Eigenlijk is het een vreemd fenomeen: drank in de openbare ruimte. Hypocriet is de omgang ermee.
Het is wéér Berlijn dat het onderwerp aandroeg (en nog een ander dat waarschijnlijk morgen wel oppopt). Wie zich door die stad beweegt, ziet, zo lijkt het, overal mensen met bier op straat. In eerste instantie denk je: alcoholisten. Tot je je realiseert dat de stad dan wel érg veel alcoholisten herbergt. Iets wat ik overigens niet uitsluit als verklaring voor al die bierflesjes.
Nu is Berlijn zo groot dat het niet zo is dat 'Berlijners drinken bier op straat' voor iedereen noch voor ieder stadsdeel op gaat. In het westelijk deel zagen we het beduidend minder dan in het oostelijk deel. Daar zullen de toeristen debet aan zijn, want die lijken de stad te overspoelen - zoals iedere toeristische bestemming weet - en brengen hun eigen waarden en normen mee. Op straat drinken hoort daar minder bij, dan voor de oostelijk Berlijners?!
Ik heb geen idee waar de verklaring voor dat straatdrinken te zoeken. Gezien mijn opleiding zoek ik het al snel in menselijk gedrag, sociale status, groepsdruk. En, eerlijk gezegd, heb ik de indruk dat dat ook werkbare verklaringen zijn.
Berlijn hééft veel alcoholisten. Dat zou weleens waar kunnen zijn. Wij hebben veel rondgehangen in de straten rondom de Schlesisches Tor (goedkope restaurants, straatleven, (voedsel)kiosken, mijn idee van stadsbezoek: ik beken). Als je dan op een terras wat voor je uit staart over de de straat, valt je op hoeveel mensen er met één - of vaker meerdere - halve liters bier over straat gaan. Een weinig betrouwbare gok: één op de vijf, zes?! Flesjes frisdrank of water zie je hoegenaamd niet, wel flessen sterke drank.
Al snel valt het je niet echt meer op, zo gaat het op in het straatbeeld.
Het gegeven dat er voornamelijk bier, alcohol, wordt gedronken, deed me toch denken aan vormen van verslaving. Alsof je de reis van A naar B niet kunt maken zónder voldoende bier. Zo, althans, kwam het op een gegeven moment over: dit was geen geníeten van een biertje meer. Vanaf dat moment kijk je vragend naar dat gedrag.
Deze blogpost, met deze inhoud, had ik al willen schrijven, toen ik in twittergesprek raakte met Alper Cugun (@alper) en Vincent Kompier (@vinberlin), over 'fietsen in Berlijn' (de vorige blogpost). Dat gesprek raakte ook aan het fenomeen straatdrinken. Blijkbaar is de verklaring ervoor lastig; het ís gewoon zo. Via Vincent kwam dit NOS-item uit 2010 tevoorschijn:
http://nos.nl/video/176670-zomercolumn-bier-drinken-in-berlijn.html
Nette drinkers. Niet de mensen met meerdere flesjes bij zich, uit jas- en broekzakken stekend. Deels, zo leek het, was het ook een houding. Jonge mensen in Kreuzberg die het flesje gebruikten als symbool voor onafhankelijkheid?! als teken van echte Berlijner zijn?! als teken van 'minachting' voor de toerist?!. Mij deed het denken aan het patserloopje.
De waarschijnlijkste verklaring is sociale status, ben ik bang. Of beter: sociaal-economische. Het uiterlijk van weinig geld.
Dat is het hypocritische aan alcoholgebruik in de openbare ruimte. De verslavende en verdovende werking van alcohol zijn algemeen bekend. De winsten die de brouwerijen maken, ook (min of meer). Vanwege de eerste zin zou je een verbod verwachten. Een verbod dat niet handhaafbaar meer is nu 'we' de geneugten van alcohol kennen. Een verbod dat ook niet in het belang van de brouwerijen (en overheid) is.
