Jij, lezer, en ik zijn gedoemd in vergetelheid te verdwijnen. Waarschijnlijk is dat de meest verstandige houding en verwachting. Statistisch gezien gaat maar een fragmentje van de wereldbevolking postvatten in het collectief geheugen van de geschiedenis. De massa verdwijnt; alsof ze er nooit waren, nooit leefden.
Ergens in je schoolcarrière heb je vast zoals alle pubers het idee gekoesterd dat je iets groots, meeslepends en wereldschokkends gaat doen in je leven. Dat jouw naam wordt gebeiteld in de geschiedenis. Da's een leuk voornemen en een onwerkelijke ambitie. Dat van sommige Historische Figuren is vastgesteld dat zij "al vanaf hun jongste jeugd wísten dat zij dit zouden gaan doen", hoort toch echt in de categorie drogredeneringen om te bewijzen dat die ambitie wél werkt. Talloze jongeren willen beroemd worden; enkelen lukt dat. Terugkijkend - ex post - lijkt een carrière een lijn te volgen, maar vooraf - ex ante - is die niet te voorspellen. En alleen dat ex ante maakt de redenering interessant.
Het zou heel veel rust brengen als we ons neerleggen bij de idee dat we gewoon leden van het klootjesvolk zijn, heel gemiddeld. Daar is niets op tegen. Dat is geen veroordeling. Het is realiteit.
Eerder heb ik al eens geschreven over de veranderende verwachtingen die het Internet met zich meebracht. We kunnen zelf produceren en publiceren. Als je dan zelf denkt dat jij die Grote Belofte bent, dan zie je de bui al hangen. Schrijf een blog, een boek of maak een muziekvideo op YouTube, en de wereld zal je ontdekken. Pijnlijk. Zo gaat dat niet. Ook tegenwoordig blijft 99,9% onbekend. Frustrerend als je zelf hoopte op eeuwige of anders minstens wereldroem.
Van wat wij nu doen en produceren, zou een snippertje overblijven voor de mens van de toekomst. Dat is althans de situatie zoals die bestond. Er was geen medium dat oneindig bestond en zorgdroeg voor een geheugeneffect. De tijd vrat alles op: papier, celluloïd, magnetische banden, ... In de loop van de tijd verdween het. In mijn huis bijvoorbeeld zijn de zilvervisjes al begonnen aan het verorberen van papier. Ik en mijn geschiedenis gaan vervagen.
In dit licht bezien is het erg vreemd wat nu gebeurt met Google.
Dat vervagen is een goed ding. De oproepen om in deze tijd van 'oneindigheid' vooral na te denken over eindigheid en het recht om vergeten te worden, zijn meer dan terecht. Wat ís het gevolg van niets meer vergeten? Wat is het voordeel van vergeten en opnieuw ontdekken?
Dat is een principieel andere insteek dan waar Google mee wordt geconfronteerd. Dat wordt geconfronteerd met iets heel anders: individuele verzoeken om bepaalde informatie en -vragen uit z'n databestanden te verwijderen. Dat is net zoiets als de prachtige voorbeelden uit Oost Europa van gemanipuleerde foto's waaruit topsporters en regeringsleiders verdwenen. Geretoucheerd; tegenwoordig gePhotoshopt. Dat is de weergave van de werkelijkheid manipuleren, oppoetsen, mooier maken.
Ik ben daar mordicus tegen. Wat gebeurde, gebeurde.
Interessanter is die andere vraag. Zijn we in staat het gedrag van de zilvervisjes te imiteren? Zonder naar de inhoud te kijken verdwijnt de inhoud doordat de drager verdwijnt. Met Internet gebeurt dat niet. Er verdwijnt - op den duur - niets (of althans heel veel niet). Het gaat helemaal niet over Google. Het gaat over het willekeurig en onomkeerbaar laten verdwijnen van informatie.
Inderdaad. Dat maakt een heleboel moeilijker. Maar het maakt ook dat wij, mensen, ons weer realiseren hoe klein en tijdelijk we zijn, dat we niet állemaal in geschiedenisboeken zullen passen en dat het goed is dat we feiten en ontwikkelingen (kunnen) vergeten. Blijkbaar waren die niet de moeite waard om herinnerd te blijven.
NB
Vijftien minuten nadat deze blogpost is gepubliceerd, wijst Nine Connections op een artikel over zichzelf vernietigende berichten à la Snapchat. Het is Facebook dat dat doet.
Posts tonen met het label internet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label internet. Alle posts tonen
donderdag 11 september 2014
donderdag 27 maart 2014
Omroepbeleid is merkenbeleid
Het stond in m'n krant en dus is het waar. Toch?!
In de De Volkskrant stond dit naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur over de toekomst van het omroepbestel:
Da's een verontrustende mening, vind ik.
Een merk 'bouwen' is niet een kwestie van een nachtje ijs. In tegenstelling tot wat het werkwoord 'bouwen' insinueert, is het niet bepaald een beheerst proces. Eerder is het vallen en opstaan, zoeken naar fans en luisteren naar hun wensen, overwegen of daarbij kan en wil worden aangesloten. Dat is dus toch principieel anders dan het bouwen van een gebouw vanaf een blauwdruk.
Merk. Tijd. Sleutelwoorden.
Stel, je bent verantwoordelijk voor de positionering van DWDD in die nieuwe situatie. Dan heb je een paar jaar 'gebouwd' aan 'het merk'. Denkt iemand nu echt dat dat merk zich laat verdringen door iets anders? Wat gebeurt, is dat prográmma's veel meer macht krijgen. Voor de sombermansen: ook - vooral? - de populistische flutpogramma's.
Maar wellicht gaat iemand me ooit eens uitleggen waarin, op dit punt, de vernieuwing zit. Het bredere 'omroep' wordt ingewisseld voor het smalle 'programma'. Dat zou vooruitgang zijn, omdat "het niet van deze tijd is merken rond netten te bouwen". Nee, om programma's wel. Wat een ongelooflijke onzin. Zég dan dat er binnen afzienbare tijd één omroep is met talloze programma's. Want da's de enig logisch volgende stap als programma's zelfstandige eenheden worden. Zoals nu een omroep z'n programma's ordent, zo zal dat dan ook gebeuren. Dat immers is een groot verschil tussen tv en internet: de schaalbaarheid.
Maar goed; ik zie met angst en beven nu de toekomst tegemoet. De genoemde programma's blijven tot het bittere einde werken aan hun merk en dus hun overlevingskansen. Lieve help. Programma's die Peyton Place-achtig nooit meer weg gaan. Een angstbeeld. Een nachtmerrie.

