Het zal een jaar of twintig geleden zijn dat we erover spraken. Met een kennis tijdens een conferentie in Lapland, op een enorm brede theatrale trap. Het zijn van die details waarvan je je afvraagt waarom je dát nu nog weet. Maar het is zo.
We hadden het over ambtenaren die 'voor zichzelf begonnen'. Zo werd dat toen genoemd, in de periode van zware bezuinigingen met namen als Bestek '81. Het zal vast zijn gegaan over VWS-ambtenaren zijn gegaan. Met hen hadden we heel veel van doen en het was (is) het ministerie dat bijna permanent in staat van reorganisatie verkeerde. Dat daar onder die omstandigheden nog íets uit kwam, is al een wonder op zich.
Wat ons toen verbaasde, is de gedachte van die ambtenaren dat zij als zelfstandige een mooie start zouden kunnen maken. Die verwachting was bijna altijd gebaseerd op hun netwerk. Dat was groot en invloedrijk.
Hoe zij zich vergisten. Dat netwerk verdampte waar ze bij stonden als zelfstandige. Immers, ze hadden niets meer te brengen, maar kwamen halen. En dat, lieve jongens en meisjes, is een fundamenteel andere positie zoals jullie weten.
Het was een situatie die enorm veel weg heeft van de kretologie die ons nu overspoelt als het gaat om het vinden van kansen, van banen of van opdrachten. Hol is het: "het gaat erom wie je kent". En dus netwerken we onszelf wezenloos, zonder een stap verder te komen.
Social media zijn wat dit betreft net een departement. Het zijn niet de personen die over een netwerk beschikken. Het zijn de medewerkers van een bedrijf die een netwerk hebben. Zo gauw je weg bent bij je adviesbureau, je ontwerpbureau, je gloeilampenfabriek, je onderzoeksinstituut, kalft je waarde enorm af. Niet jij, maar je positie bepaalt je waarde.
Maar al die invloedrijke zelfstandigen dan die via social media opmars maken en maakten? Welnu, de eerste vraag is maar één woord: 'invloedrijk'? Nou, dat valt te bezien. Ik denk dat jij erg veel moeite moet doen om één invloedrijke zelfstandige te vinden, laat staan eentje die invloed via social media verwierf. Bijna altijd is dat invloed binnen een beperkte kring.
Maar stel dat het wel zo is. De vraag die dan komt, is die naar de sterkte van die invloed, de vraag naar de bron ervan.
Je zult merken dat die net zo hard is gekoppeld aan imago als die van de werknemer aan het imago van z'n werkgever. Laat maar eens een discussie lopen waarin de identiteiten van deelnemers anoniem is. Een discussie waarin het alleen gaat om de kwaliteit van meningen, van gesprekvoering. Ik durf te wedden dat een aantal mensen dan enorm door de mand zal vallen; met een gebrek aan empathie, of een gebrek aan constructief denken, of (vooral?) vanwege een gebrek aan argumenten.
Het is een dood-ordinaire vaststelling dat je je enorm kunt vergissen in je eigen status, imago en invloed. Het is niet voor niets dat de ouden spreekwoorden hebben als dat je je echte vrienden pas leert kennen in tijden van crisis.
Dit blog bevat wel meer posts die rond het thema wentelen: wees jezelf en zorg dat je netwerk zich aan jou als persoon hecht. Dat impliceert dat je je ook als persoon moet (durven) presenteren. Ja, dat betekent ook 'boos', 'verdrietig' en 'niet-wetend'.
Want anders ben je niets meer dan een representant van net zoiets als een bedrijf: volslagen onnuttig als puntje bij paatje komt omdat de waarde dan ineens in de lucht blijkt te hangen.
Posts tonen met het label waarde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label waarde. Alle posts tonen
maandag 4 augustus 2014
dinsdag 6 mei 2014
Afscheid van een politicus: het moet.
Afscheid nemen, is een complexe emotie. Vandaag was ik bij een afscheidsreceptie om in artikelvorm daarvan verslag te doen. Daar sta je dan. Zoals altijd neem ik ruim tijd om de sfeer te proeven en de mensen te bekijken.
Zo'n afscheidsreceptie is een ritueel. De afscheidnemende staat ergens in de ruimte en vóór hem of haar vormt zich een rij om hem of haar de hand te schudden. Die handschudding is meteen ook het moment om een geschenk te overhandigen. Dat wordt overigens snel afgevoerd door een speciaal daarvoor aangewezene, die meteen een naamsticker plakt.
Vandaag namen twee politici afscheid.
Het was druk - of de zaal was te klein; dat kan ook - en afgaand op de lengte van beide rijen waren de heren qua populariteit aan elkaar gewaagd. Ze zullen ook nog wel het een en ander moeten gaan uitpakken, want velen in beide rijen hadden iets in de handen.
Zo'n receptie bekijkend, bekruipt mij de vraag wat ik nu eigenlijk zie.
Die rij is wel duidelijk. Maar verder?
Bekenden die elkaar groeten. De mensen die gezien en gesproken móeten worden, worden toegeknikt. De mensen die er niet toe doen, worden genegeerd. Je haalt de incrowd, de zelfbenoemde elite, er zó uit. Da's best wel leuk om te bekijken: hoe als satellieten de wannabe's rond de top dogs cirkelen. Hoe mensen langs elkaar heen om zich heen spieden wie nog meer interessant is om de hand te schudden. De ietwat over de top reacties. De gesprekken die, als je er flarden van oppikt, vooral gaan over Belangwekkende Zaken: het netwerken en lobbyen.
Eerlijk gezegd, vind ik dat wat bevreemdend. Op de receptie is de aandacht voor degene die onderwerp van de feestelijkheid is, eigenlijk minimaal. In essentie is die terug gebracht tot een handtekening in een gastenboek en een geschudde hand. Daarna gaat het over andere zaken. Zeker in dit geval waar de receptie ook een zeker blijk van waardering zou moeten zijn voor een levend persoon, is dat magertjes.
Niet dat iedereen anekdotes moet ophalen of klungelig in elkaar gezette liedjes zingen, maar toch. Waar is dat eerbetoon? Waar is zijn palmares benoemd? Ondanks de drank en de - erg lekkere - hapjes, is zo'n receptie een kale, zakelijke bedoening.
Het is, vind ik, een teken van tijdelijke belangrijkheid. Het hóórt blijkbaar en dus laat men zijn neus zien. Het ritueel toont de tijdelijkheid van ambten en functies. Waar op begrafenis- en bruidsrecepties de gasten vaak lang blijven, zag je het gros hier al rap verdwijnen. Hand, kado, bekenden, en weg: de werktijd zit er op. Wat zou er gemeend zijn van de aanwezigheid?
