Posts tonen met het label Dood. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dood. Alle posts tonen

zondag 5 oktober 2014

Voor als-i er niet meer is

Verjaardagsfeesten in Nederland hebben iets van een verrassing, of niets. Langzaamaan sterft het rondje stoelen met ooms, tantes, neven en nichten uit. De vervanging is een stáánd feest, voornamelijk in de keuken en de tuin, of op het balkon. Naar aanleiding van een vijfenzestigste verjaardag was ik op zo'n feestje, mét verrassing: de jarige lag op bed, aan een morfinepomp, in de verwachting de 66 níet te halen.

Een paar maanden geleden had-i me gebeld met het nieuws: "Snel uitzaaiende kanker. Geen hoop op herstel. Maar ik ga nog wel de mensen die me dierbaar zijn uitnodigen; voor m'n verjaardag én afscheid." Zo'n bizar, macaber, intiem gesprek heb ik nog nooit gevoerd.

Daar sta je dan begin oktober. Tussen mensen die je niet kent en toch ook weer wel, als ze hun naam zeggen. Dan blijkt iedereen wel flarden van de ander te hebben meegekregen via de jarige stervende. Het is geen verjaardagsfeestenvierder; en met een dosis morfine in je lijf ben je er toch niet helemaal bij. Na drie uur was de batterij dan ook aardig leeg.

Een zelf-georganiseerd afscheid. Zou ik 't kunnen? Zou ik 't doen? Geen idee en ook een nutteloos vraagstuk. Het is de context die altijd alles bepaalt. Ook dit. Er zijn kortom veel te veel onzekerheden om iets zinnigs te voorspellen, zoals zo vaak in het leven.

In de afgelopen maanden is hij me (natuurlijk) veel door het hoofd geschoten. Dit is de man die me zonder nadenken bijstond toen een arbeidsconflict als een zweer openbarstte, die me de realiteit liet zien die ik toen niet meer zag, die me meesjouwde naar Frankrijk waar "hoognodig iets aan m'n huisje moest gebeuren en jij moet er toch echt uit, want je loopt anders vast".

Het is ook de man die ik geregeld de zin heb horen zeggen "Goed. Doen we. Dat ga ik in proces zetten." en dat ik wist dat er een klusje gedaan moest gaan worden. Waarbij moet worden aangetekend dat we dan weer 's iets voor de poorten van de hel hadden weggesleept, maar eigenlijk geen glashelder idee hoe we dat gingen dóen. Het voordeel van de directeur. Die 'zet in proces'.

Het is ook de man die verdomd eigenwijs was en pas na heel veel woorden vernieuwing echt toeliet in z'n denken. In tegenstelling tot het gros der managers is het ook de man die werkelijk open stond voor vernieuwing. Innovatie als wezenlijke verandering kon hij waarderen. Nog steeds zie ik mijn, sorry zíjn, ideeën terugkomen in voorstellen van collega's uit die tijd. Nog steeds is er zijn heel persoonlijke stijl van overtuigen. Nog steeds snap ik er niets van.

Da's dus het maffe aan zo'n bijeenkomst. Je hoofd zit vol met herinneringen, vol met 'dingen die je 'ooit' nog had willen zeggen'. Maar ze worden niet gezegd. Hoe goed je je ook voorbereidt; het zal altíjd tekort schieten. Twee levens, twee herinneringen, minstens. Plus dat wat de ene belangrijk vindt dat wellicht niet is voor de ander. Maar belangrijker: wie neemt afscheid van wie en hoe belangrijk is dat 'ik had nog willen zeggen...'.

Mijn moeder moet binnenkort ook overlijden. Ze is nu 94 en ik verwacht al een paar jaar met de jaarwisseling dat dit weleens de laatste kan zijn voor haar. Tijd zat dus om alles te zeggen wat nog had gemoeten. Toch gebeurt dat niet (ook omdat het maar de vraag is wat de effecten zijn).