Gelukkig is dit niet de kern van het advies.
Dat is een pleidooi voor een veel opener systeem, waarin ook nieuwkomers een uitzendplek kunnen krijgen. Da's mooi, toch? Niet dat het zo zal gaan werken, als de kansen zich eens per vijf jaar voordoen en er toch echt verdeeld gaat worden. Het klinkt allemaal o zo sympathiek zo'n open systeem, maar dat heeft alleen waarde als er geen platformschaarste is. Gaan we dus naar heel veel meer zenders? Gaan we naar programma=zender=tvkanaal?
Snel dat rapport lezen, dus. En vooral te zijner tijd ook de reactie van de staatssecretaris, want die geeft de uiteindelijke richting aan. De Raad voor Cultuur adviseert.
Ik duim voor een situatie waarin we niet worden geconfronteerd met nooit verdwijnende programma's. Dat heeft niets dynamisch, maar wel iets enorm statisch. Leuteren over merken? Prima. Debatteren over het verschil tussen tv en internet? Vast machtig mooi. Maar zorg nu eens voor dynamiek! Da's een stuk moeilijker, hè?
In de De Volkskrant stond dit naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur over de toekomst van het omroepbestel:
Daarnaast is versterking van het merk NPO achterhaald, volgens ingewijden. 'Het is niet van deze tijd om merken rond netten te bouwen', aldus een commissielid. 'Juist merken als De Wereld Draait Door en Wie is de mol?, die ook op internet groot zijn, hebben de toekomst.'
Da's een verontrustende mening, vind ik.
Een merk 'bouwen' is niet een kwestie van een nachtje ijs. In tegenstelling tot wat het werkwoord 'bouwen' insinueert, is het niet bepaald een beheerst proces. Eerder is het vallen en opstaan, zoeken naar fans en luisteren naar hun wensen, overwegen of daarbij kan en wil worden aangesloten. Dat is dus toch principieel anders dan het bouwen van een gebouw vanaf een blauwdruk.
Merk. Tijd. Sleutelwoorden.
Stel, je bent verantwoordelijk voor de positionering van DWDD in die nieuwe situatie. Dan heb je een paar jaar 'gebouwd' aan 'het merk'. Denkt iemand nu echt dat dat merk zich laat verdringen door iets anders? Wat gebeurt, is dat prográmma's veel meer macht krijgen. Voor de sombermansen: ook - vooral? - de populistische flutpogramma's.
Maar wellicht gaat iemand me ooit eens uitleggen waarin, op dit punt, de vernieuwing zit. Het bredere 'omroep' wordt ingewisseld voor het smalle 'programma'. Dat zou vooruitgang zijn, omdat "het niet van deze tijd is merken rond netten te bouwen". Nee, om programma's wel. Wat een ongelooflijke onzin. Zég dan dat er binnen afzienbare tijd één omroep is met talloze programma's. Want da's de enig logisch volgende stap als programma's zelfstandige eenheden worden. Zoals nu een omroep z'n programma's ordent, zo zal dat dan ook gebeuren. Dat immers is een groot verschil tussen tv en internet: de schaalbaarheid.
Maar goed; ik zie met angst en beven nu de toekomst tegemoet. De genoemde programma's blijven tot het bittere einde werken aan hun merk en dus hun overlevingskansen. Lieve help. Programma's die Peyton Place-achtig nooit meer weg gaan. Een angstbeeld. Een nachtmerrie.
Gelukkig is dit niet de kern van het advies.
Dat is een pleidooi voor een veel opener systeem, waarin ook nieuwkomers een uitzendplek kunnen krijgen. Da's mooi, toch? Niet dat het zo zal gaan werken, als de kansen zich eens per vijf jaar voordoen en er toch echt verdeeld gaat worden. Het klinkt allemaal o zo sympathiek zo'n open systeem, maar dat heeft alleen waarde als er geen platformschaarste is. Gaan we dus naar heel veel meer zenders? Gaan we naar programma=zender=tvkanaal?
Snel dat rapport lezen, dus. En vooral te zijner tijd ook de reactie van de staatssecretaris, want die geeft de uiteindelijke richting aan. De Raad voor Cultuur adviseert.
Ik duim voor een situatie waarin we niet worden geconfronteerd met nooit verdwijnende programma's. Dat heeft niets dynamisch, maar wel iets enorm statisch. Leuteren over merken? Prima. Debatteren over het verschil tussen tv en internet? Vast machtig mooi. Maar zorg nu eens voor dynamiek! Da's een stuk moeilijker, hè?
Labels:
de tijd staat open,
internet,
marketing,
merkenbeleid,
npo,
ocamp;w,
rvc,
tv
vrijdag 17 januari 2014
Vergeten?!
Uiteindelijk is ze er toch terecht gekomen. M'n moeder blijft wonen in een verzorgingshuis. We hebben daar een kamertje ingericht met eigen spulletjes. Nu komt de Grote Klus: het leeghalen van het huis dat vanaf 1972 onze thuisbasis was.
Heb je er weleens stilgestaan bij de analogieën tussen zo'n huis en iets als het Internet?
Wat op het Internet gebeurt, blijft op het Internet. Het is een parafrase van de beroemde kreet dat wat in Las Vegas gebeurt in Las Vegas blijft; verborgen voor de rest van de wereld. Dat wat het Internet herbergt, blijft juist níet (helemaal) verborgen.
Dat wat je ooit op enige manier vastlegde, blijft bewaard; een andere parafrase.
Bij het opruimen, leeghalen en weggooien van spullen in het huis werd me dat weer eens duidelijk. Je klimt de zolder op waar je al jaren niet kwam en waar, nog langer, achter het hoekbeschot van alles ligt weggeborgen.
We verzamelen wat af. Geef ons ruimte en we benutten 'm. Ik sta er zelf nog versteld van hoe snel wij ooit een twee keer zo grote woonruimte vol kregen met spulletjes. En nu kruip je duistere nissen in. Recht op je verleden af.
Kampeerspullen. Bandrecorders. Platenspelers. Hout. Lampen. Dozen. Roerloos ligt alles je vanuit de schemering aan te staren. Ooit heeft een muis er een leuke speeltuin aan gehad. De grote hoeveelheid muizengif doet vermoeden dat daaraan bruut een eind is gemaakt.
Als het niet móet, gooien we blijkbaar niet weg. Mij zou het niets verbazen als 'de mens' liefst alles wil bewaren. Je weet nooit wanneer het nog 's van pas komt. Het is toch altijd wel de herinnering waard.
