Ik ben overtuigd. Fantasie verdwijnt.
Wat klets je nu?
Nou. Dan moet je dat onverslaanbare Tegenlicht, van zondag 9 maart 2014, maar eens terug kijken. Die ging over de vraag Hoe echt is echt?. Da's een enorm onderwerp en, eerlijk is eerlijk, deze aflevering is een voorbeeld van een iets grotere mond dan de maag: teveel hooi op de vork, dus.
Dat neemt niet weg dat er zat interessants is.
Wat te denken van Next Media. Dat bedrijf 'visualiseert nieuws'. Het is nog niet zo ver, maar over een tijdje kun je 'gewoon rondlopen' in het nieuws: rondkijken bij een kettingbotsing, rondkruipen in het karkas van een neergestort vliegtuig, neuzen op de moordplek, en naast de persident van de VS staan. Of in het publiek, natuurlijk.
Ik vind het nog steeds één van de angstwekkendste ontwikkelingen die we doormaken vandaag de dag: het verdwijnen van fantasie.
Moet je eens denken. Ooit waren er de verhalen die werden verteld. Zo onbetrouwbaar als de neten, want de verteller vertelde iedere keer andere versies en de luisteraars vertelden weer andere variaties verder. Met de boekdrukkunst verdween dat probleem grotendeels (wist je dat de monnikken die in de periode daarvoor manuscripten overschreven daarin soms eigen aanpassingen maakten?). Het verhaal lag vast in meerdere identieke kopieën. En zo verder.
Wat in die reeks vermindert is verbeelding. De verteller riep een beeld óp, maar liet de constructie daarvan aan de luisteraar over. De gedrukte tekst vermindert de vrijheid van Fantasie nog meer; de beschrijvingen worden gedetailleerder en de lezer meer en meer bij de hand genomen. Met media als televisie is het weer een stap minder. Nu zíe je zelfs wat Fantasie had moeten doen. Nóóit zie je een verbeelding in film of op tv van jóuw fantasie. Jouw beeld van Harry Potter was een ander dan het figuur dat in de film figureert.
Dat is essentieel. Fantasie wordt vervangen door de realiteit van een ander.
Nu dus de verbeelding van nieuws. Dat kán niet. Hoe je het ook bekijkt, in alle gevallen is het een interpretatie. Misschien dat het nog enigszins mogelijk is de fysieke omgeving neutraal weer te geven, maar iedere sociale actie is een interpretatie. Daarvan moet je je bewust zijn (vandaar dat Tegenlicht een belangrijk onderwerp bij de kop had met de vraag wat dan écht is).
Het grote verschil is dat je niet in de overwegingen en historie van subjecten, mensen kunt hebben. Anders gezegd: je kijkt naar de oppervlakte, naar het zichtbare. Een kopie van een kunstwerk laat je naar een afbeelding kijken, hoe goed ook. Rondlopen ín een omgeving? Onzin, je kijkt naar een continue schérm, zonder emotie, zonder toeval of chaos.
Belangrijker is wellicht wat de gevolgen van verminderende invloed van Fantasie zijn. Die gaan ver, net als het verdwijnen van de bij zoiets is als die spreekwoordelijke vlinder die een orkaan veroorzaakt. Over chaostheorie, waar die vlinder iconisch voor is geworden, gaan we het niet hebben, maar wel over het effect.
Fantasie stuwt nogal wat voort. Géén van de grote en kleine uitvindingen zou zonder Fantasie tot stand zijn gekomen. Geen van de dromen van een betere wereld zouden zijn ontstaan (en evenmin die van de dictator en totale alleenheerschappij). Dan heb jij ook geen mogelijkheid even te ontsnappen uit de werkelijkheid. Dan word je gevangene van het dagelijks leven, vaak 'werk'. Dan is het maar de vraag waarom je nog zou nadenken over andere zaken. Dat leidt immers alleen af van jouw functie.
Wat ís jouw functie eigenlijk?!
Posts tonen met het label singulariteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label singulariteit. Alle posts tonen
maandag 10 maart 2014
donderdag 19 december 2013
Ontregelende innovatie met een klap
Big bang disruption noemen ze het. Het is de titel van een boek dat Paul Nunes en Larry Downes schreven. Niet dat ik het las. Het is nog niet uitgebracht. Dat gebeurt op 7 januari volgend jaar, over tweeëneenhalve week dus. Om de verkoop te stimuleren, schrijven ze wel over hun bevindingen, zoals in Content Loop.
Voordat je me vraagt wat ik van dat voorproefje vind: het lijkt me een leuk en lezenswaardig boek, en tegelijk het zoveelste waarin casuïstiek wordt gebruikt als bewijs. Da's blijkbaar een steeds meer geaccepteerde manier van redeneren. Ik wil wel bekennen dat ik, alhoewel dol op beeldende betogen, inmiddels wel een schreeuwende behoefte heb aan een steviger plaatsing. Al die 'nieuwe wetenschap' lijkt meer op wetenschapsjournalistiek, een vak apart.
Het artikel is een voorbeeld daarvan: goed leesbaar, informatief, maar een belangrijke vraag niet beantwoordend. Denk ik.
Het Internet of Things (IoT) is een begrip wat je inmiddels moet kennen of minstens gehóórd. Het is de situatie waarin apparaten zonder tussenkomst van mensen met elkaar communiceren. Nunes en Downes betogen dat, na een langzame start, die ontwikkeling nu rap sneller gaat. Verklaring daarvoor is het goedkoper, kleiner, sneller en meer beschikbaar worden van componenten. Dat is de Big Bang Disruption. Hieronder de casus Verdigris.
Tot dan denk je vast: "Mooi toch? Dit gaat leiden tot veel betere woon- en werkomgevingen. En tot milieu-besparingseffecten. Wie kan daar tegen zijn?".
Laat dan even dít citaat bezinken:
Ik vermoed dat ook jij een gruwelijke hekel hebt aan een huisbaas die bepaalt hoe warm jouw huis- of slaapkamer zal zijn. Of dat de buurman dat bepaalt. Of een algoritme. Dat is wel de werkelijkheid die ontstaat: het genetwerkte huis wórdt beheerd, op basis van referentiepunten. Hoe, en door wie, worden die bepaald?
Precies dát is wat ik bij veel techno-missionarissen mis: de reflectie op de duistere kant. Feitelijk neemt de technologie autonomie weg. De kans is meer dan groot dat ons leefklimaat wordt gespiegeld aan 'gemiddelden'. De koukleum én de hittepetit zullen beide een probleem krijgen. Als uitbijters lopen ze kans het of te koud of te warm te hebben: het gemiddelde houdt met hen immers geen rekening.
Het lijkt zo anti-technologie. Het lijkt zo reactionair. Dat is niet de bedoeling. Wel is het de bedoeling alertheid te stimuleren. Je zal over enkele decennia tot de ontdekking komen dat het licht om 22.00 uur uit gaat. Het volstaat niet om, als weerwoord, te beweren dat dat draconische beelden zijn en dat dit juist níet de bedoeling is. 'We' zouden geen databestanden koppelen. 'We' zouden het SOFInummer niet anders gebruiken dan als sociaal-fiscaal nummer. 'We' zouden niet zonder aanleiding afluisteren en bespieden.
Voordat je me vraagt wat ik van dat voorproefje vind: het lijkt me een leuk en lezenswaardig boek, en tegelijk het zoveelste waarin casuïstiek wordt gebruikt als bewijs. Da's blijkbaar een steeds meer geaccepteerde manier van redeneren. Ik wil wel bekennen dat ik, alhoewel dol op beeldende betogen, inmiddels wel een schreeuwende behoefte heb aan een steviger plaatsing. Al die 'nieuwe wetenschap' lijkt meer op wetenschapsjournalistiek, een vak apart.
Het artikel is een voorbeeld daarvan: goed leesbaar, informatief, maar een belangrijke vraag niet beantwoordend. Denk ik.
Het Internet of Things (IoT) is een begrip wat je inmiddels moet kennen of minstens gehóórd. Het is de situatie waarin apparaten zonder tussenkomst van mensen met elkaar communiceren. Nunes en Downes betogen dat, na een langzame start, die ontwikkeling nu rap sneller gaat. Verklaring daarvoor is het goedkoper, kleiner, sneller en meer beschikbaar worden van componenten. Dat is de Big Bang Disruption. Hieronder de casus Verdigris.
While many IoT applications are still several generations of technology improvement away, the next major disruptor is already massing at the borders: making homes and offices intelligent and networked. We’re entering the age of the connected building.
Early market experiments have already begun, some of them with the potential of Big Bang Disruption. Appliances, sockets and switches are being upgraded with sensors and antenna, making it possible to collect vast information about the performance and energy usage of device that draws power.
Once collected, that information can be sliced and diced to improve energy efficiency, building maintenance, security, and future product design.
The connected building will obviously disrupt real estate developers and property managers, as well as manufacturers of appliances and lighting fixtures. But the impact of having near-perfect information on the performance of so many “dumb” (and often expensive) pieces of infrastructure could reach far beyond the obvious–and deeply into the energy sector.
Tot dan denk je vast: "Mooi toch? Dit gaat leiden tot veel betere woon- en werkomgevingen. En tot milieu-besparingseffecten. Wie kan daar tegen zijn?".