Ik wil de komende weken nog minstens één keer langsgaan. Alleen. En voor zolang mogelijk is; ergens tussen 5 minuten en een uur waarschijnlijk. Om wat te doen? Afscheid nemen? Eerlijk, ik weet 't niet. Wel dat het over herinneringen gaat, over toekomst-ideeën en alles daartussenin gaat. Effe (proberen) niet ziek te zijn. Meer kan ik niet.

dinsdag 8 juli 2014

Ook de bijna-zestiger heeft geen oplossing

Het begint met een schokje als je krant openslaat. Op een dag zul je de krant doorbladeren en je oog laten vallen op de pagina die je niet eerder serieus in de gaten hield. De overlijdensberichten. Dat is het begin.

Die dag realiseer je je dat die berichten geboortejaren van overledenen bevatten die dicht bij de jouwe liggen. Veel meer is het niet. Maar dát is het begin, het begin van jezelf realiseren dat je ouder bent geworden en dat (dus) de dood nadert.

Zo absoluut gaat het uiteraard niet. Het gebeurt in een vreemde mengelmoes van actief en alert opletten en af en toe met de neus op de feiten gedrukt worden. Het overkomt je en langzaam verschuift je focus en perspectief.

Deze post gaat je niet gerust stellen, kán je niet gerust stellen. Er is niet echt een oplossing voor. Die fase komt onvermijdelijk en het enige wat ik kan doen, is vertellen. Mijn enige hoop is dat jij, lezer, je realiseert dat zoiets bestaat en dat het belangrijk is jezelf te verplaatsen in die fase. Ook ik ging er heel lang gedachteloos van uit dat, afgezien van tijdelijke ziektejes, niets kapot. Vanzelfsprekend. De gezonde mens als uitgangspunt.

En dan komt de periode van, laten we zeggen, 50 tot 60 jaar. De periode waarin de vanzelfsprekendheid als spiegelglas aan gruzelementen gaat.

Dat ouders en oudere familieleden, bekenden en buren overlijden, werkt anders door. In de meeste gevallen kun je je daarbij neerleggen. Normaal gesproken gebeurt dat op leeftijden waarvan je denkt: 'je hebt een lang leven gehad'. Of dat een rijk en gezond leven was, maakt in deze post even niet uit. Het gaat erom wíe uit je leven en omgeving verdwijnen.

Iedere keer dat iemand verdwijnt, krijg je even een moment waarop je stilstaat bij dat vertrek. Nee, dat is echt niet altijd een bewust nadenken, alhoewel die kans steeds groter wordt gaande je ouder worden. Het gáát je niet in de kouwe kleren zitten als die 'tikjes' elkaar steeds sneller opvolgen. In dat opzicht lijkt het op de onzinnige gedachte dat mensen elkaar voor rot kunnen schelden in context a om in context b, minuten later, daar afstand van te nemen. Dat bestaat niet.

Bewuster is de verkeerde term. Gevoeliger ook. Wat groeit, is relativeringsvermogen. Jij gaat dat ook doen (en zo niet, dan moet je tegen die tijd, te laat, toch eens in therapie). Denk vooral niet 'sentimenteel geneuzel van oude mensen'. Stel jezelf dan eerst de vraag hoe het kan dat het overgrote deel van 'die oude mensen' dit zo ervaren. Realiseer je dat die de fasen die jongeren meemaken ook meemaakten, maar de jongeren die van de ouderen niet kúnnen kennen!

Of het een fase is, weet ik niet. Maar sinds een paar jaar is de kwetsbaarheid van mensen heel zichtbaar dichtbij.

Een toenmalige buurman van een jaar of 45 die binnen drie weken overlijdt, de echtgenote van een ex-collega die ten prooi viel aan ALS, een ex-collega, begin vijftig, die je wéér naar een begraafplaats brengt. Ze liggen nog jaren uit elkaar en a-typisch. Denk je.