Da's toch frappant, vind je niet? Dat je die paar keer in je leven een zolder of bergruimte leeg ruimt, informatie over jezelf vindt.
Dat is dus de parallel met dat verfoeide Internet.
Je schrijft een brief. je maakt een foto. Zelf denk je dat die na (al die) jaren zijn verdwenen. Totdat blijkt dat iemand anders ze heeft bewaard.
Totdat je plots wordt geconfronteerd met een vergeten verleden; wellicht zelfs materiaal waarnaar je nu met gemengde gevoelens kijkt: passen ze wel in het sociaal construct dat ik ben? In mijn imago?
Dat is hetzelfde als een aspect van het Internet. Niet alles wordt vergeten. Sterker, de opslag is zo klein en zo makkelijk dat we heel veel niet vergeten. De káns dat je uitlatingen worden vergeten, is klein. Inmiddels lijken we het punt te naderen waarin we echt dat doen wat we o zo graag willen: álles bewaren. Vooralsnog alles digitaals, maar met de komst van 3D-scanners en -printers is de stap naar de fysieke omgeving binnen bereik.
Het Internet als wereldwijd huis, mét zolderopslag.
Heb je er weleens stilgestaan bij de analogieën tussen zo'n huis en iets als het Internet?
Wat op het Internet gebeurt, blijft op het Internet. Het is een parafrase van de beroemde kreet dat wat in Las Vegas gebeurt in Las Vegas blijft; verborgen voor de rest van de wereld. Dat wat het Internet herbergt, blijft juist níet (helemaal) verborgen.
Dat wat je ooit op enige manier vastlegde, blijft bewaard; een andere parafrase.
Bij het opruimen, leeghalen en weggooien van spullen in het huis werd me dat weer eens duidelijk. Je klimt de zolder op waar je al jaren niet kwam en waar, nog langer, achter het hoekbeschot van alles ligt weggeborgen.
We verzamelen wat af. Geef ons ruimte en we benutten 'm. Ik sta er zelf nog versteld van hoe snel wij ooit een twee keer zo grote woonruimte vol kregen met spulletjes. En nu kruip je duistere nissen in. Recht op je verleden af.
Kampeerspullen. Bandrecorders. Platenspelers. Hout. Lampen. Dozen. Roerloos ligt alles je vanuit de schemering aan te staren. Ooit heeft een muis er een leuke speeltuin aan gehad. De grote hoeveelheid muizengif doet vermoeden dat daaraan bruut een eind is gemaakt.
Als het niet móet, gooien we blijkbaar niet weg. Mij zou het niets verbazen als 'de mens' liefst alles wil bewaren. Je weet nooit wanneer het nog 's van pas komt. Het is toch altijd wel de herinnering waard.
Da's toch frappant, vind je niet? Dat je die paar keer in je leven een zolder of bergruimte leeg ruimt, informatie over jezelf vindt.
Dat is dus de parallel met dat verfoeide Internet.
Je schrijft een brief. je maakt een foto. Zelf denk je dat die na (al die) jaren zijn verdwenen. Totdat blijkt dat iemand anders ze heeft bewaard.
Totdat je plots wordt geconfronteerd met een vergeten verleden; wellicht zelfs materiaal waarnaar je nu met gemengde gevoelens kijkt: passen ze wel in het sociaal construct dat ik ben? In mijn imago?
Dat is hetzelfde als een aspect van het Internet. Niet alles wordt vergeten. Sterker, de opslag is zo klein en zo makkelijk dat we heel veel niet vergeten. De káns dat je uitlatingen worden vergeten, is klein. Inmiddels lijken we het punt te naderen waarin we echt dat doen wat we o zo graag willen: álles bewaren. Vooralsnog alles digitaals, maar met de komst van 3D-scanners en -printers is de stap naar de fysieke omgeving binnen bereik.
Het Internet als wereldwijd huis, mét zolderopslag.
Labels:
analogie,
confrontatie,
herinnering,
internet,
vergeten
maandag 2 december 2013
Eindelijk een grens
Jarenlang is het voor velen een oneindige oceaan: het Internet. Zoals de Middeleeuwers moeten hebben gekeken naar de einder en hebben gedacht dat er geen eind aan zou komen. Of dat je er af zou vallen. Alleen de ontdekkingsreizigers wisten beter; die voeren recht op die einder af. Pas na járen, decennia en eeuwen was het werk gedaan en de bol rond in kaart gebracht.
Onbekende gebieden roepen dat effect op. Waar je nog bent geweest, lijkt groter en verder weg dan je je op de terugweg herinnert. De terugweg lijkt veel sneller te gaan dan de heenweg. Dat heeft alles te maken met het nieuwe, het onbekende karakter waardoor je veel meer details opneemt dan in het geval het een routine reis is (en je dus veel níet meer ziet!). Het heeft ook alles te maken met het gegeven dat je nog helemaal niet weet hoe groot het gebied is wat vóoŕ je ligt.
Dat geldt voor het Internet ook.
We blijven het zien als een oneindige bron aan informatie. Een bron die ook maar blijft groeien, want iedere seconde komt er informatie bij. Sneller, groter, meer. Niet verwonderlijk dat je je verloren en kleintjes kunt voelen. Natuurlijk is er wél sprake van een information overload. Natuurlijk is er óók sprake van een filter failure. Het ís ongecontroleerd spuitende oliebron, zo lijkt het.
Toch is er wel degelijk een grens.
Informatie heeft een ingebakken zelfvernietigingsmechanisme: ze veroudert. Een belangrijk aspect van informatie is zijn relevantie. Dat wat niet relevant is, slaan we niet op. Ik durf te wedden dat het je - al is het een beetje - moeite kost je het weer voor de geest te halen van verleden week dinsdag. Dat van 11 mei 1989 weet je in elk geval niet. Het is ook irrelevant.
In je huis en op je werk zijn ook ongetwijfeld onnutte informatieverzamelingen te vinden. Die heeft iedereen; van die stapels papier, halfbijgehouden ordners, directories op harde schijven met informatie die je wellicht nog eens nodig hebt. Om je vakantieherinnering terug op te roepen, om de belastingdienst te bewijzen dat je die kosten écht maakte, omdat je de verzekeringspolissen nooit helemaal begreep en ze dus allemaal maar bewaarde. Weesverzamelingen, want ze dienen geen ander doel dan het geruststellen van jouw angst.
Bij een grote schoonmaak als een verhuizing of baanwissel blijk je zo'n driekwart weg te gooien.
