Posts tonen met het label beroep. Alle posts tonen
Posts tonen met het label beroep. Alle posts tonen

dinsdag 5 augustus 2014

Het gaat erom wat wíj met ons leven willen

Als ik naar mijn eigen geschiedenis en overwegingen terug kijk, dan zie je het al gebeuren. Verhuizingen en ziekte maakten dat ik precies tijdens de invoering van de Mammoetwet een nieuwe school tegemoet ging halverwege het laatste schooljaar oude stijl.

Een verloren jaar werd het. De nieuwe school vond het - niet onverstandig - beter als ik gewoon binnen de Mammoetwetschoolvormen zou beginnen. Het werd HAVO. Die heb ik gehaald, waarna de vraag opdoemde: en nu? Dat was dus echt 'waarna'. Het zou sociale academie kunnen worden, of HTS Bouwkunde. Ook leuk, zij het dat ik in beide gevallen geen idee had van de inhoud. Het werd HTS en binnen een maand of vier een fiasco. HAVO en HTS sloten op geen enkele wijze aan. De (noodsprong)zet was om 'dan maar VWO' te gaan doen.

In de twee jaar die dat kostte, werd me niet bepaald duidelijker wat ik moest met die 'prachtige toekomst vol kansen en mogelijkheden'. Uiteindelijk ben ik sociologie gaan studeren en tot op de dag van vandaag durf ik niet met 100% zekerheid te zeggen waaróm. Ik had een leraar Maatschappijleer die het vak boeiend maakte. Ik deed enorm veel in het jongerenwerk. En ik had een aangetrouwde neef die carrière maakte als socioloog. En dus werd dat het.

Nooit heb ik er spijt van gehad. Wel heb ik de keuze geregeld verdoemd op de momenten dat weer eens onbegrijpelijke Duitstalige boeken moesten worden gelezen of (onderzoeks)statistiek beoefend. Dat hoort erbij, weet ik nu. Uiteindelijk is het een echte klassieke studie; net als filosofie leidt het op tot niets, niet tot een beroep. Wel tot een levenshouding, een onconventionele manier van kijken en denken (dat, althans, probeer je).

Zo werkt dat dus. Je bent jong en je wilt wat. Maar wat?

Ik heb het bij mijn eigen kinderen gezien, en bij hun vrienden. Vooral jongens leken moeite te hebben met 'leren'. De een na de ander struikelde, haalde z'n studiepunten niet en stapte over naar een andere studie. Zonder zwaarwichtige overweging.

Mijn laatste werkgever zag wel kansen voor inkomsten uit die situatie. Daar werd de redenering gevolgd dat het mogelijk moest zijn, met behulp van techniek, de afwegingen die jonge mensen te rationaliseren. Laat zien wat de arbeidsmarktkansen van een opleiding zijn en jongeren zullen anders kiezen. Zelfs de overtuiging dat de overheid sommige onnutte - op dat momént onnutte - opleidingen zou moeten verbieden. Het zal website nummer zoveel worden als-i klaar is (ik werk er niet meer, maar ga ervan uit dat het project nog steeds bestaat).

In de komkommertijd komt er dan een saillant bericht voorbij van het ministerie van OC&W dat er geen succes wordt geboekt bij het bestrijden van 'verkeerde studiekeuzes'. Men lijkt helemaal verbaasd dat 'oefenstudiedagen'geen effect sorteren. Studenten blijven vasthouden aan hun voorkeur (maar waarderen de inspanningen van universiteiten wel).

In al die gevallen waarin wordt gewerkt naar een betere aansluiting van onderwijs en arbeidsmarkt of van studiekeuze, vraag ik me af wat dat voor mensen zijn.

Zijn ze hun eigen worstelingen vergeten (van sommige weet ik dat ze écht denken die nooit te hebben gehad)? Denken ze echt dat er een perfecte marktwerking en zien ze niet dat die volslagen imperfect is geworden? Hebben ze echt de illusie te kunnen voorspellen?