Na drie kwartier heb ik besloten weg te gaan. Het artikel is een voor mijn doen erg kort stuk geworden.
Zo'n afscheidsreceptie is een ritueel. De afscheidnemende staat ergens in de ruimte en vóór hem of haar vormt zich een rij om hem of haar de hand te schudden. Die handschudding is meteen ook het moment om een geschenk te overhandigen. Dat wordt overigens snel afgevoerd door een speciaal daarvoor aangewezene, die meteen een naamsticker plakt.
Vandaag namen twee politici afscheid.
Het was druk - of de zaal was te klein; dat kan ook - en afgaand op de lengte van beide rijen waren de heren qua populariteit aan elkaar gewaagd. Ze zullen ook nog wel het een en ander moeten gaan uitpakken, want velen in beide rijen hadden iets in de handen.
Zo'n receptie bekijkend, bekruipt mij de vraag wat ik nu eigenlijk zie.
Die rij is wel duidelijk. Maar verder?
Bekenden die elkaar groeten. De mensen die gezien en gesproken móeten worden, worden toegeknikt. De mensen die er niet toe doen, worden genegeerd. Je haalt de incrowd, de zelfbenoemde elite, er zó uit. Da's best wel leuk om te bekijken: hoe als satellieten de wannabe's rond de top dogs cirkelen. Hoe mensen langs elkaar heen om zich heen spieden wie nog meer interessant is om de hand te schudden. De ietwat over de top reacties. De gesprekken die, als je er flarden van oppikt, vooral gaan over Belangwekkende Zaken: het netwerken en lobbyen.
Eerlijk gezegd, vind ik dat wat bevreemdend. Op de receptie is de aandacht voor degene die onderwerp van de feestelijkheid is, eigenlijk minimaal. In essentie is die terug gebracht tot een handtekening in een gastenboek en een geschudde hand. Daarna gaat het over andere zaken. Zeker in dit geval waar de receptie ook een zeker blijk van waardering zou moeten zijn voor een levend persoon, is dat magertjes.
Niet dat iedereen anekdotes moet ophalen of klungelig in elkaar gezette liedjes zingen, maar toch. Waar is dat eerbetoon? Waar is zijn palmares benoemd? Ondanks de drank en de - erg lekkere - hapjes, is zo'n receptie een kale, zakelijke bedoening.
Het is, vind ik, een teken van tijdelijke belangrijkheid. Het hóórt blijkbaar en dus laat men zijn neus zien. Het ritueel toont de tijdelijkheid van ambten en functies. Waar op begrafenis- en bruidsrecepties de gasten vaak lang blijven, zag je het gros hier al rap verdwijnen. Hand, kado, bekenden, en weg: de werktijd zit er op. Wat zou er gemeend zijn van de aanwezigheid?
Na drie kwartier heb ik besloten weg te gaan. Het artikel is een voor mijn doen erg kort stuk geworden.
maandag 14 april 2014
Een nieuwe institutie?
Instituties. Mooie dingen. Ze regelen ons gedrag en (dus) ons maatschappelijk verkeer. Er zijn er een heleboel; en dan bedoel ik een heleboel. Van de gemeenschappelijke taal en de mores - normen en waarden - tot en met 'het onderwijs', 'de politiek' en 'het leger'. O, 'het gezin' is er ook een.
Instituties regelen sociale groepen. Da's zowat de bondigste omschrijving die erbij hoort. Instituties staan nooit los van de samenleving. Ze zijn bijvoorbeeld gekoppeld aan de mogelijkheden die een samenleving heeft. In de vroege middeleeuwen worden arbeidstijden geregeld door het beschikbare (dag)licht. Arbeid was 'gewoon onderdeel van het leven'. Met de komst van kunstlicht treedt de scheuring in, die tijdens de Industriële Revolutie een versnelling doormaakt. Arbeid en niet-arbeid raken - vooralsnog definitief - gescheiden.
Momenteel lijkt die scheiding ter discussie te komen staan.
Het was de produktiewijze - 'in de fabriek' en 'op het kantoor' - die vereiste dat werkers bij elkaar kropen, omdat daar de produktiemiddelen - de machines, gereedschappen, energie en licht - waren te vinden. Die industrialisatie is vanwege die scheuring een 'revolutie'. De samenleving ging op z'n kop. Nieuwe verbanden en oplossingen waren nodig. Het paradigma wisselde.
Het bijzondere is dat we nu lijken terug te wisselen. Dat heeft alles te maken met het einde van de industrialisatie-ontwikkeling. Door mechanisering is daarin steeds minder mens nodig. Tegelijk ontwikkelde zich een vraag naar kenniswerkers en groeide de zakelijke dienstverlening. Koppel daaraan het nu beschikbare internet wat op grote afstand werken mogelijk maakt en het plaatje ontwikkelt zich.
Thuiswerken, het nieuwe werken: namen voor situaties waarin wonen en werken weer in elkaars nabijheid komen, in elk geval fysiek. Vooralsnog vooral een nieuwe vórm. Zeker de wereld van de zzp'ers is alweer een stap verder. Velen van hen werken in een context die vroeg-middeleeuws is: arbeid en huishouden zijn weer kort op elkaar betrokken. Werktijd en vrije tijd lopen door elkaar. Saillant, die situatie is niet per sé een vooruitgang. De 'natuurlijke rem' van daglicht bestaat immers niet meer.
Eigenlijk zou je nu een strijd om instituties verwachten. Mogelijkerwijs gebeurt dat al. Zeker de discussies over de positie van zzp'ers lijken daar op te wijzen. Waar zo'n twee eeuwen geleden de vakbonden ontstonden als tegenmacht tegen ongebreidelde wanorde - ten koste van arbeiders - en in het belang van díe groep, zo is er nu weer zo'n discussie nodig. Tóen waren het de vragen naar wat arbeid precies was, tot waar dat wiens verantwoordelijkheid was, wat wel en wat niet beloond moest worden.
Diezelfde vragen zijn ook nu aan de orde.
De kern is: wat is arbeid? Wat is de waarde van wat? Dat is abstract. Maar in een samenleving die beloont op basis van industriële verhoudingen is het niet (goed) mogelijk te denken en belonen op basis van een nieuw criterium. Terwijl dat wel noodzakelijk gevonden zal móeten worden omdat er steeds minder 'beloonbaar werk' - in dat paradigma - te vinden is. De huidige crisis is deels daaraan te wijten.
Die herdefiniëring zal een oplossing moeten bieden voor het ontstaan van een genetwerkte (dus gefragmenteerde) arbeidsomgeving. Alsof dat nog niet genoeg is: ook het betaalbaar geachte werk verandert. Betaalbaar was wat winstgevend was voor de werkgever-producent. Die situatie loopt ten einde nu robots meer zullen worden ingezet.
