Posts tonen met het label vliegtuig. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vliegtuig. Alle posts tonen

zaterdag 10 augustus 2013

De all inclusive patser

Vakantie. Lekker stressen om verhalen op te doen. Voor steeds grotere groepen mensen lijkt dat de bedoeling van vakantie te zijn. De tijd dat de werknemer twee weken vrij had en misschien een Waddeneiland bezocht of rond het IJsselmeer fietste, ligt al lang achter ons. Vakantie was toen vooral 'vrij van werk'. Er op uit trekken werd meestal ingevuld door de dagjes-uit. Tot ver in de jaren zestig van de vorige eeuw was 'het buitenland' als vakantiebestemming zeker geen gemeengoed.

Moet je nu eens mee aankomen.

Vakantie is beleving, ervaring, sensatie of een uniek gevoel. In een wereld waarin de overtreffende trap het belangrijkst is, leidt dat echter ook tot een soort wapenwedloop. En die wereld hébben we laten ontstaan. Het is niet mogelijk aan te wijzen waardoor het zo is gekomen. Het is, net als de oerknal, een toevallige samenloop van omstandigheden die versnelling mogelijk maakte. Eind van het liedje is wel dat we ons inmiddels gedragen als kinderen die een heuvel af rennen: sneller en sneller. Tot de benen het niet meer bijhouden.

Dat in een overtreffende trap leven, is dus niet vreemd. Of het verstándig is, is iets heel anders. Maar hele generaties zijn gewend geraakt aan opgaande bewegingen: dat je een betere opleiding kreeg dan je ouders, een beter huis, een hoger salaris, een betere bevredigende baan, tv, kleurentv, internet. Dat geldt ook voor tijdverdrijf. Wie De Avonden leest, zal zich wellicht verbazen over de apathie, de verveling die een grote rol speelden tijdens die avonden. Dat is dus wel pas zestig jaar geleden.

Ook vakantie ontkwam niet aan die overtreffende trap. Drente? Minstens Frankrijk, Spanje of Italië. Met de fiets? De auto! Of, nog beter, het vliegtuig.

Nu is wel van belang dat de overtreffende trap deels ook wordt gevoed door het verschijnsel conspicious consumption: uitgeven om te laten dát en wat je uitgeeft. We hebben er allemaal mee te maken. Dat bij-effect van beslissingen dat ook je status ermee gebaat moet zijn. De auto die je koopt, moet je vooruit helpen, maatschappelijk. Het nieuwe huis moet beter zijn. De beoordeling daarvan is vaak jóuw inschatting van wat jouw gelijken, je vrienden en kennissen, er van vinden. Iets nieuws wat geen reactie uitlokt, is geen succes. Iets nieuws moet een splintertje jaloezie oproepen. Teveel daarvan is evenmin goed: dan raak je vrienden kwijt.

Vakantie heeft die ontwikkeling ook doorgemaakt. De eenvoudige drieweken campingvakantie geldt tegenwoordig als een soort van minimumvariant. Niet dat de huisvesting bepalend is, maar de bestemming wel. We trekken met net zoveel gemak naar Vietnam, Indonesië, Thailand, Australië als naar Europese bestemmingen. Dat is ook omdat de kosten van die bestemmingen relatief laag zijn, waardoor ver weg niet meer hetzelfde is als duur.

De interessantste vind ik nog steeds de all inclusives. De vakantiebestemmingen waarbij alles in de prijs is inbegrepen. In het hotel of appartementencomplex maak je geen extra kosten: drank, voedsel, hapjes? Alles inbegrepen. Groot, heel groot, nadeel daarvan is dat de lokale economie er heel erg magertjes van profiteert. De all inclusives zijn min of meer omheinde vakantiekampen. Plekken waar geen enkele reden bestaat om er van wet te gaan. Maar ja, het is goedkoop en prijstechnisch overzichtelijk.

Wat ik me dus afvraag, is of er niet nog iets meespeelt. Iets sublimiaals, onbewust. Omdat ik nog nooit all inclusive op vakantie ben geweest in zo'n kamp, blijft de vraag me hinderen.

