Het zal een jaar of twintig geleden zijn dat we erover spraken. Met een kennis tijdens een conferentie in Lapland, op een enorm brede theatrale trap. Het zijn van die details waarvan je je afvraagt waarom je dát nu nog weet. Maar het is zo.
We hadden het over ambtenaren die 'voor zichzelf begonnen'. Zo werd dat toen genoemd, in de periode van zware bezuinigingen met namen als Bestek '81. Het zal vast zijn gegaan over VWS-ambtenaren zijn gegaan. Met hen hadden we heel veel van doen en het was (is) het ministerie dat bijna permanent in staat van reorganisatie verkeerde. Dat daar onder die omstandigheden nog íets uit kwam, is al een wonder op zich.
Wat ons toen verbaasde, is de gedachte van die ambtenaren dat zij als zelfstandige een mooie start zouden kunnen maken. Die verwachting was bijna altijd gebaseerd op hun netwerk. Dat was groot en invloedrijk.
Hoe zij zich vergisten. Dat netwerk verdampte waar ze bij stonden als zelfstandige. Immers, ze hadden niets meer te brengen, maar kwamen halen. En dat, lieve jongens en meisjes, is een fundamenteel andere positie zoals jullie weten.
Het was een situatie die enorm veel weg heeft van de kretologie die ons nu overspoelt als het gaat om het vinden van kansen, van banen of van opdrachten. Hol is het: "het gaat erom wie je kent". En dus netwerken we onszelf wezenloos, zonder een stap verder te komen.
Social media zijn wat dit betreft net een departement. Het zijn niet de personen die over een netwerk beschikken. Het zijn de medewerkers van een bedrijf die een netwerk hebben. Zo gauw je weg bent bij je adviesbureau, je ontwerpbureau, je gloeilampenfabriek, je onderzoeksinstituut, kalft je waarde enorm af. Niet jij, maar je positie bepaalt je waarde.
Maar al die invloedrijke zelfstandigen dan die via social media opmars maken en maakten? Welnu, de eerste vraag is maar één woord: 'invloedrijk'? Nou, dat valt te bezien. Ik denk dat jij erg veel moeite moet doen om één invloedrijke zelfstandige te vinden, laat staan eentje die invloed via social media verwierf. Bijna altijd is dat invloed binnen een beperkte kring.
Maar stel dat het wel zo is. De vraag die dan komt, is die naar de sterkte van die invloed, de vraag naar de bron ervan.
Je zult merken dat die net zo hard is gekoppeld aan imago als die van de werknemer aan het imago van z'n werkgever. Laat maar eens een discussie lopen waarin de identiteiten van deelnemers anoniem is. Een discussie waarin het alleen gaat om de kwaliteit van meningen, van gesprekvoering. Ik durf te wedden dat een aantal mensen dan enorm door de mand zal vallen; met een gebrek aan empathie, of een gebrek aan constructief denken, of (vooral?) vanwege een gebrek aan argumenten.
Het is een dood-ordinaire vaststelling dat je je enorm kunt vergissen in je eigen status, imago en invloed. Het is niet voor niets dat de ouden spreekwoorden hebben als dat je je echte vrienden pas leert kennen in tijden van crisis.
Dit blog bevat wel meer posts die rond het thema wentelen: wees jezelf en zorg dat je netwerk zich aan jou als persoon hecht. Dat impliceert dat je je ook als persoon moet (durven) presenteren. Ja, dat betekent ook 'boos', 'verdrietig' en 'niet-wetend'.
Want anders ben je niets meer dan een representant van net zoiets als een bedrijf: volslagen onnuttig als puntje bij paatje komt omdat de waarde dan ineens in de lucht blijkt te hangen.
Posts tonen met het label netwerk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label netwerk. Alle posts tonen
maandag 4 augustus 2014
maandag 17 maart 2014
Help toeval een handje
Eigenlijk zóu ik moeten zoeken naar de ontkrachting. Maar het toeval wil dat ik vandaag wel heel mooie voorbeelden hoorde van de rol van toeval. Toevallig. Dus.
Eigenlijk is het woord toeval niet precies genoeg. Maar het is wel het woord wat het best associeert met wat in chaostheorie wordt bedoeld: het onvoorziene, het onverwachte. Die vlinderslag met een orkaan als gevolg is het bekendste voorbeeld. Het is een wiskundige manier om dynamische systemen te beschrijven (en te onderzoeken).
Toeval is een belangrijke factor in ons sociale leven. Het is zeker niet zo dat we alles onder controle hebben of kunnen plannen. Da's voor mij een uitgangspunt.
In het verleden kwam ik er al vaker mee in aanraking. OL2000 - het oer-overheidsproject om eenloketontwikkelingen aan te jagen, zonder veel succes - dacht bijvoorbeeld met blauwdrukachtige handboeken richtlijnen te kunnen geven hoe dat allemaal dan te doen. Maar de realiteit was dat de succesvolle lokale projecten die waren waarin de chemie goed was. Dat was en is niet na te bootsen. Zeker de chemie tussen mensen is essentieel.
Precies datzelfde hoorde ik de afgelopen weken in Leiden. In het stadsbestuur, zo vertelden stadsbestuurders me, is het niet zo dat iedereen vriendjes is met elkaar. "Gezamenlijk op vakantie gaan we niet", legde iemand uit. Maar er was wel begrip voor elkaar en er was oprechte onderlinge beleefdheid. Sommigen zouden dat wellicht respect noemen. Hoe je het beestje ook noemt; chemie tussen partijen betekent elkaar in z'n waarde laten zonder klef te worden of elkaar dood te meppen.
In Leiden krijgt een opleiding het voor elkaar miljoenen bij elkaar te harken voor een uitbreiding. De opleiding is zo populair, bij studenten en bij werkgevers, dat die uitbreiding is gerechtvaardigd. Maar hoe financier je dat?
De overheid draagt een steen bij. Maar toeval wil dat bestuursleden van twee belangrijke spelers les krijgen van dezelfde muzieklerares. Via haar komt het contact tot stand. De directeur komt in contact met een belangrijke intermediair - een tweedekamerlid - ...... via z'n huisarts, die beide als patiënt heeft.
Toeval kun je wel een handje helpen.
Statistisch gezien, neemt de kans op relevante contacten toe als het totaal aantal contacten toeneemt. Veel mensen kennen, helpt. Netwerken helpt (mits je in staat bent overzicht te houden over al die mensen die je 'kent'). Wat ook een optie is: het netwerk kleiner maken en zorgen dat alle relevantie daarbinnen komt te vallen. Het old boys network-idee.
Maar voor veruit de meeste mensen: toeval. Dan is het weer wel raadzaam je ook eens te interesseren voor al die anderen. Want, tja, als je met niemand praat, ga je ook nooit weten wie voor jou wellicht interessant is.
Eigenlijk is het woord toeval niet precies genoeg. Maar het is wel het woord wat het best associeert met wat in chaostheorie wordt bedoeld: het onvoorziene, het onverwachte. Die vlinderslag met een orkaan als gevolg is het bekendste voorbeeld. Het is een wiskundige manier om dynamische systemen te beschrijven (en te onderzoeken).
Toeval is een belangrijke factor in ons sociale leven. Het is zeker niet zo dat we alles onder controle hebben of kunnen plannen. Da's voor mij een uitgangspunt.
In het verleden kwam ik er al vaker mee in aanraking. OL2000 - het oer-overheidsproject om eenloketontwikkelingen aan te jagen, zonder veel succes - dacht bijvoorbeeld met blauwdrukachtige handboeken richtlijnen te kunnen geven hoe dat allemaal dan te doen. Maar de realiteit was dat de succesvolle lokale projecten die waren waarin de chemie goed was. Dat was en is niet na te bootsen. Zeker de chemie tussen mensen is essentieel.
Precies datzelfde hoorde ik de afgelopen weken in Leiden. In het stadsbestuur, zo vertelden stadsbestuurders me, is het niet zo dat iedereen vriendjes is met elkaar. "Gezamenlijk op vakantie gaan we niet", legde iemand uit. Maar er was wel begrip voor elkaar en er was oprechte onderlinge beleefdheid. Sommigen zouden dat wellicht respect noemen. Hoe je het beestje ook noemt; chemie tussen partijen betekent elkaar in z'n waarde laten zonder klef te worden of elkaar dood te meppen.
In Leiden krijgt een opleiding het voor elkaar miljoenen bij elkaar te harken voor een uitbreiding. De opleiding is zo populair, bij studenten en bij werkgevers, dat die uitbreiding is gerechtvaardigd. Maar hoe financier je dat?
De overheid draagt een steen bij. Maar toeval wil dat bestuursleden van twee belangrijke spelers les krijgen van dezelfde muzieklerares. Via haar komt het contact tot stand. De directeur komt in contact met een belangrijke intermediair - een tweedekamerlid - ...... via z'n huisarts, die beide als patiënt heeft.
Toeval kun je wel een handje helpen.
Statistisch gezien, neemt de kans op relevante contacten toe als het totaal aantal contacten toeneemt. Veel mensen kennen, helpt. Netwerken helpt (mits je in staat bent overzicht te houden over al die mensen die je 'kent'). Wat ook een optie is: het netwerk kleiner maken en zorgen dat alle relevantie daarbinnen komt te vallen. Het old boys network-idee.
Maar voor veruit de meeste mensen: toeval. Dan is het weer wel raadzaam je ook eens te interesseren voor al die anderen. Want, tja, als je met niemand praat, ga je ook nooit weten wie voor jou wellicht interessant is.
vrijdag 20 september 2013
Mueseumvrouwen
Leiden is een rare stad.
Het bekendst is wellicht de gebouwde omgeving: we hebben hier de hoogste monumentdichtheid die je je kunt voorstellen. Het Florence van Nederland is wat overdreven, maar toch... Het barst hier van de oude gebouwen, pittoreske doorkijkjes en veel, heel veel water. Dat kan allemaal overigens ook in je nadeel werken als je wilt vernieuwen. Links- of rechtsom: altijd ligt er wel een monument in de weg.