Dé vraag is wat de grondslag moet zijn voor 'waarde(ring)'. Wellicht moet dat maatschappelijke inzet worden (en dan niet al die (semi-)professionele verbanden van mensen die belangrijk willen zijnn en feitelijk voor zichzelf, vermomd, aan het geld verdienen zijn). Nee, wat doe je altruístisch voor 'de samenleving'?
Instituties regelen sociale groepen. Da's zowat de bondigste omschrijving die erbij hoort. Instituties staan nooit los van de samenleving. Ze zijn bijvoorbeeld gekoppeld aan de mogelijkheden die een samenleving heeft. In de vroege middeleeuwen worden arbeidstijden geregeld door het beschikbare (dag)licht. Arbeid was 'gewoon onderdeel van het leven'. Met de komst van kunstlicht treedt de scheuring in, die tijdens de Industriële Revolutie een versnelling doormaakt. Arbeid en niet-arbeid raken - vooralsnog definitief - gescheiden.
Momenteel lijkt die scheiding ter discussie te komen staan.
Het was de produktiewijze - 'in de fabriek' en 'op het kantoor' - die vereiste dat werkers bij elkaar kropen, omdat daar de produktiemiddelen - de machines, gereedschappen, energie en licht - waren te vinden. Die industrialisatie is vanwege die scheuring een 'revolutie'. De samenleving ging op z'n kop. Nieuwe verbanden en oplossingen waren nodig. Het paradigma wisselde.
Het bijzondere is dat we nu lijken terug te wisselen. Dat heeft alles te maken met het einde van de industrialisatie-ontwikkeling. Door mechanisering is daarin steeds minder mens nodig. Tegelijk ontwikkelde zich een vraag naar kenniswerkers en groeide de zakelijke dienstverlening. Koppel daaraan het nu beschikbare internet wat op grote afstand werken mogelijk maakt en het plaatje ontwikkelt zich.
Thuiswerken, het nieuwe werken: namen voor situaties waarin wonen en werken weer in elkaars nabijheid komen, in elk geval fysiek. Vooralsnog vooral een nieuwe vórm. Zeker de wereld van de zzp'ers is alweer een stap verder. Velen van hen werken in een context die vroeg-middeleeuws is: arbeid en huishouden zijn weer kort op elkaar betrokken. Werktijd en vrije tijd lopen door elkaar. Saillant, die situatie is niet per sé een vooruitgang. De 'natuurlijke rem' van daglicht bestaat immers niet meer.
Eigenlijk zou je nu een strijd om instituties verwachten. Mogelijkerwijs gebeurt dat al. Zeker de discussies over de positie van zzp'ers lijken daar op te wijzen. Waar zo'n twee eeuwen geleden de vakbonden ontstonden als tegenmacht tegen ongebreidelde wanorde - ten koste van arbeiders - en in het belang van díe groep, zo is er nu weer zo'n discussie nodig. Tóen waren het de vragen naar wat arbeid precies was, tot waar dat wiens verantwoordelijkheid was, wat wel en wat niet beloond moest worden.
Diezelfde vragen zijn ook nu aan de orde.
De kern is: wat is arbeid? Wat is de waarde van wat? Dat is abstract. Maar in een samenleving die beloont op basis van industriële verhoudingen is het niet (goed) mogelijk te denken en belonen op basis van een nieuw criterium. Terwijl dat wel noodzakelijk gevonden zal móeten worden omdat er steeds minder 'beloonbaar werk' - in dat paradigma - te vinden is. De huidige crisis is deels daaraan te wijten.
Die herdefiniëring zal een oplossing moeten bieden voor het ontstaan van een genetwerkte (dus gefragmenteerde) arbeidsomgeving. Alsof dat nog niet genoeg is: ook het betaalbaar geachte werk verandert. Betaalbaar was wat winstgevend was voor de werkgever-producent. Die situatie loopt ten einde nu robots meer zullen worden ingezet.
Dé vraag is wat de grondslag moet zijn voor 'waarde(ring)'. Wellicht moet dat maatschappelijke inzet worden (en dan niet al die (semi-)professionele verbanden van mensen die belangrijk willen zijnn en feitelijk voor zichzelf, vermomd, aan het geld verdienen zijn). Nee, wat doe je altruístisch voor 'de samenleving'?
woensdag 5 maart 2014
De verstorende oudere
Tijdens de introductie vond ik het een wat vreemde nadruk: "vooral klein leed aan de orde laten komen". Dat leek, en lijkt, me nu niet bepaald een openingszin bij een openbaar debat. Hij is, eufemistisch, koersbepalend. Toch?!
En wat ís 'klein leed'?
Even terug. Het is woensdagmiddag en buiten begint de lente op stoom te komen. Binnen hebben zich ouderen verzameld om met kandidaatraadsleden te praten over zaken die ouderen bezig houden. Zes raadsleden en een stuk of zestig ouderen. Met m'n - haast - 59 bevind ik me onderaan hun leeftijdspyramide. Da's het decor.
Klein leed; waarom zouden we het zo nadrukkelijk moeten hebben over klein leed? Dat houd me vanaf het moment dat ik het denk bezig. Zijn die ouderen nu echt nergens anders mee bezig dan klein leed? Hun eigen kleine leed?
Voor zover ik het begreep, is de sneeuw- en ijsbestrijding klein leed. Of, juister, het ontbreken ervan, waardoor het buiten glad en kledderig is. Het is, in Leiden, het idee dat het verdwijnen van gescheiden voet- en fietspaden een achteruitgang is. Het schijnt dat wij ouderen ons ongemakkelijk voelen in een situatie waarin we een vlak moeten delen met auto's en fietsen. Nou, die fietsen - en soms auto's - kom je ook op die vrijliggende voetgangersstoep tegen, hoor.
Maar goed, klein leed is dus klein leed. En in mijn beleving narrig gemor. Van dat ouwezeuren gezeik. Precies passend bij het vooroordeel van 'ouderen'. Dáár zaten we in Leiden op te wachten. Gaan die oude knarren zich eindelijk eens serieus ergens voor interesseren, worden ze meteen weer in het hokje terug gejaagd.
Gelukkig ging het al vrij snel mis.
Diezelfde ochtend had ik met een aantal mensen mijn, onze ideeën over maatschappelijke participatie door ouderen besproken (ergens in de komende maanden zul je daar, in Leiden, vast meer over horen). Ik moet er nog wat tekst omheen fabriceren, maar de kern is dit:
Een poos terug maakte ik er al 's een blogpost over: Open brief aan de wethouder Werkgelegenheid. De rest van de ideeën zijn, sluw, verwerkt in andere blogposts. Gelukkig is het gesprek met de wethouder er aan het eind van de zomer van 2013 gekomen. Niet dat we dat goed afrondden, want na anderhalf uur kregen we honger. De wethouder sloot met de woorden "zullen we hier een komma zetten? Ik bespreek het met het management van de sociale dienst en kom dan bij je terug.".
