Posts tonen met het label omkering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label omkering. Alle posts tonen

zondag 26 oktober 2014

De omgekeerde stad

Verandering is leven. Wat niet verandert, ís dood of gáát dood. Survival of the fittest: niet de sterkste maar de best aangepaste (fittest) overleeft.

Deze verwarring wordt grotendeels toegeschreven aan de gewijzigde betekenis van fittest. Toen deze term ontstond in Engeland betekende fittest vooral meest passend (to fit → passen) of het geschiktst in tegenstelling tot in de beste fysieke conditie.


Veranderende betekenis is vaak een bron van ellende; zeker als-i bewúst wordt toegepast.

Het naakte feit dat een stad als Leiden aan city marketing doet, is op de keper beschouwd een veeg teken voor de inwoners. Tal van initiatieven zijn bezig met het verkopen van de stad. Waar marketing zich richt op 'klantrelaties' doet zich echter iets opvallends voor. De klant is primair niet de inwoner. De klant is de toerist, de dagjesmens, de winkelende mens, de congresbezoeker, degene van búiten de stad.

Daarmee is de stad omgekeerd. Was het decennia geleden nog de plek waar werd samengewoond, -geleefd en -geproduceerd in de vorm van een samenleving, is het nu een productiemiddel geworden. De stad als onderneming, als bedrijf. Niet de inwoner, zijn voorkeuren en belangen zijn richtinggevend, maar het daarvan losstaande belang van de vreemdeling. Dat impliceert principieel vervreemding in de stad. Waar ooit mensen naar Leiden kwamen omdat ónze sfeer hen beviel en aantrok, nu wordt de sfeer aangepast aan hún wensen. Dat in toeristische kernen als Amsterdam en Barcelona de inwoners de stad hún stad niet meer vinden, is in dat licht geen onverwachte ontwikkeling. Ook Leiden loopt dat risico.

Een stad is van en voor z'n inwoners. Dat kan inderdaad frustrerend zijn op het moment dat de resultante daarvan niet jóuw gewenste resultante is. Wellicht ís een stad als Leiden wel een slaperig provinciestadje en niet een creatieve broedplaats of dynamisch cultureel centrum. Soit. Incasseren, dus. Maar nooit proberen om die stadsgeest te ontkennen en tóch iets anders te maken. Daarmee vervreemdt je.

Ik denk dat (veel van de) stads- en burgerinitiatieven daaraan leiden: een vervreemding van de stad, die zij zien als een neutraal, kneedbaar geheel. Waarin niet de gevolgen voor het samenleven, maar wel voor 'de toerist' of 'de economie' aandacht krijgen. Dan heb je de stad omgedraaid, ten dienste van andere belangen. Zonder dat uit te spreken.

Het is het eeuwig probleem van (sociale) verandering en vernieuwing. Dat gaat altijd gepaard met die survival of the fittest, overal en altijd.

Het betekent al helemaal niet dat de 'sterkste' het morele recht heeft te doen wat hij wil met de 'zwakkere' met de motivatie dat dat nu eenmaal zo werkt in de natuur. Kapitalisten, fascisten en nazi's gebruikten dit argument om hun imperialistische aspiraties te verdedigen.


Het laadt verantwoordelijkheid op jouw schouders; als je verandering wilt bewerkstelligen. De verantwoordelijkheid serieus aandacht te schenken aan degenen die géén voordeel zullen behalen, degenen die nádeel zullen ondervinden en degenen die geen stem hebben. Je mag het ook 'eerlijk spelen' noemen. Niet voor niets kost verandering tijd. Die is nodig voor gewenning en overdenking. Een stad leeft langzamer dan een beleidsnota bestaat.

donderdag 3 oktober 2013

Beweging is relatief

Als je in Leiden Drie Oktober viert - ook bekend als Leidens Ontzet - dan krijg je te maken met een aantal tradities en conventies. Tot de oudste behoren de 'haring en wittebrood' en 'de hutspot'. Hutspot maak je uiteraard zelf, met klapstuk, en eet je volgens de één op drie en een ander op twee oktober. Ook de klapstuk is onderwerp van discussie; sucadelap mag ook en de speklap en gehaktbal rukken op.

