Posts tonen met het label klasse. Alle posts tonen
Posts tonen met het label klasse. Alle posts tonen

maandag 20 oktober 2014

Zullen we ophouden over 'de digitale kloof'?

Een digitale kloof? Die bestaat niet.

Een wereld die we niet kunnen zíen, verbeelden we. Hemel en hel zijn populair, ook voor degenen die niet eens in het bestáán ervan geloven. Kwaad en goed spelen overal en altijd wel een rol in de media. In het laatste decennium van de vorige eeuw dook er een nieuw onzichtbaar fenomeen op: het internet. De metaforen uit die tijd weerspiegelen het denken: The Electronic Highway, De Digitale Stad. Vijfentwintig jaar later is het internet gewoon het internet. Het internet, als wereldwijd web, is een vanzelfsprekendheid geworden zoals nutsvoorzieningen en water en lucht dat zijn.

In het denken over het internet hebben toegankelijkheid en gebruik een belangrijke rol gespeeld, spélen die rol rol nog steeds. Wellicht het bekendst is het dramatisch sterke beeld van de digitale kloof, de waterscheiding tussen have's en have not's. Maar waarvan eigenlijk?

Om maar met de deur verder in huis te vallen. Er bestaat geen digitale kloof. Er bestaan talloze digitale kloven en kloofjes. Ondermeer Jen Schradie schreef daarover:

Scholars began to move away from even calling it a divide, per se. In academic parlance, we like to talk about digital inequality, rather than a divide, because of a range of multiple divides. The Pew Internet Project uses the term digital differences or disparity. It’s more than access. It’s also about variation of skill or confidence in using digital technologies. It’s also about whether or not you have one desktop computer shared among multiple households or if everyone in your household has multiple digital devices. How many do you have? Smart phone? Laptop? Desktop? Tablet? More? In my research, I found that what is more important than broadband access is the number of gadgets one has.

It’s also not a simple divide between those with consistent, high speed Internet connectivity and those without regular access to wired devices. These are questions of the consumption of digital content. Inequality is also prevalent based on producing online content. Production is about the creation of blogs, YouTube videos, and Tweets, for instance. While some see the blurring between production and consumption, this division is not so blurry for the poor and working class, who are much less likely to ever have “participated” in social media.


Eszter Hargittai noemt dat The Digital Reproduction of Inequality. Het wordt gezien als een proces waarin meerdere factoren een rol spelen (vandaar het meervoud 'kloven'). Inmiddels lijkt de oriëntatie te zijn verschoven van 'toegankelijkheid' en 'vaardigheid' naar 'producent/consument'. De vraag: hóe gebruik je het internet, je digitale vaardigheden?

Wat frappeert, is dat in veruit de meeste gevallen de kloof die wordt gevonden, wordt geduid vanuit de bestaande verhoudingen en waardes. Alsof er niet een geheel nieuw en onbekend speelveld is ontstaan, waar mogelijk oude normen en waarden geen of een andere rol spelen.

Het nadeel van het beeld van een kloof is dat je je kunt voorstellen dat die dieper of breder wordt, en verder niets. Dus als de ene kant steeds meer gaat profiteren van digitale kansen 'moet' de kloof verbreden. Waarom? Waarom zou er niet een precies hetzelfde proces gaande zijn aan de andere kant waardoor de kloofranden in een zelfde tempo verschuiven. De kloof groeit dan niet.

Wat dan wel moet gebeuren, is het bepalen van wat het voordeel is dat beide kanten behalen. En dan wordt het pas echt interessant. Want die voordelen hoeven helemaal niet dezelfde te zijn. Dat zou veronderstellen dat er universele waarden zijn. Maar mogelijk hebben beide heel duidelijk onderscheiden ideeën. Van gaming werd lang gedacht dat dat alleen slecht zou zijn, totdat werd gevonden dat het bepaalde digitale(!) vaardigheden stimuleerde.

