Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen

woensdag 17 september 2014

het verdwijnen en herrijzen van de winkel

Het fijne van dit blog is dat ik hier (bijna helemaal) mezelf kan zijn; schrijven wat ik wil schrijven, ideetjes uitproberen, vermeende verbanden neerzetten. Het kan voorkomen dat je iets zou willen opschrijven, maar het niet kunt; omdat je rol een andere is in die omgeving of omdat je niet genoeg ruimte tot je beschikking hebt.

Vandaag was ik bij de, tweede, Open Pandendag in Leiden. Nogal ruw geschetst: dat is een bijeenkomst voor (startende) ondernemers, georganiseerd door gemeente, makelaars, en andere partijen die belang hebben bij het tegengaan van leegstand. Het Leidse Centrum Management, dat zich profileert als verbinder, als middelpunt. Zij zijn het die enthousiasme proberen op te wekken bij de aanwezigen voor de beschikbare (winkel)panden. Dat doe je níet door mensen meer dan twee uur te laten stáán en luisteren naar overduidelijke PRverhalen.

Naar zoiets kan ik met verbazing kijken. Als je mensen warm wilt laten lopen voor iets, dan zul je wel moeten aansluiten bij hun belevingswereld, hun taal. Dan neem je ze serieus. Natuurlijk, Powerpoint is een verplicht nummer en ook de parade van kerncijfers en hitlijstnoteringen. Teveel tamboereren op je eigen organisatie is dan níet slim. Dat geldt ook voor je taalgebruik en optreden. Daar begint het mee.

Wat me frappeerde, is dat de organisatie eigenlijk heel marginaal, héél, in ging op de wat afwijkende vragen; twee met name. De eerste ging over de manier waarop de stad van plan was hun ambities te verwezenlijken en de kapitaalkrachtige jonge intellectuele Leidenaar aan de stad te binden. Die, zo was vastgesteld, is in slechts 50% van de gevallen op de stad geöriënteerd. Het antwoord kwam nooit. Dat is ook niet zo vreemd. Wie bijvoorbeeld Florida's gedachtegoed las, weet dat het mensen zélf zijn die bepalen wat zij een prettig woon-, vrijetijds- en werkklimaat vinden. Dat is een kwestie van cultuur en dat op zijn beurt is veel meer dan kengetallen. Sterker, het is vooral een kwestie van mentaliteit. Die best wel eens op gespannen voet kan staan met planmatig denken van gemeenten.

De andere vraag is minstens zo interessant: wat is eigenlijk de invloed van Internet-aankopen op stedelijke ontwikkeling? Voor een stad waarin men vindt dat er een grote creatieve klasse is en waar men de binnenstadsontwikkeling volstrooit met termen als 'beleving', lijkt het een makkie. Maar dat is het dus niet.

Toch is het enorm belangrijk voor de (beginnende) ondernemers. Want, tja, hoe verdien je je geld? En waar zit je concurrent; niet per sé in de straat, stad of zelfs land. Voor stadsontwikkelaars is toch echt een wezenlijke vraag.

Mijn eigen idee is dat de winkel zoals we die kennen, zal verdwijnen. Die is nu volop bezig het loodje te leggen. En eigenlijk is de opvolger allang bekend. Zowat íedereen in de wereld van de detaillisten - sorry, retail - beschrijft het. Wij, de consument, komen in de winkel kijken, voelen, horen, vasthouden en informeren. Maar kopen...... dat doen we steeds meer online bij de goedkoopste leverancier.

Het vereist niet veel fantasie om te voorzien dat de kleinwinkel dat niet overleeft. Maar het vereist ook niet veel fantasie om de kans te zien: wordt etalage, één grote etalage voor verschillende merken. Ga er van uit dat er niets wordt verkocht vanúit je winkel. Ga er wel vanuit dat jouw winkel het voorportaal is voor leveranciers. Jouw bestaansrecht zal gaan bestaan uit het creëren van een plaats waar consumenten komen om te kiezen: deskundig advies, sfeer en assortiment worden belangrijk. Ná de keuze wordt gekocht bij een ander. Mij gaat het niet verbazen als de business case leidt tot inkomsten uit de toeleiding naar de uiteindelijke verkoper en niet uit een marge op eigen inkoop van het product.