Het idiote aan Leiden zit 'm er in dat de stad niet echt aan de weg timmert om 'de stad' bekend te maken, anders dan als museumstad. Sinds enkele jaren is dat héél langzaam wat aan het veranderen. Maar Leiden lijkt zich wel te schamen, zich vooral niet te willen neerzetten stad die zich met een gerust hart kan meten met andere grote steden. Als je maar weet waar je moet zoeken. Levende muziek? Het barst er van, zoals je ziet.
Nu blijken we ook nog eens een disruptive museum te herbergen: De Lakenhal.
Da's niet niks. In de wereld van innovatie is de status 'ontregelend' top. Het geeft aan dat je in staat bent een fundamentele verandering in gang te zetten. De Lakenhal kan dat blijkbaar.
Daar ben ik het helemaal mee eens.

De Lakenhal doet iets bijzonders. Als ik het zou mogen samenvatten, is het museum van mening dat een museum niet moet worden beperkt door z'n fysieke omgeving. De Lakenhal lijkt zich te ontwikkelen naar het eerste netwerkmuseum van Nederland. Het eerste museum dat zich op meerdere plaatsen tegelijk manifesteert en ook nog in onderling verband. Let wel: da's dus wel iets heel anders dan museumstukken uitlenen of lesbrieven maken voor scholieren. Dat is ook belangrijk, maar De Lakenhal gaat een grote stap verder.
In De Lakenhal kun je bijvoorbeeld binnenkort een pracht tentoonstelling zien over Utopia. Natuurlijk; het begint met kunst. Maar het stopt niet bij kunst. De tentoonstelling is opgezet langs twee lijnen in de avant gardekunst: de expressionisten en de constructivisten. Wat zo bijzonder is, is dat die worden opgevat als sociale bewegingen, als bewegingen gericht op een nieuwe samenleving.

Dat is nogal afwijkend. De Lakenhal werpt z'n oude, oubollige jas definitief af. Niet langer bepalen museale tradities mede de inhoud, maar bepaalt de inhoud de inhoud. De tentoonstelling laat je dus ook film zien, architectuur, mode, huishoudelijke voorwerpen, kinderspeelgoed, typografie, dans. Want in al die vormen is het utopisch denken van beide stromingen terug te vinden. De Lakenhal stelt zich, volkomen terecht, op het standpunt dat alleen beeldende kunst een té beperkt beeld geeft.
Maar het mooiste is dat De Lakenhal zich in dezelfde periode ook buiten het museum manifesteert. Een lezingencyclus, artikelen in tijdschriften, een dansvoorstelling - uit de periode 1920-1940 - en een voorstelling van de film Aelita in de Leidse Schouwburg (met levende muziek). Allemaal als satellietprogramma van Utopia.
Denk nu niet dat dat alleen dán gebeurt of gekoppeld aan deze tentoonstelling. In de Leidse Meelfabriek vind je De Lakenhal ook terug. In de digitale wereld ook, volgend jaar. Met heel andere projecten.
Kijk. Dát is dus waar Leiden waanzinnig trots op zou moeten zijn. Op een museum dat actief naar buiten treedt, dat wil verbinden. En die trots moeten we dan niet vóór ons houden. Die moet wereldkundig worden gemaakt. Door de stad zélf!
Weet je wat mij daarnaast zo opviel? De Lakenhal is een 'vrouwenmuseum'. Het waren vrouwen die vandaag de (internationale) pers een voorproefje gaven van de tentoonstelling. Eerlijk gezegd, denk ik dat dat een belangrijke sleutel is: wij mannen zijn te 'competitief' om dergelijke samenwerkingen tot stand te brengen. Het zal vast niet helemaal kloppen. Maar ik weet zéker dat ik dicht bij een kern van waarheid zit.
De Lakenhal bewijst het: een 'vrouwelijke aanpak' leidt tot de realisatie van mooie, nieuwe concepten.
Het bekendst is wellicht de gebouwde omgeving: we hebben hier de hoogste monumentdichtheid die je je kunt voorstellen. Het Florence van Nederland is wat overdreven, maar toch... Het barst hier van de oude gebouwen, pittoreske doorkijkjes en veel, heel veel water. Dat kan allemaal overigens ook in je nadeel werken als je wilt vernieuwen. Links- of rechtsom: altijd ligt er wel een monument in de weg.
Het idiote aan Leiden zit 'm er in dat de stad niet echt aan de weg timmert om 'de stad' bekend te maken, anders dan als museumstad. Sinds enkele jaren is dat héél langzaam wat aan het veranderen. Maar Leiden lijkt zich wel te schamen, zich vooral niet te willen neerzetten stad die zich met een gerust hart kan meten met andere grote steden. Als je maar weet waar je moet zoeken. Levende muziek? Het barst er van, zoals je ziet.
Nu blijken we ook nog eens een disruptive museum te herbergen: De Lakenhal.
Da's niet niks. In de wereld van innovatie is de status 'ontregelend' top. Het geeft aan dat je in staat bent een fundamentele verandering in gang te zetten. De Lakenhal kan dat blijkbaar.
Daar ben ik het helemaal mee eens.
De Lakenhal doet iets bijzonders. Als ik het zou mogen samenvatten, is het museum van mening dat een museum niet moet worden beperkt door z'n fysieke omgeving. De Lakenhal lijkt zich te ontwikkelen naar het eerste netwerkmuseum van Nederland. Het eerste museum dat zich op meerdere plaatsen tegelijk manifesteert en ook nog in onderling verband. Let wel: da's dus wel iets heel anders dan museumstukken uitlenen of lesbrieven maken voor scholieren. Dat is ook belangrijk, maar De Lakenhal gaat een grote stap verder.
In De Lakenhal kun je bijvoorbeeld binnenkort een pracht tentoonstelling zien over Utopia. Natuurlijk; het begint met kunst. Maar het stopt niet bij kunst. De tentoonstelling is opgezet langs twee lijnen in de avant gardekunst: de expressionisten en de constructivisten. Wat zo bijzonder is, is dat die worden opgevat als sociale bewegingen, als bewegingen gericht op een nieuwe samenleving.
Dat is nogal afwijkend. De Lakenhal werpt z'n oude, oubollige jas definitief af. Niet langer bepalen museale tradities mede de inhoud, maar bepaalt de inhoud de inhoud. De tentoonstelling laat je dus ook film zien, architectuur, mode, huishoudelijke voorwerpen, kinderspeelgoed, typografie, dans. Want in al die vormen is het utopisch denken van beide stromingen terug te vinden. De Lakenhal stelt zich, volkomen terecht, op het standpunt dat alleen beeldende kunst een té beperkt beeld geeft.
Maar het mooiste is dat De Lakenhal zich in dezelfde periode ook buiten het museum manifesteert. Een lezingencyclus, artikelen in tijdschriften, een dansvoorstelling - uit de periode 1920-1940 - en een voorstelling van de film Aelita in de Leidse Schouwburg (met levende muziek). Allemaal als satellietprogramma van Utopia.
Denk nu niet dat dat alleen dán gebeurt of gekoppeld aan deze tentoonstelling. In de Leidse Meelfabriek vind je De Lakenhal ook terug. In de digitale wereld ook, volgend jaar. Met heel andere projecten.
Kijk. Dát is dus waar Leiden waanzinnig trots op zou moeten zijn. Op een museum dat actief naar buiten treedt, dat wil verbinden. En die trots moeten we dan niet vóór ons houden. Die moet wereldkundig worden gemaakt. Door de stad zélf!
Weet je wat mij daarnaast zo opviel? De Lakenhal is een 'vrouwenmuseum'. Het waren vrouwen die vandaag de (internationale) pers een voorproefje gaven van de tentoonstelling. Eerlijk gezegd, denk ik dat dat een belangrijke sleutel is: wij mannen zijn te 'competitief' om dergelijke samenwerkingen tot stand te brengen. Het zal vast niet helemaal kloppen. Maar ik weet zéker dat ik dicht bij een kern van waarheid zit.
De Lakenhal bewijst het: een 'vrouwelijke aanpak' leidt tot de realisatie van mooie, nieuwe concepten.
Labels:
avant garde,
De Lakenhal,
disruptive,
innovatie,
Leiden,
museum,
netwerk,
scholieren,
vrouwen
Locatie:
Leiden, Nederland
donderdag 12 september 2013
Treiteraars in je hoofd
Hoe zou jij het vinden als zich vreemde mensen in je huis bevinden en zich bemoeien met jouw huishouden? Vast niet prettig. Waar halen ze het recht vandaan? Wie denken ze wel dat ze zijn? Dit is jóuw huis. Jouw domein. Jouw veilige haven.
Vandaag heb ik een oudere vrouw ontmoet die last heeft van vreemde mensen in huis. Ze treiteren haar door precies die dingen te doen waaraan zij een hekel heeft: spullen aanraken die net schoon zijn, of haar uit te foeteren. Het zijn vier personen: twee mannen en twee vrouwen. Hóe ze in huis zijn terecht gekomen, weet ze niet. Ze waren er een paar maanden geleden ineens.
Niemand ziet of hoort ze. De vier mensen wonen in haar hoofd. En dat weet ze.
Als je met haar praat, snap je een heel klein beetje hoe wanhoop ontstaat. Want je wéét dat die mensen er niet zijn en dat hun stemmen dus elders vandaan komen. Maar je hóórt ze wel. Sterker, soms zíe je ook. Die stemmen houden je ook uit je slaap. Voorkomen dat je rustig thuis kunt zitten. Je eigen huis uit vluchten om rust te vinden.
Langzaam word je gesloopt.
In je omgeving leeft onwetendheid. Je oogt niet warrig. Je bént ook niet in de war. Je bent gewoon helder met een goed geheugen. En met stemmen. Niemand lijkt je te kunnen helpen. Je naasten maken zich uiteraard wel enorme zorgen. Zij komen echter niet veel verder dan het advies de stemmen te negeren. Net te doen alsof ze er niet zijn. Want je hebt zelf toch ook wel in de gaten dat ze niet echt zijn? Dat er niemand je huis binnen kan komen als alles op slot zit? Dat niemand, ook gebelde politiemensen niet, iets zíet.
Maar die stemmen, die zijn wel degelijk echt. En bedreigend.
