dinsdag 14 mei 2013

Wier borsten zijn nu de mooiste?

Eigenlijk weet ik nog niet zo goed hoe ik er op met reageren; op het nieuws dat Angelina Jolie haar borsten liet amputeren. Preventief.

Geen opmerking over het Songfestival. Dat interesseert me geen bal. Het zal me benieuwen of 'we' een ronde verder komen. Met het opwekkend lied geef ik 'ons' weinig kans. Maar ik weet ook dat juist zo'n houding leidt tot winnen. Voor hetzelfde geld valt het lied dus wel goed.

Wel echt nieuws, is Angelina Jolie.

Het zijn lastige dingen: beroemdheden die iets doen wat talloos veel andere, niet beroemde mensen ook doen. Die krijgen die aandacht niet. Of het nu gaat over een aandoening van de stembanden, een ziekte of zelfs maar de dood; als dat een beroemdheid overkomt, krijgt het veel aandacht. Meestal zit me dat als een zandkorreltje dwars: waarom die aandacht, terwijl het ok elders voorkomt?

In dit geval weet ik het zo net nog niet. Eigenlijk is het juist goed dat die aandacht er zo is. Het is niet bepaald de correctie van een oorlelletje. Het gaat om een identiteitbepalend lichaamsdeel. Het is een lichaamsdeel wat veel mannen het mooist aan een vrouw vinden. Daar mee (moeten) knoeien, is - lijkt mij - geen sinecure. Dat moet ingrijpend zijn.

20130514-200315.jpg

Wat me bezighoudt, is hoe al die vrouwen die niet bekend zijn hier mee omgaan. Angelina Jolie zal ongetwijfeld veel aandacht hebben laten uitgaan naar de kwaliteit van haar gerestaureerde borsten. Hoe we het wenden of keren: die zijn een belangrijk verkoopelement. Daar investeer je dus ook (fors) in. Maar hoe gaat dat als je die middelen níet hebt: wat dan? Wat doet de verzekering? Of achten die het weer eens te duur?

Soms is het toch goed als een beroemdheid meldt wat hem of haar persoonlijk overkomt (Gôh, die zin hanteer ik ook altijd als het gaat over het belang van social media. Toeval?!)

maandag 13 mei 2013

Emancipatie?!

Rijswijk 'zet haa'. Daar ben ik geboren en getogen. Rijswijk, in Zuid Holland. Dat 'zet haa' had, totdat we topografie kregen op school, een haast mythische waarde. Het hóórde bij 'mijn' Rijswijk. Dat er meer Rijswijken zijn, zouden kúnnen zijn; dat bedenk je als zesjarige nog niet.

Mijn Rijswijk ligt tegen Den Haag aan. Vroeger was er een soort van groene buffer tussen het dorp en de stad. En de tram naar Delft was de enige die het dorp doorkruiste. Eigenlijk stopte in mijn herinnering het openbaar vervoer min of meer aan de gemeentegrenzen. Rijswijk was een dorp en probeerde dat eigen karakter en zelfstandigheid te bewaren. Niet dat dat lukte, want grenzen zijn altijd poreus. Ook die van Rijswijk.

Daar kwam ik achter toen we jaren later in Wassenaar terechtkwamen. Wat een dorp! Binnen een half jaar word je dan een paar keer duidelijk gemaakt dat je Háágs praat, plat, bargoens, volks, ruw. Dan kom je er achter wat een gesloten gemeenschappen sommige groepen vormen. Ook al ontkennen ze het in alle toonaarden. En ook al spraken hun eigen kinderen geen plat Haags, ze haalden dingen uit die tegen crimineel gedrag aanhingen.

Dat beschadigende indirecte bestempelen deed dit weekeinde weer eens van zich spreken.

Een minister die aandacht voor vrouwenemancipatie, is tot daar aan toe. Daarin heeft ze gelijk: emancipatie moet je onderhouden. Glazen plafonds slechten. Beloningssystemen in balans brengen. Gelijke kansen is meer dan gelijke kansen bíeden. Gelijke kansen moet je krijgen en hebben. Anders is het voor de bühne.

Zo'n pleidooi gaat goed mis, als een dubbele boodschap wordt uitgezonden. En dat stortte zich over Jet Bussemaker, de betreffende minister, uit. Haar pleidooi gíng niet primair over emancipatie of over zorg over de stand van de emancipatie. Haar pleidooi ging ook - vooral - over het economisch belang. En dat is helemaal níet primair een individueel of emancipatoir belang. Dat is een maatschappelijk, een economisch belang.

