde).

De belangrijkste vraag komt daarna. Voor wie doe je dat? Ik zou verwachten dat je daarbij dat doel voorop stelt. In mijn voorbeeld: het zijn zeker niet alleen werklozen die werk zoeken. Werk zoeken doen ook tal van mensen die nu al in loondienst zijn, doen ZZPers die toch een veilige(r) haven zoeken, doen bijna-afgestudeerden. Toch?

Doelgroepdenken doet me iedere keer heel erg denken aan een winkel waar de winkelier van bepaalt wíe z'n winkel mag binnen komen én wie daar dan mag kopen. Een rare situatie.

Veel verstandiger is het ópen te staan en te weten wat je klantengroep is. Dat is net anders dan doelgroepdenken. Dat is gebruikersdenken.

Als ik dan hoor dat een kennis informatie over een ongedwongen bijeenkomst plaatste bij de De Broekriem en dat die werd geweigerd omdat 'hij niet in overeenstemming is met ons doel werk vinden begeleiden', dan denk ik: da's klassiek doelgroepdenken. Dat is iemand anders die weet wat goed is voor mij.

woensdag 2 oktober 2013

Sociale innovatie uit de supermarkt

Weet jij waaraan we in Nederland de koelkast hebben te danken? Niet zozeer het apparaat zelf als het gebruik. Waardoor heeft de koelkast een hoge vlucht genomen?

Dat was onze nationale keukenleermeester, Albert Heyn.

Zoals dat gaat: op het juiste (toevallige) moment een actie hebben met goedkope koelkasten. Vanaf dan gaat het gestaag en tegenwoordig hoort de koelkast als vanzelfsprekend tot de standaardkeukenuitrusting.

De koelkast maakte dat je minder vaak dan voorheen inkopen kon doen. Of anders geformuleerd: meer in één keer kon inkopen. Ik ben van een generatie die het nog nét meemaakte; dat de melkboer langs de huizen kwam. Die verkocht, uit grote melktonnen, met een maatschep uitgeschepte melk. Die was niet zo lang houdbaar als de melk uit de fles, de zak en het karton die daarna kwamen. Zeker voor zuivelprodukten en vlees was de koelkast een uitkomst. Dat was langer voedseltechnisch veilig te bewaren. Luxe werd ook toegevoegd. Dranken die konden worden gekoeld. Gebak dat langer goed bleef.

Het frappante is dat in die eerste periode ook minder werd weggegooid. Dat wat overbleef, kon in een koelkast worden bewaard tot 'de kliekjesdag' die veel gezinnen kenden. Maar de kennis over hoeveelheden verdween, veranderde. Dat kun je niet alleen op het conto van de koelkast of de supermarkt schrijven. Maar zonder die twee was het wél lastiger geweest en langzamer gegaan. Er werd steeds meer gegeten en ook steeds meer weggegooid, verspild. Ook door toegenomen welvaart waardoor abundance, overvloed vanzelfsprekend was: het bijbelse land van melk en honing.

En de koelkast is "groter gegroeid" in de loop der jaren. De eerste modellen koelkast worden nu tafelmodel genoemd. Standaard is een bijna kamerhoog apparaat. Veel ruimte nodigt tot vullen. En dat dóen we.

Feestdagen waren al een fenomeen. Waar láát je al dat voedsel? Nu, met de recessie, komt die situatie vaker voor. Waar láát je al die aanbiedingen? Invriezen is een goede optie. Maar sommige dingen kún je niet invriezen.

Met dat in je achterhoofd moet je dit plaatje eens bekijken.
Photo 29-09-13 18 27 21

Het komt uit een folder van Lidl en is, denk ik, een ongelooflijk slimme vernieuwing.

"Die pakken drank zijn best wel goedkoop, maar waar laat ik die in de koelkast? En ik moet ze best snel achter elkaar opdrinken, want ze zijn beperkt houdbaar. Laat ik het dus maar niet doen."

