Jij, lezer, en ik zijn gedoemd in vergetelheid te verdwijnen. Waarschijnlijk is dat de meest verstandige houding en verwachting. Statistisch gezien gaat maar een fragmentje van de wereldbevolking postvatten in het collectief geheugen van de geschiedenis. De massa verdwijnt; alsof ze er nooit waren, nooit leefden.
Ergens in je schoolcarrière heb je vast zoals alle pubers het idee gekoesterd dat je iets groots, meeslepends en wereldschokkends gaat doen in je leven. Dat jouw naam wordt gebeiteld in de geschiedenis. Da's een leuk voornemen en een onwerkelijke ambitie. Dat van sommige Historische Figuren is vastgesteld dat zij "al vanaf hun jongste jeugd wísten dat zij dit zouden gaan doen", hoort toch echt in de categorie drogredeneringen om te bewijzen dat die ambitie wél werkt. Talloze jongeren willen beroemd worden; enkelen lukt dat. Terugkijkend - ex post - lijkt een carrière een lijn te volgen, maar vooraf - ex ante - is die niet te voorspellen. En alleen dat ex ante maakt de redenering interessant.
Het zou heel veel rust brengen als we ons neerleggen bij de idee dat we gewoon leden van het klootjesvolk zijn, heel gemiddeld. Daar is niets op tegen. Dat is geen veroordeling. Het is realiteit.
Eerder heb ik al eens geschreven over de veranderende verwachtingen die het Internet met zich meebracht. We kunnen zelf produceren en publiceren. Als je dan zelf denkt dat jij die Grote Belofte bent, dan zie je de bui al hangen. Schrijf een blog, een boek of maak een muziekvideo op YouTube, en de wereld zal je ontdekken. Pijnlijk. Zo gaat dat niet. Ook tegenwoordig blijft 99,9% onbekend. Frustrerend als je zelf hoopte op eeuwige of anders minstens wereldroem.
Van wat wij nu doen en produceren, zou een snippertje overblijven voor de mens van de toekomst. Dat is althans de situatie zoals die bestond. Er was geen medium dat oneindig bestond en zorgdroeg voor een geheugeneffect. De tijd vrat alles op: papier, celluloïd, magnetische banden, ... In de loop van de tijd verdween het. In mijn huis bijvoorbeeld zijn de zilvervisjes al begonnen aan het verorberen van papier. Ik en mijn geschiedenis gaan vervagen.
In dit licht bezien is het erg vreemd wat nu gebeurt met Google.
Dat vervagen is een goed ding. De oproepen om in deze tijd van 'oneindigheid' vooral na te denken over eindigheid en het recht om vergeten te worden, zijn meer dan terecht. Wat ís het gevolg van niets meer vergeten? Wat is het voordeel van vergeten en opnieuw ontdekken?
Dat is een principieel andere insteek dan waar Google mee wordt geconfronteerd. Dat wordt geconfronteerd met iets heel anders: individuele verzoeken om bepaalde informatie en -vragen uit z'n databestanden te verwijderen. Dat is net zoiets als de prachtige voorbeelden uit Oost Europa van gemanipuleerde foto's waaruit topsporters en regeringsleiders verdwenen. Geretoucheerd; tegenwoordig gePhotoshopt. Dat is de weergave van de werkelijkheid manipuleren, oppoetsen, mooier maken.
Ik ben daar mordicus tegen. Wat gebeurde, gebeurde.
Interessanter is die andere vraag. Zijn we in staat het gedrag van de zilvervisjes te imiteren? Zonder naar de inhoud te kijken verdwijnt de inhoud doordat de drager verdwijnt. Met Internet gebeurt dat niet. Er verdwijnt - op den duur - niets (of althans heel veel niet). Het gaat helemaal niet over Google. Het gaat over het willekeurig en onomkeerbaar laten verdwijnen van informatie.
Inderdaad. Dat maakt een heleboel moeilijker. Maar het maakt ook dat wij, mensen, ons weer realiseren hoe klein en tijdelijk we zijn, dat we niet állemaal in geschiedenisboeken zullen passen en dat het goed is dat we feiten en ontwikkelingen (kunnen) vergeten. Blijkbaar waren die niet de moeite waard om herinnerd te blijven.