Laat dan even dít citaat bezinken:
Once the information has been collected, the company has developed analytics to make sense of the mountains of information generated by the building’s devices. Right now, the system can recommend changes to facility maintenance schedules, and to the operation of internal systems including lighting, HVAC, ice makers, electrical vehicle chargers and space heaters.
(...)
In the future, the company hopes to “push information back to automate simple things like thermostats, light timers, PCs and other ‘smart’ devices,” (...).
Ik vermoed dat ook jij een gruwelijke hekel hebt aan een huisbaas die bepaalt hoe warm jouw huis- of slaapkamer zal zijn. Of dat de buurman dat bepaalt. Of een algoritme. Dat is wel de werkelijkheid die ontstaat: het genetwerkte huis wórdt beheerd, op basis van referentiepunten. Hoe, en door wie, worden die bepaald?
Precies dát is wat ik bij veel techno-missionarissen mis: de reflectie op de duistere kant. Feitelijk neemt de technologie autonomie weg. De kans is meer dan groot dat ons leefklimaat wordt gespiegeld aan 'gemiddelden'. De koukleum én de hittepetit zullen beide een probleem krijgen. Als uitbijters lopen ze kans het of te koud of te warm te hebben: het gemiddelde houdt met hen immers geen rekening.
Het lijkt zo anti-technologie. Het lijkt zo reactionair. Dat is niet de bedoeling. Wel is het de bedoeling alertheid te stimuleren. Je zal over enkele decennia tot de ontdekking komen dat het licht om 22.00 uur uit gaat. Het volstaat niet om, als weerwoord, te beweren dat dat draconische beelden zijn en dat dit juist níet de bedoeling is. 'We' zouden geen databestanden koppelen. 'We' zouden het SOFInummer niet anders gebruiken dan als sociaal-fiscaal nummer. 'We' zouden niet zonder aanleiding afluisteren en bespieden.
Verdigris is just one of dozens, perhaps hundreds of companies working on real-world solutions for connected building products and services. Once the price and performance of the technology gets cheap enough for mass deployment, these early experiments will quickly turn into rapid and widespread adoption. From smart buildings to smart grids, the transformation of energy may come, to paraphrase Ernest Hemingway, gradually and then suddenly.
We call that adoption model “catastrophic success.” Whether you’re a building manager, an energy provider, or just a tenant, if you aren’t paying attention to these developments now, in other words, it is going to be too late when the disruptors get the formula right and go mainstream.
zaterdag 14 december 2013
Aan hen die niets geloven van singulariteit
Iedere keer dat ik in workshops of in een gesprek op het onderwerp singulariteit kom, ontmoet ik ongeloof. Op zich is dat logisch, want het is niet niks wat je wordt voorgehouden. Dat de mens als soort aan belang inboet. Was dat ooit een beeld in de categorie Voorbeelden Van Filosofische Levensvragen, zou het nu werkelijkheid worden?! Dat is dan een ongemakkelijke waarheid. En die willen we niet (graag) horen.
Toch is er een beweging gaande die trekjes heeft van die ontwikkeling; een voorbode?!
Het zijn mensen die waarde geven aan technologie. Technologie heeft op zichzelf geen goede of kwade bedoelinge, toch?! Dat is ten dele waar. Voor eenvoudige technologie gaat dat op. De meeste werktuigen zijn ontworpen om één handeling te ondersteunen. De hamer geeft je de kracht iets ergens anders in te slaan. Ook de hersens van je buren. Het is de mens die via het gebruik die technologische oplossingen betekenis geeft.
Hoe complexer de technologie hoe minder de mens nog in beeld is als beslisser. In zeker opzicht zit er een cirkelredenering in: technologie maakt (het beslissen) makkelijker doordat aan technologie meer wordt overgelaten. Min of meer willens en wetens wordt de afhankelijkheid vergroot. Hoofdrekenen werd rekenlineaal-rekeken werd rekenmachine-rekenen werd computer-rekenen. Spelling- en grammaticaregels toepassen werd overgelaten aan de tekstverwerker. Theorieën toetsen aan gegevens uit de werkelijkheid werd theorieën vinden in die gegevens.
Het bijzondere is dat we steeds meer belangrijke besluiten overlaten aan systemen die we zelf niet eens begrijpen. Da's echt een stap richting de singulariteit, hoe ver weg die ook nog mag zijn.
Een mooie ondersteuning voor het sluipend karakter van die ontwikkeling is dit (schema en) artikel.

Samengevat?
Toch is er een beweging gaande die trekjes heeft van die ontwikkeling; een voorbode?!
Het zijn mensen die waarde geven aan technologie. Technologie heeft op zichzelf geen goede of kwade bedoelinge, toch?! Dat is ten dele waar. Voor eenvoudige technologie gaat dat op. De meeste werktuigen zijn ontworpen om één handeling te ondersteunen. De hamer geeft je de kracht iets ergens anders in te slaan. Ook de hersens van je buren. Het is de mens die via het gebruik die technologische oplossingen betekenis geeft.
Hoe complexer de technologie hoe minder de mens nog in beeld is als beslisser. In zeker opzicht zit er een cirkelredenering in: technologie maakt (het beslissen) makkelijker doordat aan technologie meer wordt overgelaten. Min of meer willens en wetens wordt de afhankelijkheid vergroot. Hoofdrekenen werd rekenlineaal-rekeken werd rekenmachine-rekenen werd computer-rekenen. Spelling- en grammaticaregels toepassen werd overgelaten aan de tekstverwerker. Theorieën toetsen aan gegevens uit de werkelijkheid werd theorieën vinden in die gegevens.
Het bijzondere is dat we steeds meer belangrijke besluiten overlaten aan systemen die we zelf niet eens begrijpen. Da's echt een stap richting de singulariteit, hoe ver weg die ook nog mag zijn.
Een mooie ondersteuning voor het sluipend karakter van die ontwikkeling is dit (schema en) artikel.

Samengevat?
Imagine if nearly two-thirds of the world's population were actually robots indistinguishable from humans, and a big chunk of them were trying to mess with you.
dinsdag 3 december 2013
Waarin technologie integriteit doet verdwijnen
Moeilijk begrip, integriteit. Integer handelen betekent zoveel als conform regels handelen. Daaronder worden ook jouw eigen regels, je sociale normen en waarden verstaan. Da's meteen het lastige. Regels kunnen botsen. Bekendst is wellicht de gewetensnood van een militair in oorlogstijd. Dat lot treft echter ons allemaal; meer of minder (duidelijk).
Er bestaat een mooi boek over hen: Street Level Bureaucrats. Lipsky beschrijft daarin die mensen die de regels en verordeningen moeten uitvoeren. Politiemensen, sociale dienstmedewerkers en UWVers, (verzekerings)claimbeoordelaars, bouwinspecteurs: bedenk ze maar.
Het interessante aan Lipsky's boek is dat daarin de nodige aandacht wordt besteed aan 'discretionaire bevoegdheid'. Dat is de ruimte regels toe te passen, of niet. Die discretionaire bevoegdheid leidt tot ongelijke behandeling, zo is de publieke opinie. Als er iets is waaraan 'we' een hekel hebben, dan is dat willekeur. En dus zijn er regels, en nog meer regels, om die willekeur in te dammen.
Maar: meer regels leiden juist tot méér (discretionaire) vrijheid.
Die paradox is al oud, en bekend. Maar nooit doorbroken. Regels, en zeker véél regels, geven vrijheid doordat de regels kunnen worden gebruikt ter legitimatie van gedrag. Eén eenduidige regel is lastig te omzeilen. Op het moment dat het er meer worden - en zeker als die elkaar gaan beïnvloeden - vergroot je de mogelijkheid af te wijken. Je kunt dan min of meer gaan kiezen wat geldend is. Alleen een gesloten - een zichzelf nergens tegensprekend - systeem voorkomt dat. Onze wet- en regelgeving ís niet gesloten.
Dus hebben veel beslissers de ruimte regels wel of niet toe te passen. Da's maar goed ook, want alleen op die manier kunnen zij hun eigen integriteit en vakmanschap uiten; en maatwerk leveren. Maatwerk om een probleem op te lossen vereist af en toe de regels buigen.
Inderdaad, de scheidslijn met fraude is dichtbij. Fraude - het voor eigen gewin verbuigen van regels - is echter systematisch bevoordelen. Een cynicus zou ook dat maatwerk noemen.
Leidraad voor handelen zou 'het morele kompas' moeten zijn. Regels zijn in die context instrumenten. Integriteit is daarom gebaseerd op vertrouwen en verantwoording achteraf. Wellicht in bepaalde gevallen zelfs niet eens helemaal te verantwoorden.
Maar we slopen integriteit uit de samenleving.
Niet alleen regels, vooral ook technologie, is debet aan die ontmenselijking. Hoe oneerlijk soms: integriteit is een ménselijke eigenschap. Het afwegen van belangen, gevolgen, noodzaak: allemaal aspecten die een integer besluit omringen. Want de beroemde 'gelijke monniken, gelijke kappen' en 'in dezelfde situatie hetzelfde oordelen' zijn ideaaltypen. Ze bestaan niet. Condities, omstandigheden verschillen altijd van persoon tot persoon.
Toch wordt door beleidsmakers gedacht in generieke maatregelen. Toch worden computersystemen ontwikkeld die 'eerlijk' zijn. En verdwijnt integriteit uit ons handelen. Want steeds meer adviseren computers 'neutraal' hoe te beslissen. Waarom zou je je dan nog iets gelegen laten liggen aan je eigen mores?