Dat is nu net wat Lidl níet wil, dat je iets níet koopt. Maar Lidl lijkt goed in de gaten te hebben dat je de supermarkt ook kunt positioneren als een verlengde van de huiskoelkast. Ze zíjn al veel vaker open, in veel steden is er ook op zondag wel een supermarkt open. Dat was stap één.

Wat hier gebeurt, is een service die nog verder gaat. Oók als het artikel wél in de schappen ligt, kun je het nog even laten liggen en later toch tegen de aanbiedingsprijs meenemen. Da's wel wat anders dan de coupons die er bestaan als artikelen er níet meer zijn. Je kunt nu met een gerust hart een week, of twee, later die andere fles halen.

Dat scheelt ruimte in je koelkast. Dat levert je altijd versere - voor zover vers nog vérs is - produkten in je koelkast op. En de supermarkt verkoopt.

Sociale innovatie: de supermarkt als ook jóuw persoonlijke voorraad(koel)kast. Dat heeft Albert Heyn met z'n 'gezelligheid en kopjes koffie' niet. Nóg niet.

maandag 23 september 2013

Uitbesteden?!

Weet je. Zo af en toe - vaker toe dan af overigens - kan ik verbaasd kijken naar ons uitbesteedgedrag. Het lijkt wel alsof we collectief aan een chronisch gebrek aan zelfvertrouwen leiden.

Dat je een loodgieter of andere vakman belt om een technisch complexe klus in of aan je huis te laten uitvoeren; soit, da's duidelijk. Als individu heb je nu eenmaal beperkingen. Dan ben je wel genoodzaakt iemand in te schakelen. Of je probeert het zelf en schakelt daarná iemand in om de nog grotere puinhoop te herstellen. DHZ heet dat, is me ooit verteld: doe het zelf.

Waar ik echter bar weinig van begrijp, is dat ook organisaties er last van hebben. Of eigenlijk: helemaal níets lijken te kunnen. Da's raar.

Heb jij je ooit gerealiseerd hoeveel cursussen, trainingen, conferenties, workshops, bezinningsweekeinden, bijspijkersessies over gemeenten worden uitgestort? Bizar veel.

Als we er van uitgaan dat die aanbieders er genoeg aan verdienen, móet de conclusie wel zijn dat het gemeenten schromelijk schort aan kennis. Waarom zou je anders al die uren kennisvergaring nodig hebben? Toch niet voor de lol?!

Of zou het anders zijn?

Als je voor zo'n club hebt gewerkt, worden je wel wat zaken duidelijker. De belangrijkste is dat hun klanten zichzelf veel te onkundig inschatten; en de aanbieder veel te hoog (en anders wordt het ze wel ingefluisterd als een nog ongezien probleem).

Het is allemaal zo logisch. Je krijgt te horen dat er wéér iets verandert, raakt enigszins in paniek (want de invoeringstermijn is uiteraard te kort) en meent hulp nodig te hebben. Dát, immers, is de natuurlijke reactie in geval van paniek: hulp!

En die is er dan. In sommige gevallen wordt zelfs voorshands afgestemd: hele trainingen en ondersteuningsinstrumenten die worden gemaakt nog vóórdat een wijziging ingaat. Daś - gelukkig - geen gewoonte. Gebruikelijker is dat vernieuwing wordt begeleid door een heel aanbod aan trainingen en zo. Denk nu niet: gemeenten. Het geldt veel breder. Cursussen 'gebruik van de iPad'... alsof we - ook ouderen - niet zelf op ontdekkingstocht zouden moeten (kunnen) gaan. Nee, net zoals we ons voor alles en meer verzekeren, beginnen we niet meer onbevangen.

Er wordt daardoor niet alleen ongelooflijk veel geld weggegooid, door bedrijven en overheden. Daar zou je nog van kunnen beredeneren dat er dan in elk geval geld wordt rondgepompt in de economie.

Maar er wordt iets destructievers in gang gezet.