Maar ze gaan steeds meer en sneller komen. Niks a-typisch. De oorzaken zijn nooit 'ouderdom', maar ziekten (of ongelukken). In een steeds hoger tempo, zo lijkt het, vallen goede vrienden, goede en vage bekenden, weg. Plots zit je met de ontdekking dat dit een levensfase is waarin sterven niet meer kan worden afgedaan als een ziekte die je overkomt, pech. Dit is de leeftijd waarop 'ziekte' en 'leeftijd' samenspannen. En 'leeftijd', ouder worden, is iets wat ook jou onvermijdelijk gaat overkomen.

Eerlijk gezegd, heb ik (nog) geen idee hoe het mij beïnvloedt. Dat is eng als je gewend bent 'gewoon' te leven en alles min of meer onder controle te hebben. Wat ik wel merk, is dat er stevig aan allerlei fundamenten wordt gerammeld.

Sterkte, lezer.

zaterdag 8 februari 2014

Drijfveren

Innovatie is verandering. Toch?! In de jaren dat ik heb rondgekeken in dat wereldje is me daar wel iets opgevallen: de drijfveren.

Innovatie is niet iets wat zomaar uit de lucht valt. Ploef, en we innoveren. Waarmee ik maar wil zeggen dat het geen autonoom proces is. Of, zoals anderen het zouden zeggen, een middel en geen doel. Het beeld van een hamer is wellicht verhelderend. Het maakt nogal uit met welke intentie je een hamer vasthoudt voor de bepaling of het werktuig of een moordwapen is.

Innoveren, innovaties en innovatoren hebben iets vergelijkbaars: hun beweegredenen.

In de afgelopen jaren ben ik twee belangrijke tegen gekomen bij mensen: nieuwsgierigheid en angst.

Nieuwsgierigheid is een drijfveer die je verwacht bij academici. Dat zijn immers van die mensen die dingen uitzoeken om het uitzoeken. Fundamenteel (natuurwetenschappelijk) onderzoek is daarom zo kwetsbaar. Daar wordt onderzoek gedaan, gericht op kennisvermeerdering. Hoe je die daarna praktisch kunt gebruiken speelt geen rol. Mág geen rol spelen, vind ik zelf.

Angst, de andere drijfveer, ligt een stuk moeilijker. Die wordt, natuurlijk, zeer zelden zo benoemd. Toch is dit wellicht de belangrijkere drijfveer voor innovatie. Zeker als je innovatie opvat als de concrete verandering van gedrag, produkten of diensten.

Met angst bedoel ik niet de directe angst die ontstaat als je oog in oog staat met een woeste tijger of een ontsnapte dierentuingorilla, evenmin de angst voor een examen of het je eigen slechtnieuwsgesprek. Nee, dit gaat over de angst die zich op meta-niveau bevindt. De angst in de vergetelheid te verdwijnen is er zo eentje. Ik noem het angsten. Anderen zullen het wellicht het ontkennen van de realiteit noemen of het overwinnen van de natuur.

De reden dat ik er op kom, is dat ik pas geleden in de krant las dat er weer een prachtige toepassing is bedacht voor alzheimer patiënten. In navolging van het lifelogging - de godganse dag op intervalbasis foto's maken van wat je doet - lijkt het zo handig voor mensen met geheugenproblemen geheugensteuntjes te maken.

Maar waarom?!

Dat er brillen en gehoorapparaten bestaan, lijkt me verklaarbaar. Beide grijpen direct in op de gevolgen van het gebrek. Overigens heeft ongetwijfeld ook dáár de angst slechter te zien of te horen een rol gespeeld. Maar bij zoiets als geheugenproblemen lijkt dat een nog grotere rol te spelen, met als summum het uitstellen van ouderdom en de dood.

Waarom zou dat zo belangrijk zijn? Omdat angst een slechte raadgever is. Een van de grootste verschillen tussen beide drijfveren is dat de nieuwsgierige zowel voor- als nadelen in kaart brengt. De angst-versie zal dat niet zo vanzelfsprekend doen. Zoals patiënten selectief luisteren. Zoals slechtnieuwsgesprekken vaak maar half gehoord worden.

