Posts tonen met het label waarnemen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label waarnemen. Alle posts tonen

dinsdag 7 oktober 2014

het verdwijnen van een werkelijkheid

Dit is een echt leuk artikel: It’s Official: A.I.s are Now Re-Writing History. Het is van de hand van Rob Smith en ik vond het op PetaPixel.

En het is beangstigend. Of líjkt het beangstigend?

Dit leek me de kern. Een foto die niet is gemaakt van een moment dat niet bestond.
Actually, these photos were a part of a “burst” or twelve that my iPhone created when my father-in-law accidentally held down the button too long. I only uploaded two photos from this burst to see which one my wife liked better.

So Google’s algorithms took the two similar photos and created a moment in history that never existed, one where my wife and I smiled our best (or what the algorithm determined was our best) at the exact same microsecond, in a restaurant in Normandy.


Een foto die niet is gemaakt van een moment dat niet bestond, maar die wel wordt gepresenteerd als de werkelijkheid. Dát intrigeert. Toch? Want het roept meteen de vraag op wat werkelijkheid is. We zijn immers opgevoed, opgeleid en doordrongen van het uitgangspunt dat je de werkelijkheid kunt zíen. Empirie heerst.

Met de komst van intermediaire media, zoals televisie, is dat gaan schuiven. Uit mijn jeugd komt dit iconisch fragment. Bijzonder, omdat 'de rest van de wereld' níet twijfelde aan de televisiewaarheid.
http://youtu.be/FMkokpaAh78

Nu lachen we er om. Maar waarom lachen we eigenlijk?

We weten inmiddels dat voor de televisiewerkelijkheid foto's ook werden bewerkt, geretoucheerd. Was dat bedoeld om stofjes en krasjes op negatieven weg te werken, in later jaren verdwenen er personen van foto's. Weg geretoucheerd. In het Oostblok was men er een kei in, vertelden de Westerse leiders. Die er zelf ook aardig handig in waren. Met de komst van digitale media(opslag) wordt het nog een slag complexer: er verdwijnt een zichtbare opslag. Geen film, geen negatieven, alleen nullen en enen.

In 1998 wordt geconstateerd:
De waarheidspretentie ligt dan ook niet zozeer in de techniek, maar in de plaats die zij zich heeft verworven in ons denken.

Een stelling die nog niet aan geldigheid inboette. Sterker, de vraag is wat onze werkelijkheid nu is.

Met de digitale mogelijkheden is de weergave van een werkelijkheid al hevig onder druk komen te staan. Retoucheren doen we al lang niet meer. We fotosjoppen. Het is een werkwoord geworden! Eentje dat we zoveel gebruiken dat het normaalste zaak van de wereld lijkt foto's aan te passen. Modellen die slanker worden of waarvan lichaamsdelen onbewust de aandacht trekken (omdat dat zo lekker verkoopt). Maar ook de net niet gelukte vakantiefoto die we even 'bijwerken'. En dan kun je natuurlijk ook nog leuke geintjes uithalen met foto's. Geintjes die zó overduidelijk nep zijn, dat iedereen daarvan de lol inziet.

Maar waar verlaat je dan de werkelijkheid?

De situatie tot nu is dat we met ópzet - kwader of goeder trouw - manipuleerden. Wat nu gaat beginnen, is echter principieel anders. Een autonome machine beslist en stelt onze werkelijkheid samen. Persoonlijk vind ik dat weer zo'n fascinerend effect van innovatie, van technologische vooruitgang: op welk moment zijn we niet meer in staat werkelijkheid van werkelijkheid te onderscheiden? Op welk moment is dat samenstellen zo massaal en onbetwist dat we in een nieuwe werkelijkheid terecht komen? Een werkelijkheid die wel de echte móet zijn; want we zien het toch, nemen 'm toch waar?

maandag 1 september 2014

Jij, de toerist

Het leukste aan vakantie - op zich al een blogpost waard - is de terugkeer naar huis. Is alles er nog? Er zal toch niet zijn ingebroken? Wat zal er zijn veranderd? Nou, meestal niets. Misschien dat de gemeente een boompje heeft geplant of geveld, maar meestal is dat het wel. Bij de meeste van ons ís niet ingebroken en staat het huis er nog steeds.