Nooit meer iets over gehoord.
Gelukkig spreek ik hem vrij vaak. En hij was er vandaag ook. En helemaal mooi - mooi, hè, dat twee keer 'en'?... Helemaal mooi is dat die wethouder aan het eind van de middag zei dat degene die pleitte voor het waarderen en benutten van het kapitaal van ouderen hém het meest had geïnspireerd.
Dat was ik dus niet.
Nu zal me dat een relatieve biet wezen. "Jan, claim je eigen ideeën nu eens. Houd ze bij jezelf. Houd de regie." Hoe vaak ik dát wel niet hoorde in m'n leven, en zeker de laatste paar jaren. Maar dat ga ik dus nooit leren. De mentaliteit van 'delen' ligt me niet alleen meer; het is m'n natuurlijke houding. En dus was het idee allang gedeeld met het kerngroepje, waardoor één van de leden daarvan de wethouder kon inspireren.
Nu nog even zorgen dat het plan verder komt. Delen is één, maar er moet nog 's een optelsom van komen: the disruptive citizen.
En wat ís 'klein leed'?
Even terug. Het is woensdagmiddag en buiten begint de lente op stoom te komen. Binnen hebben zich ouderen verzameld om met kandidaatraadsleden te praten over zaken die ouderen bezig houden. Zes raadsleden en een stuk of zestig ouderen. Met m'n - haast - 59 bevind ik me onderaan hun leeftijdspyramide. Da's het decor.
Klein leed; waarom zouden we het zo nadrukkelijk moeten hebben over klein leed? Dat houd me vanaf het moment dat ik het denk bezig. Zijn die ouderen nu echt nergens anders mee bezig dan klein leed? Hun eigen kleine leed?
Voor zover ik het begreep, is de sneeuw- en ijsbestrijding klein leed. Of, juister, het ontbreken ervan, waardoor het buiten glad en kledderig is. Het is, in Leiden, het idee dat het verdwijnen van gescheiden voet- en fietspaden een achteruitgang is. Het schijnt dat wij ouderen ons ongemakkelijk voelen in een situatie waarin we een vlak moeten delen met auto's en fietsen. Nou, die fietsen - en soms auto's - kom je ook op die vrijliggende voetgangersstoep tegen, hoor.
Maar goed, klein leed is dus klein leed. En in mijn beleving narrig gemor. Van dat ouwezeuren gezeik. Precies passend bij het vooroordeel van 'ouderen'. Dáár zaten we in Leiden op te wachten. Gaan die oude knarren zich eindelijk eens serieus ergens voor interesseren, worden ze meteen weer in het hokje terug gejaagd.
Gelukkig ging het al vrij snel mis.
Diezelfde ochtend had ik met een aantal mensen mijn, onze ideeën over maatschappelijke participatie door ouderen besproken (ergens in de komende maanden zul je daar, in Leiden, vast meer over horen). Ik moet er nog wat tekst omheen fabriceren, maar de kern is dit:
het is doodzonde inactiviteit op te leggen aan mensen die nog actief willen en kunnen zijn.
Een poos terug maakte ik er al 's een blogpost over: Open brief aan de wethouder Werkgelegenheid. De rest van de ideeën zijn, sluw, verwerkt in andere blogposts. Gelukkig is het gesprek met de wethouder er aan het eind van de zomer van 2013 gekomen. Niet dat we dat goed afrondden, want na anderhalf uur kregen we honger. De wethouder sloot met de woorden "zullen we hier een komma zetten? Ik bespreek het met het management van de sociale dienst en kom dan bij je terug.".
Nooit meer iets over gehoord.
Gelukkig spreek ik hem vrij vaak. En hij was er vandaag ook. En helemaal mooi - mooi, hè, dat twee keer 'en'?... Helemaal mooi is dat die wethouder aan het eind van de middag zei dat degene die pleitte voor het waarderen en benutten van het kapitaal van ouderen hém het meest had geïnspireerd.
Dat was ik dus niet.
Nu zal me dat een relatieve biet wezen. "Jan, claim je eigen ideeën nu eens. Houd ze bij jezelf. Houd de regie." Hoe vaak ik dát wel niet hoorde in m'n leven, en zeker de laatste paar jaren. Maar dat ga ik dus nooit leren. De mentaliteit van 'delen' ligt me niet alleen meer; het is m'n natuurlijke houding. En dus was het idee allang gedeeld met het kerngroepje, waardoor één van de leden daarvan de wethouder kon inspireren.
Nu nog even zorgen dat het plan verder komt. Delen is één, maar er moet nog 's een optelsom van komen: the disruptive citizen.
Labels:
delen,
disruptive,
kennis,
Leiden,
ouderen,
plannen,
sociaal kapitaal,
waarde,
werkgelegenheid,
werkloos
vrijdag 13 december 2013
Bitcoin?!
Ik had toch een aardig bedrag verdiend, als.... als.... als. Het beruchte 'als'. Het achteruit kijkend beredenerende. Het 'met de feiten van nu' versus 'met de feiten van toen'. Als je niet oppast word je nog een sikkeneurig mens, die treurt om gemiste kansen.
Een jaar of drie terug zag ik voor de eerste keer het woord: Bitcoin. Wat ik me ervan herinner, is dat ik onmiddellijk de kansen zag. Dít was het: een systeem dat los van het geldverkeer een eigen ruilwaarde vertegenwoordigt. In mijn optimisme zag ik de ruil- en deeleconomie al groeien en bloeien. Wat LETS cum suis nooit echt goed was gelukt, zou nu wel gebeuren.
Zijn kracht haalt Bitcoin uit die twee aspecten, anonimiteit en eigen ruilwaarde, gefaciliteerd door technologie. Eindelijk weer eens een toepassing van algoritmes ten goede van de mensheid. Onkraakbaar en bedoeld voor internationalisering van delen.
Serieus. Ik sprong dat spreekwoordelijk gat in de lucht. Grappig was dat ik toen in mijn interne nieuwsbrief collega's informeerde over deze kans. Maar de mensen die altijd en immer bezig waren met inkomsten genereren, zagen er niets in.
De fout die ik maakte, is toen geen bitcoins te kopen. Had ik dat wel gedaan, dan was m'n inleg nu vijftien tot twintig keer over de kop gegaan.