Het is precies dát element wat wordt gemist, ook in onderzoek als van Van Dijk en Van Deursen, en van het CBS: wat is de waarde van het internet voor 'de andere kant van de kloof'? Wat doen zij, met welke vaardigheden, en hoe passen die mogelijk (beter) in een digitale toekomst? En: waarom zouden 'illegale' activiteiten niet de basis vormen voor een nieuwe economie? Kortom, verander eens van perspectief.

Overigens is de digitale samenleving een uiterst kwetsbare doordat de infrastructuur kwetsbaar is voor externe gebeurtenissen als zonnestormen en electriciteitstekorten/-uitval; het is maar de vraag welke groepen op die situatie beter zijn voorbereid, het minst afhankelijk zijn.

donderdag 25 september 2014

"een wereldvreemde, zelfingenomen flapdrol"

Beangstigend. Dat is het woord dat me bekroop toen ik in 360magazine een Nederlandse vertaling las van van William Deresiewicz's Ivy League schools are overrated. Send your kids elsewhere, dat oorspronkelijk op de website van The New Republic stond en heel veel los maakte.

Hij stelt dat de allerbeste universiteiten in de VS (de Ivy League) segregatie in de hand werken: tussen de economische elite en de rest. Een bekende discussie, denk ik dan, dat selectie uiteindelijk altijd uitpakt ten gunste van de economisch sterksten. Sterker, Deresiewicz stelt vragen bij de kwaliteit van dat 'top-onderwijs' als je het toetst aan academische vaardigheden.

Ik kan het niet goed beoordelen. Dát het zo werkt, is echter geen eye opener. Studentencorpora hebben een vergelijkbaar effect van 'ons kent ons'vorming. Zeker aardig is zijn waarneming dat de Ivy League schermt met zijn diversiteitsbeleid, maar dat dat vooral een trompe-l'oeil is. Mannelijke én vrouwelijke studenten en studenten van verschillende rassen vermogen te verhullen dat ook zij kinderen zijn van de economische bovenklasse.

Er is iets anders wat me enorme zorgen baart; ook omdat de afgelopen twintig jaar steeds vaker wordt bewezen dat het desastreuze effecten kan hebben.

Studenten die worden opgeleid aan elite- of top-universiteiten lijken onzekere persoonlijkheden te ontwikkelen en een eenzijdige ervaring te hebben met de samenleving. Vooral dat eerste is ronduit zorgwekkend, voor hen en voor ons.

In de race naar de top worden eisen aan je gesteld (welke en door wie eigenlijk?!). Je moet jezelf bewijzen. Hoge cijfers. Nevenfuncties. Mee kunnen praten 'op niveau'. De kans is groot dat je daarvoor lang op je tenen moet lopen, té lang. En dat jonge mensen niet eens weten waarheen ze onderweg zijn, anders dan 'dat het een goede baan, veel geld oplevert'.

Dat kent Nederland ook, hoor. Specialisten waren toch studenten die kozen voor hoge inkomens? Ook hier is 'de goede baan' doel, maar wat dat is?! Of scholieren die op het gymnasium startten en al vrij snel kapot gemaakt door (ouderlijke) ambitie moesten terugschakelen naar VWO, HAVO en verder.

Onzekerheid is een prima voedingsbodem voor anti-sociaal gedrag. Dat kan pesten zijn, maar ook enorm egoïstisch of narcistisch gedrag. Onzekerheid leidt tot compensatiedrang.

Hoe dat uitpakt, wordt steeds duidelijker. De bankengraaiers kunnen heel wel onzekeren zijn die compenseren. Jongetjes die wedstrijdjes 'wie heeft de grootste' doen. Politici die veel mooiere verledens voorspiegelen of bij elkaar fantaseren om maar serieus te worden genomen. De gevallen 'leugentjes om bestwil' zijn allang de fase van de verkleinwoorden voorbij. Het is ronduit volksverlakkerij en leugen.