Je krijgt uiteraard een stortbui over je heen, als je in zo'n situatie individuen min of meer de schuld geeft van een collectief bestaand probleem. Dat kúnnen zij niet oplossen. En het geeft evenmin pas particuliere besluiten te toetsen aan nationale belangen. En dus zit mevrouw minister er nu volkomen naast. Excuses, en een veel betere uitleg, zijn minimaal op hun plaats.

Mijn verwachtingen zijn nu wel hooggespannen. Gaan we nu dan eindelijk een samenhangende visie en beleid krijgen voor de toekomst van Nederland? Gaan we nu dan eindelijk horen hoe we de recessie te lijf gaan? Gaan we nu dan eindelijk horen hoe jongeren, ouderen, mannen, vrouwen, arbeidsgehandicapt of niet, een plek krijgen in dat plan?

Of blijven we die verfoeilijke neoliberale aanpak volgen? Dat 'de markt' dit probleem vanzelf oplost. Dat, als we maar genoeg wachten, alles weer goed komt. Het idiote is dan wel: waarmee bemoeit die minister zich dan?

20130513-195105.jpg

zaterdag 11 mei 2013

GeoGuessr: raad de plaats. Of niet.

Bij de VPRO is het al ontdekt. Afgelopen week zag ik een paar keer tweets voorbij komen op Twitter van VPROmedewerkers die GeoGuessr speelden. Watteh?! GeoGuessr!

Omdat het allemaal VPROers zijn die zich beroepsmatig bezig houden met innovatie, word ik dan vanzelf nieuwsgierig. Vooral omdat je sommige mensen een beetje kent en hen enthousiast ziet. Tja, dan ben je kuddedier en volg je de leider.

Niet voor niets. Want GeoGuessr is een leuk tijdverdrijf.

GeoGuessr is een raadspelletje. Maar dan wereldwijd. Je krijgt een 360 graden foto te zien en mag dan raden wáár dat is. Voor de foto wordt - je raadde het al - Google's Streetview gebruikt. Die ken je al lang. Van het opzoeken van je vakantiebestemming en even zien hoe het er 'in het echt' uitziet daar. Of van het weerzien met herinneringen aan plekken uit je jeugd. Of uit de pers die curieuze fenomenen meldt van weggesmeerde 'geheime of niet-bestaande' locaties. En nee, deze kat, die van de week als een bliksemschicht werd doorverteld, bleek dus 'gewoon' beeldbewerkt. Maar wel erg gaaf.

20130511-192939.jpg

GeoGuessr geeft je dus een foto en de vraag met een speld - een virtuele - aan te geven wáár jij denkt dat die is gemaakt. Hoe dichterbij de juiste lokatie, hoe hoger de score. Eenvoudig, toch?

20130511-194909.jpg

De spelregels wel. Het spel is dat niet.

De foto's die je krijgt te zien zijn soms te herleiden - ik had er eentje waarop het gemeentegrensbord stond! - maar meestal nogal lastig. Wat lijken zuideuropese straatjes op elkaar. En dan blijken ze niet eens in Europa te liggen! Of wat ook kan: middenin een soort van woestijn. Zoek maar uit waar dat dan is.

Een nadeel is wel dat die ene keer dát je denkt in de buurt te zijn, je die speld nog moet plaatsen. Dat lukte me eerlijk gezegd niet goed. Maar eerlijk is eerlijk: zelfs als ik wel op de door mij gedachte plek had gepind, had ik er nog naast gezeten.

Enfin. Het schijnt verslavend te zijn. Dus houd de tijd wel in de gaten.

vrijdag 10 mei 2013

Huizen melken

Uit m'n jeugd herinner ik me er nog wel flarden van; van beelden van 'gastarbeiderspensions'. Het is een eufemisme, een verhullend woordgebruik. Zowel dat 'gastarbeider' als het 'pension': het klopt niet.

Na de oorlog moet Nederland weer uit z'n as verrijzen. Dat klinkt enorm dramatisch, want feitllijk is de verwoesting vrij lokaal. Het grootste deel van Nederland komt min of meer ongeschonden die periode door. Maar de bevolking is wél veranderd. En de tijdgeest maakt dat meer mensen dan voorheen op zichzelf wilden gaan wonen. Er moest dus massaal worden ge- en herbouwd.

En dat deden we. Wel ietsje te gehaast met slechte en goedkope materialen de term 'revolutiebouw' is niet bepaald een kwaliteitsindicatie - en niet altijd met gekwalificeerde arbeidskrachten. Da's allemaal verklaarbaar: de oorlog had er ingehakt. Veel moest worden geïmporteerd: tot en met de arbeidskrachten.