Het proces is sluipend. Haal de beslissingsbevoegdheid weg, maak afrekenen op 'fouten' tot norm, en het gesjoemel neemt toe. De regels worden vijand in plaats van instrument. Het verantwoorden van gedrag - vaak achteraf - komt steeds meer voor in de vorm van het passen van de beslissing binnen de regels. Lees de (onleesbare) officiële rapportages van die street level bureaucrats maar na.
In plaats van het probleem te onderkennen, is de reactie er technologische oplossingen tegenaan te gooien. Oplossingen die niets oplossen gaan oplossen, maar verergeren. Geautomatiseerde protocollen, registratiesystemen, tijdwaarneming, electronische dossiers: allemaal disciplineren ze. Je legt verantwoording af aan een díng.
Allemaal verzwakken ze het integriteitsbesef.
Er bestaat een mooi boek over hen: Street Level Bureaucrats. Lipsky beschrijft daarin die mensen die de regels en verordeningen moeten uitvoeren. Politiemensen, sociale dienstmedewerkers en UWVers, (verzekerings)claimbeoordelaars, bouwinspecteurs: bedenk ze maar.
Het interessante aan Lipsky's boek is dat daarin de nodige aandacht wordt besteed aan 'discretionaire bevoegdheid'. Dat is de ruimte regels toe te passen, of niet. Die discretionaire bevoegdheid leidt tot ongelijke behandeling, zo is de publieke opinie. Als er iets is waaraan 'we' een hekel hebben, dan is dat willekeur. En dus zijn er regels, en nog meer regels, om die willekeur in te dammen.
Maar: meer regels leiden juist tot méér (discretionaire) vrijheid.
Die paradox is al oud, en bekend. Maar nooit doorbroken. Regels, en zeker véél regels, geven vrijheid doordat de regels kunnen worden gebruikt ter legitimatie van gedrag. Eén eenduidige regel is lastig te omzeilen. Op het moment dat het er meer worden - en zeker als die elkaar gaan beïnvloeden - vergroot je de mogelijkheid af te wijken. Je kunt dan min of meer gaan kiezen wat geldend is. Alleen een gesloten - een zichzelf nergens tegensprekend - systeem voorkomt dat. Onze wet- en regelgeving ís niet gesloten.
Dus hebben veel beslissers de ruimte regels wel of niet toe te passen. Da's maar goed ook, want alleen op die manier kunnen zij hun eigen integriteit en vakmanschap uiten; en maatwerk leveren. Maatwerk om een probleem op te lossen vereist af en toe de regels buigen.
Inderdaad, de scheidslijn met fraude is dichtbij. Fraude - het voor eigen gewin verbuigen van regels - is echter systematisch bevoordelen. Een cynicus zou ook dat maatwerk noemen.
Leidraad voor handelen zou 'het morele kompas' moeten zijn. Regels zijn in die context instrumenten. Integriteit is daarom gebaseerd op vertrouwen en verantwoording achteraf. Wellicht in bepaalde gevallen zelfs niet eens helemaal te verantwoorden.
Maar we slopen integriteit uit de samenleving.
Niet alleen regels, vooral ook technologie, is debet aan die ontmenselijking. Hoe oneerlijk soms: integriteit is een ménselijke eigenschap. Het afwegen van belangen, gevolgen, noodzaak: allemaal aspecten die een integer besluit omringen. Want de beroemde 'gelijke monniken, gelijke kappen' en 'in dezelfde situatie hetzelfde oordelen' zijn ideaaltypen. Ze bestaan niet. Condities, omstandigheden verschillen altijd van persoon tot persoon.
Toch wordt door beleidsmakers gedacht in generieke maatregelen. Toch worden computersystemen ontwikkeld die 'eerlijk' zijn. En verdwijnt integriteit uit ons handelen. Want steeds meer adviseren computers 'neutraal' hoe te beslissen. Waarom zou je je dan nog iets gelegen laten liggen aan je eigen mores?
Het proces is sluipend. Haal de beslissingsbevoegdheid weg, maak afrekenen op 'fouten' tot norm, en het gesjoemel neemt toe. De regels worden vijand in plaats van instrument. Het verantwoorden van gedrag - vaak achteraf - komt steeds meer voor in de vorm van het passen van de beslissing binnen de regels. Lees de (onleesbare) officiële rapportages van die street level bureaucrats maar na.
In plaats van het probleem te onderkennen, is de reactie er technologische oplossingen tegenaan te gooien. Oplossingen die niets oplossen gaan oplossen, maar verergeren. Geautomatiseerde protocollen, registratiesystemen, tijdwaarneming, electronische dossiers: allemaal disciplineren ze. Je legt verantwoording af aan een díng.
Allemaal verzwakken ze het integriteitsbesef.
zondag 17 november 2013
Jouw toekomst ken jijzelf ook al
Wat is dat toch dat we zo zijn gefascineerd op de toekomst? Het terugdringen van onzekerheid speelt ongetwijfeld een rol. Dat is de grootste uitdaging die de mensheid zichzelf oplegde: de chaos dresseren. Accepteren dat je komt en gaat, wordt geboren en sterft, zondermeer; da's blijkbaar lastig.
De toekomst is zó sexy, zó verleidend, zó hypnotiserend, dat we er allemaal volop over fantaseren. Van de oeroude vraag aan kinderen - "En, wat wil jíj later worden?" - tot de trendwatchersplaag van vandaag de dag, en vooral de romanciers. Zeker vanaf de Industriële Revolutie neemt onder romanciers het genre toekomstverkenningen een hoge vlucht. Wie kent de verhalen van Jules Verne niet? De tirannieke samenlevingen in Brave New World en 1984? en later de cinematografie, de film. Soylent Green?! Als je van het genre houdt; er is een overvloed aan toekomstbeelden.
Eat your heart out; ga je er aan te buiten. Maar bedenk wel dat je jouw toekomst allang grotendeels kunt kennen. In een tijd waarin het crowdsourcing tot een deus ex machina lijkt te zijn gerezen, is het vreemd dat we niet zien wat voor onze voeten ligt.
Ik ben jouw toekomst.
Nee, serieus. Natuurlijk moet je dat niet letterlijk opvatten. Toch klopt het. Ik maak het zelf mee, nu ik me tussen de 55 en 60 jaar oud bevind.
Als je vijftien, twintig of dertig bent - en wij ouderen wáren dat ook - heb je het idee dat je nog veel kunt, moet en zult gaan bereiken. Niet dat de hele wereld aan je voeten ligt, maar de hoop op een mooi leven is vanzelfsprekend. Dat is ook vanzelfsprekend omdat je dan op z'n gezondst bent, het energiekst denkt te zijn en me het opbouwen van een maatschappelijk bestaan bezig bent.
Het is de fase waarvan ik me ook herinner dat ik dacht dat oud zijn een feest zou gaan worden: met een pijp en een boek lezend je oude dag doorbrengend. Van dat beeld is geen wóórd gelogen. Gepensioneerden - en dat waren toen 55plussers! - móesten wel een goed leven hebben.
De utopie was krachtiger aanwezig dan de dystopie.
In de loop van de tijd - en dat moeten de jongeren nog gaan mee maken - is dat utopisch gefundeerde beeld nogal bijgesteld. Een juistere formulering is dat dat beeld aan gruzelementen ging. Hoe ouder ik werd, hoe ouder ook de mensen vóór mij. Ik zag ze langzaam vereenzamen. Stomweg vanwege het gegeven dat je persoonlijke omgeving uitsterft; iemand moet als laatste overblijven. Alleen. Daar kijk je in de kracht van je leven overheen.
Wat me ook altijd verbaasde, was al dat geklets van ouderen, ooms, tantes, over ziekte en ellende. "Oudere mensen zijn pessimisten die alleen over ellende kunnen praten". Die zin. Als jij dertiger of jonger bent: hoe vaak heb je dat gedacht? De koude douche: dat wordt jouw werkelijkheid. Het is niet dat ze over ziekte praten omdat dat gespreksstof is.
Het is realiteit. Vanaf je vijftigste(!) ga je merken dat er mensen in je omgeving worden geconfronteerd met de dood en met ellende. Ineens verschijnt jouw geboortejaar in overlijdensadvertenties. Ineens blijkt de een na de ander een (dodelijke) vorm van kanker te hebben. Ineens vallen kennissen van het ene op het andere moment dood neer.
Oudere mensen praten over jouw toekomst.
Daarom ben ik zo enorm verbaasd over de manier waarop we in deze samenleving met ouderen omgaan. Het zijn niet de wijzen uit enige windstreek. Het zijn wél de mensen die al zijn geweest waar jij nog moet komen. Dat je daar niets van meekrijgt, is niet zo vreemd. Denk maar na: jij, je partner en je kinderen, ze zijn allemaal in die opbouwfase. Daarin speelt dat wat ouderen je vertellen geen rol.
Science fiction? Lúister naar de ouderen. Léér van hun ervaring en advies. De snelheid van verandering is té hoog geworden om nog te beweren dat we zouden moeten doen als de volkeren waarin ouderen een centrale maatschappelijke waarde zijn. Maar nu negeren we ze, maken ze zwart als nutteloze uitvreters.
Het is lastig je dat voor te stellen als je jonger dan veertig bent, maar jouw toekomst is (deels) al geleefd. Je moet hem nu nog wíllen horen.