Daar zit je dus. Met een probleem dat echt voelt als jóuw probleem. Als iets waar alleen jij iets kunt doen. Als iets waar je omgeving geen snars van begrijpt. Als iets waar je wanhopig van kan worden. Kán worden?! Wórdt!
Niks uitzonderlijk, dit verhaal. Dit type klacht komt veel voor. De wanen. De stemmen. Het lijden in stilte. Met de dood als oplossing. Want vergis je niet in het gekmakende van de situatie.
Je wist dat dementie/Alzheimer gepaard kan gaan met deze psychoses?
Vandaag heb ik een oudere vrouw ontmoet die last heeft van vreemde mensen in huis. Ze treiteren haar door precies die dingen te doen waaraan zij een hekel heeft: spullen aanraken die net schoon zijn, of haar uit te foeteren. Het zijn vier personen: twee mannen en twee vrouwen. Hóe ze in huis zijn terecht gekomen, weet ze niet. Ze waren er een paar maanden geleden ineens.
Niemand ziet of hoort ze. De vier mensen wonen in haar hoofd. En dat weet ze.
Als je met haar praat, snap je een heel klein beetje hoe wanhoop ontstaat. Want je wéét dat die mensen er niet zijn en dat hun stemmen dus elders vandaan komen. Maar je hóórt ze wel. Sterker, soms zíe je ook. Die stemmen houden je ook uit je slaap. Voorkomen dat je rustig thuis kunt zitten. Je eigen huis uit vluchten om rust te vinden.
Langzaam word je gesloopt.
In je omgeving leeft onwetendheid. Je oogt niet warrig. Je bént ook niet in de war. Je bent gewoon helder met een goed geheugen. En met stemmen. Niemand lijkt je te kunnen helpen. Je naasten maken zich uiteraard wel enorme zorgen. Zij komen echter niet veel verder dan het advies de stemmen te negeren. Net te doen alsof ze er niet zijn. Want je hebt zelf toch ook wel in de gaten dat ze niet echt zijn? Dat er niemand je huis binnen kan komen als alles op slot zit? Dat niemand, ook gebelde politiemensen niet, iets zíet.
Maar die stemmen, die zijn wel degelijk echt. En bedreigend.
Daar zit je dus. Met een probleem dat echt voelt als jóuw probleem. Als iets waar alleen jij iets kunt doen. Als iets waar je omgeving geen snars van begrijpt. Als iets waar je wanhopig van kan worden. Kán worden?! Wórdt!
Niks uitzonderlijk, dit verhaal. Dit type klacht komt veel voor. De wanen. De stemmen. Het lijden in stilte. Met de dood als oplossing. Want vergis je niet in het gekmakende van de situatie.
Je wist dat dementie/Alzheimer gepaard kan gaan met deze psychoses?
Labels:
alzheimer,
buurt,
de dood,
dementie,
domein,
geheugen,
gemeente,
helder,
maatschappij,
mensen,
netwerk,
opvang,
psychose,
schizofrenie,
stemmen
Locatie:
Leiden, Nederland
woensdag 21 augustus 2013
Een parallelle wereld
Dat we met z'n allen op deze planeet zijn, is duidelijk. En onze kennis is toch wel zo groot dat we weten dat we niet allemaal hetzelfde zijn, hetzelfde denken, hetzelfde doen of zelfs maar bij elkaar in de buurt wonen. Er zijn verschillen.
Zo af en toe - maar steeds vaker, bedenk ik me nu - waait één van de twee zoons aan. Hij woont op kamers in de binnenstad. Op een mooi plekje, aan een drukke straat. Maar als het zomer is, is het er warm. Als het winter is, bevriezen de leidingen nog weleens. En het is duur, want in een studentenstad kun je nog steeds goudgeld vragen voor kamers. Je ziet: redenen genoeg om bij paps en mams langs te gaan. Heel toevallig en nonchalant uiteraard.
Eerlijk gezegd, ben ik blij dat-i langskomt.
Uiteraard omdat het een teken is dat-i het hier vertrouwt en prettig vindt (nee, cynicus, niet altijd om geld te lenen, bier mee te sjouwen of lekker te douchen). Het is ook een moment om weer eens een poging te doen uit hem te persen hoe het met zijn 'studie' gaat, en met z'n financiën. Leuk dat-i die vragen vindt....
Voor een goede balans: de andere zoon, die nog thuis woont, doet precies hetzelfde met als belangrijke verschil dat híj op zolder woont. Maar ook die moet je uitpersen om te weten hoe hij in het leven staat of hoe z'n studie vordert. Overigens, doen ze beide dezelfde opleiding waarbij de jongste twee studiejaren voorloopt op de oudste.
De dagen dat-i er is, zijn ook de dagen dat je je weer eens realiseert dat met z'n allen op één planeet wonen, niet hetzelfde is als werelden delen. Sterker, die deling gaat tot in het gezin. Je bent geneigd te kijken naar de momenten die je gezamenlijk hebt. Maar minstens zo aardig is het eens te kijken naar de afwijkingen.
Zo zet de thuiswonende zoon zowel op zolder als in de huiskamer altijd de televisie aan. Echt altijd. En als hij die ruimte verlaat, blijft de tv aan. Alsof het een soort van inrichtingselement is zoals een bankstel of een schemerlamp.
Maar het tekenendst vind ik nog hun programmakeuzes. Politieachtervolgingen, douaneperikelen, lollige huisgemaakte video's, reallife onzin over opgezette popsterren, journaals, politieke programma's: in een vreemde mengelmoes komt het allemaal voorbij. Zeker niet alles wordt ook bekeken. Zeker niet alles wat wordt bekeken, wordt serieus genomen. Gelukkig. Het is allemaal bewegend behang rond etenstijd.
Het is wél iets om eens bij stil te staan. Ik zie immers ineens programma's die ik zelf nooit, of niet snel, zou kiezen. Ineens is er een venster naar een andere wereld.
Wat je doet, kun je je voorstellen als koorden die zich achter je ontrollen. Dat is een uiterst gebrekkige beeldspraak die onrecht doet aan de complexiteit van onszelf. Maar hij maakt wel duidelijk dat koorden elkaar kunnen raken, kruisen, verknopen. En hij maakt duidelijk dat die momenten absoluut géén indicatie zijn voor een leven, voor een identiteit. We kunnen inderdaad heel goed een dure auto rijden én goedkoop ondergoed aanschaffen. We kunnen inderdaad heel goed tegen buitenlanders zijn én hen tot onze vriendenkring rekenen. We kunnen inderdaad heel goed lammetjes schattig vinden én plofkip kopen. De lígging van het koord zijn we. Niet een los punt op dat koord.
Het moet dus ook heel goed mogelijk zijn om bijvoorbeeld hele avonden te vullen met televisiekeuzes die mij zouden verrassen. Gewoon, omdat ik die keuze niet zou maken. En jij zou ook andere maken. Er moet dus een parallelle wereld bestaan van mensen die, in dit geval, kijken en praten over programma's die mij vreemd zijn. En zij weten op hun beurt weer niets van mij.
Fascinerend: dat je op straat mensen tegenkomt die ook in een heel andere wereld leven.
Zo af en toe - maar steeds vaker, bedenk ik me nu - waait één van de twee zoons aan. Hij woont op kamers in de binnenstad. Op een mooi plekje, aan een drukke straat. Maar als het zomer is, is het er warm. Als het winter is, bevriezen de leidingen nog weleens. En het is duur, want in een studentenstad kun je nog steeds goudgeld vragen voor kamers. Je ziet: redenen genoeg om bij paps en mams langs te gaan. Heel toevallig en nonchalant uiteraard.
Eerlijk gezegd, ben ik blij dat-i langskomt.
Uiteraard omdat het een teken is dat-i het hier vertrouwt en prettig vindt (nee, cynicus, niet altijd om geld te lenen, bier mee te sjouwen of lekker te douchen). Het is ook een moment om weer eens een poging te doen uit hem te persen hoe het met zijn 'studie' gaat, en met z'n financiën. Leuk dat-i die vragen vindt....
Voor een goede balans: de andere zoon, die nog thuis woont, doet precies hetzelfde met als belangrijke verschil dat híj op zolder woont. Maar ook die moet je uitpersen om te weten hoe hij in het leven staat of hoe z'n studie vordert. Overigens, doen ze beide dezelfde opleiding waarbij de jongste twee studiejaren voorloopt op de oudste.
De dagen dat-i er is, zijn ook de dagen dat je je weer eens realiseert dat met z'n allen op één planeet wonen, niet hetzelfde is als werelden delen. Sterker, die deling gaat tot in het gezin. Je bent geneigd te kijken naar de momenten die je gezamenlijk hebt. Maar minstens zo aardig is het eens te kijken naar de afwijkingen.
Zo zet de thuiswonende zoon zowel op zolder als in de huiskamer altijd de televisie aan. Echt altijd. En als hij die ruimte verlaat, blijft de tv aan. Alsof het een soort van inrichtingselement is zoals een bankstel of een schemerlamp.
Maar het tekenendst vind ik nog hun programmakeuzes. Politieachtervolgingen, douaneperikelen, lollige huisgemaakte video's, reallife onzin over opgezette popsterren, journaals, politieke programma's: in een vreemde mengelmoes komt het allemaal voorbij. Zeker niet alles wordt ook bekeken. Zeker niet alles wat wordt bekeken, wordt serieus genomen. Gelukkig. Het is allemaal bewegend behang rond etenstijd.
Het is wél iets om eens bij stil te staan. Ik zie immers ineens programma's die ik zelf nooit, of niet snel, zou kiezen. Ineens is er een venster naar een andere wereld.
Wat je doet, kun je je voorstellen als koorden die zich achter je ontrollen. Dat is een uiterst gebrekkige beeldspraak die onrecht doet aan de complexiteit van onszelf. Maar hij maakt wel duidelijk dat koorden elkaar kunnen raken, kruisen, verknopen. En hij maakt duidelijk dat die momenten absoluut géén indicatie zijn voor een leven, voor een identiteit. We kunnen inderdaad heel goed een dure auto rijden én goedkoop ondergoed aanschaffen. We kunnen inderdaad heel goed tegen buitenlanders zijn én hen tot onze vriendenkring rekenen. We kunnen inderdaad heel goed lammetjes schattig vinden én plofkip kopen. De lígging van het koord zijn we. Niet een los punt op dat koord.