Is het niet ook zo dat het goed zichtbare all inclusive polsbandje een vorm van conspicious consumption is? Zo van: "Kijk mij. Voor mij staat alles ter beschikking". Een beetje het gevoel hebben van die enorm rijke stinkerd die helemaal níet op het geld hoeft te letten? De patser? Zijn sommige vakantiebestemmingen ook bedoeld om even dát gevoel te hebben? Rijk te zijn?

woensdag 7 augustus 2013

En het gebeurde in die dagen niet...

Het deed zich al járen geleden voor.

Het was de tijd dat het Internet opkomt. En dús had ik veel discussies met de ICTers van mijn toenmalige werkgever. Mijn opdracht was innovatie stimuleren. En de grootste innovatie sinds tijden, stond op het punt van doorbreken. Maar de ICTers - systeem-, database-, netwerkbeheer en -ontwikkeling - zagen dat niet gebeuren.

Het is de eerste keer dat ik me bewust was hoe moeilijk het voor mensen is het vertrouwde los te laten. Netwerkbeheerders hadden grote moeite met iets als IP. "Dat kan nooit gaan werken". Niet als je denkt in klassieke netwerkarchitecturen, nee.

Aan die periode hebben we een warme herinnering overgehouden. Want alles kwam, uiteraard, goed. In de jaren daarna hebben we veel samen gedaan en vooral ook veel gesproken. Innovatie, dat was vooral technologische. De gesprekken gingen dan ook vooral over techniek en de mogelijkheden van de nieuwe technologieën. Het heeft mij veel opgeleverd, niet in de laatste plaats over het werk van kantoorICT-ers.

Wat me daarvan het meest is bijgebleven, is de positie die ze in nemen. Kort gezegd: ICT-ers zijn de lastpakken. Er kán nooit iets. Er mág nooit iets. Als ze langskomen, is er meestal iets onzaligs aan verbonden: je krijgt "een update" (en bent daarna van alles kwijt) of ze hadden weer iets te zeuren over "het systeem wat aangaf dat er een virus op je computer zit". Hun mailberichten waren meestal ook in de categorie "Vanaf 16.00 uur kunnen jullie het netwerk niet gebruiken ivm noodzakelijk onderhoud". Kortom, gezeur.

Toch?

Wat we, gebruikers, níet zagen, is het aantal keren dat een probleem werd voorkómen. Wat me verbaasde, was dat ze ons dat nooit meedeelden. Dat heb ik dan ook bepleit (en zij hebben dat heel incidenteel gedaan): "Meld toch óók dat je iets hebt voorkomen. 'Zojuist hebben we een grote virusaanval afgeslagen. Het kan zijn dat je dat den beetje hebt gemerkt in de snelheid van het netwerk'. Gewoon: zéggen wat je doet.

Aan die periode moet ik heel vaak terugdenken. Het komt zó vaak voor dat al die mensen die preventief werken niet gewaardeerd worden. Het is ook zó moeilijk aan te tonen wat níet is gebeurd.

Preventie heeft wel iets weg van kunst: beide zijn enorm kwetsbaar. Beide kunnen hun maatschappelijk - economisch - nut niet keihard aantonen. De politie moet boeven pákken. Misdaad voorkomen door aanwezig te zijn, telt niet. Veiligheidsdiensten zijn per definitie onbetrouwbaar, want iederéén kan wel beweren dat-i een aanslag heeft voorkomen. Gezondheidspreventie is er ook zo een: dat jongeren géén SOA krijgen, hoe ze dat moeten doen hebben ze érgens gehoord.

Sluw is het gebruik van preventie door, met name, politici en beleidsmakers. Het is een bewijs uit het ongerijmde en onbewijsbaar: "dankzij mij en mijn beleid is grotere ellende voorkomen". En, als dat zo uitkomt, "daarop kunnen we bezuinigen want het effect van die preventie is onmeetbaar en niet uit onderzoek gebleken".

Het idiote is dat preventie feitelijk heel erg past in onze samenleving. Met een iets andere bril bekeken, is het een vorm van permanent onderwijs. Onderwijs over veranderende verhoudingen, nieuwe ontwikkelingen, weggezakte kennis en opfrissen van bestaande kennis. Preventie ís helemaal niet per definitie synoniem met disciplinering, regulering en verbieden.

Preventie leidt liefst tot niets.