NB
Vijftien minuten nadat deze blogpost is gepubliceerd, wijst Nine Connections op een artikel over zichzelf vernietigende berichten à la Snapchat. Het is Facebook dat dat doet.
Posts tonen met het label herinnering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label herinnering. Alle posts tonen
donderdag 11 september 2014
zondag 18 mei 2014
Het herbarium
De foto's heb ik gemaakt op de terugweg. Het idee drong zich op op de heenweg.
De bloemetjes deden een jeugdherinnering opflakkeren.
Het zal in de eerste of tweede klas van de middelbare achool zijn geweest. Biologie-les. Het niveau was dat van de bloempjes en de bijtjes, de stampers en de meeldraden, de bloeiwijzen en de bladvormen. Boeiend materiaal, kortom.

Maar de top was de les waarin de lerares, meen ik toch, aankondigde dat we allemaal een herbarium moesten maken. Ik denk dat niemand van ons enig idee had wat dat was. Maar dat veranderde snel. Een herbarium, zo hoorden wij, was een boek met gedroogde planten. Dat was handig om planten te 'determineren'. In één klap zaten we in een wereld van moeilijke woorden en gedróógde planten. Dat er bij dat determineren ook nog een dik, rood boek hoort, wisten we toen nog niet. O, gelukkige onwetendheid.
We moesten - en liefst in het voorjaar, want dan bloeit alles - wilde planten verzamelen en daarmee een herbarium aanleggen. Daarna werd uit de doeken gedaan dat je daarvoor de natuur - het weiland - in moest en bloeiende planten verzamelen. Thuis moesten die worden platgeperst met een speciale pers. Niet zomaar; de bloem en enkele blaadjes moest je achteraf nog kunnen herkennen. En het persen moest lang duren, want alles moest droog zijn.

Doen ze dat tegenwoordig nog? Of is het zo dat de leerlingen het veld in gaan gewapend met een smart phone om alles vast te leggen? Zo ja, dan missen ze wat. Achteraf misschien nog het leerzaamste. Toen in elk geval het frustrerendste.
Al die plantjes op de foto's heb ook ik verzameld. Het heet niet voor niets onkruid. Makkelijk te vinden spul. Wij verzamelden dus snel grote hoeveelheden. Zoals een docent betaamt, werden we wel gepest met een opdracht die een net iets groter aantal plantjes bevatte dan het aantal makkelijk te vinden soorten.

Het drogen bleek het leerzaamste onderdeel. Was het niet voor biologie, dan toch wel voor zelfbeheersing.
Die rotplantjes hadden de neiging onmiddellijk dood te gaan nadat ze waren losgerukt. Dan kwam je thuis met verlept materiaal. Wat ook zo verschrikkelijk was, is dat die plantjes niet op hun plek bleven liggen. Dan lagen de blaadjes goed, maar verschoof het bloemetje. Had je ze met een snelle beweging toch vastgeklemd tussen de papierlagen, dan moest je dat geheel weer zien te persen. Het persje was véél te klein voor massaproductie. Onder bedden moeten in die weken heel veel bakstenen kunnen zijn gevonden op oude kranten. Voor ons, jongens - de meisjes deden het veel beter zouden we later zien - was dat belangrijk: snelheid.

In de pers kon je wel zes, zeven lagen plantjes kwijt. Althans, als je de lengte van de vleugelmoer als indicatie hanteerde. In elk geval heb ik de meerlaags aanpak gevolgd en van alles in één keer gedroogd.
Op die leeftijd is ongeduld een goede zaak en geduld iets voor die verfoeide ouderen. Zodoende kwamen de gedroogde plantjes bijna droog tevoorschijn. Voor ons droog en plat genoeg.