Het moet dus ook heel goed mogelijk zijn om bijvoorbeeld hele avonden te vullen met televisiekeuzes die mij zouden verrassen. Gewoon, omdat ik die keuze niet zou maken. En jij zou ook andere maken. Er moet dus een parallelle wereld bestaan van mensen die, in dit geval, kijken en praten over programma's die mij vreemd zijn. En zij weten op hun beurt weer niets van mij.
Fascinerend: dat je op straat mensen tegenkomt die ook in een heel andere wereld leven.
Locatie:
Leiden, Nederland
woensdag 7 augustus 2013
En het gebeurde in die dagen niet...
Het deed zich al járen geleden voor.
Het was de tijd dat het Internet opkomt. En dús had ik veel discussies met de ICTers van mijn toenmalige werkgever. Mijn opdracht was innovatie stimuleren. En de grootste innovatie sinds tijden, stond op het punt van doorbreken. Maar de ICTers - systeem-, database-, netwerkbeheer en -ontwikkeling - zagen dat niet gebeuren.
Het is de eerste keer dat ik me bewust was hoe moeilijk het voor mensen is het vertrouwde los te laten. Netwerkbeheerders hadden grote moeite met iets als IP. "Dat kan nooit gaan werken". Niet als je denkt in klassieke netwerkarchitecturen, nee.
Aan die periode hebben we een warme herinnering overgehouden. Want alles kwam, uiteraard, goed. In de jaren daarna hebben we veel samen gedaan en vooral ook veel gesproken. Innovatie, dat was vooral technologische. De gesprekken gingen dan ook vooral over techniek en de mogelijkheden van de nieuwe technologieën. Het heeft mij veel opgeleverd, niet in de laatste plaats over het werk van kantoorICT-ers.
Wat me daarvan het meest is bijgebleven, is de positie die ze in nemen. Kort gezegd: ICT-ers zijn de lastpakken. Er kán nooit iets. Er mág nooit iets. Als ze langskomen, is er meestal iets onzaligs aan verbonden: je krijgt "een update" (en bent daarna van alles kwijt) of ze hadden weer iets te zeuren over "het systeem wat aangaf dat er een virus op je computer zit". Hun mailberichten waren meestal ook in de categorie "Vanaf 16.00 uur kunnen jullie het netwerk niet gebruiken ivm noodzakelijk onderhoud". Kortom, gezeur.
Toch?
Wat we, gebruikers, níet zagen, is het aantal keren dat een probleem werd voorkómen. Wat me verbaasde, was dat ze ons dat nooit meedeelden. Dat heb ik dan ook bepleit (en zij hebben dat heel incidenteel gedaan): "Meld toch óók dat je iets hebt voorkomen. 'Zojuist hebben we een grote virusaanval afgeslagen. Het kan zijn dat je dat den beetje hebt gemerkt in de snelheid van het netwerk'. Gewoon: zéggen wat je doet.
Aan die periode moet ik heel vaak terugdenken. Het komt zó vaak voor dat al die mensen die preventief werken niet gewaardeerd worden. Het is ook zó moeilijk aan te tonen wat níet is gebeurd.
Preventie heeft wel iets weg van kunst: beide zijn enorm kwetsbaar. Beide kunnen hun maatschappelijk - economisch - nut niet keihard aantonen. De politie moet boeven pákken. Misdaad voorkomen door aanwezig te zijn, telt niet. Veiligheidsdiensten zijn per definitie onbetrouwbaar, want iederéén kan wel beweren dat-i een aanslag heeft voorkomen. Gezondheidspreventie is er ook zo een: dat jongeren géén SOA krijgen, hoe ze dat moeten doen hebben ze érgens gehoord.
Sluw is het gebruik van preventie door, met name, politici en beleidsmakers. Het is een bewijs uit het ongerijmde en onbewijsbaar: "dankzij mij en mijn beleid is grotere ellende voorkomen". En, als dat zo uitkomt, "daarop kunnen we bezuinigen want het effect van die preventie is onmeetbaar en niet uit onderzoek gebleken".
Het idiote is dat preventie feitelijk heel erg past in onze samenleving. Met een iets andere bril bekeken, is het een vorm van permanent onderwijs. Onderwijs over veranderende verhoudingen, nieuwe ontwikkelingen, weggezakte kennis en opfrissen van bestaande kennis. Preventie ís helemaal niet per definitie synoniem met disciplinering, regulering en verbieden.
Preventie leidt liefst tot niets.
Het was de tijd dat het Internet opkomt. En dús had ik veel discussies met de ICTers van mijn toenmalige werkgever. Mijn opdracht was innovatie stimuleren. En de grootste innovatie sinds tijden, stond op het punt van doorbreken. Maar de ICTers - systeem-, database-, netwerkbeheer en -ontwikkeling - zagen dat niet gebeuren.
Het is de eerste keer dat ik me bewust was hoe moeilijk het voor mensen is het vertrouwde los te laten. Netwerkbeheerders hadden grote moeite met iets als IP. "Dat kan nooit gaan werken". Niet als je denkt in klassieke netwerkarchitecturen, nee.
Aan die periode hebben we een warme herinnering overgehouden. Want alles kwam, uiteraard, goed. In de jaren daarna hebben we veel samen gedaan en vooral ook veel gesproken. Innovatie, dat was vooral technologische. De gesprekken gingen dan ook vooral over techniek en de mogelijkheden van de nieuwe technologieën. Het heeft mij veel opgeleverd, niet in de laatste plaats over het werk van kantoorICT-ers.
Wat me daarvan het meest is bijgebleven, is de positie die ze in nemen. Kort gezegd: ICT-ers zijn de lastpakken. Er kán nooit iets. Er mág nooit iets. Als ze langskomen, is er meestal iets onzaligs aan verbonden: je krijgt "een update" (en bent daarna van alles kwijt) of ze hadden weer iets te zeuren over "het systeem wat aangaf dat er een virus op je computer zit". Hun mailberichten waren meestal ook in de categorie "Vanaf 16.00 uur kunnen jullie het netwerk niet gebruiken ivm noodzakelijk onderhoud". Kortom, gezeur.
Toch?
Wat we, gebruikers, níet zagen, is het aantal keren dat een probleem werd voorkómen. Wat me verbaasde, was dat ze ons dat nooit meedeelden. Dat heb ik dan ook bepleit (en zij hebben dat heel incidenteel gedaan): "Meld toch óók dat je iets hebt voorkomen. 'Zojuist hebben we een grote virusaanval afgeslagen. Het kan zijn dat je dat den beetje hebt gemerkt in de snelheid van het netwerk'. Gewoon: zéggen wat je doet.
Aan die periode moet ik heel vaak terugdenken. Het komt zó vaak voor dat al die mensen die preventief werken niet gewaardeerd worden. Het is ook zó moeilijk aan te tonen wat níet is gebeurd.
Preventie heeft wel iets weg van kunst: beide zijn enorm kwetsbaar. Beide kunnen hun maatschappelijk - economisch - nut niet keihard aantonen. De politie moet boeven pákken. Misdaad voorkomen door aanwezig te zijn, telt niet. Veiligheidsdiensten zijn per definitie onbetrouwbaar, want iederéén kan wel beweren dat-i een aanslag heeft voorkomen. Gezondheidspreventie is er ook zo een: dat jongeren géén SOA krijgen, hoe ze dat moeten doen hebben ze érgens gehoord.
Sluw is het gebruik van preventie door, met name, politici en beleidsmakers. Het is een bewijs uit het ongerijmde en onbewijsbaar: "dankzij mij en mijn beleid is grotere ellende voorkomen". En, als dat zo uitkomt, "daarop kunnen we bezuinigen want het effect van die preventie is onmeetbaar en niet uit onderzoek gebleken".
Het idiote is dat preventie feitelijk heel erg past in onze samenleving. Met een iets andere bril bekeken, is het een vorm van permanent onderwijs. Onderwijs over veranderende verhoudingen, nieuwe ontwikkelingen, weggezakte kennis en opfrissen van bestaande kennis. Preventie ís helemaal niet per definitie synoniem met disciplinering, regulering en verbieden.
Preventie leidt liefst tot niets.
Labels:
berekenend,
de tijd,
discussies,
economie,
ict,
internet,
netwerk,
Preventie,
snelheid,
soa,
vliegtuig
Locatie:
Leiden, Nederland
dinsdag 9 juli 2013
De pitloze samenleving
Laat ik beginnen met:
Alleen al onze taal geeft weer dat we zoveel facetten en dimensies kennen, dat het beheersen van alles ondoenlijk is. In hun fysieke vorm lopen onder- en bovenwereld in dezelfde fysieke omgeving. Maar verder zijn het eigen werelden.
Verkeer dat zich niet houdt aan de voorgekookte routes, heet sluipverkeer. Alsof daar een wat sinister aura omheen moet hangen. Verkeer plannen we over het algemeen toch al vrij slecht. Pas sinds enkele jaren dringt het besef door dat het weleens slim kan zijn wandelpaden aan te leggen die de natuurlijke loop volgen. De olifantepaadjes geïnstitutionaliseerd!
We regelen ons een slag in de rondte. Zonder noemenswaardig effect. Verkeersdeelnemers bepalen zelf wel wat wel en wat niet mogelijk is. En dus rijden de fietsers op fietspaden beide kanten op en staan auto's op 'onbenutte plekjes weg' geparkeerd.
Wat me intrigeert, is de opkomende netwerksamenleving en -economie. Die zal pitloos zijn.

Het is niet niks als je 'overheid' bent, om te ontdekken dat je invloed snel afneemt. Toch is dat wat momenteel gebeurt. Het is ook zo voorspelbaar dát het gebeurt. Inmiddels is wel duidelijk dat andere verhoudingen ontstaan; op de arbeidsmarkt, maar ook in het openbaar bestuur. De veelgezochte Mondige Burger staat op, zij het anders dan gedacht.