Er is één moment wat mijn favoriet is. Dat is het moment waarop we Nederland weer binnen komen. Niet omdat het zo'n 'we zijn weer thuis'gevoel oproept. We hebben ooit drie of vier achter elkaar meegemaakt dat we werkelijk bij het passeren van de Belgisch-Nederlandse grens in de regen kwamen. Op een gegeven moment leek het gewoonte te zijn. Dat was het jaar waarin het níet meer regende toen we thuis kwamen.

Nee, thuis komen geeft je even, héél even de mogelijkheid je eigen omgeving, je eigen land met vreemde ogen te zien. Alsof je toerist bent en net aankomt.

Als ik eerlijk ben, is dat geen onverdeeld genoegen.

Dit jaar kwamen we bijvoorbeeld terug uit Berlijn. Met de trein. Als toerist word je dan neergezet op een achteraf spoor op Amsterdam Centraal. Een griebus perron, om eerlijk te zijn: smal, vuil en een trap die je in een tunnel van geen enkel allooi voert. Amsterdam CS blijkt zich net aan te kunnen meten met de satellietstations van Berlijn, maar staat lichtjaren af van het Hauptbahnhof, van Antwerpen CS, van Paris Nord of Londen. De trein naar Leiden was smérig. Dát is dus de ervaring van een bezoeker.

Mij was dat nooit zo opgevallen. Want die trein en perron waren conform Nederlandse reinheidsnormen. De realiteit is dat de realiteit verblindt. Het is iedere keer weer een gewaarwording te merken dat je na slechts een paar dagen afwezigheid al met andere ogen naar je vanzelfsprekende omgeving kijkt. Heel maf. Heel leerzaam.

Zo arriveerden wij jaren terug vanuit Barcelona in Leiden. Wat mij het meest bij is gebleven, is dat Leiden 's avonds zo ongelooflijk donker (en kaal en grauw) oogt. De bus reed ons door de 'belangrijkste straat van Leiden'. Er was niets te zien. Een reiziger moest moeite doen om iets te ontwaren door de ramen van de bus. Er liepen wat losse figuren rond. Het was vooral dónker. En die straat wil Leiden 'opwaarderen' met 'winkelallure'?! Dan zul je dus echt eerst en vooral Licht en Leven moeten introduceren.

Voor mij zijn het kostbare beelden.

Om je keihard-pijnlijk met je neus op je eigen waarnemingsvertekening te wijzen. Voor mijn of jouw dagelijks leven is dat geen belemmering. Wij zien sommige aspecten niet niet (meer). Wij kunnen best tevreden zijn met onze omgeving. Daarin filteren we. Onaangename beelden worden verzacht (of weggegumd uit je waarneming). Schoonheid en lelijkheid vervloeien tot een nondescriptief decor. Je let er niet goed op, waardoor schoonheid én lelijkheid onzichtbaar worden gemaakt. Maar de bezoeker heeft die dagelijkse ervaring niet en zal de stad op een heel andere manier zien.

Daarom zijn die terugkeer-beelden zo belangrijk. In die minder dan een paar uur neem je je eigen omgeving waar als een vreemde. Dát zijn de ervaringen die relevant zijn voor stadsontwikkeling. Ik vond Leiden donker en dreigend. Wellicht miste jij een goede bewegwijzering? Vond je de stadsbewoners horken? Vroeg je je af hoe je eigenlijk snel bij de stadskern kwam als bezoeker? Al die vragen en ervaringen die je leven elders, in 'den vreemde', bepaalden.