De reden om niet te kopen, is verklaarbaar. Ik zag bitcoin als een middel om ruil te faciliteren. En ik had niets te ruilen, want ik was in loondienst. In mijn geval was dat geen stimulans om buiten de doos te opereren. Het hele concept van delen en ruilen viel op rotsachtige, dorre grond.
Wat ik fout heb ingeschat, is een aspect van bitcoin wat nu, denk ik, voor problemen zorgt. Bitcoins zijn in een vaste hoeveelheid beschikbaar. Er worden er geen bijgemaakt. In een wereld van lieve mensen die onderling ruilen, is dat niet zo'n groot probleem. In de werkelijkheid wel, want dan is dit dé conditie om speculatie te stimuleren. Dat is dan ook gaan gebeuren. Op het moment dat bitcoin bekender werd, schoot de wisselkoers - de koppeling met het klassieke geldsysteem - omhoog. Het speculeren was begonnen.
Bitcoin is een waarde in zichzelf geworden. Niet langer is het een middel, een vehikel om iets anders te bereiken, maar een doel. Dat doel is: 'klassiek geld' verdienen. Heel plat. Heel voorspelbaar.
Het is de koppeling met dat andere geldsysteem wat voor problemen zorgt. Eigenlijk zou die ten spoedigste moeten worden doorgesneden.
Wat gebeurt er als bitcoins een vaste waarde vertegenwoordigen? Dan is speculeren zinloos geworden. Het vereist wel een aanpassing.
In elk geval zal de gesloten bitcoinhoeveelheid dan open moeten zijn. Het is immers de opzet dat zoveel mogelijk mensen bitcoins gaan gebruiken. Dat kan alleen betaalbaar als de bitcoinhoeveelheid kan fluctueren.
Belangrijker is dat er een instantie - een algoritme?! - moet zijn die de waarde van de bitcoin bewaakt. Dat de bitcoin echt los van het klassieke geldsysteem zal functioneren, geloof ik niet (meer). Het is té verleidelijk om te vergelijken en zien 'hoeveel ik nu aan waarde heb'. Dat is, denk ik, alleen te doorbreken als er niets te verdienen valt. Als bitcoins altijd eenzelfde wisselkoers hebben met de klassieke munten.
Het is een slechte tijd om te kopen. De bitcoin is volatiel door de aandacht, de hype. Pas als de massa het voordeel ziet van anonimiteit en een elektronisch betaalmiddel, kan bitcoin groeien en bloeien. Stap één is dan wel de speculatie te stoppen. Die is gebaseerd op een pyramide-systeem, waarin nieuwe instappers de bestaande bezitters van bitcoins financieren. Dat gaat klappen. Pas als de phoenix uit die as herrijst, kan bitcoin serieus doorstoten en z'n werk doen. Want dat ís het: een potentieel ontwrichtende innovatie.
Voor nu? Blijf er ver weg van.
Een jaar of drie terug zag ik voor de eerste keer het woord: Bitcoin. Wat ik me ervan herinner, is dat ik onmiddellijk de kansen zag. Dít was het: een systeem dat los van het geldverkeer een eigen ruilwaarde vertegenwoordigt. In mijn optimisme zag ik de ruil- en deeleconomie al groeien en bloeien. Wat LETS cum suis nooit echt goed was gelukt, zou nu wel gebeuren.
Zijn kracht haalt Bitcoin uit die twee aspecten, anonimiteit en eigen ruilwaarde, gefaciliteerd door technologie. Eindelijk weer eens een toepassing van algoritmes ten goede van de mensheid. Onkraakbaar en bedoeld voor internationalisering van delen.
Serieus. Ik sprong dat spreekwoordelijk gat in de lucht. Grappig was dat ik toen in mijn interne nieuwsbrief collega's informeerde over deze kans. Maar de mensen die altijd en immer bezig waren met inkomsten genereren, zagen er niets in.
De fout die ik maakte, is toen geen bitcoins te kopen. Had ik dat wel gedaan, dan was m'n inleg nu vijftien tot twintig keer over de kop gegaan.
De reden om niet te kopen, is verklaarbaar. Ik zag bitcoin als een middel om ruil te faciliteren. En ik had niets te ruilen, want ik was in loondienst. In mijn geval was dat geen stimulans om buiten de doos te opereren. Het hele concept van delen en ruilen viel op rotsachtige, dorre grond.
Wat ik fout heb ingeschat, is een aspect van bitcoin wat nu, denk ik, voor problemen zorgt. Bitcoins zijn in een vaste hoeveelheid beschikbaar. Er worden er geen bijgemaakt. In een wereld van lieve mensen die onderling ruilen, is dat niet zo'n groot probleem. In de werkelijkheid wel, want dan is dit dé conditie om speculatie te stimuleren. Dat is dan ook gaan gebeuren. Op het moment dat bitcoin bekender werd, schoot de wisselkoers - de koppeling met het klassieke geldsysteem - omhoog. Het speculeren was begonnen.
Bitcoin is een waarde in zichzelf geworden. Niet langer is het een middel, een vehikel om iets anders te bereiken, maar een doel. Dat doel is: 'klassiek geld' verdienen. Heel plat. Heel voorspelbaar.
Het is de koppeling met dat andere geldsysteem wat voor problemen zorgt. Eigenlijk zou die ten spoedigste moeten worden doorgesneden.
Wat gebeurt er als bitcoins een vaste waarde vertegenwoordigen? Dan is speculeren zinloos geworden. Het vereist wel een aanpassing.
In elk geval zal de gesloten bitcoinhoeveelheid dan open moeten zijn. Het is immers de opzet dat zoveel mogelijk mensen bitcoins gaan gebruiken. Dat kan alleen betaalbaar als de bitcoinhoeveelheid kan fluctueren.
Belangrijker is dat er een instantie - een algoritme?! - moet zijn die de waarde van de bitcoin bewaakt. Dat de bitcoin echt los van het klassieke geldsysteem zal functioneren, geloof ik niet (meer). Het is té verleidelijk om te vergelijken en zien 'hoeveel ik nu aan waarde heb'. Dat is, denk ik, alleen te doorbreken als er niets te verdienen valt. Als bitcoins altijd eenzelfde wisselkoers hebben met de klassieke munten.
Het is een slechte tijd om te kopen. De bitcoin is volatiel door de aandacht, de hype. Pas als de massa het voordeel ziet van anonimiteit en een elektronisch betaalmiddel, kan bitcoin groeien en bloeien. Stap één is dan wel de speculatie te stoppen. Die is gebaseerd op een pyramide-systeem, waarin nieuwe instappers de bestaande bezitters van bitcoins financieren. Dat gaat klappen. Pas als de phoenix uit die as herrijst, kan bitcoin serieus doorstoten en z'n werk doen. Want dat ís het: een potentieel ontwrichtende innovatie.
Voor nu? Blijf er ver weg van.