De toekomst is zó sexy, zó verleidend, zó hypnotiserend, dat we er allemaal volop over fantaseren. Van de oeroude vraag aan kinderen - "En, wat wil jíj later worden?" - tot de trendwatchersplaag van vandaag de dag, en vooral de romanciers. Zeker vanaf de Industriële Revolutie neemt onder romanciers het genre toekomstverkenningen een hoge vlucht. Wie kent de verhalen van Jules Verne niet? De tirannieke samenlevingen in Brave New World en 1984? en later de cinematografie, de film. Soylent Green?! Als je van het genre houdt; er is een overvloed aan toekomstbeelden.
Eat your heart out; ga je er aan te buiten. Maar bedenk wel dat je jouw toekomst allang grotendeels kunt kennen. In een tijd waarin het crowdsourcing tot een deus ex machina lijkt te zijn gerezen, is het vreemd dat we niet zien wat voor onze voeten ligt.
Ik ben jouw toekomst.
Nee, serieus. Natuurlijk moet je dat niet letterlijk opvatten. Toch klopt het. Ik maak het zelf mee, nu ik me tussen de 55 en 60 jaar oud bevind.
Als je vijftien, twintig of dertig bent - en wij ouderen wáren dat ook - heb je het idee dat je nog veel kunt, moet en zult gaan bereiken. Niet dat de hele wereld aan je voeten ligt, maar de hoop op een mooi leven is vanzelfsprekend. Dat is ook vanzelfsprekend omdat je dan op z'n gezondst bent, het energiekst denkt te zijn en me het opbouwen van een maatschappelijk bestaan bezig bent.
Het is de fase waarvan ik me ook herinner dat ik dacht dat oud zijn een feest zou gaan worden: met een pijp en een boek lezend je oude dag doorbrengend. Van dat beeld is geen wóórd gelogen. Gepensioneerden - en dat waren toen 55plussers! - móesten wel een goed leven hebben.
De utopie was krachtiger aanwezig dan de dystopie.
In de loop van de tijd - en dat moeten de jongeren nog gaan mee maken - is dat utopisch gefundeerde beeld nogal bijgesteld. Een juistere formulering is dat dat beeld aan gruzelementen ging. Hoe ouder ik werd, hoe ouder ook de mensen vóór mij. Ik zag ze langzaam vereenzamen. Stomweg vanwege het gegeven dat je persoonlijke omgeving uitsterft; iemand moet als laatste overblijven. Alleen. Daar kijk je in de kracht van je leven overheen.
Wat me ook altijd verbaasde, was al dat geklets van ouderen, ooms, tantes, over ziekte en ellende. "Oudere mensen zijn pessimisten die alleen over ellende kunnen praten". Die zin. Als jij dertiger of jonger bent: hoe vaak heb je dat gedacht? De koude douche: dat wordt jouw werkelijkheid. Het is niet dat ze over ziekte praten omdat dat gespreksstof is.
Het is realiteit. Vanaf je vijftigste(!) ga je merken dat er mensen in je omgeving worden geconfronteerd met de dood en met ellende. Ineens verschijnt jouw geboortejaar in overlijdensadvertenties. Ineens blijkt de een na de ander een (dodelijke) vorm van kanker te hebben. Ineens vallen kennissen van het ene op het andere moment dood neer.
Oudere mensen praten over jouw toekomst.
Daarom ben ik zo enorm verbaasd over de manier waarop we in deze samenleving met ouderen omgaan. Het zijn niet de wijzen uit enige windstreek. Het zijn wél de mensen die al zijn geweest waar jij nog moet komen. Dat je daar niets van meekrijgt, is niet zo vreemd. Denk maar na: jij, je partner en je kinderen, ze zijn allemaal in die opbouwfase. Daarin speelt dat wat ouderen je vertellen geen rol.
Science fiction? Lúister naar de ouderen. Léér van hun ervaring en advies. De snelheid van verandering is té hoog geworden om nog te beweren dat we zouden moeten doen als de volkeren waarin ouderen een centrale maatschappelijke waarde zijn. Maar nu negeren we ze, maken ze zwart als nutteloze uitvreters.
Het is lastig je dat voor te stellen als je jonger dan veertig bent, maar jouw toekomst is (deels) al geleefd. Je moet hem nu nog wíllen horen.
dinsdag 29 oktober 2013
Vrijheid komt met ... beperkingen
Sommige zaken zijn wat mij betreft onbespreekbaar. Daar heb je je maar bij neer te leggen. Dat klínkt niet autoritair; dat ís autoritair.
Om vrijheid te hebben, zul je vrijheid moeten inleveren.
Alhoewel het klinkt als een paradox, is het dat echt niet. Als je met tegen de zeventien miljoen mensen op een krappe 34.000 km2 leeft, is het druk. Temeer daar van die oppervlakte ook delen gebruikt moeten worden voor landbouw, veeteelt, ontspanning. Dan heb je regeltjes en regels nodig.
Ook als je principieel tegenstander bent van 'regels'; die zijn er altijd. Precies zoals kinderen spelen en bedrijven ontstaan, ontstaan regels. Eerst de vanzelfsprekende, onuitgesproken regels. Dan, na een eerste conflictje over 'wat mag', spreek je expliciet uit wat de regel is. Voor je het weet, worden afspraken vastgelegd in contractuele regels waaraan partijen kunnen refereren én zich moeten houden. Een neutrale derde kan dat beoordelen.
Die idealistische aanpak gaat scheef lopen als je het woord 'afspraken' ziet staan. Dat insinueert een stadium van onderhandeling, van gelijkwaardigheid en wederzijdse instemming. We wéten dat dat niet is. Als je werkgever zegt 'dan hebben we dat zó afgesproken', is de kans groot dat-i daarmee zíjn mening doordrukte en van een dun, aantrekkelijk vernislaagje probeert te voorzien. Als je wordt geboren, kom je op enige leeftijd echt niet in een situatie waarin jij, als individu, kunt onderhandelen over de invulling van jouw leven. De bestaande groep is zo groot en zo ingesteld op bestaande regels dat veranderen daarvan nogal moeilijk gaat.
Vrijheid is niet oneindig.
Vrijheid gaat tot waar het de vrijheid van een ander beïnvloedt. Dat is een mooi uitgangspunt; in een drukbevolkte omgeving wordt dat verdomd ingewikkeld. Misschien kun je het nog het beste met een goed plekje zoeken om op een festival iets te zien van een podiumact. Een stap opzij, naar voor of naar achter; in bijna al die gevallen kom je in aanraking met iemand die dáár al staat. Dan heb je het nog niet eens over die lange mensen die plompverloren voor anderen gaan staan. Of de kleintjes die nergens overheen kunnen kijken. Met gelijke lengtes is het al lastig.
Maar waar ligt die grens? Da's dus een lastige. Omdat het een permanent gesprek hoort te zijn, omdat ideeën en meningen veranderen. Omdat wat voor de een persoonlijk is, dat voor de ander niet zo hoeft te zijn. Omdat het maar de vráág is of jij wel water bij de wijn wílt doen voor een ander.
Afgelopen weekeinde overleed een meisje van zeventien. Aan mazelen. Voor mij is dat een overschreden grens. Niet zozeer dat overlijden; daarvan kun je beargumenteren dat het een persoonlijke keuze is. De overschreden grens is die van het weigeren van een preventieve inenting, terwijl je wéét dat daardoor het leven van anderen in gevaar komt. Je hébt geen keuze dan. Daar ligt de grens tussen jouw persoonlijke vrijheid en onze collectieve.
Die grens heeft een grillig verloop, net zo onlogisch als ons gedrag. Ogenschijnlijk gelijke zaken worden verschillend beoordeeld. Dan kun je wel hoog of laag springen, maar je verandert niet dat de oudste gewoonten de sterkste rechten hebben. De nieuwkomer zal een plek moeten bevechten. Dat wás zo, dat ís zo en dat blíjft zo.
Overleg, gesprek en dialoog zijn daarom belangrijke instrumenten. Eenieder die zich daaraan onttrekt, geeft ook zijn eigen vrijheid uit handen. Niet dat deelnemen meteen gelijk krijgen inhoudt. Het probleem zal je nu wel duidelijk zijn: tot waar en wanneer blijf je in gesprek? Het is nogal onpraktisch permanent te debatteren. Er moet ook worden geleefd en dus moeten er knopen worden doorgehakt.
Wij zijn zelf de motor achter iets engs (in mijn ogen). Als het voorgaande klopt, dan zal er een situatie gaan ontstaan waarin een dictatuur de samenleving regelt, die bepaalt wat kan en mag, die - helemaal waanzinnig - bepaalt wat geluk is. Die dystopie is niet ondenkbeeldig indien de bevolkingsgroei en -concentratie blijven als nu. Alhoewel chaos ook orde brengt, is het maar de vraag of mensen met chaos als ordeningsschema kunnen omgaan. Ik vermoed dat de meesten zullen neigen naar orde.
Je zou verwachten dat een steeds beter opgeleide bevolking steeds beter in staat miet zijn zichzelf te organiseren. Maar wie om zich heen kijkt in de publieke ruimte ziet wel enorm veel voorbeelden hoe we dat níet doen. Het verkeer, de politiek, gezondheidszorg, openbare financiën, religie, culturele gewoonten: de chaos neemt toe en we hebben er geen antwoord op.
Zo'n mazelenprik doet me ertoe neigen die prik dan maar door een centrale autoriteit te laten opleggen. Da's dan wel weer een stap naar die dystopie van den centralische systeem. En ik denk nog steeds te geloven in die chaosgedachte.