In essentie is er aan de netwerken niet eens zo heel veel verandert. Het hebben van veel (losse) contacten was en is nog steeds lucratief. Wat wél veranderd, is de bereikbaarheid van die contacten. Sociale poortwachters worden gepasseerd. Ideeën en meningen overlijden niet langer 'in de pijplijn'. Allicht, het - tijdelijke - nadeel is dat soms ook teveel doorkomt. Met de gewenning aan korte lijnen zal - net als met een nieuw speeltje - de nieuwigheid worden vervangen door zelfkritisch gebruik.
Mondige Burgers zijn niet alleen degenen die goed weten van rechten en plichten. Het zijn óók degenen die de mores van een tegencultuur dragen waarin niet geld ruilmiddel is. Het zijn ook de jongeren die uit het zicht van de overheid leven; helemaal níet bézig met 'werk of opleiding'. Het zijn ook degenen die - al of niet uit nood geboren - op een andere manier met 'bezit' omgaan. Het zijn ook degenen voor wie duidelijk werd dat zij zélf hun toekomst moeten veiligstellen. Het zijn ook degenen die zelf stroom opwekken in een grid delen met de wijk.

De bouwstenen zijn misschien niet nieuw. De anarchisten en de anarcho-syndicalisten voorzagen een dergelijke dynamica al, zij het met andere intenties en gevolgen. Maar de zelfsturende kracht van groepen in de samenleving flakkert momenteel op. Of dat een vuurtje, een vuur of een uitdovend brandje zal zijn, moet nog blijken. De technologie maakt echter meer dan ooit mogelijk. Eigen banken? Ja, maar vooral ook eigen géldsystemen als LETS en Bitcoin. Hébben? Delen! Van slaapplaatsen tot kamers, van auto's tot gereedschappen.
Zoiets als het Internet heeft duidelijk gemaakt wat een kernloos netwerk vermag. Natuurlijk heeft het nog geen fundamentele verandering teweeg gebracht; dat gebeurt als de open netwerkvorm ook in de reële wereld neerslaat. De eerste stappen in die richting zijn gezet.
In een kernloos netwerk is geen sturend orgaan aanwezig. Connecties en verkeer ontstaan naar gelang de behoefte. Sluipverkeer bestaat niet. Een knooppunt kan hoogstens niet meer 'mee doen' en zichzelf buitenspel plaatsen.
Dat is de verandering: enkele grote monopolisten worden aangevuld met (vervangen door?) vele kleinschalige leveranciers. Zoals bekend van school: kleine eenheden zijn moeilijker te beïnvloeden van buitenaf.
In dat licht bezien is het interessant waar zometeen de overheid blijft. De discussie binnen de wereld van ambtenaren wekt de indruk dat men daar nog steeds denkt een regelende positie te behouden.
De kans is veel groter dat zij één van velen worden.
mijn overtuiging is dat het idee van een stuurbare samenleving een illusie is.
Alleen al onze taal geeft weer dat we zoveel facetten en dimensies kennen, dat het beheersen van alles ondoenlijk is. In hun fysieke vorm lopen onder- en bovenwereld in dezelfde fysieke omgeving. Maar verder zijn het eigen werelden.
Verkeer dat zich niet houdt aan de voorgekookte routes, heet sluipverkeer. Alsof daar een wat sinister aura omheen moet hangen. Verkeer plannen we over het algemeen toch al vrij slecht. Pas sinds enkele jaren dringt het besef door dat het weleens slim kan zijn wandelpaden aan te leggen die de natuurlijke loop volgen. De olifantepaadjes geïnstitutionaliseerd!
We regelen ons een slag in de rondte. Zonder noemenswaardig effect. Verkeersdeelnemers bepalen zelf wel wat wel en wat niet mogelijk is. En dus rijden de fietsers op fietspaden beide kanten op en staan auto's op 'onbenutte plekjes weg' geparkeerd.
Wat me intrigeert, is de opkomende netwerksamenleving en -economie. Die zal pitloos zijn.
Het is niet niks als je 'overheid' bent, om te ontdekken dat je invloed snel afneemt. Toch is dat wat momenteel gebeurt. Het is ook zo voorspelbaar dát het gebeurt. Inmiddels is wel duidelijk dat andere verhoudingen ontstaan; op de arbeidsmarkt, maar ook in het openbaar bestuur. De veelgezochte Mondige Burger staat op, zij het anders dan gedacht.
In essentie is er aan de netwerken niet eens zo heel veel verandert. Het hebben van veel (losse) contacten was en is nog steeds lucratief. Wat wél veranderd, is de bereikbaarheid van die contacten. Sociale poortwachters worden gepasseerd. Ideeën en meningen overlijden niet langer 'in de pijplijn'. Allicht, het - tijdelijke - nadeel is dat soms ook teveel doorkomt. Met de gewenning aan korte lijnen zal - net als met een nieuw speeltje - de nieuwigheid worden vervangen door zelfkritisch gebruik.
Mondige Burgers zijn niet alleen degenen die goed weten van rechten en plichten. Het zijn óók degenen die de mores van een tegencultuur dragen waarin niet geld ruilmiddel is. Het zijn ook de jongeren die uit het zicht van de overheid leven; helemaal níet bézig met 'werk of opleiding'. Het zijn ook degenen die - al of niet uit nood geboren - op een andere manier met 'bezit' omgaan. Het zijn ook degenen voor wie duidelijk werd dat zij zélf hun toekomst moeten veiligstellen. Het zijn ook degenen die zelf stroom opwekken in een grid delen met de wijk.
De bouwstenen zijn misschien niet nieuw. De anarchisten en de anarcho-syndicalisten voorzagen een dergelijke dynamica al, zij het met andere intenties en gevolgen. Maar de zelfsturende kracht van groepen in de samenleving flakkert momenteel op. Of dat een vuurtje, een vuur of een uitdovend brandje zal zijn, moet nog blijken. De technologie maakt echter meer dan ooit mogelijk. Eigen banken? Ja, maar vooral ook eigen géldsystemen als LETS en Bitcoin. Hébben? Delen! Van slaapplaatsen tot kamers, van auto's tot gereedschappen.
Zoiets als het Internet heeft duidelijk gemaakt wat een kernloos netwerk vermag. Natuurlijk heeft het nog geen fundamentele verandering teweeg gebracht; dat gebeurt als de open netwerkvorm ook in de reële wereld neerslaat. De eerste stappen in die richting zijn gezet.
In een kernloos netwerk is geen sturend orgaan aanwezig. Connecties en verkeer ontstaan naar gelang de behoefte. Sluipverkeer bestaat niet. Een knooppunt kan hoogstens niet meer 'mee doen' en zichzelf buitenspel plaatsen.
Dat is de verandering: enkele grote monopolisten worden aangevuld met (vervangen door?) vele kleinschalige leveranciers. Zoals bekend van school: kleine eenheden zijn moeilijker te beïnvloeden van buitenaf.
In dat licht bezien is het interessant waar zometeen de overheid blijft. De discussie binnen de wereld van ambtenaren wekt de indruk dat men daar nog steeds denkt een regelende positie te behouden.
De kans is veel groter dat zij één van velen worden.
Labels:
buurt,
coöperatie,
kleinschalig,
maat,
mens,
netwerk,
overheid,
paradigma,
Revolutie,
samenwerken,
smartgrid
Locatie:
Leiden, Nederland
dinsdag 25 juni 2013
Open brief aan de wethouder Werkgelegenheid
Geachte heer, mevrouw,
U heeft de oplossing zelf in handen. Waarvoor? Laat ik proberen dat uit te leggen.
Naar alle waarschijnlijkheid droomt u 's nachts dat uw gemeente bruist van energie. Voor uw geestesoog ontrolt zich het beeld van een nijver volkje. Enthousiaste ondernemers haasten zich door de straten. Met een tevreden glimlach. De hele stád straalt dat optimisme uit.
De ochtend is dan wat minder. Leiden is in last. Nederland luidt de noodklok. De economische motor hapert, stottert, stagneert. De energie vloeit weg uit uw gemeente.
Wat te doen?
Een belangrijk deel van de oplossing ligt in uw gemeente voor het oprapen. Menskracht die te gebruiken is en die feitelijk al is bekostigd waardoor ze min of meer gratis is.
In Leiden is pas een actieplan gepresenteerd om jongeren aan het werk te krijgen of (bij) te scholen. Dat is allemaal niet bijzonder. Ook niet zo heel bijzonder, maar wél belangrijk om vast te stellen, is dat Leiden en zijn partners een dynamische aanpak kiezen. De jonge werkloze en zijn mogelijkheden zijn leidend. Oplossingen moeten daarbij aansluiten, ook onorthodoxe. Maakt u zich, als bestuurder, geen zorgen dat dat 'u vraagt, wij draaien' wordt in Leiden; de inspanning zal van twee kanten moeten komen.
U beschikt over deskundigheid in uw gemeente, die níet wordt benut. Energie die weglekt en ervaring die verstoft raakt. Waarom die niet aangesproken in het belang van uw lokale economie en van de betrokkenen?
Het eist wel wat lef. Maar 'wie niet waagt, die niet wint' is niet voor niets een wijsheid.
Uw gemeente herbergt een aantal 55plussers, die in de systemen van het UWV zijn terecht gekomen. Mensen waarvan duidelijk is dat het voor hen uitermate moeilijk is weer een plaats te vinden in loondienst. Mensen ook die wel werk- én levenservaring meebrengen. Mensen die niet zo snel meer in paniek raken of onder de indruk. Mensen die kunnen relativeren.
En u weet net zo goed als ik dat dat niet hetzelfde is als 'Ja, maar...'-denken of 'niet met de tijd meegaand'. Ook u weet dat dat een leeftijd-ónafhankelijke mindset is. Of heeft u nooit gehoord van de vroegoude jongere, de antipode van Koos Koets?
Al die energie komt uw richting op. Ná de periode onder de hoede van het UWV zal een fors aantal via IOW of WWB uw verantwoordelijkheid worden. U gaat er een kostenpost bij krijgen de komende jaren.
Een kostenpost?!
Ik zeg: draai het om. U heeft ineens de beschikking over een impulskracht. Als u slim bent en slim opereert, kunt u een stevige zwengel geven aan uw lokale economie.