Labels:
geld,
hype,
innovatie,
ontwrichtend,
pyramidespel,
speculatie,
waarde
zondag 2 juni 2013
Vertrouwenwekkende 'full disclosures'
Het is in de eerste plaats een goed artikel over de nieuwe koers van de fotodienst Flickr. Lezenswaard. Zeker ook als je weet weten hoe Yahoo probeert de koers te verleggen daar.
De reden voor deze blogpost is echter een andere.
Bijna was ik er aan voorbijgegaan. Dat tussen haakjes staande stuk tekst waarin de verslaggever zijn positie verduidelijkt. Het is dat die deze keer zo lang is - meestal is het een regel of iets in die orde - dat me ineens te binnen viel: "Maar waar zie ik die plaatsbepalingen eigenlijk in de klassieke media?".

Het zijn dit soort van dingen - nee, niet 'details' - die het verschil aangeven tussen oude en nieuwe media(-denken).
In het oude denken is aan publieke functies een hoge mate van vertrouwen in integriteit toegekend. De politicus die onbelast en onbezwaard zijn werk moet (kunnen) doen. De politieman wiens proces verbaal onbetwijfelbaar moet zijn. De wetenschapper die controleerbaar moet zijn. De journalist die hoor en wederhoor toepast. In al die situaties gaat het om integriteit.
Wat een groot verschil is tussen de oude en nieuwe stuatie is dat anders wordt gedacht over die controleerbaarheid. In de nieuwe situatie wordt veel meer uitgegaan van een realistische werkelijkheid waarin integriteit enorm kwetsbaar is; mogelijk niet eens echt bestaat. Hoeveel moeite ook wordt gedaan, integriteit staat altijd onder druk. Integriteit verwáchten is een risico. Omdát je politieman bent, ben je niet onfeilbaar. Omdát je politicus bent, ben je niet onkwetsbaar. Omdát je journalist bent, ben je niet neutraal. Beroepscodes, beroepseer en zelfs beroepsééd zijn loze begrippen als er geen controle mogelijk is.
Dát is wat de nieuwe lichtingen doen.
De term is mogelijk al ietwat uitgehold, maar 'transparantie' maakt wél duidelijk wat de andere positie is. Daarin speelt dat vertrouwen nog steeds een rol, maar óók het realisme waardoor wordt verwacht dat men eigen posities duidelijk maakt. Waarom zou iemand zich kunnen verschuilen achter het imago van de organisatie waarvoor hij werkt? De journalist ís de krant niet. De consultant, de adviseur ís de adviesorganisatie niet. Zeker in die functies is het enorm verhelderend te weten in welke verhouding tot het onderwerp men staat.
De kracht van die nieuwe aanpak - beetje groots geformuleerd - is dat díe context op waarde wordt geschat: zijn relevantie is inderdaad fors.
Het is onthutsend om soms te zien hoe 'neutrale' adviezen feitelijk worden geschreven door mensen met duidelijke lijnen naar het onderwerp van advies. Dat hóeven geen belangen te zijn. Dat hóeft geen effect te hebben. Maar het verzwijgen ervan maakt ook dat wij het niet weten en wanneer we het ontdekken dat tot breekpunt bevorderen. En, echt waar, ik zie ze nog steeds geregeld: de mannen die adviseren over onderwerpen waarvan je wéét dat ze daarin niet neutraal zijn.
Kijk. Dat geloof in integriteit ben ik al lang kwijt. Ik ben enorm blij met onderzoeksjournalistiek en kritische journalistiek. En ik hoop al járen dat we ons eens een keer verdiepen in die netwerken en hun gevolgen voor integriteit. Tot dat moment, denk ik, is het verstandig iedereen die niet aangeeft waar-i staat, minder op z'n woord te geloven.
Dat is wat zo'n eenvoudige full disclosure in de klassieke media (en publieke functies) zou doen: duidelijk maken waar de auteur staat.
De reden voor deze blogpost is echter een andere.
Bijna was ik er aan voorbijgegaan. Dat tussen haakjes staande stuk tekst waarin de verslaggever zijn positie verduidelijkt. Het is dat die deze keer zo lang is - meestal is het een regel of iets in die orde - dat me ineens te binnen viel: "Maar waar zie ik die plaatsbepalingen eigenlijk in de klassieke media?".
Het zijn dit soort van dingen - nee, niet 'details' - die het verschil aangeven tussen oude en nieuwe media(-denken).
In het oude denken is aan publieke functies een hoge mate van vertrouwen in integriteit toegekend. De politicus die onbelast en onbezwaard zijn werk moet (kunnen) doen. De politieman wiens proces verbaal onbetwijfelbaar moet zijn. De wetenschapper die controleerbaar moet zijn. De journalist die hoor en wederhoor toepast. In al die situaties gaat het om integriteit.
Wat een groot verschil is tussen de oude en nieuwe stuatie is dat anders wordt gedacht over die controleerbaarheid. In de nieuwe situatie wordt veel meer uitgegaan van een realistische werkelijkheid waarin integriteit enorm kwetsbaar is; mogelijk niet eens echt bestaat. Hoeveel moeite ook wordt gedaan, integriteit staat altijd onder druk. Integriteit verwáchten is een risico. Omdát je politieman bent, ben je niet onfeilbaar. Omdát je politicus bent, ben je niet onkwetsbaar. Omdát je journalist bent, ben je niet neutraal. Beroepscodes, beroepseer en zelfs beroepsééd zijn loze begrippen als er geen controle mogelijk is.
Dát is wat de nieuwe lichtingen doen.
De term is mogelijk al ietwat uitgehold, maar 'transparantie' maakt wél duidelijk wat de andere positie is. Daarin speelt dat vertrouwen nog steeds een rol, maar óók het realisme waardoor wordt verwacht dat men eigen posities duidelijk maakt. Waarom zou iemand zich kunnen verschuilen achter het imago van de organisatie waarvoor hij werkt? De journalist ís de krant niet. De consultant, de adviseur ís de adviesorganisatie niet. Zeker in die functies is het enorm verhelderend te weten in welke verhouding tot het onderwerp men staat.
De kracht van die nieuwe aanpak - beetje groots geformuleerd - is dat díe context op waarde wordt geschat: zijn relevantie is inderdaad fors.
Het is onthutsend om soms te zien hoe 'neutrale' adviezen feitelijk worden geschreven door mensen met duidelijke lijnen naar het onderwerp van advies. Dat hóeven geen belangen te zijn. Dat hóeft geen effect te hebben. Maar het verzwijgen ervan maakt ook dat wij het niet weten en wanneer we het ontdekken dat tot breekpunt bevorderen. En, echt waar, ik zie ze nog steeds geregeld: de mannen die adviseren over onderwerpen waarvan je wéét dat ze daarin niet neutraal zijn.