Dan krijg je weer een lesje geduld. De meeste plantjes zagen er vrij droog uit. Later zou blijken dat schimmels zich er desondanks prima konden handhaven. Ernstiger was wat tevoorschijn kwam. Plantjes waarvan de bladeren afbraken. Onbruikbaar. Plantjes waarvan in die bliksemsnelle beweging de bladeren tóch verkeerd waren terechtgekomen en nu gedraaid of erger waren. Onbruikbaar. Plantjes die waren verdwenen: "Ik weet zeker dat er vijf in de pers zaten". Die waren over het algemeen mét het droogpapier weggegooid. Onbruikbaar.
Maar de grootste ellende waren 'de dikke bloemen'. Kijk, die tere bloemetjes die plet je wel. Maar die dikkere dus niet. En wat je ook niet moest doen, zo bleek, is een aantal daarvan in één ruk op elkaar proberen te drogen. Dan werkt de pers niet en drogen de bloemetjes haast niet.

Nee, de grootste ellende - en die gedachte schoot me dus te binnen op de heenweg - waren die dikkoppen. Daarvan had niemand verteld hoe je díe droogt. De distels, maar ook de paardebloemen; die verdomde bloemen, die zo dik zijn dat ze volgens ons helemaal niet eens geplet of gedroogd kúnnen worden.
Dan zijn moderne media als oplossing msisschien wel leuk. Maar je hebt die erváring van een herbarium (moeten) maken niet. Een gemis.
De bloemetjes deden een jeugdherinnering opflakkeren.
Het zal in de eerste of tweede klas van de middelbare achool zijn geweest. Biologie-les. Het niveau was dat van de bloempjes en de bijtjes, de stampers en de meeldraden, de bloeiwijzen en de bladvormen. Boeiend materiaal, kortom.
Maar de top was de les waarin de lerares, meen ik toch, aankondigde dat we allemaal een herbarium moesten maken. Ik denk dat niemand van ons enig idee had wat dat was. Maar dat veranderde snel. Een herbarium, zo hoorden wij, was een boek met gedroogde planten. Dat was handig om planten te 'determineren'. In één klap zaten we in een wereld van moeilijke woorden en gedróógde planten. Dat er bij dat determineren ook nog een dik, rood boek hoort, wisten we toen nog niet. O, gelukkige onwetendheid.
We moesten - en liefst in het voorjaar, want dan bloeit alles - wilde planten verzamelen en daarmee een herbarium aanleggen. Daarna werd uit de doeken gedaan dat je daarvoor de natuur - het weiland - in moest en bloeiende planten verzamelen. Thuis moesten die worden platgeperst met een speciale pers. Niet zomaar; de bloem en enkele blaadjes moest je achteraf nog kunnen herkennen. En het persen moest lang duren, want alles moest droog zijn.
Doen ze dat tegenwoordig nog? Of is het zo dat de leerlingen het veld in gaan gewapend met een smart phone om alles vast te leggen? Zo ja, dan missen ze wat. Achteraf misschien nog het leerzaamste. Toen in elk geval het frustrerendste.
Al die plantjes op de foto's heb ook ik verzameld. Het heet niet voor niets onkruid. Makkelijk te vinden spul. Wij verzamelden dus snel grote hoeveelheden. Zoals een docent betaamt, werden we wel gepest met een opdracht die een net iets groter aantal plantjes bevatte dan het aantal makkelijk te vinden soorten.
Het drogen bleek het leerzaamste onderdeel. Was het niet voor biologie, dan toch wel voor zelfbeheersing.
Die rotplantjes hadden de neiging onmiddellijk dood te gaan nadat ze waren losgerukt. Dan kwam je thuis met verlept materiaal. Wat ook zo verschrikkelijk was, is dat die plantjes niet op hun plek bleven liggen. Dan lagen de blaadjes goed, maar verschoof het bloemetje. Had je ze met een snelle beweging toch vastgeklemd tussen de papierlagen, dan moest je dat geheel weer zien te persen. Het persje was véél te klein voor massaproductie. Onder bedden moeten in die weken heel veel bakstenen kunnen zijn gevonden op oude kranten. Voor ons, jongens - de meisjes deden het veel beter zouden we later zien - was dat belangrijk: snelheid.
In de pers kon je wel zes, zeven lagen plantjes kwijt. Althans, als je de lengte van de vleugelmoer als indicatie hanteerde. In elk geval heb ik de meerlaags aanpak gevolgd en van alles in één keer gedroogd.