Een stad die serieus aan de slag wil met stadsontwikkeling zou eigenlijk óók zijn inwoners naar díe ervaringen moeten vragen. Naar die zeldzame momenten waarin je objectiever, out of the box ervaart. Ziet hoe het visitekaartje er werkelijk uitziet.

maandag 2 juni 2014

Had Bomans tóch een punt

Erik of het klein insectenboek: ik vond er geen bal aan (en om dat te bewijzen: er stond eerst groot insectenboek, maar m'n gevoel zei me daarin iets niet klopte. Zo'n boek dus). Nu heb ik dat wel meer met boeken waarin aan dieren menselijke capaciteiten worden toegedicht. Heel curieus: met fabels heb ik het minder. Geen idee waarom.

Het is zo typisch menselijk aanmatigend; denken dat je weet hoe andere soorten denken en doen. Dan krijg je van die maffe projecties. Niet dat je er al te strikt mee moet omgaan en alle projecties afkeuren. Maar net als taalgebruik invloed heeft op onze maatschappijvisie - denk aan Zwartepiet of aan vrouwenemancipatie - zo hebben bijvoorbeeld tekenfilms ook een (mede?!)bepalende rol in de beeldvorming over dieren. De leeuw als koning der dieren. Bambi - uit mijn generatie - het zielig hertje. Yogi Bear - idem - de suffige natuurparkbeer.

Maar goed, de verhaaltjes kunnen goed zijn. En zo lang niet teveel mensen tijgerkooien binnenlopen, omdat de tijger er zo vriendelijk katachtig aaibaar uit ziet, of de baviaan aanzien voor een vreedzaam dier, is er geen vuiltje aan de lucht.

Het rare is dat we onze eigen omgeving eigenlijk niet zien. Dát is de boodschap van Godfried Bomans in het insectenboek: kijk naar het kleine leven.

In onze tuin ligt een vijvertje, waarin van de enorme hoeveelheid kikkerdril deze lente een stuk of zes, zeven kikkervisjes zijn overgebleven. Voor mij was dat een complete verrassing, want ik dacht dat alles op onverklaarbare wijze (weer 's) was verdwenen. En dan zwemmen er plots een paar van die figuren rond in een stukje vijver waar de zon op schijnt.

Dat is een leuk gezicht, hoor. Zo'n vijver die plots weer kraakhelder water bevat én kikkervisjes. Het geeft een gevoel van succes, van voldoening. Hetgeen kul is, want ik heb er niets aan gedaan anders dan de lekkende vijver iedere dag bijvullen.

Als je eenmaal weet dat het leven er is, ga je vanzelf beter kijken. Zo deed ik vandaag een zoveelste wanhopige poging te tellen hoevéél kikkervisjes er nu nog zijn in het vijvertje.

Als je dan in zo'n ondiep plasje water staat te loeren, valt plots op hoeveel leven er in zit: wormachtigen, kreefachtigen, amoebe-achtigen. Geen idee wat ze allemaal doen. Het ziet er wel 'gezellig' uit: een samenlevinkje waar het vast goed toeven is. Vast niet, want de beestjes leven met elkaar, maar ook van elkaar. Denk ik.

Je projecteert o zo snel. Maar die paar minuten kijken.... goud waard. En beter dan menig medicijn.

vrijdag 2 mei 2014

Ik heb iets met onrecht; althans, met wat ík als onrecht beschouw. Want net als geloof en andere normenstelsels bestaat er geen absoluut recht of onrecht. Hippe vogels benoemen dat nu als contextgevoelig. Mij zal het een biet zijn, zolang het maar rekenschap geeft dat ook die context historisch en cultureel bepaald is.

Vandaag zag ik dit werk van Joep van Lieshout. Het is te zien in de Leidse De Lakenhal.

Photo 02-05-14 12 47 23

In De lakenhal is een tentoonstelling te zien over het beroemde Leidse laken. Hoe dat zit en wat er te zien is, mag je elders opzoeken of op de website van het museum.