Gastarbeiders werden ze genoemd. De mensen van wie werd gedacht dat zij tijdelijk zouden helpen de economie op tempo te houden. Uit Italië kwamen 'mijnwerkers', die geregeld nog nooit van hun leven een mijn hadden gezíen, maar ook vaklieden vaklieden als terrazzowerkers (alhoewel die strikt genomen er al eerder waren). Nederland had daartoe in een aantal buitenlanden wervingsbureaus. In bijvoorbeeld Italië en Spanje hebben die een belangrijkere rol gespeeld in de werving dan in Turkije en zeker in Marokko. Maar de kern was: we hebben mensen nodig. En dus kwamen ze en bleven ze.

(...) De belangen van werkgevers gaven de doorslag, niet de opstelling van het departement van Justitie, die tot voorzichtigheid maande. De grenzen voor toelating gingen ook pas dicht toen de oliecrisis zich voordeed. Niemand geloofde toen nog dat eenmaal gevestigde migranten weer zouden teruggaan. Het was ook niet zo, dat er na 1973 ineens helemaal geen werk meer was voor buitenlandse arbeiders. Integendeel, ook toen bleven werkgevers benadrukken hoezeer zij afhankelijk waren van goedkope arbeiders uit het buitenland.


Die opmerking over 'goedkope arbeiders' is relevant. Niet alleen kregen 'gastarbeiders' minder uitbetaald dan autochtone Nederlanders in vergelijkbare fucnties - en was hun rechtspositie veel zwakker - ook werd met de andere hand weer terug gehaald. Dat roetzwarte kantje van 'marktwerking' is nooit verdwenen.

Tot op de dag van vandaag wordt misbruik gemaakt van schaarste in een van de eerste levensbehoeften: onderdak.

De goede voorbeelden zijn er ook. Bedrijven die in elk geval probéérden iets redelijks aan te bieden. NDSM in Amsterdam had zoiets in Noord. Maar verder zijn de gastarbeiders - en later ook studenten - aangewezen op de particuliere markt. Over degenen die zich in de schaduw van de maatschappij moeten ophouden - illegalen - hebben we het dan nog niet eens. Die zijn aan de goden overgeleverd.

Gastarbeiders konden met gemak in 'pensions' worden ondergebracht. Met meerdere personen op één kamer. Brandgevaarlijk, zonder enige privacy en vooral veel huurpenningen opleverend. Het zijn die beelden die mij zijn bij gebleven. Beelden van een land waar je je eigenlijk voor kapot zou moeten schamen.

1971-2428

We zijn geen steek veranderd. Ondanks aangepaste wetgeving - die blijkbaar moet aangeven dat we een beschaafd land zijn, op papier - bestaan ze nog steeds: de huisjesmelkers, de polenhotels, de campings en vakantieparken met 'seizoensarbeiders'. Om de aandacht van het werkelijke probleem af te leiden, maken we ons dan druk over de terminologie. Allochtoon? Gastarbeider? Arbeidsmigrant? Economisch vluchteling? Gelukzoeker? Illegalen?

Deze blogpost eindigt met een verwijzing naar een Amerikaanse Tumblr-site: The Worst Room. Daar vind je een werkelijk stuitend overzicht van 'appartementen' en hun huurpijzen. Zoals dit, $1100 in New York City:
tumblr_mm88xhJC9f1spj6p2o1_400

Kamers zonder ramen. Kamers die eerder kast zijn dan iets anders. Kamers waarin een gedetineerde niet mág worden gehuisvest.

Daar zit je dan naar te kijken als de gedachte je bekruipt dat dit ook ons voorland kan zijn. Want laten we wel zijn; met de recessie die nog op z'n hardst moet uithalen naar ons individuen en een verdiepende kloof tussen arm en rijk, tussen 'grootgraaihebberds' en 'minder-hebbers', is dit echt geen fantasie. We hebben het al eerder gedaan. En met de 'aanpak scheefwonen', oftewel een extra huurverhoging - die wáár terecht komt?! - vergroten we de kans daarop. Want juist de scheefwoner is financieel interessant voor de verhuurder: die brengt voor hetzelfde product meer op!