Op die leeftijd is ongeduld een goede zaak en geduld iets voor die verfoeide ouderen. Zodoende kwamen de gedroogde plantjes bijna droog tevoorschijn. Voor ons droog en plat genoeg.
Dan krijg je weer een lesje geduld. De meeste plantjes zagen er vrij droog uit. Later zou blijken dat schimmels zich er desondanks prima konden handhaven. Ernstiger was wat tevoorschijn kwam. Plantjes waarvan de bladeren afbraken. Onbruikbaar. Plantjes waarvan in die bliksemsnelle beweging de bladeren tóch verkeerd waren terechtgekomen en nu gedraaid of erger waren. Onbruikbaar. Plantjes die waren verdwenen: "Ik weet zeker dat er vijf in de pers zaten". Die waren over het algemeen mét het droogpapier weggegooid. Onbruikbaar.
Maar de grootste ellende waren 'de dikke bloemen'. Kijk, die tere bloemetjes die plet je wel. Maar die dikkere dus niet. En wat je ook niet moest doen, zo bleek, is een aantal daarvan in één ruk op elkaar proberen te drogen. Dan werkt de pers niet en drogen de bloemetjes haast niet.
Nee, de grootste ellende - en die gedachte schoot me dus te binnen op de heenweg - waren die dikkoppen. Daarvan had niemand verteld hoe je díe droogt. De distels, maar ook de paardebloemen; die verdomde bloemen, die zo dik zijn dat ze volgens ons helemaal niet eens geplet of gedroogd kúnnen worden.
Dan zijn moderne media als oplossing msisschien wel leuk. Maar je hebt die erváring van een herbarium (moeten) maken niet. Een gemis.
Labels:
biologie,
ervaren,
geduld,
herinnering,
leren,
lezen,
nieuwe media,
onderwijs
dinsdag 4 maart 2014
Vergeten!
Het is echt waar: iedere dag gebeurt je wel iets waarover je verbaast, of waarover je je kúnt verbazen.
Wat me de afgelopen weken echter steeds zwaarder valt, is die dingen onthouden. Dan zit ik, zoals nu, rond 19.13 uur achter (voor?) een tekstinvoer-apparaat en denk: Tja, wat nu?! Terugploegend in m'n herinneringen vind ik vaak m'n 'briljante ingeving' weer terug. Maar ook niet.
Grotendeels komt het doordat ik het bloggen te weinig prioriteit geef. Je kent het wellicht wel. Dat je iets bedenkt om te vertellen en dan 'eerst even' iets anders denkt te moeten doen. Daarna is het idee weg. Zoals je ook 's ochtends nooit meer die roman kunt reproduceren die je in je slaap, in je dromen al helemaal had geschreven.
Maar, zul je denken, er zijn toch zat van apparaten en mogelijkheden om je gedachten vast te leggen? Klopt. En omdat dat het probleem niet is, zijn die niet de oplossing. Ik heb altijd een iPhone bij me. Maar ik pak 'm níet om even snel in eéń van de daarop staande notitie-apps een notitie te maken. Sterker, die staan er vooral stoffig te worden. Zelden door me gebruikt.
Overigens is een belangrijke reden daarvoor dat de meeste van die registratie-toepassingen rust en gelegenheid eisen. Achter het stuur van een verpleeghuisbus heb ik er geen bal aan. Dan kan ik niet even rustig iets uit m'n broekzak vissen en de ingeving 'opnoteren'. Werkt niet. Dat geldt ook voor de dictafoon(-functie): niet te doen, in de meeste situaties.
Het enige wat werkt(e), is een snelle eerste uitwerking maken van het (blog-)idee. In het weekeinde gaat het daarom vaak een tikkie beter. O, en op Leiden Centraal een hele blogpost tikken op een iPhone; het idee was er, maar die 'toetsjes'... . Ik was blij dat het er na een half uur op stond.