Ga eens uit van de realiteit van een elite-selectiemechanisme dat werkt zoals Deresiewicz schetst, met als neveneffect onzekere mensen; dat onze toekomstige leiders opleidt (die kíezen we toch?!): dan moet er de komende tijd toch echt een onhoudbare situatie ontstaan.

Dan worden we mogelijk 'geleid' door "wereldvreemde, zelfingenomen flapdrollen". En dát noemen we dan meritocratie?!

zondag 13 juli 2014

Dankzij de onwetenden

Vrouwen hebben geen verstand van voetbal (en van autorijden, noch van kaartlezen en timmeren om wat vrijblijvende vooroordelen op te sommen). Eigenlijk hóóp ik van harte dat ze inderdaad geen verstand hebben van voetbal. Dan zou ik ze iets kunnen vragen.

Wat vinden mensen die van iets 'geen verstand van hebben' van dat iets? Hoe beoordelen zij dat? Hoe kijken er ervaren zij dat?

"Ergens geen verstand van hebben", betekent namelijk bijna altijd de regels niet kennen. Dat zou juist enorm moeten bekoren omdat zij waarnemen op een heel basaal niveau: aantrekkelijkheid.

'Kenners' bevinden zich altijd in een keurslijf; dat van de regels. Zeker bij voetbal is dat prachtig. Veruit de meeste discussie gaat over de toepassing van regels. Dat is dan ook bijna tot kunst verheven, zij het dat die kunst dodelijk is voor het spelletje.

Dat je voetbalt om te winnen, leidt geen twijfel: het is een wed-strijd. Toch zou je daar al een vraagteken kunnen plaatsen. Want waarom op basis van doelpunten, als we weten dat één opmerking heel vaak wordt gemaakt? Dat 'ze dan wel verloren hebben, maar wel veel beter/mooier speelden'. Blijkbaar kennen we een waardering toe aan wedstrijden die niet wordt 'gemeten' in doelpunten. Ik denk dat neutrale kijkers dát perfect aanvoelen en verwoorden.

Dat er regels moeten zijn, ga ik maar niet betwisten. Dat neemt niet weg dat het gebruik van regels naar mijn mening ook altijd gepaard moet gaan met waardering. Niet eens alleen in de sport, maar op tal van plekken waar we 'geregeld' leven.

Tijdens de wereldkampioenschappen voetbal bekroop me geregeld de gedachte dat de regels het spel sloopten. In mijn jeugd bestond er nog zoiets als opzettelijk en aangeschoten hands. Da's niet zo vreemd, want armen zitten nu eenmaal aan een lichaam en soms in de weg. Maar aangeschoten hands lijkt niet meer te bestaan. Da's een idiote gewaarwording.

Inderdaad leidt regeltoepassing tot de scheidsrechter als degene die beslist. Sinds ik verslingerd ben aan rugby, weet ik ook dat een onduidelijke scheidsrechter gevaarlijk is. Letterlijk gevaarlijk, omdat spelers niet goed weten waar ze aan toe zijn. Meer risico dan goed is, meer beschadiging is vaak het gevolg.

Is dit een pleidooi voor minder regels?

Nee, da's niet de opzet. Het is wel een vraag naar het effect van regels. Het is tekenend als onwetende kijkers enthousiast reageren op wat in een wedstrijd gebeurt en als antwoord krijgen 'maar volgens de regels mag dat niet'. Ga nu niet beginnen over doodschoppen en zo; dat heeft niets met regels te maken, maar alles met sportiviteit, je meerdere erkennen en zelfbeheersing.

Regels zijn vervormend.

Als ik de discussie rond de voetbalspelregels goed volg, gaan die voor een belangrijk deel over de vraag hoe de aantrekkelijkheid van het spel te vergroten. Regels wijzigen zijn dan een lapmiddel, omdat de aantrekkelijkheid helemaal niet schuilt in regels. Sterker, die zullen het spel nog minder aantrekkelijk maken.