Dat je dan mensen krijgt die hun tijd van leven voor een deel gebruiken om pilletjes te slikken die hun leven wellicht verlengen, is tot daar aan toe. Wat je aan tijd verslikt, krijg je wellicht terug. Het lijkt me echter wel een variant van Zeno's Achilles en de Schildpad.

Wat wel nodig is in deze turbulente tijden is jezelf de vraag stellen wat die drijfveren mogelijkerwijs zijn. Want verandering omwille van de verandering bestaat niet echt. Wel verandering omwille van een onuitgesproken reden en doel. En zeker dat laatste is toch echt wel belangrijk.

Anders verkoop je een klauwhamer als moordwapen.

maandag 7 oktober 2013

Paarse krokodillen tegen de kandeleer

Ik ben een liefhebber van onze taal en van Onze Taal. Niet dat ik een groot talent heb voor onze taal, maar Onze Taal verslind ik meestal wel. Onze Taal is, slim lezertje, een tijdschrift over de Nederlandse taal.

Eindelijk staat er in Onze Taal een artikel wat goed aansluit bij mijn idee over taal. Dat idee lijkt wat wankelmoedig, maar is 't niet.

Ik heb een hekel aan taalslordigheid. Ik ben een groot fan van taalcreativiteit. Het verschil tussen die twee is een flinterdunne scheidslijn: intentie. Ergerlijk is degene die slordig is in z'n woordkeuze, die niet de tijd neemt even na te denken over 'd', 't' of 'dt'. Dan moet je niet aankomen met 'maar Nederlands is een levende taal die verandert'. Dit is gewoon fouten maken. Dat veeg je niet onder het tapijt met modieuze drogredeneringen.

Opzéttelijke taalfouten werken als een komiek die als onhandige kluns over z'n eigen voeten struikelt. Die opzet haal je vaak ook uit het ritme, de pauzes. Gelukkig zijn er genoeg taalkunstenaars om tegenwicht te bieden aan de taalslonzen. In Tram 7 van Jurk! zitten er een paar:

Toen kwam ze binnen
Een mooie meid met donker haar
Ze zag me zitten
En ik haar
(...)
En ik heb het echt niet meer
of juist te pakken


Het aller-, aller-, allermooiste vind ik in onbruik geraakte woorden. Niet allemaal, maar er zitten echt wel pareltjes tussen. 'Nochtans': mooi toch? Om dergelijke woorden weg te mikken 'omdat niemand weet wat ze betekenen' of 'omdat het begrippen uit een voorbije tijd zijn', vind ik wel heel erg bruut. Het in gébruik houden van die woorden houdt ook kennis en taalrijkdom in leven.

Precies dát dacht ik aan te treffen in Onze Taal, in een artikel over "oude spreekwoorden in een nieuw jasje". Dat is een gaaf project, van Laurens Bosman en Wilmar Versprille las ik daar. Zij willen spreekwoorden vernieuwen om te voorkomen dat de bóódschap van het spreekwoord in vergetelheid wordt verzwolgen. Op 8 oktober wordt bekend gemaakt wie dat het beste deed. Maar dat ter zijde.

Er zitten werkelijk práchtige vernieuwingen bij.

Photo 07-10-13 20 38 08

Maar wat ik wel jammer vind; die oude, vervangen spreekwoorden hóeven toch niet weg? Waarom zou je "Om der wille van de smeer likt de kat de kandeleer" niet meer moeten kennen? Of, nee: er in elk geval eens bij je lessen Nederlands bij hebben stil gestaan. Je hoeft ze toch niet per sé in je dagelijks taalgebruik op te nemen? Maar een kleine beetje weten waar de klok de klepel haalt en Abraham de mosterd.... Lijkt mij ook bijdragen aan algemene - en leuke - algemene ontwikkeling.