Wat ik maar wil beweren, is dat de gedachte dat er voor alles een app-oplossing - een technologische - is, wat mij betreft veuls te kort door de bocht is. Het belangrijkste effect van die gedachte is dat mensen nog gaan denken dat het aan hén ligt als iets niet lukt. Je hebt immers álle mogelijkheden tot je beschikking?!
Misschien dat ik toch weer aan de slag ga met tientallen Post-It's, die de vraag oproepen wat je in vrédesnaam bedoelde met die cryptische omschrijvingen. Want hoe ik het ook draai en wentel: ondanks m'n ook voor mezelf haast oncijferbare handschrift-in-haast, is dat handschrijven toch echt de snelste manier om zoiets vluchtigs als een gedachte te vangen.
Wat me de afgelopen weken echter steeds zwaarder valt, is die dingen onthouden. Dan zit ik, zoals nu, rond 19.13 uur achter (voor?) een tekstinvoer-apparaat en denk: Tja, wat nu?! Terugploegend in m'n herinneringen vind ik vaak m'n 'briljante ingeving' weer terug. Maar ook niet.
Grotendeels komt het doordat ik het bloggen te weinig prioriteit geef. Je kent het wellicht wel. Dat je iets bedenkt om te vertellen en dan 'eerst even' iets anders denkt te moeten doen. Daarna is het idee weg. Zoals je ook 's ochtends nooit meer die roman kunt reproduceren die je in je slaap, in je dromen al helemaal had geschreven.
Maar, zul je denken, er zijn toch zat van apparaten en mogelijkheden om je gedachten vast te leggen? Klopt. En omdat dat het probleem niet is, zijn die niet de oplossing. Ik heb altijd een iPhone bij me. Maar ik pak 'm níet om even snel in eéń van de daarop staande notitie-apps een notitie te maken. Sterker, die staan er vooral stoffig te worden. Zelden door me gebruikt.
Overigens is een belangrijke reden daarvoor dat de meeste van die registratie-toepassingen rust en gelegenheid eisen. Achter het stuur van een verpleeghuisbus heb ik er geen bal aan. Dan kan ik niet even rustig iets uit m'n broekzak vissen en de ingeving 'opnoteren'. Werkt niet. Dat geldt ook voor de dictafoon(-functie): niet te doen, in de meeste situaties.
Het enige wat werkt(e), is een snelle eerste uitwerking maken van het (blog-)idee. In het weekeinde gaat het daarom vaak een tikkie beter. O, en op Leiden Centraal een hele blogpost tikken op een iPhone; het idee was er, maar die 'toetsjes'... . Ik was blij dat het er na een half uur op stond.
Wat ik maar wil beweren, is dat de gedachte dat er voor alles een app-oplossing - een technologische - is, wat mij betreft veuls te kort door de bocht is. Het belangrijkste effect van die gedachte is dat mensen nog gaan denken dat het aan hén ligt als iets niet lukt. Je hebt immers álle mogelijkheden tot je beschikking?!
Misschien dat ik toch weer aan de slag ga met tientallen Post-It's, die de vraag oproepen wat je in vrédesnaam bedoelde met die cryptische omschrijvingen. Want hoe ik het ook draai en wentel: ondanks m'n ook voor mezelf haast oncijferbare handschrift-in-haast, is dat handschrijven toch echt de snelste manier om zoiets vluchtigs als een gedachte te vangen.
Labels:
blog,
geheugen,
herinnering,
noteren,
onderwerp,
outline,
technologie,
thema,
trefwoorden
vrijdag 17 januari 2014
Vergeten?!
Uiteindelijk is ze er toch terecht gekomen. M'n moeder blijft wonen in een verzorgingshuis. We hebben daar een kamertje ingericht met eigen spulletjes. Nu komt de Grote Klus: het leeghalen van het huis dat vanaf 1972 onze thuisbasis was.
Heb je er weleens stilgestaan bij de analogieën tussen zo'n huis en iets als het Internet?
Wat op het Internet gebeurt, blijft op het Internet. Het is een parafrase van de beroemde kreet dat wat in Las Vegas gebeurt in Las Vegas blijft; verborgen voor de rest van de wereld. Dat wat het Internet herbergt, blijft juist níet (helemaal) verborgen.