Dus verbieden veel landen het gebruik van alcohol in de openbare ruimte. Of ze maken het zichtbaar bij je hebben van alcohol al strafbaar. Mag je alleen 'buiten beeld' alcohol gebruiken - let op werkwoord!. Wat je niet ziet, deert blijkbaar niet.
Het is even wennen. Maar het is maar de vraag of het Berlijnse gebruik niet oprechter is.
Posts tonen met het label toerist. Alle posts tonen
Posts tonen met het label toerist. Alle posts tonen
woensdag 3 september 2014
Berlijns bier
Labels:
arm,
Berlijn,
bier,
cultuur,
openbare ruimte,
sociale status,
toerist,
token,
verbod
maandag 1 september 2014
Jij, de toerist
Het leukste aan vakantie - op zich al een blogpost waard - is de terugkeer naar huis. Is alles er nog? Er zal toch niet zijn ingebroken? Wat zal er zijn veranderd? Nou, meestal niets. Misschien dat de gemeente een boompje heeft geplant of geveld, maar meestal is dat het wel. Bij de meeste van ons ís niet ingebroken en staat het huis er nog steeds.
Er is één moment wat mijn favoriet is. Dat is het moment waarop we Nederland weer binnen komen. Niet omdat het zo'n 'we zijn weer thuis'gevoel oproept. We hebben ooit drie of vier achter elkaar meegemaakt dat we werkelijk bij het passeren van de Belgisch-Nederlandse grens in de regen kwamen. Op een gegeven moment leek het gewoonte te zijn. Dat was het jaar waarin het níet meer regende toen we thuis kwamen.
Nee, thuis komen geeft je even, héél even de mogelijkheid je eigen omgeving, je eigen land met vreemde ogen te zien. Alsof je toerist bent en net aankomt.
Als ik eerlijk ben, is dat geen onverdeeld genoegen.
Dit jaar kwamen we bijvoorbeeld terug uit Berlijn. Met de trein. Als toerist word je dan neergezet op een achteraf spoor op Amsterdam Centraal. Een griebus perron, om eerlijk te zijn: smal, vuil en een trap die je in een tunnel van geen enkel allooi voert. Amsterdam CS blijkt zich net aan te kunnen meten met de satellietstations van Berlijn, maar staat lichtjaren af van het Hauptbahnhof, van Antwerpen CS, van Paris Nord of Londen. De trein naar Leiden was smérig. Dát is dus de ervaring van een bezoeker.
Mij was dat nooit zo opgevallen. Want die trein en perron waren conform Nederlandse reinheidsnormen. De realiteit is dat de realiteit verblindt. Het is iedere keer weer een gewaarwording te merken dat je na slechts een paar dagen afwezigheid al met andere ogen naar je vanzelfsprekende omgeving kijkt. Heel maf. Heel leerzaam.
Zo arriveerden wij jaren terug vanuit Barcelona in Leiden. Wat mij het meest bij is gebleven, is dat Leiden 's avonds zo ongelooflijk donker (en kaal en grauw) oogt. De bus reed ons door de 'belangrijkste straat van Leiden'. Er was niets te zien. Een reiziger moest moeite doen om iets te ontwaren door de ramen van de bus. Er liepen wat losse figuren rond. Het was vooral dónker. En die straat wil Leiden 'opwaarderen' met 'winkelallure'?! Dan zul je dus echt eerst en vooral Licht en Leven moeten introduceren.
Voor mij zijn het kostbare beelden.
Om je keihard-pijnlijk met je neus op je eigen waarnemingsvertekening te wijzen. Voor mijn of jouw dagelijks leven is dat geen belemmering. Wij zien sommige aspecten niet niet (meer). Wij kunnen best tevreden zijn met onze omgeving. Daarin filteren we. Onaangename beelden worden verzacht (of weggegumd uit je waarneming). Schoonheid en lelijkheid vervloeien tot een nondescriptief decor. Je let er niet goed op, waardoor schoonheid én lelijkheid onzichtbaar worden gemaakt. Maar de bezoeker heeft die dagelijkse ervaring niet en zal de stad op een heel andere manier zien.