Kijk. Dat geloof in integriteit ben ik al lang kwijt. Ik ben enorm blij met onderzoeksjournalistiek en kritische journalistiek. En ik hoop al járen dat we ons eens een keer verdiepen in die netwerken en hun gevolgen voor integriteit. Tot dat moment, denk ik, is het verstandig iedereen die niet aangeeft waar-i staat, minder op z'n woord te geloven.
Dat is wat zo'n eenvoudige full disclosure in de klassieke media (en publieke functies) zou doen: duidelijk maken waar de auteur staat.
Labels:
belangen,
disclosure,
integriteit,
netwerk,
neutraliteit,
old boys,
openbaar,
positie,
standpunt,
waarde
Locatie:
Leiden, Nederland
maandag 27 mei 2013
Waard?! Je bent níets waard!
Voor mij was het reden om hem meteen te delen via social media: dit bericht Personal data for sale.
Ene Federico Zannier heeft besloten dat, als er geld wordt verdiend met verzamelde gegevens, hij dat ook zelf kan doen en te koop aanbieden. Pikt-i nog een graantje mee van die enorme berg die big data heet. Hij is er zelfs een Kickstarter-project mee begonnen. Hé ... en hij heeft al $1984 en 166 ondersteuners, terwijl-i mikte op $500! Nou, dan heb je een snaar geraakt. Toch?

Het hele verhaal doet me denken aan een ervaring die ik zelf had in de jaren tachtig. We doen veldonderzoek in Amsterdam: vrij lange gesprekken met langdurig werklozen - "kwálitatief onderzoek, jongen". Daar zitten gesprekken tussen die je nooit meer vergeet. Een Marokkaanse man van in de vijftig die zich letterlijk en figuurlijk had kapotgewerkt bij Heineken. Een jonge jongen die het allemaal niets deed en die wel zag hoe zijn leven verder zou gaan. Maar ook bijvoorbeeld degene die open deed en toen zei: "Wat schuift het? Jij verdient toch aan wat ik zeg?".
Inderdaad; dit werd een non-respondent, want voor die gesprekken werd niet betaald.
Het zijn echter wel degelijk relevante reacties; ook die van Federico Zannier. Ze stellen de vraag waar de waarde van data zit. Die zit - jammer, jongens - niet daar waar zij 'm denken te zien. Denk ik.
Data is zo goed als niets waard. Een dataverzameling is iets waard. Dat hebben al die dataverzamelaars ook wel in de gaten. Maar dat heb jij zelf vast ook wel meegemaakt. Dat je ergens een archief van hebt: da's waardevol voor mensen die iets willen weten over dat onderwerp, zeker als je er in kunt zoeken. Niet dat je nu als een gek moet gaan bewaren. Het kost tijd, net als goede wijn, voordat de verzameling waarde krijgt. En een goede opslag én ontsluiting vereisen vakkennis.
Wat jij op een dag doet, is niet interessant. Wat ik op een dag doe, evenmin. Maar wat 'we' op een dag doen, wel. Want daaruit kun je patronen halen. Wat dat betreft, is het verhaal van Federico wel grappig: hij stelt dat híj de verzameling data is. Dat klopt. Voor een case study is dat zo. Maar ja N=1 is wel erg beperkt om meer mee te doen.
Ben je dus waardeloos? Nee, natuurlijk niet. Denken dat je je handelen op deze manier kunt waarderen, is echter een heel andere zaak. In ruil voor gebruik van software, sta je dat verzamelen toe. Wil je dat niet? Dan gebruik je die software toch niet? Wil je je gegevens niet delen, dan kan dat; gewoon precies hetzelfde doen als de klassieke aanpak van 'kennis is macht, en informatie is kapitaal'. En dus houd je het voor jezelf. In het dagelijks leven wordt dat wat lastig.
Voor de data-analisten zijn de data van een individu niet zo interessant. Wél de verkeerspatronen in grote datasets, mét alle gevaren (en voordelen) van dien. De waarde zit 'm dan in (het gemak van) de grote aantallen. De waarde zit in het verzamelen en ontsluiten, niet in de data op zich. Met één uitzondering: de kwaliteit.
Dé manier om dit soort van verzamelingen onderuit te halen, is door de data te vervuilen. Als 65jarige veel babyvoeding bij AH kopen, doet op den duur afbreuk aan de bonuskaartgegevens van die 65jarige. Dat is al geprobeerd door tegenstanders van dit registreren. Maar zoals dat hoort bij de Wet van de Grote Aantallen: de massa doet niet mee, waardoor zo'n actie roemloos mislukt.
Dát zou Federico wel kunnen doen: in ruil voor de betaling juiste en zuivere data aanleveren. Sterker, ik denk dat-i dat móet op het moment dat er een betaling wordt gevraagd.
Maar dat neemt níet weg dat het gegeven dat Federico al meer geld heeft opgehaald óók aangeeft dat 'wij' in de smiezen hebben dat er veel belang wordt gehecht aan het analyseren van ons gedrag.
Mooi. Dan ga ik nu even naar de supermarkt iets kopen wat ik niet nodig heb (en over een paar dagen weer terug breng). En om m'n bewegingen te maskeren, misleid ik de GSM-masten door een heel eind om te fietsen. Het leven van een data-eigenaar gaat níet over rozen.
Als je dat al dacht.
Ene Federico Zannier heeft besloten dat, als er geld wordt verdiend met verzamelde gegevens, hij dat ook zelf kan doen en te koop aanbieden. Pikt-i nog een graantje mee van die enorme berg die big data heet. Hij is er zelfs een Kickstarter-project mee begonnen. Hé ... en hij heeft al $1984 en 166 ondersteuners, terwijl-i mikte op $500! Nou, dan heb je een snaar geraakt. Toch?
Het hele verhaal doet me denken aan een ervaring die ik zelf had in de jaren tachtig. We doen veldonderzoek in Amsterdam: vrij lange gesprekken met langdurig werklozen - "kwálitatief onderzoek, jongen". Daar zitten gesprekken tussen die je nooit meer vergeet. Een Marokkaanse man van in de vijftig die zich letterlijk en figuurlijk had kapotgewerkt bij Heineken. Een jonge jongen die het allemaal niets deed en die wel zag hoe zijn leven verder zou gaan. Maar ook bijvoorbeeld degene die open deed en toen zei: "Wat schuift het? Jij verdient toch aan wat ik zeg?".
Inderdaad; dit werd een non-respondent, want voor die gesprekken werd niet betaald.
Het zijn echter wel degelijk relevante reacties; ook die van Federico Zannier. Ze stellen de vraag waar de waarde van data zit. Die zit - jammer, jongens - niet daar waar zij 'm denken te zien. Denk ik.