In een digitale wereld is die bewaardrang nog makkelijker te bevredigen. Bits en bytes nemen geen extra fysieke ruimte in en zijn eindeloos kopieerbaar. En dus groeit de verzameling. En de backup ervan ook. Alsmede de backup van de backup, want 'je weet maar nooit'.
Naast de ingebouwde zelfvernietiger in de vorm van relevantie is er nog eentje: de leesbaarheid.
Vooruitgang is alleen mogelijk in combinatie met veroudering. Da's mooi, want daardoor is er ook van die kant een grens ingebouwd: sommige informatie is stomweg niet meer benaderbaar, omdat er inmiddels nieuwe software of hardwareversies zijn en het overzetten van de informatie uit de oude omgeving naar de nieuwe 'niet meer loont'. Als kopieën gemaakt met de eerste kopieermachines die vervagen...
Waarom dat niet eerder gebeurde? Het gebeurde altijd al, maar nu is het tempo niet meer bij te houden. Teveel zou moeten worden gemigreerd in te korte tijd. Keuzes maken is dan aan de orde. Precies dat is wat steeds duidelijker wordt en steeds meer zal gaan gebeuren.
Enorme privacy bedreigende dataverzamelingen; leuk, maar voor hoe lang?
Onbekende gebieden roepen dat effect op. Waar je nog bent geweest, lijkt groter en verder weg dan je je op de terugweg herinnert. De terugweg lijkt veel sneller te gaan dan de heenweg. Dat heeft alles te maken met het nieuwe, het onbekende karakter waardoor je veel meer details opneemt dan in het geval het een routine reis is (en je dus veel níet meer ziet!). Het heeft ook alles te maken met het gegeven dat je nog helemaal niet weet hoe groot het gebied is wat vóoŕ je ligt.
Dat geldt voor het Internet ook.
We blijven het zien als een oneindige bron aan informatie. Een bron die ook maar blijft groeien, want iedere seconde komt er informatie bij. Sneller, groter, meer. Niet verwonderlijk dat je je verloren en kleintjes kunt voelen. Natuurlijk is er wél sprake van een information overload. Natuurlijk is er óók sprake van een filter failure. Het ís ongecontroleerd spuitende oliebron, zo lijkt het.
Toch is er wel degelijk een grens.
Informatie heeft een ingebakken zelfvernietigingsmechanisme: ze veroudert. Een belangrijk aspect van informatie is zijn relevantie. Dat wat niet relevant is, slaan we niet op. Ik durf te wedden dat het je - al is het een beetje - moeite kost je het weer voor de geest te halen van verleden week dinsdag. Dat van 11 mei 1989 weet je in elk geval niet. Het is ook irrelevant.
In je huis en op je werk zijn ook ongetwijfeld onnutte informatieverzamelingen te vinden. Die heeft iedereen; van die stapels papier, halfbijgehouden ordners, directories op harde schijven met informatie die je wellicht nog eens nodig hebt. Om je vakantieherinnering terug op te roepen, om de belastingdienst te bewijzen dat je die kosten écht maakte, omdat je de verzekeringspolissen nooit helemaal begreep en ze dus allemaal maar bewaarde. Weesverzamelingen, want ze dienen geen ander doel dan het geruststellen van jouw angst.
Bij een grote schoonmaak als een verhuizing of baanwissel blijk je zo'n driekwart weg te gooien.
In een digitale wereld is die bewaardrang nog makkelijker te bevredigen. Bits en bytes nemen geen extra fysieke ruimte in en zijn eindeloos kopieerbaar. En dus groeit de verzameling. En de backup ervan ook. Alsmede de backup van de backup, want 'je weet maar nooit'.
Naast de ingebouwde zelfvernietiger in de vorm van relevantie is er nog eentje: de leesbaarheid.
Vooruitgang is alleen mogelijk in combinatie met veroudering. Da's mooi, want daardoor is er ook van die kant een grens ingebouwd: sommige informatie is stomweg niet meer benaderbaar, omdat er inmiddels nieuwe software of hardwareversies zijn en het overzetten van de informatie uit de oude omgeving naar de nieuwe 'niet meer loont'. Als kopieën gemaakt met de eerste kopieermachines die vervagen...
Waarom dat niet eerder gebeurde? Het gebeurde altijd al, maar nu is het tempo niet meer bij te houden. Teveel zou moeten worden gemigreerd in te korte tijd. Keuzes maken is dan aan de orde. Precies dat is wat steeds duidelijker wordt en steeds meer zal gaan gebeuren.
Enorme privacy bedreigende dataverzamelingen; leuk, maar voor hoe lang?
dinsdag 5 november 2013
Eén van de visionairen
The medium is the message
Eén van de bekendste one liners, denk ik. McLuhan, degene die 'm introduceerde, bedoelde ermee dat niet uitsluitend de ínhoud belangrijk is, maar ook de drager. De drager bepaalt hoe de boodschap wordt overgebracht.
Je stapt er zo makkelijk overheen.
Het is je misschien opgevallen dat in dit blog vrij veel gebruik wordt gemaakt van leestekens; met name het nadrukteken. Dat is niet voor niets. De eenvoudigste vorm van meerdere betekenissen van woorden en de invloed van het medium daarin, is de taal. "Ik houd van jou". Zegt-i "ík houd van jou", "ik hóud van jou", "ik houd van jóu"?!
Tegenwoordig hebben we effetjes meer dragers, media tot onze beschikking: garantie voor wanorde en misverstanden. Maar McLuhan wees eigenlijk op iets anders: de invloed van het medium op onze sociale interactie.
Inderdaad: sneller, grootschaliger en ongeremder. Nog steeds zijn we het zelf, maar wel via een kanaal dat invloed heeft op onze boodschappen.
Je kent de flame wars op usenet vast nog wel. Van die ongemeen felle scheldpartijen in discussiegroepen op het Internet die kort opvlammen. Of de begintijd van de elektronische post, met de aanbeveling om berichten vooral voorzichtig te gebruiken.
De aandacht gaat grotendeels naar digitale media. Vooral social media moeten het ontgelden. Terwijl het, McLuhan volgend, niet eens over gaat. Dan zou het gaan om het medium. Dan heb je het eerder over 'de computer', of wellicht 'het Internet', dan over de toepassingen. McLuhan wees op de invloed van 'de kranten', niet op afzonderlijke titels.
McLuhan wees in de jaren zestig op iets waarvan ik me nú afvraag of we daar actief mee omgaan. Eerlijk gezegd, denk ik dat we onszelf laten leven door media.
Hoe bewust ben jij je van die invloed? Van de invloed dat televisie, als voorbeeld, is bedoeld voor bewégend beeld en dus alles probeert te vertalen in beweging. Zelfs de praatprogramma's - sterven die uit? - moeten op die wijze uitnodigend zijn.