Wat mij écht heel erg verbaasde, is de bewering dat sommige woorden stomweg niet meer worden begrepen. Nu ben ik heel slecht in het inschatten van mensen, maar iemand als Giel Beelen lijkt mij een gemiddelde Nederlander. Die zou niet weten wat 'kaf' is?! Je weet wel, van 'het kaf van het koren scheiden'. Ook het woord 'baken' zou velen een raadsel zijn. Kijk: dát vind ik dan weer zeer verontrustend. Dan wordt Nederlands - van laten we zeggen dertig jaar terug - voor sommigen gelijk aan een vreemde taal. Vreemdeling in eigen land.

Dat zou ik graag willen: dat op Paarsekrokodillentranen die oude-van-dagen-spreekwoorden nog een poos in het spreekwoordenbejaardenhuis kunnen bestaan.

Opdat we ons realiseren dat taal lééft.

woensdag 22 mei 2013

Gevaarlijk: (godsdienst)waanzinnigen

Onrecht is iets waar ik slecht tegen kan. Da's een wat obligate opmerking, want de echt ertoe doende gevallen van onrecht bevinden zich vér buiten mijn invloedssfeer. Denk dan vooral aan de verdelingsvraagstukken als: inkomen, woonruimte, werk. Dat wordt echt niet eerlijk - op basis van gelijke toegang - verdeeld. Ménsen die verdelen; het gaat nooit goed. Wij kunnen dat helemaal niet onbevooroordeeld. Altijd zullen voor- en afkeuren een rol spelen. In de wereld van de social media is dat 'ontdekt', en benoemd, als 'gunfactor' hetgeen een treffende karakteristiek is.

Wat dat betreft, is het maar goed dat ons ook vanalles kan overkomen 'zonder onderscheids des persoons'.

Het klimaat is zo eentje. Als het regent, maakt het geen bal uit wie je bent: je wordt nat. De enige uitweg is dat de rijkeren in staat zijn zich beter te wapenen tegen die regen; hetzij met een paraplu, hetzij met een auto, taxi of bus. Maar boven Wassenaar is de kans op regent net zo groot als boven een achterstandswijk in een grote stad. Even voor alle duidelijkheid: de vestigingslokatie is weer wél een mensenverdeling. De meer-machtigen wonen níet op de slechtste plekken op deze aardkloot.

Pesten is, deels, het leren omgaan met onrecht. Dan hebben we het dus niet over de ziekelijke vormen die langdurig grof en vernietigend zijn. Maar ook de 'lichte' vorm waar we haast achteloos aan voorbij gaan - "Ach, dat doen alle kinderen van alle tijden. Daar word je groot van" - is een aanslag op het gevoel van rechtvaardigheid: "Hé..., probeer dat 's met iemand van je eigen grootte, joh!". Dat pesten kan fysiek zijn, maar ook psychisch. Ik vermoed zelf dat dat de ergste is: onzichtbaar, maar wel schade toebrengend die nog jaren kan bestaan. Treiteren hoort in die groep. Ook de kleine pesterijtjes als iemand in het openbaar voor schut zetten, of blij maken met een dooie mus.

En maar lachen.

Ik kan dan ook kwaad worden over mensen die anderen bewust voor de gek houden. Gelovigen zijn daar erg goed in. Of beter: de missionaire types daaronder, want de goede moet ik niet te na spreken. Alhoewel ik vind dat iedereen mag vinden wat-i wil, zijn er grenzen aan wat-i zegt of doet. Die grenzen worden, wat mij betreft, overschreden door godsdienstwaanzinnige 'televisiedominees', maar ook door gekken als deze:

20130522-183224.jpg

Eigenlijk zou er helemaal geen aandacht aan moeten worden besteed. Deze man is geen knip voor de neus waard. Zijn nut is nul. Maar waar hij eigenlijk heel erg nadrukkelijk op moeten worden gewezen, is het verdriet wat-i mensen aan doet. Kijk, geloven dat dit kan, is één - en al zielig genoeg - maar dan ook nog 's uitermate kwetsbare mensen mee lastig vallen...

da's echt precíes hetzelfde als wat pestkoppen doen.