Die gesprekken ontbraken in Leiden. Daar werd nog steeds gedacht in vierkante meters verkoopoppervlak (en gróte winkels). Terwijl een mogelijke andere realiteit is dat er behoefte ontstaat aan kleinere, sfeervolle (authentieke) panden en vooral een stádsbeleving. Want op den duur wordt ook Leiden één grote website waarin wij zelf rondlopen.

maandag 7 oktober 2013

Paarse krokodillen tegen de kandeleer

Ik ben een liefhebber van onze taal en van Onze Taal. Niet dat ik een groot talent heb voor onze taal, maar Onze Taal verslind ik meestal wel. Onze Taal is, slim lezertje, een tijdschrift over de Nederlandse taal.

Eindelijk staat er in Onze Taal een artikel wat goed aansluit bij mijn idee over taal. Dat idee lijkt wat wankelmoedig, maar is 't niet.

Ik heb een hekel aan taalslordigheid. Ik ben een groot fan van taalcreativiteit. Het verschil tussen die twee is een flinterdunne scheidslijn: intentie. Ergerlijk is degene die slordig is in z'n woordkeuze, die niet de tijd neemt even na te denken over 'd', 't' of 'dt'. Dan moet je niet aankomen met 'maar Nederlands is een levende taal die verandert'. Dit is gewoon fouten maken. Dat veeg je niet onder het tapijt met modieuze drogredeneringen.

Opzéttelijke taalfouten werken als een komiek die als onhandige kluns over z'n eigen voeten struikelt. Die opzet haal je vaak ook uit het ritme, de pauzes. Gelukkig zijn er genoeg taalkunstenaars om tegenwicht te bieden aan de taalslonzen. In Tram 7 van Jurk! zitten er een paar:

Toen kwam ze binnen
Een mooie meid met donker haar
Ze zag me zitten
En ik haar
(...)
En ik heb het echt niet meer
of juist te pakken


Het aller-, aller-, allermooiste vind ik in onbruik geraakte woorden. Niet allemaal, maar er zitten echt wel pareltjes tussen. 'Nochtans': mooi toch? Om dergelijke woorden weg te mikken 'omdat niemand weet wat ze betekenen' of 'omdat het begrippen uit een voorbije tijd zijn', vind ik wel heel erg bruut. Het in gébruik houden van die woorden houdt ook kennis en taalrijkdom in leven.

Precies dát dacht ik aan te treffen in Onze Taal, in een artikel over "oude spreekwoorden in een nieuw jasje". Dat is een gaaf project, van Laurens Bosman en Wilmar Versprille las ik daar. Zij willen spreekwoorden vernieuwen om te voorkomen dat de bóódschap van het spreekwoord in vergetelheid wordt verzwolgen. Op 8 oktober wordt bekend gemaakt wie dat het beste deed. Maar dat ter zijde.

Er zitten werkelijk práchtige vernieuwingen bij.

Photo 07-10-13 20 38 08

Maar wat ik wel jammer vind; die oude, vervangen spreekwoorden hóeven toch niet weg? Waarom zou je "Om der wille van de smeer likt de kat de kandeleer" niet meer moeten kennen? Of, nee: er in elk geval eens bij je lessen Nederlands bij hebben stil gestaan. Je hoeft ze toch niet per sé in je dagelijks taalgebruik op te nemen? Maar een kleine beetje weten waar de klok de klepel haalt en Abraham de mosterd.... Lijkt mij ook bijdragen aan algemene - en leuke - algemene ontwikkeling.

Wat mij écht heel erg verbaasde, is de bewering dat sommige woorden stomweg niet meer worden begrepen. Nu ben ik heel slecht in het inschatten van mensen, maar iemand als Giel Beelen lijkt mij een gemiddelde Nederlander. Die zou niet weten wat 'kaf' is?! Je weet wel, van 'het kaf van het koren scheiden'. Ook het woord 'baken' zou velen een raadsel zijn. Kijk: dát vind ik dan weer zeer verontrustend. Dan wordt Nederlands - van laten we zeggen dertig jaar terug - voor sommigen gelijk aan een vreemde taal. Vreemdeling in eigen land.

Dat zou ik graag willen: dat op Paarsekrokodillentranen die oude-van-dagen-spreekwoorden nog een poos in het spreekwoordenbejaardenhuis kunnen bestaan.