Dat wat je ooit op enige manier vastlegde, blijft bewaard; een andere parafrase.
Bij het opruimen, leeghalen en weggooien van spullen in het huis werd me dat weer eens duidelijk. Je klimt de zolder op waar je al jaren niet kwam en waar, nog langer, achter het hoekbeschot van alles ligt weggeborgen.
We verzamelen wat af. Geef ons ruimte en we benutten 'm. Ik sta er zelf nog versteld van hoe snel wij ooit een twee keer zo grote woonruimte vol kregen met spulletjes. En nu kruip je duistere nissen in. Recht op je verleden af.
Kampeerspullen. Bandrecorders. Platenspelers. Hout. Lampen. Dozen. Roerloos ligt alles je vanuit de schemering aan te staren. Ooit heeft een muis er een leuke speeltuin aan gehad. De grote hoeveelheid muizengif doet vermoeden dat daaraan bruut een eind is gemaakt.
Als het niet móet, gooien we blijkbaar niet weg. Mij zou het niets verbazen als 'de mens' liefst alles wil bewaren. Je weet nooit wanneer het nog 's van pas komt. Het is toch altijd wel de herinnering waard.
Da's toch frappant, vind je niet? Dat je die paar keer in je leven een zolder of bergruimte leeg ruimt, informatie over jezelf vindt.
Dat is dus de parallel met dat verfoeide Internet.
Je schrijft een brief. je maakt een foto. Zelf denk je dat die na (al die) jaren zijn verdwenen. Totdat blijkt dat iemand anders ze heeft bewaard.
Totdat je plots wordt geconfronteerd met een vergeten verleden; wellicht zelfs materiaal waarnaar je nu met gemengde gevoelens kijkt: passen ze wel in het sociaal construct dat ik ben? In mijn imago?
Dat is hetzelfde als een aspect van het Internet. Niet alles wordt vergeten. Sterker, de opslag is zo klein en zo makkelijk dat we heel veel niet vergeten. De káns dat je uitlatingen worden vergeten, is klein. Inmiddels lijken we het punt te naderen waarin we echt dat doen wat we o zo graag willen: álles bewaren. Vooralsnog alles digitaals, maar met de komst van 3D-scanners en -printers is de stap naar de fysieke omgeving binnen bereik.
Het Internet als wereldwijd huis, mét zolderopslag.
Heb je er weleens stilgestaan bij de analogieën tussen zo'n huis en iets als het Internet?
Wat op het Internet gebeurt, blijft op het Internet. Het is een parafrase van de beroemde kreet dat wat in Las Vegas gebeurt in Las Vegas blijft; verborgen voor de rest van de wereld. Dat wat het Internet herbergt, blijft juist níet (helemaal) verborgen.
Dat wat je ooit op enige manier vastlegde, blijft bewaard; een andere parafrase.
Bij het opruimen, leeghalen en weggooien van spullen in het huis werd me dat weer eens duidelijk. Je klimt de zolder op waar je al jaren niet kwam en waar, nog langer, achter het hoekbeschot van alles ligt weggeborgen.
We verzamelen wat af. Geef ons ruimte en we benutten 'm. Ik sta er zelf nog versteld van hoe snel wij ooit een twee keer zo grote woonruimte vol kregen met spulletjes. En nu kruip je duistere nissen in. Recht op je verleden af.
Kampeerspullen. Bandrecorders. Platenspelers. Hout. Lampen. Dozen. Roerloos ligt alles je vanuit de schemering aan te staren. Ooit heeft een muis er een leuke speeltuin aan gehad. De grote hoeveelheid muizengif doet vermoeden dat daaraan bruut een eind is gemaakt.
Als het niet móet, gooien we blijkbaar niet weg. Mij zou het niets verbazen als 'de mens' liefst alles wil bewaren. Je weet nooit wanneer het nog 's van pas komt. Het is toch altijd wel de herinnering waard.
Da's toch frappant, vind je niet? Dat je die paar keer in je leven een zolder of bergruimte leeg ruimt, informatie over jezelf vindt.
Dat is dus de parallel met dat verfoeide Internet.