Datzelfde verschijnsel - de essentie formaliseren - zie je elders ook. Kunst, cultuu en muziek: idem. Het gaat helemaal niet meer om de aansprekendheid, maar om het voldoen aan regels. Regels die overigens ook nog eens sterk klassegebonden zijn. Het zal toch niet gebeuren dat de platte smaak van het volk waarde krijgt?

Nogmaals, ik ga me hier niet opwerpen als pleiter voor minder regels; wel voor een zoeken naar balans. Een balans tussen zij die onbevangen kijken, luisteren en genieten en degenen die menen te weten hoe het volgens de regels zou moeten.

vrijdag 2 mei 2014

Ik heb iets met onrecht; althans, met wat ík als onrecht beschouw. Want net als geloof en andere normenstelsels bestaat er geen absoluut recht of onrecht. Hippe vogels benoemen dat nu als contextgevoelig. Mij zal het een biet zijn, zolang het maar rekenschap geeft dat ook die context historisch en cultureel bepaald is.

Vandaag zag ik dit werk van Joep van Lieshout. Het is te zien in de Leidse De Lakenhal.

Photo 02-05-14 12 47 23

In De lakenhal is een tentoonstelling te zien over het beroemde Leidse laken. Hoe dat zit en wat er te zien is, mag je elders opzoeken of op de website van het museum.

Wat dit werk van Van Lieshout voor mij zo bijzonder maakt, is - naast het esthetisch element - dat het het sinistere, het duistere van die Gouden Eeuw verbeeldt. Van Lieshout zelf vertelde dat iedereen er in kan zien, wat-i wil, maar uit zijn eigen woorden valt ontegenzeglijk op te maken dat hijzelf de donkere kant voor ogen had: "De geschiedenis van de lakenindustrie is er ook een van onderdrukking en uitbuiting".

Het is mij opgevallen dat veel kunst, zeker de figuratieve, vooral positieve, haast utopische beelden aanbieden. Dat heeft ongetwijfeld ook met het tijdsbeeld te maken. Maar het effect is wel dat je makkelijk het beeld krijgt dat het geschilderde op de realiteit lijkt.

Toen ik dit beeld zag, was het eerste gevoel iets van beklemming. Ik zie nog steeds een mens die aan de trekkracht van de (weef)machine probeert te ontsnappen; alsof-i met rubberbanden vastzit en je wéét dat-i op een gegeven moment weer snoeihard wordt terug getrokken.

Het bijzondere is, dat, als je aan de andere kant gaat staan, je een heel ander gevoel krijgt. Dan zie je de stok in de rechterhand van het persoon veel beter, waardoor plots een 'heer' de machine trekt.

Kijk. Dat vind ik dus heel bijzonder: dat je perspectief zo'n verschil kan maken. Van Lieshout maakte een sculptuur die mooi is, maatschappij-kritisch én blijkbaar verschillende perspectieven in zich heeft. Nu heb ik geen idee of hij dat zo ook bedoeld - díe vraag stelde ik niet omdat-i pas later opborrelde - maar mij maakt het niet uit.

Ik zie het zo, en dat mocht van hem. Toch?

dinsdag 2 juli 2013

Vernielen: een verzetsdaad?!

Een paar keer per week kom ik er langs. En iedere dag ziet het er anders uit, afhankelijk van de lichtvaardig. Die wisselt per uur en per jaargetijde, van het bleke winterlicht tot het snoeiharde zomerlicht. Wat er precies staat, heeft me nogal wat tijd gekost. In die halve minuut dat je er op af fietst, moet je ontcijferen en op het verkeer letten (ik moet daar linksaf).

20130702-172032.jpg

'Ik vind het altijd zo heerlijk als dingen niet doorgaan' staat er. Eerlijk gezegd, is het een heel goede spreuk. Iedere keer dat ik er langs fiets, probeer ik 'm weer te ontcijferen en onthouden. Dat is me nog niet gelukt, dat onthouden. Ook de diepere betekenis van de zin is mij nog niet duidelijk. Gelukkig ben ik niet de enige.