Om vrijheid te hebben, zul je vrijheid moeten inleveren.
Alhoewel het klinkt als een paradox, is het dat echt niet. Als je met tegen de zeventien miljoen mensen op een krappe 34.000 km2 leeft, is het druk. Temeer daar van die oppervlakte ook delen gebruikt moeten worden voor landbouw, veeteelt, ontspanning. Dan heb je regeltjes en regels nodig.
Ook als je principieel tegenstander bent van 'regels'; die zijn er altijd. Precies zoals kinderen spelen en bedrijven ontstaan, ontstaan regels. Eerst de vanzelfsprekende, onuitgesproken regels. Dan, na een eerste conflictje over 'wat mag', spreek je expliciet uit wat de regel is. Voor je het weet, worden afspraken vastgelegd in contractuele regels waaraan partijen kunnen refereren én zich moeten houden. Een neutrale derde kan dat beoordelen.
Die idealistische aanpak gaat scheef lopen als je het woord 'afspraken' ziet staan. Dat insinueert een stadium van onderhandeling, van gelijkwaardigheid en wederzijdse instemming. We wéten dat dat niet is. Als je werkgever zegt 'dan hebben we dat zó afgesproken', is de kans groot dat-i daarmee zíjn mening doordrukte en van een dun, aantrekkelijk vernislaagje probeert te voorzien. Als je wordt geboren, kom je op enige leeftijd echt niet in een situatie waarin jij, als individu, kunt onderhandelen over de invulling van jouw leven. De bestaande groep is zo groot en zo ingesteld op bestaande regels dat veranderen daarvan nogal moeilijk gaat.
Vrijheid is niet oneindig.
Vrijheid gaat tot waar het de vrijheid van een ander beïnvloedt. Dat is een mooi uitgangspunt; in een drukbevolkte omgeving wordt dat verdomd ingewikkeld. Misschien kun je het nog het beste met een goed plekje zoeken om op een festival iets te zien van een podiumact. Een stap opzij, naar voor of naar achter; in bijna al die gevallen kom je in aanraking met iemand die dáár al staat. Dan heb je het nog niet eens over die lange mensen die plompverloren voor anderen gaan staan. Of de kleintjes die nergens overheen kunnen kijken. Met gelijke lengtes is het al lastig.
Maar waar ligt die grens? Da's dus een lastige. Omdat het een permanent gesprek hoort te zijn, omdat ideeën en meningen veranderen. Omdat wat voor de een persoonlijk is, dat voor de ander niet zo hoeft te zijn. Omdat het maar de vráág is of jij wel water bij de wijn wílt doen voor een ander.
Afgelopen weekeinde overleed een meisje van zeventien. Aan mazelen. Voor mij is dat een overschreden grens. Niet zozeer dat overlijden; daarvan kun je beargumenteren dat het een persoonlijke keuze is. De overschreden grens is die van het weigeren van een preventieve inenting, terwijl je wéét dat daardoor het leven van anderen in gevaar komt. Je hébt geen keuze dan. Daar ligt de grens tussen jouw persoonlijke vrijheid en onze collectieve.
Die grens heeft een grillig verloop, net zo onlogisch als ons gedrag. Ogenschijnlijk gelijke zaken worden verschillend beoordeeld. Dan kun je wel hoog of laag springen, maar je verandert niet dat de oudste gewoonten de sterkste rechten hebben. De nieuwkomer zal een plek moeten bevechten. Dat wás zo, dat ís zo en dat blíjft zo.
Overleg, gesprek en dialoog zijn daarom belangrijke instrumenten. Eenieder die zich daaraan onttrekt, geeft ook zijn eigen vrijheid uit handen. Niet dat deelnemen meteen gelijk krijgen inhoudt. Het probleem zal je nu wel duidelijk zijn: tot waar en wanneer blijf je in gesprek? Het is nogal onpraktisch permanent te debatteren. Er moet ook worden geleefd en dus moeten er knopen worden doorgehakt.
Wij zijn zelf de motor achter iets engs (in mijn ogen). Als het voorgaande klopt, dan zal er een situatie gaan ontstaan waarin een dictatuur de samenleving regelt, die bepaalt wat kan en mag, die - helemaal waanzinnig - bepaalt wat geluk is. Die dystopie is niet ondenkbeeldig indien de bevolkingsgroei en -concentratie blijven als nu. Alhoewel chaos ook orde brengt, is het maar de vraag of mensen met chaos als ordeningsschema kunnen omgaan. Ik vermoed dat de meesten zullen neigen naar orde.
Je zou verwachten dat een steeds beter opgeleide bevolking steeds beter in staat miet zijn zichzelf te organiseren. Maar wie om zich heen kijkt in de publieke ruimte ziet wel enorm veel voorbeelden hoe we dat níet doen. Het verkeer, de politiek, gezondheidszorg, openbare financiën, religie, culturele gewoonten: de chaos neemt toe en we hebben er geen antwoord op.
Zo'n mazelenprik doet me ertoe neigen die prik dan maar door een centrale autoriteit te laten opleggen. Da's dan wel weer een stap naar die dystopie van den centralische systeem. En ik denk nog steeds te geloven in die chaosgedachte.
donderdag 26 september 2013
De ontmenselijkte mens
Als er iets is wat mij zorgen baart, is het de manier waarop we met elkaar omgaan. Op z'n Hollands-helderst: dat gaat beroerd. Onze innovatiedrang heeft daarin een belangrijke rol. Wellicht komen we er ooit achter dat we stomweg zelfdestructief zijn, als mensheid.
Innovatie - hier téchnische innovaties, geen sociale - heeft wel wat bijzonderheden. Zo is mobiliteit een van de belangrijkste velden als het om vernieuwing gaat. Voortbewegen hebben we altijd al 'verbeterd'. Met een wiel, een fiets, een stoomauto, een benzine-auto: de eerste toepassingen vergemakkelijkten en versnelden onze voortbeweging.
Parallel aan die ontwikkeling loopt ook de ontmenselijking.
Het bekendste voorbeeld is de auto. Was de eerste nog gebaseerd op de bekende paard en wagen - weet je nog? Innovatie is vaak het bestaande automatiseren - de modernste denken. Dat denken wordt aan jou verkocht als 'denken in jouw belang'. Want da's toch veel veiliger? Een auto met stuurbekrachtiging, met ABS, met airbags, met 'Gordel Om!'waarschuwingen, met navigatie, met alcoholslot: stapsgewijs neemt de auto het heft in handen.
Da's allemaal bekend, toch?! Maar heb je weleens op straat gekeken?
De effecten zijn de zaken die me zorgen baren. Of het terecht is die één op één toe te schrijven aan deze vernieuwingen, weet ik niet helemaal zeker. Wat ik wel weet, is dat ik de indruk heb dat dat zo ís.
Mijn indruk is dat onze intolerantie op straat voor een groot deel is bepaald door de mate van innovatie. Mijn theorie gaat in de richting: de automobilist is steeds verder verwijderd geraakt van het leven buiten de auto, buiten zijn instrumentenpaneel. Binnen de auto beschikt hij, in zijn eigen cocon, over zoveel veiligheidssystemen dat-i zich wel haast onfeilbaar móet gaan wanen. Zelfs deukjes worden voorkomen door parkeersystemen en achteruitrij-afstandmetertjes.
Op straat is de auto aanwezig, niet de automobilist. De vergelijking met voortbewegende huiskamers is wellicht zo gek nog niet. De aandacht voor de leefbaarheid ín het apparaat is groot. Hifi-muziek, telefoon, versiering, tv... Hoe ziet jouw huiskamer er uit? En daarbuiten, bijna onhoorbaar, is de boze buitenwereld.
De ontmenselijkte mens is de mens die niet meer vertrouwt op eigen kennis en intuïtie, maar op techniek.
Maar dat zijn dan toch alleen maar automobilisten voor wie dat opgaat?
Nou, nee dus. Want het systeem 'verkeer' bestaat uit meer elementen; de grootste groepen zijn de voetgangers en de wielrijders, het langzame verkeer. Samen met de automobilisten, en anderen, vormen zij een verkeerssysteem. En dát betekent dat die elementen op elkaar effect hebben. Zie daar het effect van innovatie: het gedrag van automobilisten roept een reactie op bij andere weggebruikers.
Het nadrukkelijk snel rijden, het met veel poeha voortbewegen, het venijnig geluid maken om de aanwezigheid te benadrukken, het nadrukkelijk gebruik maken van de uitstraling van macht en kracht van de auto; dat alles wordt gezien, dat alles wordt ervaren, dat alles roept een reactie op. Waarom zou de fietser zich inferieur achten? Waarom zou de voetganger zijn plaats niet opeisen? En dus begint een wedloop-achtige situatie waarin regels steeds meer worden genegeerd.
Nu kun je blijven volhouden dat dat allemaal individuele beslissingen zijn. Je kunt die ook interpreteren als reacties op de omgeving, inclusief andermans gedrag. Dan is dat individuele toch echt een stuk minder individueel; zeker in drukke - lees: complexe - omgevingen.
De vraag die je dient te gaan stellen, denk ik, is of we met die gevolgen niet omgevingen scheppen die helemaal niet meer geschikt zijn voor mensen. Dat klinkt dramatisch. Maar als je nu door je wimpers naar stadsleven kijkt; wat zie jij dan?