Opdat we ons realiseren dat taal lééft.

zaterdag 25 mei 2013

De valkuil van beeldspraak

Taal is best wel een gebrekkig middel.

Ik wil iets wat ik míjn hoofd heb, aan jou overbrengen. Da's lastig, zeker als het over immateriële zaken gaat. Kijk, een brood kopen, gaat nog wel. Alhoewel: "ik wil dat brood" en dat aanwijzen, zegt nog niets over de tegenprestatie. Betalen? Hoeveel? De bakker de hersens inslaan?
Nou, probeer met woorden maar eens zoiets ontastbaars als 'een hogere macht' uit te tekenen. Niet voor niets dat er verschillende heilige boeken bestaan, in verschillende varianten en allemaal met heel veel woorden.

Nee, intermediaire media als gesproken of geschreven woord, als verbeelde bedoeling in toneel of beeldkunst, ze zijn allemaal suboptimaal vanwege de vertaling en interpretatie van gedachten. Wat dat betreft, zijn alle tele-'s interessant. Telekinese, telepathie - tele-visie niet, nee - zijn van die situaties waarin geen tussenliggend medium nodig is en tussen twee mensen heel direct en puur emoties worden uitgewisseld. Maar die mogelijkheden hebben we dus niet.

Dat taal lastig is, heb ook jij vast wel meegemaakt. Van die situaties waarin iemand jouw woorden verkeerd begrijpt, of helemaal níet begrijpt. Ruzies om niets. Hoe korter het talig lontje, hoe sneller de spraakverwarring. Flame wars zijn nooit voorbeelden van nuance geweest. Dat er leestekens en emoticons bestáán, is niet 'voor de lol'. Mensen die zich tegen het gebruik ervan verzetten, snappen ook werkelijk de ballen van communicatie. "Lul!" is echt iets heel anders dan "Lúl! :)" (of het iconisch "lullooh!").

Net als in de oertijd van de taal grijpen we in onze taaluitingen nog steeds terug op vergelijking, analogie en beeldspraak. Dat lijkt immers handig. Als je beiden, meent eenzelfde beeld van iets te hebben; daarop voortbouwen.

Nou, da's maar de vraag.

Eiegnlijk zou beeldspraak maar een hele korte levensduur moeten hebben: alleen voor die ene gelegenheid. Want die stomme dingen gaan een geheel eigen leven leiden.

"Voetbal is oorlog". Nou. Dat hebben we geweten. Miljoenen in de veiligheid geïnvesteerd.
"Laat de markt zijn werk doen". Een succes voor al die sectoren waar helemaal geen márkt bestaat in de klassieke betekenis van het woord.
"Een (geöliede) machine". Of het nu een organisatie of een mens is; hij reduceert tot losse onderdelen die samen méér dan de delen zijn, maar wel afzonderlijk 'gerepareerd' kunnen worden.
"De kurk waarop XXX drijft"; nee, dá's een gerustellend stevige drijver: een kúrk.

Voor taalmensen is dit allemaal niet nieuw. Voor grote delen van de samenleving wél. De feministes wezen er - terecht - op dat we impliciet nogal mannelijk denken. Dat wilden velen - mannen? - niet horen en weten. Het is waar, maar het kan ook doorslaan. Zo vind ik de ban op 'jodekoek' en 'negerzoen' te ver gaan. En een jaarlijkse discussie over Zwarte Piet óók.

Toch is het goed om er af en toe op te worden gewezen. Zeker als je op zoek bent naar nieuwe wegen.

Zo is het out of the box-denken volledig verhypet en verkracht. Hoezo moet je búiten de doos denken? Wélke doos? Echte innovatie vereist een open geest, binnen én buiten enige doos. Het kan best zo zijn dat vernieuwing binnen structuren kán, maar dat daarvoor barrières moeten worden genomen (barrière: daar heb je 'r weer één). Maar wat veel bedrijven en managers denken, is dat out of the box hetzelfde is als nieuwe markten vinden. Maar daarvoor hebben we de beeldspraak van de rode en de blauwe oceaan.

Betaalmuren zijn ook zoiets. Mediabedrijven die betaalmuren optrekken. Ik kan er niets aan doen, maar ik associeer ze dan onmiddellijk met de kasteelheren uit de middeleeuwen. Je weet wel, die heersers die ten onder gingen aan ondermeer de door de lucht vliegende kanonskogel terwijl zij waren voorbereid op grondaanvallen. Maar het geeft vast iets weer van je leef- en werkwereld als je die vergelijkingen hanteert: sterk defensief. Net zoiets als de dijken waardoor Nederland werd opgebouwd, maar die nu worden vervangen door een veel responsievere aanpak.