Je schrijft een brief. je maakt een foto. Zelf denk je dat die na (al die) jaren zijn verdwenen. Totdat blijkt dat iemand anders ze heeft bewaard.
Totdat je plots wordt geconfronteerd met een vergeten verleden; wellicht zelfs materiaal waarnaar je nu met gemengde gevoelens kijkt: passen ze wel in het sociaal construct dat ik ben? In mijn imago?
Dat is hetzelfde als een aspect van het Internet. Niet alles wordt vergeten. Sterker, de opslag is zo klein en zo makkelijk dat we heel veel niet vergeten. De káns dat je uitlatingen worden vergeten, is klein. Inmiddels lijken we het punt te naderen waarin we echt dat doen wat we o zo graag willen: álles bewaren. Vooralsnog alles digitaals, maar met de komst van 3D-scanners en -printers is de stap naar de fysieke omgeving binnen bereik.
Het Internet als wereldwijd huis, mét zolderopslag.
Labels:
analogie,
confrontatie,
herinnering,
internet,
vergeten
maandag 2 december 2013
Eindelijk een grens
Jarenlang is het voor velen een oneindige oceaan: het Internet. Zoals de Middeleeuwers moeten hebben gekeken naar de einder en hebben gedacht dat er geen eind aan zou komen. Of dat je er af zou vallen. Alleen de ontdekkingsreizigers wisten beter; die voeren recht op die einder af. Pas na járen, decennia en eeuwen was het werk gedaan en de bol rond in kaart gebracht.
Onbekende gebieden roepen dat effect op. Waar je nog bent geweest, lijkt groter en verder weg dan je je op de terugweg herinnert. De terugweg lijkt veel sneller te gaan dan de heenweg. Dat heeft alles te maken met het nieuwe, het onbekende karakter waardoor je veel meer details opneemt dan in het geval het een routine reis is (en je dus veel níet meer ziet!). Het heeft ook alles te maken met het gegeven dat je nog helemaal niet weet hoe groot het gebied is wat vóoŕ je ligt.
Dat geldt voor het Internet ook.
We blijven het zien als een oneindige bron aan informatie. Een bron die ook maar blijft groeien, want iedere seconde komt er informatie bij. Sneller, groter, meer. Niet verwonderlijk dat je je verloren en kleintjes kunt voelen. Natuurlijk is er wél sprake van een information overload. Natuurlijk is er óók sprake van een filter failure. Het ís ongecontroleerd spuitende oliebron, zo lijkt het.
Toch is er wel degelijk een grens.
Informatie heeft een ingebakken zelfvernietigingsmechanisme: ze veroudert. Een belangrijk aspect van informatie is zijn relevantie. Dat wat niet relevant is, slaan we niet op. Ik durf te wedden dat het je - al is het een beetje - moeite kost je het weer voor de geest te halen van verleden week dinsdag. Dat van 11 mei 1989 weet je in elk geval niet. Het is ook irrelevant.
In je huis en op je werk zijn ook ongetwijfeld onnutte informatieverzamelingen te vinden. Die heeft iedereen; van die stapels papier, halfbijgehouden ordners, directories op harde schijven met informatie die je wellicht nog eens nodig hebt. Om je vakantieherinnering terug op te roepen, om de belastingdienst te bewijzen dat je die kosten écht maakte, omdat je de verzekeringspolissen nooit helemaal begreep en ze dus allemaal maar bewaarde. Weesverzamelingen, want ze dienen geen ander doel dan het geruststellen van jouw angst.
Bij een grote schoonmaak als een verhuizing of baanwissel blijk je zo'n driekwart weg te gooien.
In een digitale wereld is die bewaardrang nog makkelijker te bevredigen. Bits en bytes nemen geen extra fysieke ruimte in en zijn eindeloos kopieerbaar. En dus groeit de verzameling. En de backup ervan ook. Alsmede de backup van de backup, want 'je weet maar nooit'.
Naast de ingebouwde zelfvernietiger in de vorm van relevantie is er nog eentje: de leesbaarheid.