Eikel!

maandag 1 oktober 2012

Dodenbomen. En nee, da's geen schrijffout

Als kind heb je die gedachte vast weleens gehad - en anders zat-i wel in een sprookjesverhaal verstopt; de idee dat op het graf van een geliefde een prachtige plant groeit. Zo'n plant die je nog kunt zien en aanraken. Een plant ook die bestaat uit moleculen van je geliefde. Het beeld van beestjes en bacterieën die dat lichaam verwerken tot vruchtbare aarde, vermijden we liefst.

De dood is voor de meeste mensen toch iets ongelooflijk ingewikkelds. Er komt een einde aan een leven. Maar we zien nog wel een lichaam, een stoffelijk overschot. Wat is er dan verdwenen? Is het zoiets als een machine die onherstelbaar defect is geraakt? Wat is er dan weg: een ziel? Wat is dat dan?

Die onbewijsbaarheid van een bestaan na de dood - en de natuurlijke omgevingsmogelijkheden - leidt tot verschillende afscheidsrituelen. We verbranden lichamen. We hebben lichamen rivieren en zeeën laten af en op drijven. We plaatsten lichamen in afgesloten kisten in grotten. We hebben lichamen gebalsemd in siergraven gelegd. We hebben lichamen in kisten in de grond begraven. We hebben lichamen verbrand en het as in urnen bewaard. We gaan lichamen invriezen voor latere wederopstanding. We gaan klonend onsterfelijk worden, menen sommigen.

Maar in veruit de meeste gevallen is de dood een indrukwekkende gebeurtenis en is het achterblijvend lichaam niet iets om disrespectvol mee om te gaan. Zoals je achteloos met huisvuil omgaat waarin je verpakkingen weggooit. Dat doe je niet.

20121001-181343.jpg

En nu is er een optie waarbij het lichaam van de overledene heel gericht voedsel wordt voor een plant, voor een boom om precies te zijn. PSFK meldt dat: Biodegradable urn turns people into trees after they die. Het komt er op neer, zo begrijp ik, dat op het overschot van de overledene een boom gaat groeien.

20121001-180729.jpg

Persoonlijk vind ik het een mooi idee: een bos dat bestaat uit dodenbomen. Het brengt de overledene toch ook dichtbij. Het knuffelen van bomen krijgt dan toch een iets andere invulling, omdat je niet een willekeurige verzameling moleculen knuffelt maar die van een geliefde. Er kan worden gekampeerd en gepicknickt in dat bos.

Het enige nadeel dat me zo te binnen schiet, is dat het veel ruimte in beslag neemt. De boom zal groeien en daarmee moet wel rekening worden gehouden. Maar als we dan toch aan de slag met de herintroductie van bossen; waarom niet ook zo?

maandag 13 augustus 2012

wie ben je als je dood bent?