Maar vandaag zag het er zó uit: 20130702-173221.jpg

Gesloopt. Vernield. Kapot gemaakt. Aan stukken gescheurd.

Wat moet je daar nu mee? Ik weet alles van waarde is weerloos. Maar toch. De plek is er een waar je het niet direct verwacht dat er zo gericht wordt vernield. Als je aangeschoten of dronken bent, kom je van de andere kant. Dan zie je dit alleen als je je omdraait.

Nee, hoe langer ik erover denk, hoe minder het me stom toevallige vernielzucht van een zatlap lijkt. Dat betekent niet dat ik denk dat er géén alcohol in het spel was. Dat zit er dik in van wél, want zoveel bravoure hebben we meestal niet dat we bij ons volle verstand aan het vernielen slaan. Daarvoor moeten we toch echt een drempeltje over, dat dunne laagje dat beschaving heet doorbreken.

Het lijkt me meer een statement alhoewel ik betwijfel of de dader dat woord kent. Mijn generatie is die van het begrip. Dat is ietwat uit de hand gelopen, vind ik. Begrip is best, maar grenzen stellen is toch ook verstandig wil je jezelf niet verloochenen. Onder mijn generatiegenoten kun je dan ook vrij veel mensen aantreffen die diepere betekenissen zien in 'zinloos geweld'. Nu kan ik daar wel heel zwartgallig over doen, maar er schuilt wel degelijk een kern van waarheid in.

De vernielzucht ís niet willekeurig. Ze richt zich altijd tegen 'de ander', of dat een iets of een iemand is. Bushokjes gaan vaker aan diggelen dan ruiten van huizen. Waarom? Alleen omdat die bushokjes alleen en weerloos zijn en in die woningen mensen zijn? Natuurlijk speelt die lafheid een grote rol. Maar ook dan.

Je zou dat zinloos vernielen ook kunnen zien als gericht vernielen. Die kwetsbaar aanwezige spreuk deed me daar weer aan denken. Wie doet dat? Ik denk dat iemand toch - bewust of onbewust - heeft geprobeerd mensen te kwetsen die hij, of zij, haat, maar niet kán of dúrft aan te pakken. Ik denk dat het kunstwerk is gezien als iets wat 'zij' mooi vinden en dus raak ik 'hun' als ik het verniel. Want 'zij' zullen daardoor geschokt zijn. En het maakt geen bal uit wie 'zij' precies zijn. Het zijn diegenen die meer geld hebben, wel werk, een mooier huis, een betere baan, beter eten, leukere vakanties, die alles meer en beter hebben. 'Zij', dus.

Je moet eens opletten of het klopt. Vaak gaat het ook om provocaties, in de trant van 'zie je wat ik durf te doen?'. En heel vaak gaat het om het beschadigen van iconen. De dure winkel, de mooie kunst, de overheids-eigendommen (waaronder ook de abri's worden gerekend), de auto's in een betere buurt; het is niet allemaal altijd zo ongericht. Het is, denk ik, dan ook geen dronkemanstoeval dat juist dít van de muur werd gescheurd.

Begrip is goed, maar laat dat niet ten koste gaan van het weerloze.








Je vindt het werk in Leiden en wel hier:
20130702-174130.jpg

zondag 9 juni 2013

Hóge cultuur?! Ach, kóm zeg!

Leiden, de stad waar ik woon, is een provinciestad. Echt. Zo'n klassieke, die je nog weleens in oude romans tegenkwam. Van die gemeenschappen met dorpse karakteristieken maar grootstedelijke ambities. Vooral de Russische schrijvers aan het begin van vorige eeuw konden die sferen prima beschrijven. Voor Rusland. Met een beetje goede wil kon je de beelden ook, ietsje aangepast, ook hier projecteren.