Wat ik wil zeggen: die vergelijkingen komen ergens uit voort én beïnvloeden je gedachten, je perspectief. Een metafoorkeuze verraadt dus (wellicht) veel meer dan je lief is.

Metaforen en vergelijkingen: een schat aan informatie.

maandag 24 september 2012

Fout is lekker (en goed)

Diep in mijn hart ben ik vast een agressief en intolerant wezen. Want soms heb ik toch echt het gevoel dat sommige mensen 'gewoon hardhandig eens op hun nummer moeten worden gezet'. Dronken automobilisten die iemand doodrijden? Hoppa, achter slot en grendel voor minstens 5 jaar. Gewapende overval plegen? Best, maar dan mag je ook worden doodgeschoten bij arrestatie, als je dan zo graag gewapend wilt zijn. Oplichting? Mismanagement? Dan ben je de klos: persoonlijk faillissement en terugbetalen.

Gelukkig gaat dat allemaal zo niet gebeuren. Want de emotie leidt op dat moment het oordeelsvermogen. En of dat een goede raadgever is voor effectieve reactie, ook op de lange termijn, is maar de vraag. Woede vernauwt het bewustzijn.

Toch is het belangrijk af en toe stil te staan bij de rustige, weldoordachte manier van reageren waarvan wij nu menen dat die de beste manier is.

20120924-194637.jpg

Om te voorkomen dat de parallel teveel in het heden ligt en afleidt: in het verleden was ik actief in het 'open jeugd- en jongerenwerk'. Veel gesjouw, veel ge-vergaderen, veel onbegrip, veel tijd, veel lol en heel veel goede herinneringen. Het was een tijd waarin verschillende groepen jongeren in één ruimte kwamen. Als je het werk kent, verbaast het je niet: vechtpartijen en gedoe om de hegemonie. En vechtpartijen waren dus ook véchtpartijen op het oorlogse af.
Wat je daar dan heel snel leert, is dat je de juiste taal moet spreken. Hoe ik het wend of keer, degenen die de taal van het geweld het best beheersten waren degenen die het best intervenieerden. De potige jongerenwerker deed het beter dan de langharige overleg-is-beter jongerenwerker. Op korte termijn. Tijdens de incidenten.

Ervaringen als deze doen me vraagtekens plaatsen bij mensen die alles 'politiek correct' of 'ethisch verantwoord' denken op te lossen.

Niet om 't een of ander - want met harde hand gelijk afdwingen is meestal een tijdelijke oplossing -maar soms is het toch wel een optie de juiste 'taal' te spreken. Niet om te pleiten voor meer agressie of geweld, maar een zekere mate van street credibility is politici of soms ook politiemensen niet aan te rekenen. Dat maakt dat hun woorden ánders worden gewogen. En juist dat is, denk ik, wat maar niet wordt begrepen.

20120924-194625.jpg

Het is een dun laagje fatsoen dat over ons heen ligt, zo lijkt het. Lang hebben we verondersteld dat een beschaafde wereld er een is waar geen geweld wordt gebruikt. Maar wellicht hebben we iets 'onder het tapijt geveegd, ontkend, onder een laagje fatsoen verscholen dat er toch af en toe uit moet. En dat, hoe meer wordt geprobeerd het tegen te houden, steeds heftiger uitbarstingsvormen aanneemt.

Het is góed om af en toe uit de band te springen; hoezeer anderen zich daaraan ergeren. Carnaval heeft zo'n functie. Carnavalháters zijn er ook. In het dorp waar ik ooit woonde, vonden ooit halve veldslagen plaats tussen twee ándere dorpen; op een plek die nu een nationaal pretpark is geworden. En nog steeds bestaat de behoefte eens lekker 'uit je dak' te gaan. En ook dat 'hoort niet'.

Maar als iedereen doet 'wat hoort' - als dat al is vast te stellen - dan zullen er mensen zijn die zich in een keurslijf gekneld voelen. Nu kun je hoog en laag springen maar zonder uitlaatklep(pen) gaat dat gegarandeerd een keer mis.