D66 schijnt een opt out-systeem te gaan voorstellen voor orgaandonatie. Iedere Nederlander, zo wordt dan bij wet geregeld, is dan orgaandonor tenzij hij aangeeft dat níet te willen zijn. Die handelwijze van de opt out is jarenlang gehanteerd door sluwe marketeers, die klanten daardoor gevangen hielden 'omdat ze niet (op tijd) opzegden'. En niet voor niets is die aanpak steeds meer aangevallen én afgebroken.
20120812-183134.jpg
De discussie over organen is geen eenvoudige waarin een absoluut gelijk bestaat. Het bijzondere is dat hij feitelijk gaat over wie we zijn, wat een mens een mens maakt en over identiteit. Ik denk dat je daarin geen generieke maatregelen kunt nemen. Want we zijn en denken allemaal anders (te zijn).
Blijkbaar houdt D66 er een technocratisch wereld- en mensbeeld op na van een wereld waarin ratio en zakelijkheid leidinggevend zijn. In zo'n visie is het logisch dat zo min mogelijk wordt verspild: van menselijke energie in de vorm van arbeid, arbeidstijd en -productiviteit of in de vorm van menselijk talent en scholing tot en met de reparatie van het menselijk lichaam. Het frappante is dat bij een technocratisch wereldbeeld impliciet een vrij passief mensbeeld past, van een mens die vooral lid is van een collectief en daarna individu. Frappant omdat een partij als D66 individuele ontwikkeling en verantwoordelijkheid hoog in het vaandel heeft.
Waar soms té makkelijk overheen wordt gestapt, is het beeld dat je hebt van jezelf. Een stuk controversiëler is het vraagstuk van de handel in organen. Deels omdat er géld wordt gevraagd, maar deels ook omdat die discussie ook raakt aan de beschikbaarstelling van organen uit lévende mensen. Dat is een interessante. Want blijkbaar is er dan verschil tussen levend en dood donor zijn.
Stel: je valt dood neer. Waar je dan naar kijkt, is een dood lichaam. En al eeuwen wordt er nagedacht over de vraag of jij dat dan nog bent. In religieuze termen: waar zit de ziel? Maar wat voor de een een leeg omhulsel is, is voor de ander nog steeds deel van een individu. En van een leeg omhulsel is het eenvoudiger onderdelen hergebruiken, dan van een bestaand individu. Een bestaand individu omdat in die beleving de dood blijkbaar uit meerdere componenten bestaat: een lichaam én een geest. Dan wordt het een stuk complexer om daar iets uit weg te halen.
20120812-183312.jpg
In een wereld die steeds voller wordt en met een kennis die het mógelijk maakt, wordt het steeds verleidelijker rationeler om te gaan met lichamen. Persoonlijk denk ik dat dat ook kán. Een mens gaat van Niets naar Niets. Maar dat neemt níet weg dat in alle gevallen afscheid van iets moet kunnen worden genomen en dat er respect moet zijn voor diegenen die anders denken over het Leven. Het roept overigens ook de vraag op wanneer je de Grens oversteekt: stel dat iemand eindeloos lang ingevroren blijft, cryogeen is, in afwachting van ontdooiing in betere tijden, leeft hij dan? Let op: hij blijft dus uiteindelijk permanent cryogeen.
Dat het een complexe zaak is, blijkt ook wel uit de commentaren die je aantreft op het internet over dit onderwerp. Zo zijn er - jammer genoeg - ook vrij veel mensen die vinden dat hun lichaam niet gebruikt mag worden ter redding van bepaalde groepen anderen: moslims voorop. Ook dat is een interessante positie, omdat ook zij daarmee aangeven dat een lichaam niet een neutrale entiteit is.
Wat mij betreft, gaan we een stuk efficiënter om met ons stoffelijk omhulsel. Maar ik moet toegeven dat dit onderwerp toch echt wel van een andere orde is dan een wettelijk rookverbod 'omdat dat de collectieven volksgezondheid schaadt'. En persoonlijk vind ik de luiheid van de voorstanders - 'men vergeet een codicil in te vullen en dus lopen we veel mis' - geen argument om daar de tegenstanders dan onder te laten lijden.
Maar ja, D66 ga ík toch al niet stemmen.
20120812-183419.jpg