Innovatie - hier téchnische innovaties, geen sociale - heeft wel wat bijzonderheden. Zo is mobiliteit een van de belangrijkste velden als het om vernieuwing gaat. Voortbewegen hebben we altijd al 'verbeterd'. Met een wiel, een fiets, een stoomauto, een benzine-auto: de eerste toepassingen vergemakkelijkten en versnelden onze voortbeweging.
Parallel aan die ontwikkeling loopt ook de ontmenselijking.
Het bekendste voorbeeld is de auto. Was de eerste nog gebaseerd op de bekende paard en wagen - weet je nog? Innovatie is vaak het bestaande automatiseren - de modernste denken. Dat denken wordt aan jou verkocht als 'denken in jouw belang'. Want da's toch veel veiliger? Een auto met stuurbekrachtiging, met ABS, met airbags, met 'Gordel Om!'waarschuwingen, met navigatie, met alcoholslot: stapsgewijs neemt de auto het heft in handen.
Da's allemaal bekend, toch?! Maar heb je weleens op straat gekeken?
De effecten zijn de zaken die me zorgen baren. Of het terecht is die één op één toe te schrijven aan deze vernieuwingen, weet ik niet helemaal zeker. Wat ik wel weet, is dat ik de indruk heb dat dat zo ís.
Mijn indruk is dat onze intolerantie op straat voor een groot deel is bepaald door de mate van innovatie. Mijn theorie gaat in de richting: de automobilist is steeds verder verwijderd geraakt van het leven buiten de auto, buiten zijn instrumentenpaneel. Binnen de auto beschikt hij, in zijn eigen cocon, over zoveel veiligheidssystemen dat-i zich wel haast onfeilbaar móet gaan wanen. Zelfs deukjes worden voorkomen door parkeersystemen en achteruitrij-afstandmetertjes.
Op straat is de auto aanwezig, niet de automobilist. De vergelijking met voortbewegende huiskamers is wellicht zo gek nog niet. De aandacht voor de leefbaarheid ín het apparaat is groot. Hifi-muziek, telefoon, versiering, tv... Hoe ziet jouw huiskamer er uit? En daarbuiten, bijna onhoorbaar, is de boze buitenwereld.
De ontmenselijkte mens is de mens die niet meer vertrouwt op eigen kennis en intuïtie, maar op techniek.
Maar dat zijn dan toch alleen maar automobilisten voor wie dat opgaat?
Nou, nee dus. Want het systeem 'verkeer' bestaat uit meer elementen; de grootste groepen zijn de voetgangers en de wielrijders, het langzame verkeer. Samen met de automobilisten, en anderen, vormen zij een verkeerssysteem. En dát betekent dat die elementen op elkaar effect hebben. Zie daar het effect van innovatie: het gedrag van automobilisten roept een reactie op bij andere weggebruikers.
Het nadrukkelijk snel rijden, het met veel poeha voortbewegen, het venijnig geluid maken om de aanwezigheid te benadrukken, het nadrukkelijk gebruik maken van de uitstraling van macht en kracht van de auto; dat alles wordt gezien, dat alles wordt ervaren, dat alles roept een reactie op. Waarom zou de fietser zich inferieur achten? Waarom zou de voetganger zijn plaats niet opeisen? En dus begint een wedloop-achtige situatie waarin regels steeds meer worden genegeerd.
Nu kun je blijven volhouden dat dat allemaal individuele beslissingen zijn. Je kunt die ook interpreteren als reacties op de omgeving, inclusief andermans gedrag. Dan is dat individuele toch echt een stuk minder individueel; zeker in drukke - lees: complexe - omgevingen.
De vraag die je dient te gaan stellen, denk ik, is of we met die gevolgen niet omgevingen scheppen die helemaal niet meer geschikt zijn voor mensen. Dat klinkt dramatisch. Maar als je nu door je wimpers naar stadsleven kijkt; wat zie jij dan?
Labels:
cocon,
haast,
innovatie,
mobiliteit,
omstandigheid,
ontmenselijking,
singulariteit,
stads,
velden,
verantwoordelijkheid,
wiel,
zelfstandigheid
Locatie:
Leiden, Nederland
donderdag 4 juli 2013
De conditie van de boekenworm
Een goede fysieke conditie: dat zou goed zijn voor je gezondheid en welbevinden op latere leeftijd. Sterker, het zou een vertragend effect hebben op geheugenachteruitgang. Mijn conditie is, denk ik, net iets ondergemiddeld en ik verwacht niet dat ik 'm nog omhoog krijg, die conditie. Natuurlijk, stevige buik- en armspieren zouden leuk zijn. Maar zolang je daar veel inspanning voor moet leveren en er nog geen pilletje voor is, zie ik mezelf dat niet doen. Dan maar cognitieve discrepantie toepassen en denken dat 'het bij de leeftijd hoort'.
Dan word je blij als je dit leest: Being a Lifelong Bookworm May Keep You Sharp in Old Age. Samengevat: lezen, en schrijven, zijn goed voor het geheugen op latere leeftijd.
Wat me eigenlijk binnen secondes na lezen, door het hoofd flitste, was: maar als dat zo is én het waar is dat we steeds meer passief lijken te gaan consumeren, waarmee eindigen we dan? Met het draconisch beeld dat we menselijke lichamen langer in stand kunnen houden, maar met geheugenproblemen? wat wonnen we dan? Het zou een mooi plot zijn voor een toekomstroman à la Brave New World; Remember, the Man Who Thaught He Mastered His Machines.
Het is maar de vraag of de tweede premisse klopt: dat we minder (zijn) gaan lezen en schrijven. Daarvan ben ik nog niet zo overtuigd. Wel dat we ánders zijn gaan lezen. Dat 'anders' heeft echter wel een lijntje naar 'geheugen trainen'. De belangrijkste wijziging is de hyperlink, die het door en tussen informatiebronnen flitsen mogelijk maakt. Maar wel met als effect dat je geneigd bent lijnen en verbanden uit het oog te verliezen en van detail naar detail te springen.
Dat is misschien nog wel de belangrijkste reden om alert te zijn. Als ik iets schrijf voor een nieuwswebsite, maar ook dit blog, dan is het commentaar vaak: 'Niet langer dan 500 woorden. Meer kunnen ze niet aan.' 'Ze' dat ben jij dus. En, inderdaad, ik heb een gruwelijke hekel aan staccato geschreven teksten. De PowerpointPest, wat mij betreft. Die tussen- en bijzinnen verafschuwt en daardoor ritme uit zinnen haalt en de dans van woorden onmogelijk maakt. Dood, 'functioneel' en saai taalgebruik.
Maar het lijkt wel toonzettend.
Stel, stél dat we inderdaad van het scherm lezend kortere teksten en kortere zinnen voorgeschoteld krijgen. Stel dat we inderdaad minder romanlengte teksten lezen. Stel dat we liever de management samenvatting lezen dan het hele rapport. Stel dat we ons oordeel (snel) baseren op bewerkte, secundaire bronnen, nieuwsberichten.
Stel dat we rapporten maken waarin de conclusies belangrijk zijn, maar de redenering hoe daar te komen minder. Stel dat we communiceren in steeds kortere berichten en bewoordingen. Stel dat we eerder 'audio-visueel' inzetten om te communiceren dan 'geschreven'. Stel dat het niet uitmaakt hóe je iets precies uitdrukt.
Ik weet het nog niet: of dat nu een voor- of een nadeel is. Wat ik wél weet, is dat over langere tijd gekeken de vaardigheden die we opdoen zinvol zijn. Maar nu gaat het niet om een vaardigheid. Het gaat over herinneren.
Dat zou toch wel lullig worden. Als over enkele generaties de machines onze herinneringen hebben.... en de mens de illusie de baas te zijn.
Dan word je blij als je dit leest: Being a Lifelong Bookworm May Keep You Sharp in Old Age. Samengevat: lezen, en schrijven, zijn goed voor het geheugen op latere leeftijd.
Wat me eigenlijk binnen secondes na lezen, door het hoofd flitste, was: maar als dat zo is én het waar is dat we steeds meer passief lijken te gaan consumeren, waarmee eindigen we dan? Met het draconisch beeld dat we menselijke lichamen langer in stand kunnen houden, maar met geheugenproblemen? wat wonnen we dan? Het zou een mooi plot zijn voor een toekomstroman à la Brave New World; Remember, the Man Who Thaught He Mastered His Machines.
Het is maar de vraag of de tweede premisse klopt: dat we minder (zijn) gaan lezen en schrijven. Daarvan ben ik nog niet zo overtuigd. Wel dat we ánders zijn gaan lezen. Dat 'anders' heeft echter wel een lijntje naar 'geheugen trainen'. De belangrijkste wijziging is de hyperlink, die het door en tussen informatiebronnen flitsen mogelijk maakt. Maar wel met als effect dat je geneigd bent lijnen en verbanden uit het oog te verliezen en van detail naar detail te springen.
Dat is misschien nog wel de belangrijkste reden om alert te zijn. Als ik iets schrijf voor een nieuwswebsite, maar ook dit blog, dan is het commentaar vaak: 'Niet langer dan 500 woorden. Meer kunnen ze niet aan.' 'Ze' dat ben jij dus. En, inderdaad, ik heb een gruwelijke hekel aan staccato geschreven teksten. De PowerpointPest, wat mij betreft. Die tussen- en bijzinnen verafschuwt en daardoor ritme uit zinnen haalt en de dans van woorden onmogelijk maakt. Dood, 'functioneel' en saai taalgebruik.