Die invloed gaat zo ver dat zij effect heeft op onze manier van waarnemen. Overtrokken?!
Kijk maar eens naar televisieregistraties. Uiteraard is de invloed groot doordat iemand besluit welke stukken we te zien krijgen. Maar er wordt ook bepaald hoe we iets beoordelen. Spanning? Dan is de kans groot dat een close up(!) wordt gebruikt van een gezicht dat spanning verbeeld. Ik weet niet hoe vaak jij dat in werkelijkheid tegen komt. Ik zelden. Angst? De regisseur reikt je de handvatten - in zíjn ogen - wel aan. Zónder muziek (en visuele cues) gaan we het dagelijks leven nog met moeite interpreteren.
Het is mooi dat er meer, betere en breder toegankelijke communicatiekanalen zijn. Dat maakt het echter niet eenvóudiger, maar ingewikkelder.
Dat is wat McLuhan bedoelde: van al die kanalen moet je ook nog eens de invloed schatten. Ga 'r maar aan staan.
Labels:
communicatie,
internet,
invloed,
McLuhan,
medium,
social media
woensdag 7 augustus 2013
En het gebeurde in die dagen niet...
Het deed zich al járen geleden voor.
Het was de tijd dat het Internet opkomt. En dús had ik veel discussies met de ICTers van mijn toenmalige werkgever. Mijn opdracht was innovatie stimuleren. En de grootste innovatie sinds tijden, stond op het punt van doorbreken. Maar de ICTers - systeem-, database-, netwerkbeheer en -ontwikkeling - zagen dat niet gebeuren.
Het is de eerste keer dat ik me bewust was hoe moeilijk het voor mensen is het vertrouwde los te laten. Netwerkbeheerders hadden grote moeite met iets als IP. "Dat kan nooit gaan werken". Niet als je denkt in klassieke netwerkarchitecturen, nee.
Aan die periode hebben we een warme herinnering overgehouden. Want alles kwam, uiteraard, goed. In de jaren daarna hebben we veel samen gedaan en vooral ook veel gesproken. Innovatie, dat was vooral technologische. De gesprekken gingen dan ook vooral over techniek en de mogelijkheden van de nieuwe technologieën. Het heeft mij veel opgeleverd, niet in de laatste plaats over het werk van kantoorICT-ers.
Wat me daarvan het meest is bijgebleven, is de positie die ze in nemen. Kort gezegd: ICT-ers zijn de lastpakken. Er kán nooit iets. Er mág nooit iets. Als ze langskomen, is er meestal iets onzaligs aan verbonden: je krijgt "een update" (en bent daarna van alles kwijt) of ze hadden weer iets te zeuren over "het systeem wat aangaf dat er een virus op je computer zit". Hun mailberichten waren meestal ook in de categorie "Vanaf 16.00 uur kunnen jullie het netwerk niet gebruiken ivm noodzakelijk onderhoud". Kortom, gezeur.
Toch?
Wat we, gebruikers, níet zagen, is het aantal keren dat een probleem werd voorkómen. Wat me verbaasde, was dat ze ons dat nooit meedeelden. Dat heb ik dan ook bepleit (en zij hebben dat heel incidenteel gedaan): "Meld toch óók dat je iets hebt voorkomen. 'Zojuist hebben we een grote virusaanval afgeslagen. Het kan zijn dat je dat den beetje hebt gemerkt in de snelheid van het netwerk'. Gewoon: zéggen wat je doet.
Aan die periode moet ik heel vaak terugdenken. Het komt zó vaak voor dat al die mensen die preventief werken niet gewaardeerd worden. Het is ook zó moeilijk aan te tonen wat níet is gebeurd.
Preventie heeft wel iets weg van kunst: beide zijn enorm kwetsbaar. Beide kunnen hun maatschappelijk - economisch - nut niet keihard aantonen. De politie moet boeven pákken. Misdaad voorkomen door aanwezig te zijn, telt niet. Veiligheidsdiensten zijn per definitie onbetrouwbaar, want iederéén kan wel beweren dat-i een aanslag heeft voorkomen. Gezondheidspreventie is er ook zo een: dat jongeren géén SOA krijgen, hoe ze dat moeten doen hebben ze érgens gehoord.
Sluw is het gebruik van preventie door, met name, politici en beleidsmakers. Het is een bewijs uit het ongerijmde en onbewijsbaar: "dankzij mij en mijn beleid is grotere ellende voorkomen". En, als dat zo uitkomt, "daarop kunnen we bezuinigen want het effect van die preventie is onmeetbaar en niet uit onderzoek gebleken".
Het idiote is dat preventie feitelijk heel erg past in onze samenleving. Met een iets andere bril bekeken, is het een vorm van permanent onderwijs. Onderwijs over veranderende verhoudingen, nieuwe ontwikkelingen, weggezakte kennis en opfrissen van bestaande kennis. Preventie ís helemaal niet per definitie synoniem met disciplinering, regulering en verbieden.
Preventie leidt liefst tot niets.
Het was de tijd dat het Internet opkomt. En dús had ik veel discussies met de ICTers van mijn toenmalige werkgever. Mijn opdracht was innovatie stimuleren. En de grootste innovatie sinds tijden, stond op het punt van doorbreken. Maar de ICTers - systeem-, database-, netwerkbeheer en -ontwikkeling - zagen dat niet gebeuren.
Het is de eerste keer dat ik me bewust was hoe moeilijk het voor mensen is het vertrouwde los te laten. Netwerkbeheerders hadden grote moeite met iets als IP. "Dat kan nooit gaan werken". Niet als je denkt in klassieke netwerkarchitecturen, nee.
Aan die periode hebben we een warme herinnering overgehouden. Want alles kwam, uiteraard, goed. In de jaren daarna hebben we veel samen gedaan en vooral ook veel gesproken. Innovatie, dat was vooral technologische. De gesprekken gingen dan ook vooral over techniek en de mogelijkheden van de nieuwe technologieën. Het heeft mij veel opgeleverd, niet in de laatste plaats over het werk van kantoorICT-ers.
Wat me daarvan het meest is bijgebleven, is de positie die ze in nemen. Kort gezegd: ICT-ers zijn de lastpakken. Er kán nooit iets. Er mág nooit iets. Als ze langskomen, is er meestal iets onzaligs aan verbonden: je krijgt "een update" (en bent daarna van alles kwijt) of ze hadden weer iets te zeuren over "het systeem wat aangaf dat er een virus op je computer zit". Hun mailberichten waren meestal ook in de categorie "Vanaf 16.00 uur kunnen jullie het netwerk niet gebruiken ivm noodzakelijk onderhoud". Kortom, gezeur.