Data is zo goed als niets waard. Een dataverzameling is iets waard. Dat hebben al die dataverzamelaars ook wel in de gaten. Maar dat heb jij zelf vast ook wel meegemaakt. Dat je ergens een archief van hebt: da's waardevol voor mensen die iets willen weten over dat onderwerp, zeker als je er in kunt zoeken. Niet dat je nu als een gek moet gaan bewaren. Het kost tijd, net als goede wijn, voordat de verzameling waarde krijgt. En een goede opslag én ontsluiting vereisen vakkennis.
Wat jij op een dag doet, is niet interessant. Wat ik op een dag doe, evenmin. Maar wat 'we' op een dag doen, wel. Want daaruit kun je patronen halen. Wat dat betreft, is het verhaal van Federico wel grappig: hij stelt dat híj de verzameling data is. Dat klopt. Voor een case study is dat zo. Maar ja N=1 is wel erg beperkt om meer mee te doen.
Ben je dus waardeloos? Nee, natuurlijk niet. Denken dat je je handelen op deze manier kunt waarderen, is echter een heel andere zaak. In ruil voor gebruik van software, sta je dat verzamelen toe. Wil je dat niet? Dan gebruik je die software toch niet? Wil je je gegevens niet delen, dan kan dat; gewoon precies hetzelfde doen als de klassieke aanpak van 'kennis is macht, en informatie is kapitaal'. En dus houd je het voor jezelf. In het dagelijks leven wordt dat wat lastig.
Voor de data-analisten zijn de data van een individu niet zo interessant. Wél de verkeerspatronen in grote datasets, mét alle gevaren (en voordelen) van dien. De waarde zit 'm dan in (het gemak van) de grote aantallen. De waarde zit in het verzamelen en ontsluiten, niet in de data op zich. Met één uitzondering: de kwaliteit.
Dé manier om dit soort van verzamelingen onderuit te halen, is door de data te vervuilen. Als 65jarige veel babyvoeding bij AH kopen, doet op den duur afbreuk aan de bonuskaartgegevens van die 65jarige. Dat is al geprobeerd door tegenstanders van dit registreren. Maar zoals dat hoort bij de Wet van de Grote Aantallen: de massa doet niet mee, waardoor zo'n actie roemloos mislukt.
Dát zou Federico wel kunnen doen: in ruil voor de betaling juiste en zuivere data aanleveren. Sterker, ik denk dat-i dat móet op het moment dat er een betaling wordt gevraagd.
Maar dat neemt níet weg dat het gegeven dat Federico al meer geld heeft opgehaald óók aangeeft dat 'wij' in de smiezen hebben dat er veel belang wordt gehecht aan het analyseren van ons gedrag.
Mooi. Dan ga ik nu even naar de supermarkt iets kopen wat ik niet nodig heb (en over een paar dagen weer terug breng). En om m'n bewegingen te maskeren, misleid ik de GSM-masten door een heel eind om te fietsen. Het leven van een data-eigenaar gaat níet over rozen.
Als je dat al dacht.
Labels:
big data,
casuïstiek,
een tijd zonder werk,
m&t,
methodologie,
waarde,
waardebepaling
Locatie:
Leiden, Nederland
zaterdag 7 juli 2012
'zó moet het' is onzin
"Alles van waarde is weerloos" (Lucebert)
Vijftiger Lucebert heeft het niet over geldwaarde. Hij duidt op esthetische waarde, op schoonheid en kunst. Dat-i gelijk heeft, bewijst de geschiedenis wel. Het is vooral waardevolle kunst die wordt bewaakt en bewaard. Daarvan zóu je kunnen beweren dat dat ook de kunst is die 'eeuwigheidswaarde' heeft.
Schoonheid en kunst zijn complexe begrippen. Wie of wat bepaalt nu eigenlijk wat 'mooi' is en wat de moeite van het bewaren waard is? Voor particuliere eigenaren en vooral beleggers lijkt dat de financiële waarde te zijn. Voor musea geldt steeds meer dat wordt geprobeerd een tijdsbeeld vast te houden. En voor de kleine particulier speelt vast de gedachte mee ooit in een programma als Tussen Kunst En Kitsch te horen te krijgen een zeldzaam stuk te hebben aangeschaft.
Het is een kwestie van smaak die zorgt voor de grootste problemen. Hoe je het wendt of keert: de waardering wordt bepaald door de ogen die het zien. En onze ogen zien een Rembrandt of een pindakaasvloer van Wim T. Schippers in een andere tijd dan de maker. Het is dus heel goed mogelijk dat die beide momenten geheel verschillende waarderingen opleveren. Voor sommige grote kunstenaars betekende dat dat zij daarvan nooit iets hebben gemerkt en in barre omstandigheden leefden en stierven.
Het betekent concreet dat waardering tijdgebonden is. En dat waardering dynamisch is. Onze inzichten en onze smaak veranderen over tijd. Je kunt dat bij jezelf al nagaan door eens te proberen te herinneren in hoeverre bijvoorbeeld je muzieksmaak als tiener nog hetzelfde is als die van vandaag. Of je voorkeur voor beeld: is die nog steeds hetzelfde?
Die dynamiek maakt dat er een permanente discussie gaande is over 'mooi, en hoe dat nu moet'. En, terzijde, ook dat een steeds andere selectie objecten wordt gezien als waardevol om te behouden: niet voor niets kunnen historici soms níet begrijpen 'waarom juist dát stuk ooit is vernietigd'. Binnensteden zijn daarvan mooie voorbeelden.
Die cultuur bestaat op het Internet net zo goed als elders. En dus zie je ook daar de meningen verschillen over wat 'goed en mooi' is. Er wordt met heatmaps fanatiek gemeten waar de hotspots zitten en welke aantallen bezoekers de verschilllende websites, of zelfs delen van websites, halen. En welke advertenties op die plekken dan het meest opleveren. Of, wacht: advertenties?! Nee, we moeten de boodschap onderbrengen in de informatie, in het verhaal. Advertenties werken blijkbaar niet meer voldoende.
De vraag is echter of dat meten wel de juiste informatie oplevert. Want een visueel platform als het web, en de mobiele apparaten die nu snel opkomen, maken dat de ervaring van de gebruiker steeds meer richting die van de kunst-ervaring gaat. En dan wordt het zaak voor ontwerpers een gevóel te pakken. Dat ga je met 'meten' níet weten.
Het is de (weder)opstanding van de kunstenaar, in al z'n variëteit en zonder 'waarheid'.
Labels:
lucebert,
mobiel,
richtlijnen,
schoonheid,
usability,
waarde,
waarheid,
websites
Locatie:
2321 Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)