Waarom geeft u al die oudere werklozen - laten we het beestje bij z'n naam noemen - niet de ruimte om zich maximaal in te zetten? In te zetten voor uw samenleving.
Natuurlijk, het is niet politiek-correct te accepteren dat mensen niet meer in loondienst zullen werken. Maar het ontkennen, is niet alleen het ontkennen van de werkelijkheid; het is ook het doodslaan van energie omdat men wordt verplicht energie te steken in zinloos tijdverdrijf: het met alle geweld vinden van een betaalde baan.
Als u het lef en de visie heeft: waarom zo'n groep niet ontslaan van die verplichting en via individuele gesprekken nagaan waar ze aan de slag kunnen. Niet dwingend, maar hen faciliterend. Voor de een zal dat vrijwilligerswerk zijn en voor de ander het begeleiden van beginnende ondernemers. De een zal ondersteunend kunnen zijn in het onderwijs en de ander een poging willen doen tóch ZZPer te worden. Er zullen ook dure externe adviseurs vervangen kunnen worden.
Maar laat ze dat dan dóen. Zonder de dreiging een uitkering te verliezen of belemmeringen in het aantal uren.
U bent niet voor niets wethouder. Waarom niet met het UWV onderhandelt over het al eerder kunnen inzetten van die groepen? Waarom niet een poging gewaagd het UWV te bewegen te investeren in úw toekomstige medewerkers? Waarom niet de minister overtuigen van een flexibele oplossing voor oudere werkzoekenden die ook nog eens maatschappelijk rendement oplevert? De báten komen uw kant op.
Met vriendelijke groet,
Jan van der Sluis
PS
meneer Jan-Jaap de Haan, wethouder in Leiden,
míj kunt u bellen om dit eens verder uit te werken. En ik ken nog wel mensen in Leiden die geïnteresseerd zijn.
U heeft de oplossing zelf in handen. Waarvoor? Laat ik proberen dat uit te leggen.
Naar alle waarschijnlijkheid droomt u 's nachts dat uw gemeente bruist van energie. Voor uw geestesoog ontrolt zich het beeld van een nijver volkje. Enthousiaste ondernemers haasten zich door de straten. Met een tevreden glimlach. De hele stád straalt dat optimisme uit.
De ochtend is dan wat minder. Leiden is in last. Nederland luidt de noodklok. De economische motor hapert, stottert, stagneert. De energie vloeit weg uit uw gemeente.
Wat te doen?
Een belangrijk deel van de oplossing ligt in uw gemeente voor het oprapen. Menskracht die te gebruiken is en die feitelijk al is bekostigd waardoor ze min of meer gratis is.
In Leiden is pas een actieplan gepresenteerd om jongeren aan het werk te krijgen of (bij) te scholen. Dat is allemaal niet bijzonder. Ook niet zo heel bijzonder, maar wél belangrijk om vast te stellen, is dat Leiden en zijn partners een dynamische aanpak kiezen. De jonge werkloze en zijn mogelijkheden zijn leidend. Oplossingen moeten daarbij aansluiten, ook onorthodoxe. Maakt u zich, als bestuurder, geen zorgen dat dat 'u vraagt, wij draaien' wordt in Leiden; de inspanning zal van twee kanten moeten komen.
U beschikt over deskundigheid in uw gemeente, die níet wordt benut. Energie die weglekt en ervaring die verstoft raakt. Waarom die niet aangesproken in het belang van uw lokale economie en van de betrokkenen?
Het eist wel wat lef. Maar 'wie niet waagt, die niet wint' is niet voor niets een wijsheid.
Uw gemeente herbergt een aantal 55plussers, die in de systemen van het UWV zijn terecht gekomen. Mensen waarvan duidelijk is dat het voor hen uitermate moeilijk is weer een plaats te vinden in loondienst. Mensen ook die wel werk- én levenservaring meebrengen. Mensen die niet zo snel meer in paniek raken of onder de indruk. Mensen die kunnen relativeren.
En u weet net zo goed als ik dat dat niet hetzelfde is als 'Ja, maar...'-denken of 'niet met de tijd meegaand'. Ook u weet dat dat een leeftijd-ónafhankelijke mindset is. Of heeft u nooit gehoord van de vroegoude jongere, de antipode van Koos Koets?
Al die energie komt uw richting op. Ná de periode onder de hoede van het UWV zal een fors aantal via IOW of WWB uw verantwoordelijkheid worden. U gaat er een kostenpost bij krijgen de komende jaren.
Een kostenpost?!
Ik zeg: draai het om. U heeft ineens de beschikking over een impulskracht. Als u slim bent en slim opereert, kunt u een stevige zwengel geven aan uw lokale economie.
Waarom geeft u al die oudere werklozen - laten we het beestje bij z'n naam noemen - niet de ruimte om zich maximaal in te zetten? In te zetten voor uw samenleving.
Natuurlijk, het is niet politiek-correct te accepteren dat mensen niet meer in loondienst zullen werken. Maar het ontkennen, is niet alleen het ontkennen van de werkelijkheid; het is ook het doodslaan van energie omdat men wordt verplicht energie te steken in zinloos tijdverdrijf: het met alle geweld vinden van een betaalde baan.
Als u het lef en de visie heeft: waarom zo'n groep niet ontslaan van die verplichting en via individuele gesprekken nagaan waar ze aan de slag kunnen. Niet dwingend, maar hen faciliterend. Voor de een zal dat vrijwilligerswerk zijn en voor de ander het begeleiden van beginnende ondernemers. De een zal ondersteunend kunnen zijn in het onderwijs en de ander een poging willen doen tóch ZZPer te worden. Er zullen ook dure externe adviseurs vervangen kunnen worden.
Maar laat ze dat dan dóen. Zonder de dreiging een uitkering te verliezen of belemmeringen in het aantal uren.
U bent niet voor niets wethouder. Waarom niet met het UWV onderhandelt over het al eerder kunnen inzetten van die groepen? Waarom niet een poging gewaagd het UWV te bewegen te investeren in úw toekomstige medewerkers? Waarom niet de minister overtuigen van een flexibele oplossing voor oudere werkzoekenden die ook nog eens maatschappelijk rendement oplevert? De báten komen uw kant op.
Met vriendelijke groet,
Jan van der Sluis
PS
meneer Jan-Jaap de Haan, wethouder in Leiden,
míj kunt u bellen om dit eens verder uit te werken. En ik ken nog wel mensen in Leiden die geïnteresseerd zijn.
Labels:
55plus,
dynamisch,
iow,
lef,
Leiden,
maatschappelijke waarde,
netwerk,
onorthodox,
oplossing,
uwv,
Visie,
werkloos,
werkzoekend,
ww
Locatie:
Leiden, Nederland
zondag 2 juni 2013
Vertrouwenwekkende 'full disclosures'
Het is in de eerste plaats een goed artikel over de nieuwe koers van de fotodienst Flickr. Lezenswaard. Zeker ook als je weet weten hoe Yahoo probeert de koers te verleggen daar.
De reden voor deze blogpost is echter een andere.
Bijna was ik er aan voorbijgegaan. Dat tussen haakjes staande stuk tekst waarin de verslaggever zijn positie verduidelijkt. Het is dat die deze keer zo lang is - meestal is het een regel of iets in die orde - dat me ineens te binnen viel: "Maar waar zie ik die plaatsbepalingen eigenlijk in de klassieke media?".

Het zijn dit soort van dingen - nee, niet 'details' - die het verschil aangeven tussen oude en nieuwe media(-denken).
In het oude denken is aan publieke functies een hoge mate van vertrouwen in integriteit toegekend. De politicus die onbelast en onbezwaard zijn werk moet (kunnen) doen. De politieman wiens proces verbaal onbetwijfelbaar moet zijn. De wetenschapper die controleerbaar moet zijn. De journalist die hoor en wederhoor toepast. In al die situaties gaat het om integriteit.
Wat een groot verschil is tussen de oude en nieuwe stuatie is dat anders wordt gedacht over die controleerbaarheid. In de nieuwe situatie wordt veel meer uitgegaan van een realistische werkelijkheid waarin integriteit enorm kwetsbaar is; mogelijk niet eens echt bestaat. Hoeveel moeite ook wordt gedaan, integriteit staat altijd onder druk. Integriteit verwáchten is een risico. Omdát je politieman bent, ben je niet onfeilbaar. Omdát je politicus bent, ben je niet onkwetsbaar. Omdát je journalist bent, ben je niet neutraal. Beroepscodes, beroepseer en zelfs beroepsééd zijn loze begrippen als er geen controle mogelijk is.
Dát is wat de nieuwe lichtingen doen.
De term is mogelijk al ietwat uitgehold, maar 'transparantie' maakt wél duidelijk wat de andere positie is. Daarin speelt dat vertrouwen nog steeds een rol, maar óók het realisme waardoor wordt verwacht dat men eigen posities duidelijk maakt. Waarom zou iemand zich kunnen verschuilen achter het imago van de organisatie waarvoor hij werkt? De journalist ís de krant niet. De consultant, de adviseur ís de adviesorganisatie niet. Zeker in die functies is het enorm verhelderend te weten in welke verhouding tot het onderwerp men staat.
De kracht van die nieuwe aanpak - beetje groots geformuleerd - is dat díe context op waarde wordt geschat: zijn relevantie is inderdaad fors.
Het is onthutsend om soms te zien hoe 'neutrale' adviezen feitelijk worden geschreven door mensen met duidelijke lijnen naar het onderwerp van advies. Dat hóeven geen belangen te zijn. Dat hóeft geen effect te hebben. Maar het verzwijgen ervan maakt ook dat wij het niet weten en wanneer we het ontdekken dat tot breekpunt bevorderen. En, echt waar, ik zie ze nog steeds geregeld: de mannen die adviseren over onderwerpen waarvan je wéét dat ze daarin niet neutraal zijn.
Kijk. Dat geloof in integriteit ben ik al lang kwijt. Ik ben enorm blij met onderzoeksjournalistiek en kritische journalistiek. En ik hoop al járen dat we ons eens een keer verdiepen in die netwerken en hun gevolgen voor integriteit. Tot dat moment, denk ik, is het verstandig iedereen die niet aangeeft waar-i staat, minder op z'n woord te geloven.