Toch?
Wat we, gebruikers, níet zagen, is het aantal keren dat een probleem werd voorkómen. Wat me verbaasde, was dat ze ons dat nooit meedeelden. Dat heb ik dan ook bepleit (en zij hebben dat heel incidenteel gedaan): "Meld toch óók dat je iets hebt voorkomen. 'Zojuist hebben we een grote virusaanval afgeslagen. Het kan zijn dat je dat den beetje hebt gemerkt in de snelheid van het netwerk'. Gewoon: zéggen wat je doet.
Aan die periode moet ik heel vaak terugdenken. Het komt zó vaak voor dat al die mensen die preventief werken niet gewaardeerd worden. Het is ook zó moeilijk aan te tonen wat níet is gebeurd.
Preventie heeft wel iets weg van kunst: beide zijn enorm kwetsbaar. Beide kunnen hun maatschappelijk - economisch - nut niet keihard aantonen. De politie moet boeven pákken. Misdaad voorkomen door aanwezig te zijn, telt niet. Veiligheidsdiensten zijn per definitie onbetrouwbaar, want iederéén kan wel beweren dat-i een aanslag heeft voorkomen. Gezondheidspreventie is er ook zo een: dat jongeren géén SOA krijgen, hoe ze dat moeten doen hebben ze érgens gehoord.
Sluw is het gebruik van preventie door, met name, politici en beleidsmakers. Het is een bewijs uit het ongerijmde en onbewijsbaar: "dankzij mij en mijn beleid is grotere ellende voorkomen". En, als dat zo uitkomt, "daarop kunnen we bezuinigen want het effect van die preventie is onmeetbaar en niet uit onderzoek gebleken".
Het idiote is dat preventie feitelijk heel erg past in onze samenleving. Met een iets andere bril bekeken, is het een vorm van permanent onderwijs. Onderwijs over veranderende verhoudingen, nieuwe ontwikkelingen, weggezakte kennis en opfrissen van bestaande kennis. Preventie ís helemaal niet per definitie synoniem met disciplinering, regulering en verbieden.
Preventie leidt liefst tot niets.
Labels:
berekenend,
de tijd,
discussies,
economie,
ict,
internet,
netwerk,
Preventie,
snelheid,
soa,
vliegtuig
Locatie:
Leiden, Nederland
woensdag 29 mei 2013
De verdwijning van het Internet
.... van de bureaucomputer of: de komst van mobiel. Als je mij een jaar of drie had gevraagd hoe we het Internet heden ten dage benaderen, dan had ik vast wel gezegd dat dat ook met mobiel zou gebeuren. Dát was wel duidelijk. Niet voor iedereen overigens, want ik kan me nog wel herinneren dat er nogal wat scepsis bestond over mobiele applicaties.
Ik ben mobiel erg dankbaar dat het er is. Pas nadat die ontwikkeling op stoom kwam, lijkt ook de aandacht voor de afnemer toe te nemen.
Voorheen was die aandacht er ook wel. Maar dat ging om onderwerpen als gebruiksvriendelijkheid, om interface-ontwerp en gebruikerslogica... van het aanbod. De website bepaalde hoe en wat. Hele discussies konden met de bouwers worden gevoerd of een website wel of niet zichtbaar was 'op alle platforms en browserversies'. Een website was immers een etalage.
Bij het inrichten van die etalage houd je uiteraard wel rekening met je producten en met de etalage zelf. Hoe groot is die? Hoeveel mensen zullen er kijken? Dat soort van dingen. In die etalage plaatst de winkelier zijn waren. De lokkertjes opvallend in het zicht. Voor sommige etalages geldt dat prijskaartjes uit den boze zijn. Andere etalages zijn sober en stralen vooral 'chique' uit.
Als het Internet zich begint te ontwikkelen, zijn er eigenlijk alleen bureaucomputers in gebruik. Niet onlogisch dus dat die als referentie werden gebruikt. Steeds snellere computers, kleurenschermen en steeds grótere schermen werden vormbepalend. De enige - nou ja, énige - hobbels werden gevormd door al die verschillende platforms.
Draagbare computers, en direct daarop volgend, de mobiele telefoons en tablets worden dan al snel gezien als aanvúllend. Kan dat nog gelden voor draagbare computers, bij de slimme telefoon vanaf - pak 'm beet - zes jaar geleden is dat dus een fors probleem geworden. Die gebruikers worden in eerste instantie geconfronteerd met een soort van slappe aftreksels van websites. Een verschrikkelijk gepiel en gedoe, want die websites zijn helemaal niet gemaakt om te bekijken op kleine schermpjes. Die waren net lekker aan het wennen aan de grote oppervlakken. Als je al langer zo'n slimme telefoon hebt, dan herinner je je wellicht dat gevoel nog wel: alsof je met een verrekijker van dichtbij een boek leest. Nergens overzicht en continue zoekend naar 'wat willen ze hier van me?'. Dan hebben we het nog niet eens over die typische muistrucs als 'mouse-over' instructies. Die deden het niet. Zonder muis.
Apps. Dus. Toch?
Jazeker. Die zijn handig omdat daarmee de mogelijkheden van die slimme apparaten worden benut: de sensoren, de beeldopname, de rekenkracht. Maar ja, een app maken kost iets. Mijn vermoeden is dat veel opdrachtgevers een zucht van verlichting moeten hebben geslaakt toen de ontdekking van de web-app bekend werd. Een website die zich als een app presenteert, of andersom; een stúk voordeliger dan die native app.
Maar wat veel interessanter is, is de gebruiker. Met die mobiele apparaten werd het belangrijker te weten hoe gebruikers daarmee om gingen. Al snel bleek dat 'één website voor alles' bezijden de werkelijkheid is. Mij staat nog een presentatie van Nu.nl bij, van járen terug, die toen al bezig waren met drie kanalen: de bureaucomputer, de mobiele telefoon en de tablet. Ieder met eigen voorkomen en indeling, maar met, in principe, hetzelfde nieuws. Dat was wat: werd het nóg kostbaarder want die verschillende apparaatsvormen eisten dus eigen aanpakken. Man, man, man.... wéér discussie.
Het is echter nog helemaal niet voorbij. Inmiddels begint zich een nieuw soort van gebruiker te manifesteren: de altijd mobiele. Op zich een voorspelbare ontwikkeling: steeds meer mensen gebruiken mobiele apparaten om het Internet te benaderen. Ook ín huis. PEW heeft dat al eerder gesignaleerd.