Daarom zijn die terugkeer-beelden zo belangrijk. In die minder dan een paar uur neem je je eigen omgeving waar als een vreemde. Dát zijn de ervaringen die relevant zijn voor stadsontwikkeling. Ik vond Leiden donker en dreigend. Wellicht miste jij een goede bewegwijzering? Vond je de stadsbewoners horken? Vroeg je je af hoe je eigenlijk snel bij de stadskern kwam als bezoeker? Al die vragen en ervaringen die je leven elders, in 'den vreemde', bepaalden.
Een stad die serieus aan de slag wil met stadsontwikkeling zou eigenlijk óók zijn inwoners naar díe ervaringen moeten vragen. Naar die zeldzame momenten waarin je objectiever, out of the box ervaart. Ziet hoe het visitekaartje er werkelijk uitziet.
Er is één moment wat mijn favoriet is. Dat is het moment waarop we Nederland weer binnen komen. Niet omdat het zo'n 'we zijn weer thuis'gevoel oproept. We hebben ooit drie of vier achter elkaar meegemaakt dat we werkelijk bij het passeren van de Belgisch-Nederlandse grens in de regen kwamen. Op een gegeven moment leek het gewoonte te zijn. Dat was het jaar waarin het níet meer regende toen we thuis kwamen.
Nee, thuis komen geeft je even, héél even de mogelijkheid je eigen omgeving, je eigen land met vreemde ogen te zien. Alsof je toerist bent en net aankomt.
Als ik eerlijk ben, is dat geen onverdeeld genoegen.
Dit jaar kwamen we bijvoorbeeld terug uit Berlijn. Met de trein. Als toerist word je dan neergezet op een achteraf spoor op Amsterdam Centraal. Een griebus perron, om eerlijk te zijn: smal, vuil en een trap die je in een tunnel van geen enkel allooi voert. Amsterdam CS blijkt zich net aan te kunnen meten met de satellietstations van Berlijn, maar staat lichtjaren af van het Hauptbahnhof, van Antwerpen CS, van Paris Nord of Londen. De trein naar Leiden was smérig. Dát is dus de ervaring van een bezoeker.
Mij was dat nooit zo opgevallen. Want die trein en perron waren conform Nederlandse reinheidsnormen. De realiteit is dat de realiteit verblindt. Het is iedere keer weer een gewaarwording te merken dat je na slechts een paar dagen afwezigheid al met andere ogen naar je vanzelfsprekende omgeving kijkt. Heel maf. Heel leerzaam.
Zo arriveerden wij jaren terug vanuit Barcelona in Leiden. Wat mij het meest bij is gebleven, is dat Leiden 's avonds zo ongelooflijk donker (en kaal en grauw) oogt. De bus reed ons door de 'belangrijkste straat van Leiden'. Er was niets te zien. Een reiziger moest moeite doen om iets te ontwaren door de ramen van de bus. Er liepen wat losse figuren rond. Het was vooral dónker. En die straat wil Leiden 'opwaarderen' met 'winkelallure'?! Dan zul je dus echt eerst en vooral Licht en Leven moeten introduceren.
Voor mij zijn het kostbare beelden.
Om je keihard-pijnlijk met je neus op je eigen waarnemingsvertekening te wijzen. Voor mijn of jouw dagelijks leven is dat geen belemmering. Wij zien sommige aspecten niet niet (meer). Wij kunnen best tevreden zijn met onze omgeving. Daarin filteren we. Onaangename beelden worden verzacht (of weggegumd uit je waarneming). Schoonheid en lelijkheid vervloeien tot een nondescriptief decor. Je let er niet goed op, waardoor schoonheid én lelijkheid onzichtbaar worden gemaakt. Maar de bezoeker heeft die dagelijkse ervaring niet en zal de stad op een heel andere manier zien.