Dat is wat zo'n eenvoudige full disclosure in de klassieke media (en publieke functies) zou doen: duidelijk maken waar de auteur staat.
De reden voor deze blogpost is echter een andere.
Bijna was ik er aan voorbijgegaan. Dat tussen haakjes staande stuk tekst waarin de verslaggever zijn positie verduidelijkt. Het is dat die deze keer zo lang is - meestal is het een regel of iets in die orde - dat me ineens te binnen viel: "Maar waar zie ik die plaatsbepalingen eigenlijk in de klassieke media?".
Het zijn dit soort van dingen - nee, niet 'details' - die het verschil aangeven tussen oude en nieuwe media(-denken).
In het oude denken is aan publieke functies een hoge mate van vertrouwen in integriteit toegekend. De politicus die onbelast en onbezwaard zijn werk moet (kunnen) doen. De politieman wiens proces verbaal onbetwijfelbaar moet zijn. De wetenschapper die controleerbaar moet zijn. De journalist die hoor en wederhoor toepast. In al die situaties gaat het om integriteit.
Wat een groot verschil is tussen de oude en nieuwe stuatie is dat anders wordt gedacht over die controleerbaarheid. In de nieuwe situatie wordt veel meer uitgegaan van een realistische werkelijkheid waarin integriteit enorm kwetsbaar is; mogelijk niet eens echt bestaat. Hoeveel moeite ook wordt gedaan, integriteit staat altijd onder druk. Integriteit verwáchten is een risico. Omdát je politieman bent, ben je niet onfeilbaar. Omdát je politicus bent, ben je niet onkwetsbaar. Omdát je journalist bent, ben je niet neutraal. Beroepscodes, beroepseer en zelfs beroepsééd zijn loze begrippen als er geen controle mogelijk is.
Dát is wat de nieuwe lichtingen doen.
De term is mogelijk al ietwat uitgehold, maar 'transparantie' maakt wél duidelijk wat de andere positie is. Daarin speelt dat vertrouwen nog steeds een rol, maar óók het realisme waardoor wordt verwacht dat men eigen posities duidelijk maakt. Waarom zou iemand zich kunnen verschuilen achter het imago van de organisatie waarvoor hij werkt? De journalist ís de krant niet. De consultant, de adviseur ís de adviesorganisatie niet. Zeker in die functies is het enorm verhelderend te weten in welke verhouding tot het onderwerp men staat.
De kracht van die nieuwe aanpak - beetje groots geformuleerd - is dat díe context op waarde wordt geschat: zijn relevantie is inderdaad fors.
Het is onthutsend om soms te zien hoe 'neutrale' adviezen feitelijk worden geschreven door mensen met duidelijke lijnen naar het onderwerp van advies. Dat hóeven geen belangen te zijn. Dat hóeft geen effect te hebben. Maar het verzwijgen ervan maakt ook dat wij het niet weten en wanneer we het ontdekken dat tot breekpunt bevorderen. En, echt waar, ik zie ze nog steeds geregeld: de mannen die adviseren over onderwerpen waarvan je wéét dat ze daarin niet neutraal zijn.
Kijk. Dat geloof in integriteit ben ik al lang kwijt. Ik ben enorm blij met onderzoeksjournalistiek en kritische journalistiek. En ik hoop al járen dat we ons eens een keer verdiepen in die netwerken en hun gevolgen voor integriteit. Tot dat moment, denk ik, is het verstandig iedereen die niet aangeeft waar-i staat, minder op z'n woord te geloven.
Dat is wat zo'n eenvoudige full disclosure in de klassieke media (en publieke functies) zou doen: duidelijk maken waar de auteur staat.
Labels:
belangen,
disclosure,
integriteit,
netwerk,
neutraliteit,
old boys,
openbaar,
positie,
standpunt,
waarde
Locatie:
Leiden, Nederland
woensdag 24 april 2013
Stadsschermen in Limburg
Werkbezoek. Dat was het eigenlijk wel. Een bezoek aan Heerlen; om te zien hoe het gaat met de urban screens. De wát?
Oppervlakkig gezien, lijken ze op reclameborden. Maar ze zijn het niet.
Het is makkelijk kritiek te hebben op de borden: 'Het zijn er maar twee en ze hangen of te hoog of te afgelegen'. 'Er staat helemaal niemand naar te kijken.'
Op de schermen is stadsnieuws te zien. Maar niet alleen het nieuws dat je zou verwachten: korte teletekst-achtige berichten. De lol is dat er ook tweets langskomen. En, toen wij er waren, foto's uit de zwarte oorlogsperiode. Als het goed is, zijn er ook live beelden uit de stad te zien. Omdat het prachtig weer was, hadden wij echter andere plannen en hebben die beelden dus niet afgewacht.
De schermen moeten een weergave zijn van wat op die plek leeft. Da's hoog gegrepen. Ik denk zelf dat het voor nu té hoog gegrepen is. Dat neemt niet weg dat wél een venster op de gemeenschap, de stad kan worden geopend.
Eerlijk gezegd, had ik hooggespannen verwachtingen toen we de schermen zochten. Verwachtingen die niet zijn ingelost. Verwachtingen die ook té hooggespannen waren. Alsof je in één klap van nul op maximum kunt komen. Onzin. Dat eist groei.
Geruststellend vond ik de laatste minuten naar de schermen kijkend. Ineens realiseerde ik me daar dat er vanaf twee terrassen minstens vijf mensen bijna continue zaten te kijken. En er met elkaar over spraken.
Het wérkt dus!
Als ik het zo bekijk, is de grootste uitdaging de plék waar de schermen hangen. Dat eist medewerking van eigenaren van muren. Maar het eist vooral nadenken over de plaatsen mensen de tijd nemen om te kijken.
Waar zit, sta, hang of lig jij weleens je te vervelen? Van die plekken waar zo'n scherm een goede katalysator zou kunnen zijn. Een terras. Een lange bank op de Promenade. Een busstation.
En waarom groot? Mooi hoor. Ook in de zon goed leesbaar. Maar zou het niet ook uitmaken als er véél schermen zijn? Niet per sé grote? In het sociale weefsel van de stad: café's, snackgelegenheden en bushaltes.
Het komt er aan, hoor. Dat venster op jouw gemeenschap.
Oppervlakkig gezien, lijken ze op reclameborden. Maar ze zijn het niet.
Het is makkelijk kritiek te hebben op de borden: 'Het zijn er maar twee en ze hangen of te hoog of te afgelegen'. 'Er staat helemaal niemand naar te kijken.'
Op de schermen is stadsnieuws te zien. Maar niet alleen het nieuws dat je zou verwachten: korte teletekst-achtige berichten. De lol is dat er ook tweets langskomen. En, toen wij er waren, foto's uit de zwarte oorlogsperiode. Als het goed is, zijn er ook live beelden uit de stad te zien. Omdat het prachtig weer was, hadden wij echter andere plannen en hebben die beelden dus niet afgewacht.
De schermen moeten een weergave zijn van wat op die plek leeft. Da's hoog gegrepen. Ik denk zelf dat het voor nu té hoog gegrepen is. Dat neemt niet weg dat wél een venster op de gemeenschap, de stad kan worden geopend.
Eerlijk gezegd, had ik hooggespannen verwachtingen toen we de schermen zochten. Verwachtingen die niet zijn ingelost. Verwachtingen die ook té hooggespannen waren. Alsof je in één klap van nul op maximum kunt komen. Onzin. Dat eist groei.
Geruststellend vond ik de laatste minuten naar de schermen kijkend. Ineens realiseerde ik me daar dat er vanaf twee terrassen minstens vijf mensen bijna continue zaten te kijken. En er met elkaar over spraken.
Het wérkt dus!
Als ik het zo bekijk, is de grootste uitdaging de plék waar de schermen hangen. Dat eist medewerking van eigenaren van muren. Maar het eist vooral nadenken over de plaatsen mensen de tijd nemen om te kijken.
Waar zit, sta, hang of lig jij weleens je te vervelen? Van die plekken waar zo'n scherm een goede katalysator zou kunnen zijn. Een terras. Een lange bank op de Promenade. Een busstation.
En waarom groot? Mooi hoor. Ook in de zon goed leesbaar. Maar zou het niet ook uitmaken als er véél schermen zijn? Niet per sé grote? In het sociale weefsel van de stad: café's, snackgelegenheden en bushaltes.
Het komt er aan, hoor. Dat venster op jouw gemeenschap.
dinsdag 25 december 2012
Wat heb je eigenlijk aan social media?
Het zal de tijd van het jaar zijn. Die beroemde donk're dagen voor kerst. En het is voor mij ook de tijd waarin ik een jaar geleden in een nogal onaangename strijd om mijn baan terechtkwam. Deze tijd herinnert me daaraan. Dus dat zal vast ook wel meespelen.
Wat bieden <em>social media</em> je eigenlijk, als gemiddeld gebruiker? Die vraag spookte vandaag door m'n hoofd.
Om te beginnen: ik ben een doodordinaire, gemiddelde gebruiker. Goed, er zijn mensen die veel minder actief zijn dan ik. Maar er zijn er ook die véél actiever zijn. En er zijn mensen die veel meer <em>social media</em> gebruiken dan ik. Zo heb ik vrij weinig met Facebook en LinkedIn. Ook Google+ krijgt me (nog?) niet aangehaakt. Daarentegen voel ik me goed in een omgeving als Twitter. En als ik nog steeds veel onderweg zou zijn en mijn <em>smartphone</em> bij me zou hebben, zou ik vast Path meer gebruiken, en al die andere lokatiegebaseerde diensten.
In tegenstelling tot een (groeiende?) groep gebruikers heb ik <em>social media</em> altijd gezien als een persoonlijk communicatiekanaal. Misschien dat dat een hoop verklaart.
Want als ik terugkijk op al die tijd <em>social media</em>, moet ik vaststellen dat het me niet heel veel bracht én dat ik er geen seconde spijt heb van de tijd die ik er doorbracht. Iedere seconde was het - zo ongeveer - waard.