maandag 25 juni 2012

Godverdómme


Vlóek nu gewoon eens lekker hartgrondig. Húil nu gewoon eens tranen met tuiten. Slá bij gebrek aan woorden eens iets kapot. Schrééuw je onmacht uit je lijf.
Vandaag heb ik met opwellende tranen in m’n ogen naar dit schermpje van m’n iPad zitten kijken. Niet gelovend wat ik las: iemand die aankondigt te zullen sterven voordat de middag voorbij zou zijn.
20120625-174129.jpg
Het is (was) een volslagen vreemde voor mij. En ik snap dan ook niet helemaal waar de emotie precies vandaan komt. Maar ik was niet de enige die hiervan van z’n stuk werd gebracht.
Ik weet niet of jij dit nu met droge ogen tot je door kunt laten dringen. Dat er vanmiddag iemand afscheid moest nemen van het leven omdat dat leven door ziekte te zwaar werd. Longemfyseem en COPD G4 meldt z’n Twitterbio.
Zoals gezegd, ik kende hem niet. En ik wil ook die indruk niet vestigen door links en rechts te citeren. Wat jij, als lezer, zou moeten doen is de tijdlijn eens doorkijken. Koude rillingen. Mij overweldigde die emotie in elk geval.
Heel, heel veel sterkte voor al die mensen die hem nu moeten missen. Oók als je weet dat het gaat gebeuren, komt de klap harder aan dan verwacht.
Het is een treurige aanleiding. Maar het is wel een voorbeeld van een deel van de kracht van social media: het deelbaar maken van emotie, van informatie die anders zo intiem zou zijn gebleven dat ‘wij’, de buitenstaanders, er niets van zouden leren. De keuze om het openbaar(der) te maken, is overigens uitsluitend en alleen aan de betrokkene. Niets móet, veel mág.
Zonder mensen als Hans Groeneweg denken we vaak dat we alleen staan met onze emoties, onzekerheden en beslissingen. Nu is dit wel één van die zeldzame gevallen waarin ons een intiem inkijkje wordt gegund in een extreme situatie. Maar het kan niet anders dan dat ook jij nu denkt over zo’n situatie en hoe jíj zou handelen. Dat is pure winst, want jij wordt er als mens rijker van. Met onbetaalbare dank aan Hans.
Diezelfde winst, maar dan kleiner, kun je nog steeds vinden via social media, zolang er mensen zijn die zich (deels) durven blootgeven. Het blijft bizar om te ervaren hoe er mensen zijn die ‘er niet van zijn gediend’ op Twitter persoonlijke ontboezemingen tegen te komen. ‘Ik ben niet geïnteresseerd in die onzin’ hoor je toch eigenlijk nog best wel ‘s. Diep in m’n hart denk ik dan dat degene die dat beweert ofwel geen méns is ofwel zichzelf niet wil kennen en stomweg wegvlucht in stoerdoenerij.
Want als er iets is wat we als samenleving véél meer moeten doen, dan is dat wel met elkaar práten. Doordat we zo bezig zijn met Belangrijke Dingen als werk en inkomen, vergeten we dat we niet alleen zijn en dat er ook anderen zijn met – wellicht vergelijkbare – ervaringen. Ik zie dat heel sterk vanwege m’n werkloosheid: alle mensen die ik erover spreek of met wie je trainingen doet om weer aan werk te komen, delen dezelfde soort ervaringen. Je bént niet uniek in je gevoel afgedankt te zijn, niet in je constatering dat je lustelozer bent, niet in je gevoel dat ‘je nergens meer aan toe komt en toch zeeën van tijd hebt’, niet… . Het zijn allemaal onderdelen van een proces wat alle mensen die hun baan verliezen doormaken.
En wat mij zo frappeert, is dat ‘we allemaal’ – hopelijk ben jij die Blije Uitzondering – denken alleen te staan in die ervaring. Het is zó waardevol als je met lotgenoten kunt praten. Want slechts in heel enkele gevallen bén je uniek. In veruit de meeste gevallen wéét je gewoon niet genoeg van de situatie van anderen.
Zullen we dat nu ‘s veranderen? Te beginnen door social media weer ietsje meersocial te maken. Dat kunnen we echt alleen zélf. Door onze keuze van wat we delen met de groep.
Ik hoorde pas van een mede-cursist een prachtig spreekwoord: ‘je kómt alleen en je gáát alleen’. Voor degenen die vinden dat dat sociale tijdverspilling is, zou ik daaraan toevoegen: en jij bent alleen en blijft alleen.