Daarom zijn die terugkeer-beelden zo belangrijk. In die minder dan een paar uur neem je je eigen omgeving waar als een vreemde. Dát zijn de ervaringen die relevant zijn voor stadsontwikkeling. Ik vond Leiden donker en dreigend. Wellicht miste jij een goede bewegwijzering? Vond je de stadsbewoners horken? Vroeg je je af hoe je eigenlijk snel bij de stadskern kwam als bezoeker? Al die vragen en ervaringen die je leven elders, in 'den vreemde', bepaalden.
Een stad die serieus aan de slag wil met stadsontwikkeling zou eigenlijk óók zijn inwoners naar díe ervaringen moeten vragen. Naar die zeldzame momenten waarin je objectiever, out of the box ervaart. Ziet hoe het visitekaartje er werkelijk uitziet.
zondag 12 januari 2014
Een Leids moment
Meer herfst dan winter. Het waait en het regent af en toe. En het is niet eens echt koud. Desalniettemin is het begin januari. Da's toch echt winter.
Ook in Leiden is het vrij beroerd weer. Een stevige wind briest door de stegen en straten. Hier horen zinnen bij als: de mensen spoeden zich naar huis; de kraag van de jas hoog opgetrokken, de blik op oneindig.
Het is de tijd van de korte dagen. De duisternis valt snel en haast plots in. Pechhebbenden zien dezer dagen het daglicht niet. Zij gaan in de duisternis weg en komen in de duisternis weer thuis.
De binnenstad van Leiden is in deze tijd van het jaar op z'n mooist. Niet omdat die binnenstad zo mooi is. Of omdat ze zo mooi is opgesierd met feestverlichting. Nee, op zichzelf ís de binnenstad niet eens mooi. Het is een verzameling monumentale - soms mooie - oude gebouwen. En die feestverlichting past in ieder koopcentrum rond de feestdagen.
Nee, dat allemaal is het niet waardoor de binnenstad zo mooi is.
Dat zit 'm in momenten, flitsen. Je zult het vast in meer gemeenten kunnen ervaren, maar een oude binnenstad geeft je (mij) meer kansen. Stomweg omdat er meer mogelijkheden zijn.
Hiervoor:
om een uur of half zes 's middags kom je de supermarkt uit. Die is eigenlijk al op de rand van de historische binnenstad gelegen, de begane grond van een voormalig fabriekspand gebruikend. Binnen was het nog druk. Buiten valt het mee. De meeste klanten zijn vanwege het weer snel op weg naar huis gegaan. Voor de deur staan de fietsen te wachten; rode batterij-achterlampjes vaak nog aan.
Naast de supermarkt is een steeg. Daarvan heeft Leiden er zat, evenals hofjes. Zijn stegen bij daglicht vaak gribussen, de donkerte geeft ze hun specifieke karakter. Soms worden ze griezelig, soms benauwend, soms bedreigend, soms ronduit mooi. Net als sneeuwdekken moffelt de donkerte de ongerechtigheden van de steeg weg.
Stap op de fiets, passeer de steeg, kijk naar rechts, en daar ís zo'n Leids momentje. Minder dan een seconde duurt, want dan ben je de steeg alweer voorbij en volop bezig met het verkeer en de laatste kilometer tot huis. Tegen de wind, uiteraard.
Dat korte moment is een soort foto. Het beeld van de steeg die uitzicht biedt op een donkere steenmassa: een oud herenhuis. In de gevel één verlicht raam. Dat straalt warm licht uit en geeft een inkijkje in het leven daar. Een jongeman kijkt naar buiten. Groene planten. Boeken en een bureau. Ramen, verdeeld in kleine vierkanten.
Even waan je je in een andere tijd. Dit zou zo het Londen van Dickens kunnen zijn. Het is Leiden. Het is 2014. En het bestaat alleen als flits.