Wat dit werk van Van Lieshout voor mij zo bijzonder maakt, is - naast het esthetisch element - dat het het sinistere, het duistere van die Gouden Eeuw verbeeldt. Van Lieshout zelf vertelde dat iedereen er in kan zien, wat-i wil, maar uit zijn eigen woorden valt ontegenzeglijk op te maken dat hijzelf de donkere kant voor ogen had: "De geschiedenis van de lakenindustrie is er ook een van onderdrukking en uitbuiting".

Het is mij opgevallen dat veel kunst, zeker de figuratieve, vooral positieve, haast utopische beelden aanbieden. Dat heeft ongetwijfeld ook met het tijdsbeeld te maken. Maar het effect is wel dat je makkelijk het beeld krijgt dat het geschilderde op de realiteit lijkt.

Toen ik dit beeld zag, was het eerste gevoel iets van beklemming. Ik zie nog steeds een mens die aan de trekkracht van de (weef)machine probeert te ontsnappen; alsof-i met rubberbanden vastzit en je wéét dat-i op een gegeven moment weer snoeihard wordt terug getrokken.

Het bijzondere is, dat, als je aan de andere kant gaat staan, je een heel ander gevoel krijgt. Dan zie je de stok in de rechterhand van het persoon veel beter, waardoor plots een 'heer' de machine trekt.

Kijk. Dat vind ik dus heel bijzonder: dat je perspectief zo'n verschil kan maken. Van Lieshout maakte een sculptuur die mooi is, maatschappij-kritisch én blijkbaar verschillende perspectieven in zich heeft. Nu heb ik geen idee of hij dat zo ook bedoeld - díe vraag stelde ik niet omdat-i pas later opborrelde - maar mij maakt het niet uit.

Ik zie het zo, en dat mocht van hem. Toch?

maandag 31 maart 2014

De menselijke pakezel

Het eerste wat ik van 'm zag was de trolleykoffer. Juister: ik hóórde 'm eerst.

De man liep richting de Zijlpoort. De wieltjes onder z'n hardtop trolleykoffer maakten dat karakteristiek ratelende tik-geluid. Het geluid van vakantie. Het geluid van vertegenwoordigers. Het geluid van drukbezette mensen.

Dit was anders.

Het eerste wat aandacht trok, was de roze hardtop trolleykoffer. En dan vooral het witte lint dat aan het hengsel vast zat. Een wit lint dat ook over de borst van de man liep. Een uitschuifbaar handvat ontbrak.

Ik keek naar een menselijke ezel.

Zoals trekdieren worden ingetuigd, zo liep de man. Hij zag er niet uit als een zwerver. Alleen die koffer kwam wat vreemd over. Een man met een koffer op wieltjes achter zich aan trekkend. Stoïcijns. De gewoonste zaak van de wereld.

De inhoud van de koffer rammelde met hoge tonen. Zo te horen zaten er lege flessen in. Volle zouden nooit het geluid van een mini-glasbak hebben voortgebracht. De harde schil van de koffer zorgde ervoor dat het geluid niet op enige manier werd gedempt.

Een man die een roze koffer aan een lint voorttrekt. Glasrinkelend.

Waarom doe je flessen in een reiskoffer? Is het omdat er zoveel flessen te vervoeren zijn? Hoe kom je op het idee jezelf te zien, en vooral in te zetten, als pakezel?

En, vooral, kloppen al die gedachten? Het beeld klopt. Maar klopt mijn interpretatie ervan ook? Het blijft fascinerend hoe snel we aan alles een betekenis en een verklaring 'moeten' toekennen. Accepteren dat het er is omdat het er is... onbevangen. Lastig.

zaterdag 8 maart 2014

Gerrit of Gérard Dou

Gisteren was ik bij de perspresentatie van de grote Gerrit Doutentoonstelling in museum De Lakenhal in Leiden. Ik was verbaasd.

Niet dat mijn verbazing verrassend is. Zoals bekend, ben ik geen kunstkenner in de zin van opgeleid deskundige. Ik kijk en vind iets. Gelukkig begrijp ik van de wél deskundigen dat de beste leidsman is: je smaak, of het stuk iets met je doet. Nou, die Dou deed dat.