Dat niet meer vertrouwen op eigen kennis en kunde leidt er ook toe dat overheden en bedrijven minder creatief worden, minder probleemoplossend en meer routinematig. Als voor iedere anomalie in het proces menskracht van buiten moet komen, is dat óók een teken van sterke routines.

Het wordt weleens beweerd dat al dat 'verzorgen' zwakkere mensen voortbrengt. Mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, die geen oplossingen of eigen initiatief voortbrengen. Mensen die afwachten, als lambs to the slaughter.

Omdat organisaties worden gevormd door en uit mensen, lijkt het me niet heel erg vergezocht te denken dat óók organisaties zo passief-afwachtend zijn geworden. En dát is ernstig.

Een zelfredzame burger (ver)eist een zelfredzame overheid.

donderdag 22 augustus 2013

Leiden dynamisch digitaal

Het is niet eens zó moeilijk te maken, begreep ik van technisch beter onderlegde mensen. Het kost geld - wat niet? - en het kost voorstellingsvermogen.

Wat doen toeristen in Leiden? Onder andere foto's maken; ter herinnering, omdat het mooie of pittoreske beelden oplevert. Als je veel door de stad fietst - ook in jouw eigen gemeente - zijn er gegarandeerd plekken die je geregeld passeert en die er iedere dag anders uitzien. Op sommige dagen stop je wellicht en kijk je wat langer. Naar de nevel die uit de gracht opstijgt of de zon die wonderlijk mooi strijk- of tegenlicht geeft in een klinkerstraat.

Wat mij nu zo mooi lijkt, voor Leiden, is een groot aantal camera's in de stad die dergelijke plekken ontsluiten. De camera hoeft, mág, niet kunnen bewegen. Het is een stilstaand beeld wat je zoekt, geen surveillance. Via draadloos Internet - en Leiden krijgt dat over de hele stad. Toch? - zijn die beelden op te vragen.

Maak van die beelden een Leiden Dynamisch Digitaal: een permanente veranderend 'tijdschrift' bestaand uit beelden uit de stad. Heel veel beelden uit de stad en zeker niet alleen de toeristische trekpleisters.

LeidenDD laat je de stad dan zien zoals hij echt is: soms verregend-lelijk, soms indrukwekkend mooi. Dan komen de toeristen niet meer? Dan komen de toeristen júist, want we willen allemaal uiteindelijk toch het origineel ervaren. Weet je nog? Muziek zou ten dode zijn opgeschreven door al dat downloaden. Niets is minder waar: concerten en festivals floreren. Het echte ding zien.

Echt. Hang zo'n honderd camera's op en toon de stad. Mogelijk bedenkt iemand zelfs dat je foto's als Groeten Uit... kunt versturen. Of er een eigen route mee kunt samenstellen. Als de stad echt zulke sterke beelden heeft, dan maken we er zó gebruik van.
Geen oubollige verhalen over Rembrandt of de monumentale Pieterskerk. Geen obligaat verhaal over 'de mooiste gracht van Leiden' - dat bepalen we zélf wel - of de hoeveelheid water in Leiden - dat overzien we toch niet en blijft een 'feitje'. Geen exposé over 'de universiteit' of samenwerkingsrelaties, want die zijn op straat grotendeels onzichtbaar. Laat die informatie voor wat ze is: áchtergrondinformatie, de context.

Waar je de beelden vindt? Ga eens bij de voetgangersbrug staan op de Nieuwe Rijn en kijk naar de Hooglandse Kerk, liefst met heiïg weer. Of op de brug Nieuwe Rijn/Herengracht en kijk over de Herengracht naar de kerk aan de Herensingel. Of, ook op die plek, in het ochtendlicht naar de Rijnbrug. De stokoude boom op de begraafplaats aan de Groenesteeg. De Zuidsingel. De Haven. De bocht in de Haarlemmerweg, ná de spooronderdoorgang. De Besjeslaan. Park Cronesteyn. Zomaar wat plekken waar alleen ik al vaker dacht: whow, wat een mooi beeld. En dat een uur later alweer anders was.