Haring en wittebrood krijg je van de Drie Octobervereeniging. Iedereen die in Leiden woont of er is geboren, krijgt ze. Daarvoor moet je wél in een - tradioneel - lánge rij gaan staan wachten. Eerst half september voor je inschrijving en op drie oktober, vanaf 08.00 uur, bij de uitreiking. En eigenlijk daarna nog een keer dunnetjes over, bij Katwijkse dames die de haring voor je schoonmaken.

Uiteraard heb je dan ook al meegedaan met een andere traditie: het Reveille. Om 07.00 uur 's ochtends wordt die gezongen. Daarna ga je meteen door naar die haringen.

Dat zijn de klassiekere tradities. Daaraan zijn er in de afgelopen jaren aan toegevoegd. Twee oktober om 16.15 uur wordt er gemeenschappelijk hutspot gegeten. Alhoewel dat pas enkele jaren gebeurt, heet het nu al 'traditie'.

Wel traditie is de Grote Optocht. Die is er al lang en er worden ook al net zo lang grappen over gemaakt. Vooral het haast natuurwettelijke Gaten In De Optocht, zijn een bron van vermaak en commentaar.

Het probleem is eenvoudig. De optocht is zo'n anderhalve kilometer lang, netto. En toch lukt het nooit de optocht vloeiend door de stad te laten trekken. Vertrekt-i om 13.00 uur van z'n start-eindpunt; dit jaar was-i daar om 16.30 uur pas weer terug. Niet vanwege de lengte van de route, maar vanwege het vele oponthoud: de gaten in de optocht.

Misschien zou Leiden eindelijk eens iets geks moeten doen: de optocht omkeren.

Waarom staan er tienduizenden mensen, rijen dik, langs de route te wachten op de optocht? Of stáán te kijken naar een stilstaande optocht. Na een kwartiertje heb je de kont van het paard wel gezien. Begin je de penseeltechniek te herkennen van de praalwagenschilder.

Waarom zetten we de optocht niet stationair neer en laten het publiek er langs lopen?

Beweging is immers relatief: het gaat om de verschuiving ten opzicht van elkaar. En of dan de optocht langs het publiek beweegt of het publiek langs de optocht, is irrelevant.

Of het een succes wordt, is de vraag. Het gaat immers om iets subjectiefs: de beleving. Passief aan de stoeprand staan kijken naar iets wat je wórdt gepresenteerd, is anders dan zelf erlangs wandelen. Dat laatste heeft weer wel het voordeel dat je langer kunt kijken naar de aspecten die je mooi vindt. De Braziliaanse danseressen zullen ongetwijfeld meer aandacht trekken dan de karos met de burgemeester en bestuur. Het zij zo.

Ook dit jaar was het weer raak. De optocht stond om de haverklap stil. Als je dat overkomt in een lange straat, dan zíe je het ook al gebeuren: mensen die richting het eind van de optocht gaan lopen.

Die feitelijk zelf al invulling geven aan De Stilstaande Optocht.

donderdag 13 juni 2013

Je hele jéugd is examen

In de loop van de dag verschenen ze steeds meer in het straatbeeld. De vlaggen met een tas aan de vlaggenstok gebonden. De variatie is hier in Leiden nog groot ook. Het 'met vlag en wimpel slagen' leidt hier ter stede zeker niet per sé tot een nationale driekleur als vlag. Zeker ook de 'Leidse vlag' - en zelfs een Feyenoordvlag - doet het goed. Die variatie geldt overigens ook de manier van vlaggen.

images

Zo'n examendag maakt ook duidelijk dat het vlaggen in Nederland zeker geen massa-gewoonte is. Vlaggenstok en -houder zijn niet altijd beschikbaar. Maar niet getreurd; dan hang je de vlag gewoon over de raamdorpel. Met als nadeel dat zo'n vlag dan niet vrolijk en feestelijk wappert, maar wat lulligjes tegen de gevel aankleeft.