Gerrit Dou - of zoals hij later werd genoemd als gevolg van Franstalige verbastering: - was een Leids fijnschilder. Hij blijkt te hebben gewoond en gewerkt binnen 100 meter van de plek waar wij onze Leidse wooncarrière zijn begonnen, het Leidse Kort Galgewater. Niet van invloed, maar wel leuk.

Wat wél van invloed is op mijn indruk van de man, is wat ik in het museum zag. Kleine schilderijen die met een ongelooflijk detail en een enorme energie zijn geschilderd. Zoals ik noteerde "ze spetteren van het doek, als foto's". Dat is volgens de curator van De Lakenhal een onjuiste vergelijking. Maar toch... kijk:

20140308-215151.jpg

Eigenlijk denk ik nu, een dag later, dat foto's zelfs onderdoen voor Dou's werk. Hij regisseerde alles en manipuleerde daardoor als de pest. De taferelen die hij schilderde, waren daardoor echt en onecht. Ik was overdonderd door de details. Een fotograaf die een geit fotografeert, zal veel moeite hebben de haren van de vacht zó vast te leggen. Dou schilderde ze, zowat één voor één. Het bleek een feest dat ik kippig ben. Door mijn bijziendheid kon ik, met de bril van de neus en de neus zowat óp het schilderijtje, zíen hoe gedetailleerd was geschilderd. Een schrijver die een boek kopieert, is haast letterlijk leesbaar.

20140308-215134.jpg

Maar veel en veel mooier is dat Dou in staat blijkt dynamiek te vangen. Het is echt onbeschrijfelijk - je met het zíen - hoe goed hij dat doet. Dát is wat mij deed besluiten de kop 'Gerrit Dou: schilder het fotografisch oog' te gebruiken. Het is zó griezelig lijkend op een snap shot. Als je dan weet, zoals ík hoorde, dat Dou "honderden types kwasten had voor al die effecten en kleuren" dan ligt de bal toch echt voor het open doel van 'fotograaf': dit is Photoshop voordat dat bestond.

Wat me ook zo intrigeerde; de traagheid. Dou deed láng over de schilderijtjes - een A5je groot. Dat kun je je ook wel voorstellen als je al die details ziet. En dan snap je ook dat in zijn atelier parasols stonden; om stóf en gruis niet neer te laten dalen op het natte schilderwerk. Dat is immers zó gedetailleerd dat zelfs stof storend is. Dat geldt, stel ik me voor, ook voor de kijker. Dit zijn geen werken die je even snel tot je neemt.

Niet dat dit allemaal zo uniek is. Het gebeurt me wel vaker dat ik plots een symmetrie zie of een verbinding tussen toen en nu. Het is wel leerzaam om je te realiseren wat onze snelle samenleving doet. Dat veel van wat er 'toen' mogelijk was nu onmogelijk - lees: onbetaalbaar - is geworden.

zaterdag 1 maart 2014

Zelfportret met een BN-er

Grappig. Ik heb me jarenlang bezig gehouden met het oppikken van innovaties die invloed zouden kunnen hebben op sociaal gedrag. In principe gebeurde dat binnen de reikwijdte van de organisaties waarvoor ik heb gewerkt. Robotisering, bijvoorbeeld, is iets wat ik marginaal heb gevolgd. Maar social media en vooral de komst en spectaculaire opkomst van mobiele apparaten zijn een heel ander hoofdstuk.

Voorzien dat 'mobiel' groot zou worden, vereist echt geen groot genie, hoor. Dat het zó snel zou gaan, was tot de komst van de allereerste iPhone en Androïd niemand duidelijk. Niet dat dat vreemd is. Mensen zijn sociale wezens en dat betekent interactie. Interactie, op zijn beurt, bestaat niet alleen uit communicatie, maar óók uit beweging. Sociale groepen ontstaan als ze kunnen bewegen.