Als je nu eens door denkt: wat gebeurt er als we inderdaad het Internet op schoot willen hebben als we een vraag hebben? Dat betekent dat alles op het Internet primair geschikt moet zijn voor mobiele raadpleging. Een 180 graden omkering. Dan blijft voor de bureaucomputer eigenlijk vooral de taak over die hij ooit ook al had: een bedrijfsgebonden apparaat voor toepassingen die (intern) bedrijfsgericht zijn. Want voor het Internet hebben we dan de mobiele apparaten.
Zo absoluut wordt het niet. Ik weet het. Maar wat wel gaat gebeuren, is dat die groep uitsluitend-mobielen gaat groeien. Voor de aanbieders gaat dat véél uitdagingen opleveren. Mobiele gebruikers kun je dus niet negeren, maar het zijn wel ook degenen die het meest maatwerk nodig hebben en dat ook zoeken. Op kleine(re) schermen is het woekeren met de ruimte, maar verwacht niet dat de mobiele gebruiker ineens heel veel geduldiger is. Hij of zij is net zo ongeduldig en dus zó weg als het allemaal niet snel genoeg lukt.
Uitsluitend-mobielen. Ze komen er aan.
Ik ben mobiel erg dankbaar dat het er is. Pas nadat die ontwikkeling op stoom kwam, lijkt ook de aandacht voor de afnemer toe te nemen.
Voorheen was die aandacht er ook wel. Maar dat ging om onderwerpen als gebruiksvriendelijkheid, om interface-ontwerp en gebruikerslogica... van het aanbod. De website bepaalde hoe en wat. Hele discussies konden met de bouwers worden gevoerd of een website wel of niet zichtbaar was 'op alle platforms en browserversies'. Een website was immers een etalage.
Bij het inrichten van die etalage houd je uiteraard wel rekening met je producten en met de etalage zelf. Hoe groot is die? Hoeveel mensen zullen er kijken? Dat soort van dingen. In die etalage plaatst de winkelier zijn waren. De lokkertjes opvallend in het zicht. Voor sommige etalages geldt dat prijskaartjes uit den boze zijn. Andere etalages zijn sober en stralen vooral 'chique' uit.
Als het Internet zich begint te ontwikkelen, zijn er eigenlijk alleen bureaucomputers in gebruik. Niet onlogisch dus dat die als referentie werden gebruikt. Steeds snellere computers, kleurenschermen en steeds grótere schermen werden vormbepalend. De enige - nou ja, énige - hobbels werden gevormd door al die verschillende platforms.
Draagbare computers, en direct daarop volgend, de mobiele telefoons en tablets worden dan al snel gezien als aanvúllend. Kan dat nog gelden voor draagbare computers, bij de slimme telefoon vanaf - pak 'm beet - zes jaar geleden is dat dus een fors probleem geworden. Die gebruikers worden in eerste instantie geconfronteerd met een soort van slappe aftreksels van websites. Een verschrikkelijk gepiel en gedoe, want die websites zijn helemaal niet gemaakt om te bekijken op kleine schermpjes. Die waren net lekker aan het wennen aan de grote oppervlakken. Als je al langer zo'n slimme telefoon hebt, dan herinner je je wellicht dat gevoel nog wel: alsof je met een verrekijker van dichtbij een boek leest. Nergens overzicht en continue zoekend naar 'wat willen ze hier van me?'. Dan hebben we het nog niet eens over die typische muistrucs als 'mouse-over' instructies. Die deden het niet. Zonder muis.
Apps. Dus. Toch?
Jazeker. Die zijn handig omdat daarmee de mogelijkheden van die slimme apparaten worden benut: de sensoren, de beeldopname, de rekenkracht. Maar ja, een app maken kost iets. Mijn vermoeden is dat veel opdrachtgevers een zucht van verlichting moeten hebben geslaakt toen de ontdekking van de web-app bekend werd. Een website die zich als een app presenteert, of andersom; een stúk voordeliger dan die native app.
Maar wat veel interessanter is, is de gebruiker. Met die mobiele apparaten werd het belangrijker te weten hoe gebruikers daarmee om gingen. Al snel bleek dat 'één website voor alles' bezijden de werkelijkheid is. Mij staat nog een presentatie van Nu.nl bij, van járen terug, die toen al bezig waren met drie kanalen: de bureaucomputer, de mobiele telefoon en de tablet. Ieder met eigen voorkomen en indeling, maar met, in principe, hetzelfde nieuws. Dat was wat: werd het nóg kostbaarder want die verschillende apparaatsvormen eisten dus eigen aanpakken. Man, man, man.... wéér discussie.
Het is echter nog helemaal niet voorbij. Inmiddels begint zich een nieuw soort van gebruiker te manifesteren: de altijd mobiele. Op zich een voorspelbare ontwikkeling: steeds meer mensen gebruiken mobiele apparaten om het Internet te benaderen. Ook ín huis. PEW heeft dat al eerder gesignaleerd.
Als je nu eens door denkt: wat gebeurt er als we inderdaad het Internet op schoot willen hebben als we een vraag hebben? Dat betekent dat alles op het Internet primair geschikt moet zijn voor mobiele raadpleging. Een 180 graden omkering. Dan blijft voor de bureaucomputer eigenlijk vooral de taak over die hij ooit ook al had: een bedrijfsgebonden apparaat voor toepassingen die (intern) bedrijfsgericht zijn. Want voor het Internet hebben we dan de mobiele apparaten.
Zo absoluut wordt het niet. Ik weet het. Maar wat wel gaat gebeuren, is dat die groep uitsluitend-mobielen gaat groeien. Voor de aanbieders gaat dat véél uitdagingen opleveren. Mobiele gebruikers kun je dus niet negeren, maar het zijn wel ook degenen die het meest maatwerk nodig hebben en dat ook zoeken. Op kleine(re) schermen is het woekeren met de ruimte, maar verwacht niet dat de mobiele gebruiker ineens heel veel geduldiger is. Hij of zij is net zo ongeduldig en dus zó weg als het allemaal niet snel genoeg lukt.
Uitsluitend-mobielen. Ze komen er aan.
Labels:
aanpassen,
desktop,
evolutie,
internet,
iPhone,
kosten,
mini,
mobile,
notebook,
ontwikkeling,
OS,
singulariteit
Locatie:
Leiden, Nederland
woensdag 26 december 2012
Het eind van copyright
Mensen kunnen heel paradoxale wezens zijn. Soms willen we zowel het een als het ander en lijken het een en het ander met elkaar op gespannen voet te staan. Da's een lastig dilemma.