Leiden is zo'n stadje. Met 120.000 inwoners te groot voor een dorp en te klein voor een metropool. Met een prachtige eeuwenoude binnenstad; die ook als een loden last de ontwikkelingen daar afremt. Een stad met ambities die groter lijken te zijn dan de ruimte die beschikbaar is. Een stad die - daardoor? - slecht is in kiezen en - daardoor? - voor zijn imago op het verleden moet steunen. Een stad die denkt te moeten bouwen op 'cultuur' - de oude gebouwen - en 'wetenschap' - de universiteit.

Een stad die zichzelf bedondert.

Leiden lijkt de tijd van de notabelen nooit te ontgroeien. Dat is ook wel een karakteristiek van provinciesteden: dat een clique van gelijkgestemden de stad feitelijk bestuurt. Niet door (vooral) toonaangevend te zijn in het stadsbestuur, maar door sleutelposities te hebben in de uitvoering, de realisatie. Bepalend voor een (stads)cultuur is de laag van (top-)ambtenaren en ondernemers. De door hen gedeelde belangen en interesses bepalen in veel hogere mate de slagingskansen van projecten dan de dikte en doorwrochtheid van beleidsnota's of de wens van de inwoners.

Tot de bekende cultuurkenmerken van zo'n klasse horen kunst en wetenschap. Daarmee wordt een afstand geschapen tot de anderen. Voor kunst en wetenschap is een verfijnde smaak en ontwikkelde intelligentie nodig. Denkt men. Het is een hógere cultuur: die van de maatschappelijke voorhoede, van de ontwikkelde mens. Dat Leiden wél een singelpark dreigt te gaan krijgen, maar niet in staat is een veel kleinschaliger Huis van de Sport te realiseren, zegt wel degelijk iets.

Of zo'n hogere cultuur ook werkelijk hoger ís, dienen we sinds enkele decennia te betwijfelen. Was het ooit zo dat strikte mores werden overgedragen - waarin maatschappelijke verantwoordelijkheid sen veel grotere rol had, dan velen nu denken, inmiddels lijkt te verloedering de hogere cultuur te zijn binnengedrongen.

Leiden heeft zijn cultuurweken. Sinds dit jaar heten die, grootstedelijk, Signatures Cultuurweken Leiden. Tien signature pieces - Nederlands, toonbeelden - van Leidse cultuur. Niet dat het Leidse cultuur ís. Het zijn cultuuruitingen ín Leiden en, soms, door inwoners van de stad of ex-inwoners. Dat geneuzel toch vooral ook een culturéél Leiden te willen hebben, doet geen afbreuk aan de kwaliteit van die niet-Leidse cultuur. Signatures is voor liefhebbers van cultuur een verplicht nummer.

20130609-134615.jpg

In het kader van bombast heet de afsluitende bijeenkomst De Leidse Olympus, twee uur poëzie en muziek aan de voet van de oorsprong van Leiden, de Burcht. Dat soort van pittoreske decors is in Leiden in overvloed te vinden. Ze zijn niet geschikt voor grootschaligheid. Maar voor de intimiteit van poëzie wel. Poëzie, immers, is een hogere cultuuruiting. Toch? De vertelling in extreem ingedikte en ritmische vorm is vaker niet dan wel zondermeer te begrijpen. Leiden koos, gelukkig, voor toegankelijk.

En dan valt Leiden toch door de mand. Want dan mag dit wel hogere cultuur zijn, waarvoor dus een bepaalde mentaliteit nodig is; het is onthutsend te ervaren dat op vrij luide toon door de optredens en voorlezingen wordt gepraat. Niks beleefd en geïnteresseerd luisteren. Niks aandacht voor de kunsten. Nee, achter op het pleintje staan de mensen-die-ertoe-doen er toe te doen. Inclusief de eerder optredende cabaretier, dichters en schrijvers. Meer aandacht voor elkaar en kennissen dan voor het podium. Ik ben benieuwd wat de reactie zou zijn als er toevallig passerende café-gangers luidruchtig commentaar hadden gegeven. Dat was 'omdat ze er niets van begrijpen'?!

Kijk, Leiden, daarom is het hier zo vaak 'net niet'.