De afgelopen tijd - en de komende - ben ik veel bezig geweest met politici en de komende gemeenteraadsverkiezingen. Meestal zijn dat debatten die moeten worden verslagen of interviews met politici. Die interviews zijn nog het leukst. Vandaag was de Onvermijdelijke Dag: de grote partijen trommelden hun Grote Namen op om kiezers duidelijk te maken wie zij wel niet in hun partijgelederen hadden. In Leiden telden we op één zaterdag twee Toppers en één Subtopper.

Ik ben met één van de Toppers meegelopen voor een verslag. Nee, niet iemand van mijn stemkeuze.

Verrast was ik wel. Niet door de drukte en zo. Dat kun je verwachten. Niet door de foto's en zo. Ook dat kun je verwachten. Ik was wél verrast door de apparaten zelf en het gebruik.

Eerlijk gezegd, had ik verwacht dat veel mensen hun slimme telefoon annex fototoestel annex leesboek annex filmscherm annex navigatiesysteem annex geheugenondersteuner zouden pakken en foto's maken. De smartphone was inderdaad het best vertegenwoordigd. Altijd handig om even snel iets vast te leggen.

Maar wat me werkelijk verraste, was het aantal fotocameraatjes. Het leek er zowaar op alsof een fors aantal mensen met een kleine fotocamera op zak rondwandelt.

De enige verklaring die ik tot nu kan bedenken, is dat men die cameraatjes doelbewust juist nú bij zich had. Maar dat spoorde niet met het gedrag. Veel te veel van die fotografen wekten bij mij de indruk te worden overvallen door de ontmoeting met een Topper.

Over het algemeen is het fotograferen wat men doet ietwat bevreemdend. Ik vind het nog steeds wonderlijk te zien hoeveel mensen met een Bekende Nederlander op een foto willen. Maar goed, ieder zijn voorkeuren.

Het ís helemaal geen fotograferen, heb ik nu voor mezelf geconstateerd.

Al die mensen die vandaag de Topper op de foto zetten, stopten hun apparaat onmiddellijk daarna weer weg. Niemand - voor zover ik kon zien - was verder geïnteresseerd in andere foto-onderwerpen. De kleurrijke bloemen- of notenkraam? Nee. De blinde hond met staargrijze ogen in het kinderwagentje? Nee. De kinderen? De meeuwen? Nee. Of het moeten de toeristen zijn geweest.

Da's iets wat me nu pas opviel; dat met de komst van mobiele apparaten en de mogelijkheid om overal zowat alles te registreren velen er van zijn uit gegaan dat daarmee ook heel veel informatie zou worden gedeeld. Dat laatste klopt wel. Maar het lijkt in slechts beperkte mate informatie te zijn die ook relevant is voor anderen, voor mensen buiten eigen sociale netwerken.

Nog steeds denk ik dat burgerjournalistiek groot kan worden. Maar inmiddels ben ik er ook van overtuigd dat dat alleen gebeurt door bevlógen mensen. Door mensen die gerícht waarnemen, en dat verslaan.

zondag 24 november 2013

Beessies

Vandaag zag ik een filmpje - reclame - van een fotograaf die een camera had gemonteerd op het onderstel een afstandbestuurd autootje. Daarmee maakte hij foto's van leeuwinnen. Daar zaten mooie bij en je realiseert je nu ook dat voor één prachtfoto een heleboel mindere moeten worden gemaakt en sneuvelen. De manier waarop de leeuwinnen met het vreemde beest fototoestel op wieltjes om sprongen, vond ik, eerlijk gezegd, nog het leukst: nieuwsgierig, zelfverzekerd.

Dan blijf je toch een beetje hangen in de wereld van fotografen. Hoe ik daarna hier terechtkwam, kan ik niet reconstrueren. Bladerend, zullen we maar op z'n webs zeggen.