Maar het lijkt wel toonzettend.
Stel, stél dat we inderdaad van het scherm lezend kortere teksten en kortere zinnen voorgeschoteld krijgen. Stel dat we inderdaad minder romanlengte teksten lezen. Stel dat we liever de management samenvatting lezen dan het hele rapport. Stel dat we ons oordeel (snel) baseren op bewerkte, secundaire bronnen, nieuwsberichten.
Stel dat we rapporten maken waarin de conclusies belangrijk zijn, maar de redenering hoe daar te komen minder. Stel dat we communiceren in steeds kortere berichten en bewoordingen. Stel dat we eerder 'audio-visueel' inzetten om te communiceren dan 'geschreven'. Stel dat het niet uitmaakt hóe je iets precies uitdrukt.
Ik weet het nog niet: of dat nu een voor- of een nadeel is. Wat ik wél weet, is dat over langere tijd gekeken de vaardigheden die we opdoen zinvol zijn. Maar nu gaat het niet om een vaardigheid. Het gaat over herinneren.
Dat zou toch wel lullig worden. Als over enkele generaties de machines onze herinneringen hebben.... en de mens de illusie de baas te zijn.
Labels:
brave new world,
geheugen,
innovatie,
leeftijd,
lezen,
ouderdom,
schrijven,
singulariteit,
toekomst,
verandering,
vergeten
Locatie:
Leiden, Nederland
woensdag 29 mei 2013
De verdwijning van het Internet
.... van de bureaucomputer of: de komst van mobiel. Als je mij een jaar of drie had gevraagd hoe we het Internet heden ten dage benaderen, dan had ik vast wel gezegd dat dat ook met mobiel zou gebeuren. Dát was wel duidelijk. Niet voor iedereen overigens, want ik kan me nog wel herinneren dat er nogal wat scepsis bestond over mobiele applicaties.
Ik ben mobiel erg dankbaar dat het er is. Pas nadat die ontwikkeling op stoom kwam, lijkt ook de aandacht voor de afnemer toe te nemen.
Voorheen was die aandacht er ook wel. Maar dat ging om onderwerpen als gebruiksvriendelijkheid, om interface-ontwerp en gebruikerslogica... van het aanbod. De website bepaalde hoe en wat. Hele discussies konden met de bouwers worden gevoerd of een website wel of niet zichtbaar was 'op alle platforms en browserversies'. Een website was immers een etalage.
Bij het inrichten van die etalage houd je uiteraard wel rekening met je producten en met de etalage zelf. Hoe groot is die? Hoeveel mensen zullen er kijken? Dat soort van dingen. In die etalage plaatst de winkelier zijn waren. De lokkertjes opvallend in het zicht. Voor sommige etalages geldt dat prijskaartjes uit den boze zijn. Andere etalages zijn sober en stralen vooral 'chique' uit.
Als het Internet zich begint te ontwikkelen, zijn er eigenlijk alleen bureaucomputers in gebruik. Niet onlogisch dus dat die als referentie werden gebruikt. Steeds snellere computers, kleurenschermen en steeds grótere schermen werden vormbepalend. De enige - nou ja, énige - hobbels werden gevormd door al die verschillende platforms.
Draagbare computers, en direct daarop volgend, de mobiele telefoons en tablets worden dan al snel gezien als aanvúllend. Kan dat nog gelden voor draagbare computers, bij de slimme telefoon vanaf - pak 'm beet - zes jaar geleden is dat dus een fors probleem geworden. Die gebruikers worden in eerste instantie geconfronteerd met een soort van slappe aftreksels van websites. Een verschrikkelijk gepiel en gedoe, want die websites zijn helemaal niet gemaakt om te bekijken op kleine schermpjes. Die waren net lekker aan het wennen aan de grote oppervlakken. Als je al langer zo'n slimme telefoon hebt, dan herinner je je wellicht dat gevoel nog wel: alsof je met een verrekijker van dichtbij een boek leest. Nergens overzicht en continue zoekend naar 'wat willen ze hier van me?'. Dan hebben we het nog niet eens over die typische muistrucs als 'mouse-over' instructies. Die deden het niet. Zonder muis.
Apps. Dus. Toch?
Jazeker. Die zijn handig omdat daarmee de mogelijkheden van die slimme apparaten worden benut: de sensoren, de beeldopname, de rekenkracht. Maar ja, een app maken kost iets. Mijn vermoeden is dat veel opdrachtgevers een zucht van verlichting moeten hebben geslaakt toen de ontdekking van de web-app bekend werd. Een website die zich als een app presenteert, of andersom; een stúk voordeliger dan die native app.
Maar wat veel interessanter is, is de gebruiker. Met die mobiele apparaten werd het belangrijker te weten hoe gebruikers daarmee om gingen. Al snel bleek dat 'één website voor alles' bezijden de werkelijkheid is. Mij staat nog een presentatie van Nu.nl bij, van járen terug, die toen al bezig waren met drie kanalen: de bureaucomputer, de mobiele telefoon en de tablet. Ieder met eigen voorkomen en indeling, maar met, in principe, hetzelfde nieuws. Dat was wat: werd het nóg kostbaarder want die verschillende apparaatsvormen eisten dus eigen aanpakken. Man, man, man.... wéér discussie.
Het is echter nog helemaal niet voorbij. Inmiddels begint zich een nieuw soort van gebruiker te manifesteren: de altijd mobiele. Op zich een voorspelbare ontwikkeling: steeds meer mensen gebruiken mobiele apparaten om het Internet te benaderen. Ook ín huis. PEW heeft dat al eerder gesignaleerd.
Als je nu eens door denkt: wat gebeurt er als we inderdaad het Internet op schoot willen hebben als we een vraag hebben? Dat betekent dat alles op het Internet primair geschikt moet zijn voor mobiele raadpleging. Een 180 graden omkering. Dan blijft voor de bureaucomputer eigenlijk vooral de taak over die hij ooit ook al had: een bedrijfsgebonden apparaat voor toepassingen die (intern) bedrijfsgericht zijn. Want voor het Internet hebben we dan de mobiele apparaten.
Zo absoluut wordt het niet. Ik weet het. Maar wat wel gaat gebeuren, is dat die groep uitsluitend-mobielen gaat groeien. Voor de aanbieders gaat dat véél uitdagingen opleveren. Mobiele gebruikers kun je dus niet negeren, maar het zijn wel ook degenen die het meest maatwerk nodig hebben en dat ook zoeken. Op kleine(re) schermen is het woekeren met de ruimte, maar verwacht niet dat de mobiele gebruiker ineens heel veel geduldiger is. Hij of zij is net zo ongeduldig en dus zó weg als het allemaal niet snel genoeg lukt.
Uitsluitend-mobielen. Ze komen er aan.
Ik ben mobiel erg dankbaar dat het er is. Pas nadat die ontwikkeling op stoom kwam, lijkt ook de aandacht voor de afnemer toe te nemen.
Voorheen was die aandacht er ook wel. Maar dat ging om onderwerpen als gebruiksvriendelijkheid, om interface-ontwerp en gebruikerslogica... van het aanbod. De website bepaalde hoe en wat. Hele discussies konden met de bouwers worden gevoerd of een website wel of niet zichtbaar was 'op alle platforms en browserversies'. Een website was immers een etalage.
Bij het inrichten van die etalage houd je uiteraard wel rekening met je producten en met de etalage zelf. Hoe groot is die? Hoeveel mensen zullen er kijken? Dat soort van dingen. In die etalage plaatst de winkelier zijn waren. De lokkertjes opvallend in het zicht. Voor sommige etalages geldt dat prijskaartjes uit den boze zijn. Andere etalages zijn sober en stralen vooral 'chique' uit.
Als het Internet zich begint te ontwikkelen, zijn er eigenlijk alleen bureaucomputers in gebruik. Niet onlogisch dus dat die als referentie werden gebruikt. Steeds snellere computers, kleurenschermen en steeds grótere schermen werden vormbepalend. De enige - nou ja, énige - hobbels werden gevormd door al die verschillende platforms.
Draagbare computers, en direct daarop volgend, de mobiele telefoons en tablets worden dan al snel gezien als aanvúllend. Kan dat nog gelden voor draagbare computers, bij de slimme telefoon vanaf - pak 'm beet - zes jaar geleden is dat dus een fors probleem geworden. Die gebruikers worden in eerste instantie geconfronteerd met een soort van slappe aftreksels van websites. Een verschrikkelijk gepiel en gedoe, want die websites zijn helemaal niet gemaakt om te bekijken op kleine schermpjes. Die waren net lekker aan het wennen aan de grote oppervlakken. Als je al langer zo'n slimme telefoon hebt, dan herinner je je wellicht dat gevoel nog wel: alsof je met een verrekijker van dichtbij een boek leest. Nergens overzicht en continue zoekend naar 'wat willen ze hier van me?'. Dan hebben we het nog niet eens over die typische muistrucs als 'mouse-over' instructies. Die deden het niet. Zonder muis.
Apps. Dus. Toch?
Jazeker. Die zijn handig omdat daarmee de mogelijkheden van die slimme apparaten worden benut: de sensoren, de beeldopname, de rekenkracht. Maar ja, een app maken kost iets. Mijn vermoeden is dat veel opdrachtgevers een zucht van verlichting moeten hebben geslaakt toen de ontdekking van de web-app bekend werd. Een website die zich als een app presenteert, of andersom; een stúk voordeliger dan die native app.