Die Whow-momenten bereikbaarder maken, dat doet LeidenDD. In de vorm van een dynamisch plaatjesboek. Dat geen uur hetzelfde is; verandert met de lichtinval, met de seizoenen. Maar dat wel één van de gezichten van Leiden weergeeft. Leiden zoals Leidenaren de stad meemaken, niet de denkbeeldige stad uit de folders.

Wie biedt?

woensdag 15 mei 2013

Oerlelijke baas over mooie mensen

Vorige week had ik een interessant Twittergesprek met Linda Duits (@lalalalinder). Het ging over iets wat zij twitterde; over iemand die met open ogen in een opzetje van een bedrijf was getrapt.

Het kledingconcern Abercrombie bleek de boosdoener. In het bijzonder hun directeur die, naar zeggen, een te verfoeilijken mening verkondigt:
“In every school there are the cool and popular kids, and then there are the not-so-cool kids...Candidly, we go after the cool kids. We go after the attractive all-American kid with a great attitude and a lot of friends. A lot of people don’t belong [in our clothes], and they can’t belong. Are we exclusionary? Absolutely."


Natuurlijk is het dom gezwets. Dat merk hééft helemaal niet te kiezen wie het draagt. Dat doen de consumenten. Wat meneer hier doet, is toch ook te scharen onder de noemer wensdenken. Want wat doet hij als er toch ook impopulaire, wellicht zelfs gehate, mensen in zijn kleren passen en het kopen? Ze er uit trekken?

Het zal ze maar gebeuren: dat iemand van de pro-anabeweging - de ziekelijk mageren - sterft in hun kleding. Als die lichaamvereerders jouw merk gebruiken 'omdat het hen wél past'. Nee, dan word je blij als fabrikant dat je koos voor de magere medemens.
Wat als die all-American kids blanke racisten blijken te zijn? Of wapenidolate gevaren? Wat als all-American wordt geïnterpreteerd als rassenscheiding? Heeft Lonsdale er dan een concurrent bij?

Het verbaast me niet dat er op die uitlatingen wordt gereageerd. En zeker niet dat dat gebeurt door organisaties en op websites die zich bezighouden met de ziekelijke variant van gewichtsbeheersing en ideale lichamen, die van eetstoornissen. Dat zijn dodelijk ernstige aandoeningen.

20130515-171709.jpg

Alhowel ik vind dat Linda gelijk heeft dat je moet oppassen niet in een opzetje te trappen, vind ik wel dat dit soort van blatante onzin niet onweersproken mag blijven. Het past in een lijn van 'wees vooral de wijste en zeg niets'-aanpak die dit soort van schreeuwers ruim baan geeft. Daarvan ben ik geen voorstander meer; rede(lijkheid) deinst dan terug voor geweld.

Inmiddels is de tegenreactie gekomen. ABC doet verslag van een (klein) aantal. Misschien moet er staan: nog klein aantal. Want de kans is aanwezig dat een merk dat de grootste groep úitsluit (en een kleine elite insluit) zich de woede van die groep op de hals haalt.

The backlash for the trendy clothing store Abercombie and Fitch is reaching a feverish pitch as actress Kirstie Alley, in an exclusive interview with ''Entertainment Tonight'' slammed the store and its controversial CEO Mike Jeffries.

"'Abercrombie clothes are for people who are cool and look a certain way and are beautiful and are thin' and blah, blah, blah, blah, blah," Alley said. "That would make me never buy anything from Abercrombie."


Maar echt slopend is wat ik vanochtend hoorde tijdens het wekelijks zwemhalfuurtje. Eén van de zwemmers is antiquair - niet werkzaam in de mode, dus - en meldde spontaan:

Hebben jullie dat gehoord van die Abercombie? Van die manager die vindt dat ze er alleen zijn voor mooie mensen? En heb je hém weleens gezien? Die man ziet er monsterlijk lelijk uit. Ik snap niet waar-i het lef vandaan haalt. Echt, je moet maar eens kijken. Helemaal stijf van de botox en operaties. En niemand die 'm durft te zeggen dat-i oerlelijk is zeker.