En als je de vlag te zwaar maakt... dan kukelt het hele zaakje naar beneden om eerloos te eindigen in de tuin. Ook dát beeld was vandaag te zien. In de Herenstraat.

Die vlaggen doen me denken aan dat gevoel van bevrijding als je bent geslaagd. Klaar. Van school. Weg. Nieuwe kansen en een verse start. En aan de snelheid waarmee in de maanden daarna je nieuwe opleiding of werk weer tot sleur lijkt gebombardeerd. Euforie, hoe jammer ook, duurt nooit echt lang. Voor een volgende flash zul je weer aan de bak moeten.

Examens zijn feitelijk rare situaties. We denken wel dat daarmee wordt bepaald welk kennisniveau de 'kandidaten' hebben. Daar kun je wel vraagtekens bij plaatsen.

images3

Examens meten vooral de onderlinge verschillen tussen de kandidaten, op één moment. Heb je die dag toevallig stekende hoofdpijn, dan is er een gerede kans dat je het slechter doet. Is de lesstof te moeilijk gebleken voor iedereen, dan wordt het beoordelingsschema bijgesteld. Daardoor is de zes van dit jaar niet ongewogen vergelijkbaar met de zes van vorig jaar of andere jaren.

Dat is wat me zo frappeert aan (een deel van) de reacties op 'de gestolen examens'. Vooral de techsavvy, de tech-idealisten reageren daar uitermate eenzijdig op. Zo'n diefstal is toch ook gewoon vanzelfsprekend als we zo ouderwets met papier werken? Nee, de oplossing is een technische. Online bijvoorbeeld. Waarbij de opdrachten pas seconden van tevoren worden vrijgegeven. En de uitslagen sneller beschikbaar komen.

images2

De vraag die we ons zouden móeten stellen, lijkt me echter eerder die naar het bestaansrecht van dit soort van centrale examens. Maar die stellen zij niet. De kansen die nieuwe technieken ons bieden, zouden als het even kan gepaard moeten gaan met heel principiële, fundamentele vragen en heroriëntatie. Een heel basale ontwerpvraag: 'hoe wil je het hebben?'.

Niet dat dat per definitie tot iets nieuws móet leiden. In dit geval is het wellicht aardig er weer eens bij stil te staan.

Mijn idee bij een examen is altijd geweest dat een examen is bedoeld om de kennis van iemand te bepalen. Inmiddels weten we dat je dat bij voorkeur niet op één moment bepaalt, maar gedurende langere tijd. Op de lagere school wordt de hele leerlingloopbaan een dossier met vorderingen bijgehouden. Op de middelbare school worden alle jaren proefwerken in diverse vormen afgenomen. Dat geldt ook voor het beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Die loopbanen zeggen véél meer over de kandidaten. Wat is daarin het niveau? Wat is de voortgang? Hoe beoordeel je dat?

Als je weet dat jonge mensen zich volop ontwikkelen. Als je weet dat dat geen lineair proces is, maar een van toppen en dalen. Als je weet dat veel meetpunten een nauwkeuriger beeld opleveren dan minder. Waarom wordt dan niet de hele ontwikkeling van een leerling gebruikt om te bepalen of iemand wel of niet een diploma waard is?

En, daarbij...

waarom gaan we niet over tot examens voor de leraren in plaats van de leerlingen? Als we nu eens heel geregeld vaststellen of degenen die voor ons bepalen of leerlingen een bepaald kennisniveau hebben bereikt, dat ook kúnnen doen?

Zo vreemd is die omkering niet. Hij past beter bij onze kennis over het leerproces en hij maakt fraude een stuk ingewikkelder. Een individuele leraar kan uitschieten - net als nu. Maar een olievlek als gevolg van vijfentwintig gestolen examens is een stuk moeilijker. Daarenboven staat de leraar weer centraal als beoordelaar. Zoals ooit de meester-gezel een jarenlange opleidingsrelatie hadden.

Kijk. Dat soort van (gedachten)experimenten maakt gebruik van de nieuwe technologie. Da's anders dan centrale examens digitaliseren.