Maar wat veel interessanter is, is de gebruiker. Met die mobiele apparaten werd het belangrijker te weten hoe gebruikers daarmee om gingen. Al snel bleek dat 'één website voor alles' bezijden de werkelijkheid is. Mij staat nog een presentatie van Nu.nl bij, van járen terug, die toen al bezig waren met drie kanalen: de bureaucomputer, de mobiele telefoon en de tablet. Ieder met eigen voorkomen en indeling, maar met, in principe, hetzelfde nieuws. Dat was wat: werd het nóg kostbaarder want die verschillende apparaatsvormen eisten dus eigen aanpakken. Man, man, man.... wéér discussie.
Het is echter nog helemaal niet voorbij. Inmiddels begint zich een nieuw soort van gebruiker te manifesteren: de altijd mobiele. Op zich een voorspelbare ontwikkeling: steeds meer mensen gebruiken mobiele apparaten om het Internet te benaderen. Ook ín huis. PEW heeft dat al eerder gesignaleerd.
Als je nu eens door denkt: wat gebeurt er als we inderdaad het Internet op schoot willen hebben als we een vraag hebben? Dat betekent dat alles op het Internet primair geschikt moet zijn voor mobiele raadpleging. Een 180 graden omkering. Dan blijft voor de bureaucomputer eigenlijk vooral de taak over die hij ooit ook al had: een bedrijfsgebonden apparaat voor toepassingen die (intern) bedrijfsgericht zijn. Want voor het Internet hebben we dan de mobiele apparaten.
Zo absoluut wordt het niet. Ik weet het. Maar wat wel gaat gebeuren, is dat die groep uitsluitend-mobielen gaat groeien. Voor de aanbieders gaat dat véél uitdagingen opleveren. Mobiele gebruikers kun je dus niet negeren, maar het zijn wel ook degenen die het meest maatwerk nodig hebben en dat ook zoeken. Op kleine(re) schermen is het woekeren met de ruimte, maar verwacht niet dat de mobiele gebruiker ineens heel veel geduldiger is. Hij of zij is net zo ongeduldig en dus zó weg als het allemaal niet snel genoeg lukt.
Uitsluitend-mobielen. Ze komen er aan.
Labels:
aanpassen,
desktop,
evolutie,
internet,
iPhone,
kosten,
mini,
mobile,
notebook,
ontwikkeling,
OS,
singulariteit
Locatie:
Leiden, Nederland
maandag 4 maart 2013
Nee, díe lichaamstaal spreek ik niet
Ieder mens heeft zo zijn beperkingen. Het best is die zo snel als mogelijk te kennen. Dat voorkomt dat je in situaties verzeild raakt waar je aanspraak moet maken op iets wat je niet kunt.
Heel lang geleden was ik in het Evoluon. Dat moet lang geleden zijn geweest, want de permanente technologietentoonstelling was er nog. Zo'n soort van luxe versie van het natuurkundepracticum, met proefjes, bewijzen en filmpjes van verschijnselen die wij of alleen uit de theorie kenden of als lullig dingetje waarvoor de amanuensis - bestaat die soort nog? - werd opgetrommeld.
Zo kon je ruimtedeeltjes zichtbaar maken door ze 'in' een vloeistof te vangen. Wat je ziet, is een spoor. Onze natuurkundeleraar kon dat heel beeldend maken: de aarde die continue werd gebombardeerd door ontelbare deeltjes. Welnu, in het Evoluon maakten die proeven meer indruk.
Zo was er ook een gezichtsherkenningstest. Die verliep bij mij nogal rampzalig. De - mijn - conclusie was dat ik me maar niet moest opwerpen als getuige van een misdaad.
Je kreeg, meen ik, een soort van tasjesroof te zien en moest dan vragen beantwoorden als wat voor kleur het tasje had, of de dader een bril had en welke kleding i aanhad. Geen idee.
Mocht je mij kennen en tegen het lijf lopen; neem geen risico en groet me, want de kans is nogal reëel dat ik je straal voorbij loop. Meteen maar even op straat leggen: da's geen onwil of hooghartigheid. Het is een onhandigheid om gezichten en namen snel te kunnen koppelen. Een poosje later weet ik vast wél wie je bent. Maar ja, dan is Het Moment alweer voorbij.
Da's best wel lastig.
<a href="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2013/02/thuiscursus-lichaamstaal-psychonomie.jpg"><img src="http://medunkt2011.files.wordpress.com/2013/02/thuiscursus-lichaamstaal-psychonomie.jpg" alt="thuiscursus-lichaamstaal-psychonomie" width="250" height="167" class="alignnone size-full wp-image-3485" /></a>
Wat voor mij ook zo'n geheimtaal is, is lichaamstaal. Ik heb geen idee hoe dat jullie vergaat, maar als ik televisieprogramma's zie met politiemensen die de meest complexe zaken oplossen op basis van aanwijzingen uit de lichaamstaal, ben ik zwaar onder de indruk. Over elkaar gevouwen armen duiden op geslotenheid?! Onderuit gezakt zitten op desinteresse?! Jeuj, ik associeer ze eerder met pijnlijke ledematen of een slecht aangeleerde zithouding.
Niet dat ik niet geloof dat er zoiets is als lichaamstaal. Maar ik spreek 'm niet best, denk ik. Of het is zo dat heel veel mensen 'm niet beheersen en maar doen alsof.
In elk geval kan ik niets met van die opmerkingen als 'de dame keek de heer aan met een veelbetekenende blik'. Wat? Wat? wat? Hoezo? Veel van wát betekenend? Zég het gewoon...
En dan hebben we het nog niet eens over de heel subtiele aanwijzingen die je kunt geven. Als kijker mis je dan soms de clou van het verhaal, omdat je de subtiele aanwijzing niet opmerkte.
Ik doe er wat badinerend over. Dat mensen op meerdere niveaus communiceren staat als een paal boven water. En dat goede communicatie vereist dat al die lagen eenzelfde golflengte hebben, ook. Lachend iemand vertellen dat een goede vriend is overleden, komt vreemd over (en is juist daarom goede grondstof voor werkelijke komieken). Maar om nu te denken dat we die lagen ook echt als een taal kunnen (leren) beheersen, vind ik wat ver gaan. Zo ongeveer het gebrekkig steenkolen-Engels, het braadworsten-Duits of het wijnglazen-Frans, dat lijkt me maximaal haalbaar.
Van de week waren de beelden van de Google bril (<a href="http://www.google.com/glass/start/">Google Glass</a>) nogal in de aandacht. Nu heb je dat altijd wel. Dat mensen graag willen kunnen zeggen dat zij 'de eerste' waren die iets signaleerden. In dit geval móeten dat wel techneuten zijn geweest, want esthetisch is die Google bril een wanstaltig iets.
Het bijzondere zit 'm erin dat in de poot van de bril een complete reken- en projectie-eenheid zit verwerkt; zeg: een computer met beamer. Omdat die computer draadloos is verbonden met die enorme informatiebron die het Internet heet, heb je dus toegang tot 'alles'. En dat werkt door ergens naar te kijken, dat beeld te (laten) herkennen en achtergrondinformatie aan de binnenkant van de brilleglazen te projecteren.
Ken je die actiefilms waarin piloten informatie zien op het cockpitscherm? Dat dus. je loopt rond en ziet meer dan het oog zónder bril zou zien.
Dat is handig. Een oud gebouw?! Hoe oud? Wat is de geschiedenis ervan? Een etalage? Maar wat kosten die schoenen? En wat kosten ze bij de buren? Of, degene met wie je staat te praten: wie is dat precies? Wat deed of doet hij?
Het is er allemaal nog niet. Die bril is niet echt een hebbeding om je mee te vertonen. Waar ik ook nog wel benieuwd naar ben, is naar mogelijk onvoorziene effecten. De 3D-bril bleek tot zeeziekte, misselijkheid en desoriëntatie te kunnen leiden als gevolg van de onnatuurlijke beweging (je zíet in drie dimensies van alles wat je lichaam níet registreert, omdat het eenvoudigweg niet echt is).
Het is zwaar onethisch, maar ik ben wel erg benieuwd hoe zo'n systeem kan uitpakken. Een mogelijk scenario is namelijk dat het onze afhankelijkheid enorm vergroot. Als het nu al zo is, dat aanwijsbaar minder parate topografische kennis beschikbaar is dan is het niet zo wereldschokkend te voorspellen dat dit die afhankelijkheid nog veel meer gaat vergroten.
Denk dan niet alleen aan plaatsbepaling. Denk eens aan een bril die voor jou de vertaling maakt van de lichaamstaal van degene met wie je in een vergadering zit. Een wereldomvattende souffleur. Dat roept echter ook weer die ene vraag op: maar wie heeft dan de regie? Wie (be)stuurt?
Overigens. Een mooie toepassing is die waarin de bril voor mensen met een stoornis in het autistisch spectrum de aanvulling verzorgt op hun gebrekkige sociale vaardigheid. Maar die moet nog wel even worden gemaakt. Nu maar hopen dat die niet teveel het gedrag manipuleert. Want dan komen ineens heel andere visioenen op.
Labels:
autisme,
borg,
communicatie,
empathie,
herkennen,
singulariteit,
sociaal
Locatie:
Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)