Vooruitgang is alleen mogelijk in combinatie met veroudering. Da's mooi, want daardoor is er ook van die kant een grens ingebouwd: sommige informatie is stomweg niet meer benaderbaar, omdat er inmiddels nieuwe software of hardwareversies zijn en het overzetten van de informatie uit de oude omgeving naar de nieuwe 'niet meer loont'. Als kopieën gemaakt met de eerste kopieermachines die vervagen...
Waarom dat niet eerder gebeurde? Het gebeurde altijd al, maar nu is het tempo niet meer bij te houden. Teveel zou moeten worden gemigreerd in te korte tijd. Keuzes maken is dan aan de orde. Precies dat is wat steeds duidelijker wordt en steeds meer zal gaan gebeuren.
Enorme privacy bedreigende dataverzamelingen; leuk, maar voor hoe lang?
Onbekende gebieden roepen dat effect op. Waar je nog bent geweest, lijkt groter en verder weg dan je je op de terugweg herinnert. De terugweg lijkt veel sneller te gaan dan de heenweg. Dat heeft alles te maken met het nieuwe, het onbekende karakter waardoor je veel meer details opneemt dan in het geval het een routine reis is (en je dus veel níet meer ziet!). Het heeft ook alles te maken met het gegeven dat je nog helemaal niet weet hoe groot het gebied is wat vóoŕ je ligt.
Dat geldt voor het Internet ook.
We blijven het zien als een oneindige bron aan informatie. Een bron die ook maar blijft groeien, want iedere seconde komt er informatie bij. Sneller, groter, meer. Niet verwonderlijk dat je je verloren en kleintjes kunt voelen. Natuurlijk is er wél sprake van een information overload. Natuurlijk is er óók sprake van een filter failure. Het ís ongecontroleerd spuitende oliebron, zo lijkt het.
Toch is er wel degelijk een grens.
Informatie heeft een ingebakken zelfvernietigingsmechanisme: ze veroudert. Een belangrijk aspect van informatie is zijn relevantie. Dat wat niet relevant is, slaan we niet op. Ik durf te wedden dat het je - al is het een beetje - moeite kost je het weer voor de geest te halen van verleden week dinsdag. Dat van 11 mei 1989 weet je in elk geval niet. Het is ook irrelevant.
In je huis en op je werk zijn ook ongetwijfeld onnutte informatieverzamelingen te vinden. Die heeft iedereen; van die stapels papier, halfbijgehouden ordners, directories op harde schijven met informatie die je wellicht nog eens nodig hebt. Om je vakantieherinnering terug op te roepen, om de belastingdienst te bewijzen dat je die kosten écht maakte, omdat je de verzekeringspolissen nooit helemaal begreep en ze dus allemaal maar bewaarde. Weesverzamelingen, want ze dienen geen ander doel dan het geruststellen van jouw angst.
Bij een grote schoonmaak als een verhuizing of baanwissel blijk je zo'n driekwart weg te gooien.
In een digitale wereld is die bewaardrang nog makkelijker te bevredigen. Bits en bytes nemen geen extra fysieke ruimte in en zijn eindeloos kopieerbaar. En dus groeit de verzameling. En de backup ervan ook. Alsmede de backup van de backup, want 'je weet maar nooit'.
Naast de ingebouwde zelfvernietiger in de vorm van relevantie is er nog eentje: de leesbaarheid.
Vooruitgang is alleen mogelijk in combinatie met veroudering. Da's mooi, want daardoor is er ook van die kant een grens ingebouwd: sommige informatie is stomweg niet meer benaderbaar, omdat er inmiddels nieuwe software of hardwareversies zijn en het overzetten van de informatie uit de oude omgeving naar de nieuwe 'niet meer loont'. Als kopieën gemaakt met de eerste kopieermachines die vervagen...
Waarom dat niet eerder gebeurde? Het gebeurde altijd al, maar nu is het tempo niet meer bij te houden. Teveel zou moeten worden gemigreerd in te korte tijd. Keuzes maken is dan aan de orde. Precies dat is wat steeds duidelijker wordt en steeds meer zal gaan gebeuren.
Enorme privacy bedreigende dataverzamelingen; leuk, maar voor hoe lang?
Abonneren op:
Posts (Atom)