Of zouden ze een keer moeten toegeven helemaal niet te zijn geïnteresseerd in ónderwijs, maar vooral in het industrieel aanleveren van werknemers? Da's namelijk een principieel andere insteek. 'De arbeidsmarkt casu quo werkgevers vragen werknemers met deze vaardigheden en kennis, en wij leveren dat.'

Mevrouw de minister, er is geen sprake van een arbeids- of opleidingsmarkt die perfect is of zelfs maar kán zijn. Het streven daarnaar door apps, websites of (toelatings)beleid getuigt van enorme naïviteit. Al zet u honderden adviesbureaus in; geen van hen zal een tevredenstellende balans creëeren.

Het ís hard nodig dat de overheid zich eens realiseert dat in (al?) haar beleid het subject is verdwenen. Het gaat over mensen, niet dingen. Het gaat er om wat wíj met óns leven willen doen. Niet wat ánderen met ons willen.

zondag 13 oktober 2013

Gevoeligheden

Ieder beroep heeft z'n eigen codes. Veranderingen daarin verraden soms ontwikkelingen in een beroep.

Sociologen hebben ooit vastgesteld dat beroepen waarin veel vrouwen werkzaam zijn, over het algemeen lager worden beloond, betaald dan beroepen waarin veel mannen werken. Die situatie is nog steeds niet fundamenteel anders: vrouwen verdienen minder dan mannen, grosso modo.

Het is niet de bedoeling die kennis zo te gebruiken, maar het kan wel: van een beroep dat feminiseert, kan worden verwacht dat het in status aan het veranderen is. Die verlaagt. Andersom geldt ook: een toename van mannelijke beroepsbeoefenaren is vaak een teken van stijgende beloningsniveaus. Dat gebeurt allemaal niet van de ene op de andere dag. Maar de tendensen zijn er.

Iets vergelijkbaars gebeurt met vaktaak, jargon. Op het moment dat vaktermen worden opgenomen in het algemeen taalgebruik, daalt de status van dat beroep een fractie. De kern is eigenlijk heel vanzelfsprekend: als iedereen snapt hoe iets wordt gedaan, is de exclusiviteit minder. Vaktaal is echt heel belangrijk voor beroepsstatus.

Een mooi voorbeeld zijn de journalisten.

De afgelopen maanden ben ik minstens tien keer tegen de felle reacties aangelopen van journalisten die zich hevig verzetten tegen het 'schrijven van stukjes' in plaats van het 'schrijven van artikelen'. Dat is eigenlijk een tekenende reactie.

'Ik schrijf 'artikelen'' is een achterhoedegevecht.

De erosie van het journalistieke beroep lijkt hevig. Lijkt, want ik denk dat het wel meevalt. Wat wél gebeurt, is dat een specifieke categorie journalistiek werk erodeert: het dagelijks, beschrijvend nieuws. Dat wordt inmiddels ook goed gedaan door talloze websites, bloggers en andersoortige schrijvers.

Die mensen spreken vaak over het schrijven van stukjes. Zo wordt dat ook ervaren. Het interessante aan de reactie is dat er blijkbaar een open zenuw wordt geraakt. Een open zenuw die mogelijk neerkomt op: 'shit, ze hebben gelijk. Dit zíjn stukjes'. Hoe je er ook naar kijkt, een overtrokken reactie op terminologie wijst vaak op een status die bijna uitsluitend is gebaséérd op terminologie.

Eerlijk gezegd ben ik van mening dat de term er niet heel veel toe doet. Maar inmiddels ben ik er ook achter dat de verdedigers van 'artikel' vaak een werkwijze en schrijfstijl hebben die eenvoudig zijn te kopieëren. Het zijn niet bepaald de beste onderzoeksjournalisten of stijlbepalers.

'stukjes schrijven': zo ís het gewoon, en dat is voor veel journalisten heel bedreigend.