Michael-Jeffries

Kijk. Da's wat je ook over jezelf afroept. Een onderstroom oordelen, niet direct zichtbaar, die je tot op de grond toe af fakkelt.

donderdag 4 oktober 2012

Significant niet-causaal

Zit er werkelijk iets in, of is het gewoon giswerk op basis van brute force rekenwerk? Als je wilt, kun je je namelijk helemaal kapót rekenen aan vanalles en nog wat. En ogenschijnlijk nog verbanden vinden ook. Je kent vast het voorbeeld dat vaak wordt gebruikt om de begrippen correlatie en causaliteit uit te leggen. In een dorp wordt een statistisch significant verband berekend tussen aantallen geboorten en de aanwezigheid van ooievaars. De relatie tussen beide fenomenen is echter nul en dus is de relatie onzin. Het een veroorzaakt of verklaart het ander niet; is nuet causaal.

Zoiets gebeurt heel vaak als we nog niet goed snappen wat we zien of meemaken. Dat is ook een logische en zinvolle stap. Het is zo'n beetje: wie niet waagt, die niet wint. En wie niet zoekt, zal ook niet vinden. En dus proberen we veel te kwantificeren om daarna de variabelen met elkaar te kruisen op zoek naar verbanden. In de jaren tachtig, negentig nam dat met het bestaan van data warehouses een enorm, maar vrij korte, vlucht in de publiciteit: datamining. Oneerbiedig: dankzij de ineens beschikbare rekenkracht kon er ineens snel en willekeurig - de brute force - worden gezocht naar onvoorspelde verbanden. Een el dorado voor marketeers moet dat zijn geweest.

Uiteraard heeft datamining significante verbanden opgeleverd, net zo goed als dat er voorbeelden zijn te vinden waarin eerder bevestigend dan exploratief is gezocht. Zowel het zoeken naar verbanden die je verwacht als het vinden van volslagen onverwachte, is een risico.

20121004-190010.jpg

Eigenlijk is het vrij logisch. Een verband dat je vindt, moet je ook kunnen verklaren. Vast nog niet honderd procent, maar een heel eind moet toch lukken. Een verband vinden dat op geen enkele manier logisch is, is een risico omdat je dan ook een niet-causaal verband kan hebben gevonden. En ja, officieel dien je eerst een theorie te hebben en met onderzoek te proberen die te ontkrachten. Lukt dat 'falsificeren' niet, dan heb je een goede theorie. Maar je moet dus wel een vermoeden, een hypothese, hebben.

In de wereld van de social media is het al een poosje een soort van Wilde Westen, zo lijkt het; een prima omgeving voor dit soort van zaken.

Wellicht dat het vooral marketeers zijn die op zoek zijn naar greep op de social media. Dat zou kunnen verklaren waarom er zo fanatiek wordt gezocht naar 'de beïnvloeders'. Dat het belangrijk wordt gevonden te weten wat de beste tijd is om een tweet te versturen. Wie nu eigenlijk de gebruikers zijn van de onderscheiden social media. Dat kún je lachend afdoen als onzin. Maar al die snippers kennis gaan op den duur vast op in een solide verhaal. En sommige snippers zullen inderdaad overbodig blijken.

20121004-185959.jpg

Af en toe kun je je wel verbazen over de snippers die we vinden. Vandaag was het weer raak. In Venture Beat staat een artikel over een onderzoek van Compendium. Er hoort een mooie infographic bij die je zelf even mag aanclicken via het oorspronkelijk verhaal. Ook hier weer prachtig snippermateriaal: wat is het effect van het gebruik van uitroeptekens in social media? Of van vraagtekens? En hashtags? Wat zijn de leestijden van onderscheiden social media? En wat de beste lengte voor een tweet of Facebookbericht?

Nu alleen nog snappen waaróm dat zo is.