Hét klassieke voorbeeld van zo'n situatie is iets maken of bedenken. Wat moet je daar nu mee? Dan héb je bijvoorbeeld een prachtig kunststuk gemaakt. Maar de erkenning dat het dat ook echt zo is, krijg je pas als ook (veel) anderen het hebben gezin en gewaardeerd. Maar zijn 'die anderen' wel te vertrouwen? Wat als ze het namaken? Of stelen? Of een variant maken?
Dat beveiligen is vandaag de dag verdraaid lastig. Maar in eerdere tijden kon het vrij goed door je niet te concentreren op het unieke product. Een betere manier was je concentreren op de reproductie. Het intellectueel eigendom, het bedenkersrecht, is en was onvervreemdbaar bij de bedenker, maker. En omdat reproduceren nogal wat voeten in aarde had, was het vrij goed te doen om reproducties aan te pakken.
Boeken moesten worden gedrukt. Muziek op platen geperst. Kunst goed reproduceren eiste geavanceerde druktechnieken.
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121218-184107.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121218-184107.jpg" alt="20121218-184107.jpg" class="alignnone size-full" /></a>
Maar een heleboel van die drempels zijn weg. Het begon met het kopiëren ("voor onderwijsdoeleinden") van delen van boeken en toen hele boeken. Muziek kwam op banden en cassettebandjes terecht. De kopieermachine maakte steeds leesbaardere kopieën, tot en met kleuren. Het vermenigvuldigen werd oncontroleerbaar doordat het ook thuis kon worden gedaan.
En met het digitaliseren verergerde de situatie alleen maar: oneindige aantallen kopieën die identiek zijn aan het origineel en een origineel dat niet eens slíjt. Verérgerde?!
Wat lijkt te zijn gebeurd, is dat het sturingsinstrument buiten werking is gesteld. De vraag die dan opkomt, is in hoeverre ooit is verdiend aan het auteursrecht, het bedenken en máken van iets, of dat het eigenlijk altijd ging om reproductie. Ik denk dat het dat laatste is en dat de vraag nu weer aan de orde komt of je van auteursrecht kunt bestaan, in een wereld die om geld draait.
Waardevol is en blijft het unieke exemplaar, dat moeilijk tot niet is na te maken. Gold dat voor een opdrachtschildering door ene Rembrandt van Rijn, dat kan ook gelden voor opdrachtfoto's, boeken in bijzondere uitvoering of cd's met een <em>collectors jewelbox</em>. Mits ze maar niet digitaal beschikbaar komen. Maar weet wel dat met die uitingen weinig kan worden gedaan: (te?) weinig mensen zullen het ooit zien.
Alles wat digitaal beschikbaar komt, is kwetsbaar. Is dat erg?
Nee, zou ik denken. Het betekent dat informatie, of ze nu in tekst is gegoten of in beeld gevat, sneller en massaler beschikbaar is, wordt verspreid en wordt geconsumeerd.
Waar we wel bij moeten stilstaan, is dat dat systeem gevoed moet worden. Er zal een groep mensen moeten zijn die interessante <em>content</em> maakt en toevoegt. Het zal de samenleving moeten zijn die die functie zo waardevol vindt dat ze bereid is hem als collectief te onderhouden: scheppend kunstenaars in samenlevingsdienst. Niet vrijgesteld, maar werkend... aan hun eigen werk.
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121218-183501.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121218-183501.jpg" alt="20121218-183501.jpg" class="alignnone size-full" /></a>
Dat zou mijn basisgedachte zijn, het startpunt. Maar het is nog lang niet voldoende. Want het is en blijft zoeken naar balans. Wat belangrijk is in mijn ogen is dat we dan wel helder krijgen hoe en wat we waarderen.
Ik zie het gebeuren bij al die gratis diensten. Dat die niet gratis zijn, hebben we nu wel door. In ruil voor gebruik leveren we iets in: gegevens over ons gedrag, voorkeuren voor producten, de herbruikbaarheid van onze informatie. Op zich is dat logisch: ik doe iets voor jou in ruil voor iets wat ik van jou krijg. Ruilhandel, geïdealiseerd in het beeld van de ene boer die met de andere kaas tegen kippen ruilt. Maar ja, dat digitale, hè.
Geregeld vlamt er weer een discussie op over eigendomsrecht als weer eens een (<em>social media</em>) grootmacht in zijn gebruiksvoorwaarden opneemt dat zij het recht hebben jóuw <em>content</em> te gebruiken, dóór te verkopen. De ratten!
Maar dan toch ietwat gedateerde ratten. Want wat mij dan weer verbaast, is dat we niet zelf gebruik maken van die reproduceerbaarheid. Natuurlijk wil ik best 'betalen' voor gebruik van een dienst. Maar dezelfde foto die ik bij Instagram/Google plaats, staat ook op tal van andere plaatsen. Want ik wérk niet voor die dienst. Natuurlijk mogen ze proberen geld te verdienen met mijn werk. Maar precies datzelfde werk is op andere plaatsen ook te vinden. Wél gratis.
Kortom. Met uitzondering van degenen die er van moeten leven - maar die zullen ongetwijfeld niet van deze gratis diensten gebruik maken voor hun werk - is het niet veel anders dan je eigen <em>content</em> op meerdere plaatsen te publiceren. Dit blog kun je bijvoorbeeld ook vinden op http://www.blogspot.com; alhoewel ik daar weinig structureel mee om ga.
Je wilt toch dat zoveel mogelijk mensen kennis kunnen nemen van wat je maakte? Of wil je veel geld verdienen? Met wat? Kunstwerken? Dan zul je scheppend kunstenaar moeten worden; met alle gevolgen van dien. Dan mag je je voorbereiden op een situatie van <a href="http://www.waardebepalingachteraf.info/">waardering achteraf</a>. Want zó is het ook allemaal begonnen: iets zien, dat willen hebben en ervoor willen ruilen/betalen.
Wedden dat er steeds meer musea, restaurants, voorstellingen, boeken en muziek gaan verschijnen waarbij je eerst wil ervaren wat je gaat kopen in plaats van andersom? In plaats van te betalen voor de toegangsroute, die steeds breder wordt. Musea en theaters met de kassa aan het eind van de tentoonstelling of voorstelling. Boeken en muziek waarbij je ná het lezen of luisteren jouw waarde bepaalt en betaalt.
Labels:
alternatief,
auteursrecht,
business model,
fotografen,
inkomen,
internet,
kunst,
mobiel,
schrijvers,
tablet,
winst
Locatie:
Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)