Laat ik het vooral over Twitter hebben.
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121219-203118.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121219-203118.jpg" alt="20121219-203118.jpg" class="alignnone size-full" /></a>
De mensen die ik daar als eersten ben gaan volgen, zijn me dierbaar geworden en ik zou het oprecht heel erg vinden als die dunne lijn van volgen-terugvolgen zou worden verbroken. Als ik erover nadenk, zit die band 'm voor een belangrijk deel in het delen van persoonlijke ervaringen. Niet dat dat de hele godganse dag zo is. Maar van die eerste dertig mensen weet je na een paar jaar iets. Heb je een beeld. Ontwikkelde je een gevoel. Op basis van <em>tweets</em> over kinderen, over ouders, over verdriet, over lol. Maar zeker niet uitsluitend over 'werk'.
En toch vertellen ze geen van allen heel erg veel over hun persoonlijke wereld, hun diepste gedachten, maar soms wel.
Héb je wat aan die banden? Ja en nee. Ik hoef er geen milliseconde over te twijfelen dat ik nieuwe contacten heb opgedaan - yek, dat klinkt als een SOA - en er informatie heb gevonden die ik anders niet of veel later tegen het lijf was gelopen.
Waar ik wél over twijfel, is of die ontdekkingskracht nog steeds hetzelfde is, of dat het afneemt. Mijn indruk is dat ik meer herhalingen zie (RT's) en, minder leuk, veel citaten uit oude media. Een vreemde gewaarwording is dat wel: de nieuwe, <em>social media</em> die grondstof weghalen uit de oude media. Ik vraag me dan ook in alle gemoede af of het beroep 'journalist' wel wegkwijnend is of 'slechts' een tijdelijke dip doormaakt. Nieuwe technieken eisen aanpassing en dat kan best gepaard gaan met een diep dal.
Wat, denk ik, verkeerd wordt ingeschat, is de sociale relatie binnen <em>social media</em>. Die is erg beperkt, ook na lijfelijke ontmoeting blijven de relaties over het algemeen op het niveau van kennissen en collega's. Je wisselt veel uit. Je ligt elkaar en gunt elkaar soms iets. Je ontmoet iemand die jouw denkbeelden of jouw humor deelt.
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121219-203126.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2012/12/20121219-203126.jpg" alt="20121219-203126.jpg" class="alignnone size-full" /></a>
Maar echte ondersteuning? Njeuh, niet echt. Toen ik begin van het jaar richting een <a href="http://www.lichtopdepressie.nl/stemmingsstoornissen/aanpassingsstoornis-met-depressieve-stemming/">lichte depressie</a> schoot, ben ik daarmee om gegaan zoals ik vaker doe op Twitter. Ik maak van mijn hart liefst zo min mogelijk een moordkuil en dus wisten mijn volgers, als ze écht volgden, vrij goed wat er aan de hand was. En uiteraard kwam er veel medeleven, in de eerste maand. En net als in het fysieke leven verwatert dat snel: slechts enkelen kunnen een langere periode medeleven opbrengen. En maak jezelf niet wijs dat jij die uitzondering bent: het is <a href="http://www.depressiesteunpunt.com/html/depressie.html#tekst6">normaal</a> menselijk gedrag om niet al te lang negatieve energie te verdragen. En dus wijk je langzaam terug.
Heb je er dan niets aan? Da's ongelooflijk zwaar overdreven. Want er zijn onder die twitterende mensen wel degelijk mensen die uitermate empathisch zijn. Zo ben ik een páár keer gebeld door een twitterend dame, en heb ik een paar keer uitgebreide ontmoetingen gehad met twitteraars die 'gewoon wilden praten'. Dat zijn dus héél waardevolle gesprekken geweest. Maar slechts één van hen zit ook in de groep allereerste contacten. Blijkbaar zijn die sociale processen toch wat ingewikkelder.
Als ik zo terugkijk, dan denk ik dat <em>social media</em> je heel veel kunnen opleveren. Overdrijf die verwachting niet en realiseer je dat sociaal onvaardig in het dagelijks leven vaker niet dan wel wezenlijk beter wordt in een digitale. Op een of andere manier moet het toch echt al in je zitten. Je moet de vaardigheid hebben goed te kunnen luisteren/lezen en antwoorden/schrijven. Geen kattepis...
Ik weet het zeker: ik ga ermee door. En zeker met het proberen uit te vogelen hoe het nu werkt. Want waar ik nu dus sinds een paar maanden grote vraagtekens bij plaats is de idee dat digitale communicatie een vergelijkbare rol kan vervullen als fysieke communicatie. Ik begin dat steeds meer te betwijfelen. En dat klopt niet met onderzoek. Onderzoek waaruit zou blijken dat bijvoorbeeld digitale hulpverlening werkt. Ik betwijfel dat, op basis van n=1.
Maar het is geen reden <em>social media</em> dan als kind met het badwater weg te gooien. Wellicht is er schoon badwater nodig: een nieuwe impuls <em>social</em>.
Labels:
aanpassing met depressie,
hulp,
netwerk,
sociale
Locatie:
Leiden, Nederland
vrijdag 29 juni 2012
Zelfzucht motiveert.... toch?!
De organisatie waarvoor ik tot voor kort werkte, zal niet snel worden gezien als ‘innovatief’; in weerwil wellicht van het zelfbeeld. Het is een ietwat bezadigde organisatie waar processen, producten en diensten al langer bestaan en men dus moeite heeft die ter discussie te stellen. Een standaardpatroon, kortom, dat op veel plekken is te vinden. Ook veel vrijwilligersorganisaties kennen de mentaliteit: ‘we doen het al jaren zo en dat gaat altijd goed. Dus waarom veranderen?’. De enige verandering die wordt toegestaan, is een vrij marginale. Een nieuwe product is zelden iets anders dan een nieuwe variant bínnen een bestaande reeks. Een nieuwe dienst is vaak gebaseerd op een beproefde aanpak. En nieuwe vormen worden getoetst aan oude modellen.
Dat zijn naar mijn idee de ondernemingen die het niet gaan redden.
Stomweg omdat ze geen oog hebben voor hun speelveld. Ik weet haast zeker dat er nu lezers op de achterste benen gaan staan: “maar wat een onzin. We luisteren wél naar de klanten. We kijken hoe ze onze producten gebruiken en met welke nieuwe problemen ze worden geconfronteerd. En daar bieden wij dan oplossingen voor”. Klopt. Dat doen ze ook.
En toch zullen ze het niet gaan redden. Eigenlijk om dezelfde reden die ik eerder aanhaalde in een blogpost over het kritisch kijken naar de inzet van gamification: je moet tot het gaatje willen en durven gaan. Het moet gemeend zijn. En de vraag die je je moet stellen: wat is hier gemeend? Wat is het werkelijke doel?
De reden dat ik het schrijf, is een stukje van misschien maar drie minuten gisteravond. Fast Moving Targets organiseerde naar aanleiding van de eerste honderd Top Names een uitzending met publiek. Top Names – hier en hier terug te zien – is een web-uitzending met gasten die iets te vertellen over de invloed van (digitale) innovatie op hun werk, bedrijfstak of bedrijf. Als je wilt weten, wat eraan komt: vooral kijken. Maar dat terzijde. Gisteren dus een uitzending, met een gevarieerd publiek en ondermeer Ben van der Burg – ja, die – als gast.
Het gesprek ging op een gegeven moment over ‘mobiel’. Dan komt op enig moment de winstgevendheid van ‘mobiel’ om de hoek en Ben’s (terechte) vraag wie nu eigenlijk echt al verdient en weet hoe dat moet. Tot op heden is het immers zo dat de vaak aangehaalde succesnummers meer toevalstreffers blijken te zijn dan gerichte acties. Niet dat dat een pleidooi is voor lang nadenken en dan pas iets doen, maar wel een bevestiging van iets wat ik al járen hoor: we snappen nog niet welke mechanismen werken.
In elk geval kwam er van de tafel geen antwoord op de vraag. Maar uit de zaal kwam wel de enig juiste toevoeging, van Marck de Kock: het gaat bij ‘mobiel’ ook niet om mobiele apparaatjes, maar om relaties. Het gaat, kortom, om een veel groter netwerk, van mensen, maar ook apparaten. En in dat grote geheel werken andere wetten, waardoor het eigenlijk niet mogelijk is er één component uit te isoleren om op waarde te schatten. Daarin heeft Mark helemaal gelijk. Ook volgens Ben.

Dat is dus precies wat veel bedrijven blijkbaar niet door (willen) hebben: dat hun bedrijf inderdaad niet verandert, dat de klant mogelijkerwijs ook niet fundamenteel is veranderd, maar wél dat de omgeving waarin het bedrijf werkt, is veranderd. Er zijn nieuwe spelers gekomen. Als dat nieuwe spelers zijn, hebben die ook nog het voordeel dat ze geen historische ballast meedragen en daarmee een nog grotere concurrent zijn dan gedacht en verwacht (‘wij’ weten het op basis van jarenlange ervaring immers veel beter).
Want dat is wat Ben en Mark aankaartten: het spel is veranderd.
Want dat is wat Ben en Mark aankaartten: het spel is veranderd.
De spelregels zijn waarschijnlijk ook veranderd. Natuurlijk, het gaat nog steeds om winstgevendheid. Maar wélke winstgevendheid? En hoe? Wat moet je in een situatie waarin wederkerigheid wordt verwacht? Waar vind je nog partijen die met jou willen samenwerken, met als ultiem doel jóuw winsten te vergroten (ten koste van hen)? Wat moet je, kortom, in een wereld waarin oprechtheid aan kracht wint, en jij nog steeds zelfzuchtig ‘het eigen bedrijf overeind houdt’?
Vragen, vragen, vragen. De antwoorden zijn er inderdaad nog niet. Maar de vragen zijn op zichzelf al interessant om te stellen omdat ze gaan over de beweegredenen van ondernemers en ondernemingen. Hoe oprecht zijn die eigenlijk?
Labels:
collectief,
fast moving targets,
innovatie,
mobiel,
netwerk,
ondernemen,
vernieuwen
Locatie:
2321 Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)