Dat 'hier' is een fotografenwebsite. Het waren foto's als de twee hieronder die me boeiden:

20131124-190253.jpg

20131124-190304.jpg

Natuurlijk ben ik ook even afgedwaald naar de mooie meisjeslichamen. Maar het zijn de ogen van deze diertjes die me vasthielden. Meer dan twee ogen! De hoeveelheid pootjes, de beharing; die doen me niet zoveel. Maar al die ogen... Die maken hen tot onaardse wezens. Hetgeen onzin is, want ze zijn er al langer dan wij.

donderdag 3 oktober 2013

Beweging is relatief

Als je in Leiden Drie Oktober viert - ook bekend als Leidens Ontzet - dan krijg je te maken met een aantal tradities en conventies. Tot de oudste behoren de 'haring en wittebrood' en 'de hutspot'. Hutspot maak je uiteraard zelf, met klapstuk, en eet je volgens de één op drie en een ander op twee oktober. Ook de klapstuk is onderwerp van discussie; sucadelap mag ook en de speklap en gehaktbal rukken op.

Haring en wittebrood krijg je van de Drie Octobervereeniging. Iedereen die in Leiden woont of er is geboren, krijgt ze. Daarvoor moet je wél in een - tradioneel - lánge rij gaan staan wachten. Eerst half september voor je inschrijving en op drie oktober, vanaf 08.00 uur, bij de uitreiking. En eigenlijk daarna nog een keer dunnetjes over, bij Katwijkse dames die de haring voor je schoonmaken.

Uiteraard heb je dan ook al meegedaan met een andere traditie: het Reveille. Om 07.00 uur 's ochtends wordt die gezongen. Daarna ga je meteen door naar die haringen.

Dat zijn de klassiekere tradities. Daaraan zijn er in de afgelopen jaren aan toegevoegd. Twee oktober om 16.15 uur wordt er gemeenschappelijk hutspot gegeten. Alhoewel dat pas enkele jaren gebeurt, heet het nu al 'traditie'.

Wel traditie is de Grote Optocht. Die is er al lang en er worden ook al net zo lang grappen over gemaakt. Vooral het haast natuurwettelijke Gaten In De Optocht, zijn een bron van vermaak en commentaar.

Het probleem is eenvoudig. De optocht is zo'n anderhalve kilometer lang, netto. En toch lukt het nooit de optocht vloeiend door de stad te laten trekken. Vertrekt-i om 13.00 uur van z'n start-eindpunt; dit jaar was-i daar om 16.30 uur pas weer terug. Niet vanwege de lengte van de route, maar vanwege het vele oponthoud: de gaten in de optocht.

Misschien zou Leiden eindelijk eens iets geks moeten doen: de optocht omkeren.

Waarom staan er tienduizenden mensen, rijen dik, langs de route te wachten op de optocht? Of stáán te kijken naar een stilstaande optocht. Na een kwartiertje heb je de kont van het paard wel gezien. Begin je de penseeltechniek te herkennen van de praalwagenschilder.

Waarom zetten we de optocht niet stationair neer en laten het publiek er langs lopen?

Beweging is immers relatief: het gaat om de verschuiving ten opzicht van elkaar. En of dan de optocht langs het publiek beweegt of het publiek langs de optocht, is irrelevant.

Of het een succes wordt, is de vraag. Het gaat immers om iets subjectiefs: de beleving. Passief aan de stoeprand staan kijken naar iets wat je wórdt gepresenteerd, is anders dan zelf erlangs wandelen. Dat laatste heeft weer wel het voordeel dat je langer kunt kijken naar de aspecten die je mooi vindt. De Braziliaanse danseressen zullen ongetwijfeld meer aandacht trekken dan de karos met de burgemeester en bestuur. Het zij zo.

Ook dit jaar was het weer raak. De optocht stond om de haverklap stil. Als je dat overkomt in een lange straat, dan zíe je het ook al gebeuren: mensen die richting het eind van de optocht gaan lopen.

Die feitelijk zelf al invulling geven aan De Stilstaande Optocht.