Terug fietsen moet je niet willen en niet doen. In het verleden deed ik dat nog weleens. Dan is de magie van het beeld weg. Dan neem je de tijd en filter je alle projecties weg. Want in dat moment krijg je dan wel een beeld te zien; je vult het zelf ook in met gewenste elementen en 'herinneringen uit boeken', bijvoorbeeld.
Kijk, dát is Leiden. Dát is de kracht van zijn binnenstad. Dát is wat de bewoners meemaken. Omdat zij dagelijks de kans krijgen die flitsen te zien.
Als ze willen...
Ook in Leiden is het vrij beroerd weer. Een stevige wind briest door de stegen en straten. Hier horen zinnen bij als: de mensen spoeden zich naar huis; de kraag van de jas hoog opgetrokken, de blik op oneindig.
Het is de tijd van de korte dagen. De duisternis valt snel en haast plots in. Pechhebbenden zien dezer dagen het daglicht niet. Zij gaan in de duisternis weg en komen in de duisternis weer thuis.
De binnenstad van Leiden is in deze tijd van het jaar op z'n mooist. Niet omdat die binnenstad zo mooi is. Of omdat ze zo mooi is opgesierd met feestverlichting. Nee, op zichzelf ís de binnenstad niet eens mooi. Het is een verzameling monumentale - soms mooie - oude gebouwen. En die feestverlichting past in ieder koopcentrum rond de feestdagen.
Nee, dat allemaal is het niet waardoor de binnenstad zo mooi is.
Dat zit 'm in momenten, flitsen. Je zult het vast in meer gemeenten kunnen ervaren, maar een oude binnenstad geeft je (mij) meer kansen. Stomweg omdat er meer mogelijkheden zijn.
Hiervoor:
om een uur of half zes 's middags kom je de supermarkt uit. Die is eigenlijk al op de rand van de historische binnenstad gelegen, de begane grond van een voormalig fabriekspand gebruikend. Binnen was het nog druk. Buiten valt het mee. De meeste klanten zijn vanwege het weer snel op weg naar huis gegaan. Voor de deur staan de fietsen te wachten; rode batterij-achterlampjes vaak nog aan.
Naast de supermarkt is een steeg. Daarvan heeft Leiden er zat, evenals hofjes. Zijn stegen bij daglicht vaak gribussen, de donkerte geeft ze hun specifieke karakter. Soms worden ze griezelig, soms benauwend, soms bedreigend, soms ronduit mooi. Net als sneeuwdekken moffelt de donkerte de ongerechtigheden van de steeg weg.
Stap op de fiets, passeer de steeg, kijk naar rechts, en daar ís zo'n Leids momentje. Minder dan een seconde duurt, want dan ben je de steeg alweer voorbij en volop bezig met het verkeer en de laatste kilometer tot huis. Tegen de wind, uiteraard.
Dat korte moment is een soort foto. Het beeld van de steeg die uitzicht biedt op een donkere steenmassa: een oud herenhuis. In de gevel één verlicht raam. Dat straalt warm licht uit en geeft een inkijkje in het leven daar. Een jongeman kijkt naar buiten. Groene planten. Boeken en een bureau. Ramen, verdeeld in kleine vierkanten.
Even waan je je in een andere tijd. Dit zou zo het Londen van Dickens kunnen zijn. Het is Leiden. Het is 2014. En het bestaat alleen als flits.
Terug fietsen moet je niet willen en niet doen. In het verleden deed ik dat nog weleens. Dan is de magie van het beeld weg. Dan neem je de tijd en filter je alle projecties weg. Want in dat moment krijg je dan wel een beeld te zien; je vult het zelf ook in met gewenste elementen en 'herinneringen uit boeken', bijvoorbeeld.
Kijk, dát is Leiden. Dát is de kracht van zijn binnenstad. Dát is wat de bewoners meemaken. Omdat zij dagelijks de kans krijgen die flitsen te zien.
Als ze willen...
Labels:
fantasie,
Leiden,
marketing,
projectie,
stadsbeeld,
toerist,
verbeelding
Abonneren op:
Posts (Atom)