Ik denk dat ik maar eens een bordje 'pension' op de schuur ga spijkeren.

donderdag 9 mei 2013

De onzin van zelfbeoordelingen

Dit is echt een ideale vraag voor een persoonlijk gesprek wat deze blogpost is. Niemand kan in jouw hoofd kijken wat je denkt naar aanleiding van wat je leest. Hoe persoonlijker wil je het hebben? Dus: hoe goed denk jij dat jezelf eerlijk kunt beoordelen?

Mijn verwachting is dat het een nogal genuanceerd beeld zal zijn. Jezelf kennen, heeft veel kanten. Sowieso het 'kennen' op zich. Ik ken mezelf goed. Ik weet wat ik leuk vind, wat ik kan, wat ik angstverwekkend vind en wat ik niet durf. Maar da's helemaal gebaseerd op de praktijk, op wat ik meemaakte. Een heel bekende: ik heb geen idee wat ík zou doen in een oorlogssituatie, want dat maakte ik nooit mee. Evenmin weet ik niet hoe het is om te raften, vrijeval te springen of muziek te maken. Want ik heb dat nooit gedaan. Goed, muziek is een randgeval, want ik heb ooit een blauwe maandag geleerd gitaar te spelen. Maar da's zo'n vijftig jaar geleden en wat ik er aan heb overgehouden is de herinnering aan pijn van een in je pink snijdende snaar. Bij een plaatje als dit, vóel ik die pink weer:

20130509-140610.jpg

Maar muziek máken, emotie en beeld vergeluiden; ik kan het niet. Af en toe zijn er van die momenten dat je daarvan baalt. Ik heb van die muziek die mij helemaal overmeestert; dan zou je ook muziek willen kunnen maken. Maar ik ken mezelf: niet (meer) de souplesse in de ledematen, niet meer de tijd om het te leren en niet het doorzettingsvermogen om 'door de pijn' te gaan.

Jezelf kennen is één. Belangrijker is aan de buitenwacht duidelijk te maken wie je bent en wat je kan. Precies daar begint mijn twijfel. Ik denk dat veel mensen (tegenwoordig) niet meer goed in staat zijn aan te geven dat zij iets níet kunnen waarvan een ander verwacht dat zij het wél kunnen. In dat proces speelt beeldvorming een belangrijke rol. Het beruchte 'sociaal wenselijke' gedrag en antwoorden, passen hier. In een periode waarin je de normen en waarden van een groep leert kennen - de socialisatie - is dat handig om je aan te passen; voor zover je kúnt. Maar dat móet stoppen bij volwassenheid omdat de groep anders te maken krijgt met groepsdenken. Een betere omschrijving wellicht: hielenlikkend gedrag om maar erbij te horen.

Onze samenleving is - zeker de afgelopen decennia - in hoge mate ge-atomiseerd, geïndividualiseerd. Van individuen wordt verwacht dat zij zelfstandig wíllen en kúnnen kiezen (en het is maar zeer de vraag of dat ook zo ís). Dat leidt per definitie tot onzekerheid, omdat dát de essentie van kiezen is. Ter bestrijding van die onzekerheid dient 'de groep'. Aan de daar heersende mores - normen en waarden - kun je argumenten voor jouw keuze ontlenen. Het is dus bijna noodzakelijk 'ergens bij te horen'. Dan komt dus dat groepsdenken om de hoek kijken; want een afwijkende mening betekent meestal níet bij de groep horen.

Daarmee ontstaat een ietwat vreemde figuur. Voor de samenleving als geheel en de groep (subculturen) daarbinnen zijn die losdenkers noodzakelijk. Niet voor niets zie je op het moment overal pleidooien opduiken voor dwarsdenkers in bijvoorbeeld bedrijven. Maar voor de individuen zélf is dat geen echt prettige positie (tenzij er een netwerk los- en dwarsdenkers zou zijn).

Spiegelen, in het openbaar, is voor de meesten van ons dan ook niet eenvoudig.

In dat licht bezien zijn ook al die zelfbeoordelende systemen een tegenstrijdigheid. Het is leuk en aardig dat we elkaar lekker bezig houden met het invullen van vragenlijstjes, scores, SWAT-analyses, 'benchmarks' en modellen; maar de vraag is wat we daarmee bereiken.

Ik denk niets tot zeer weinig.

Nog afgezien van het probleem van de onzorgvuldig ingevulde gegevens, van de ontbrekende gegevens en van de achterhaalde gegevens, is er een veel fundamenteler probleem: dat van de onmogelijkheid jezelf in het openbaar te beoordelen. In de overal bestaande onderstroom aan verhalen bij gemeenten gaat bijvoorbeeld het verhaal dat veel van de statistische gegevens níet kloppen. Die kún je wegzetten als 'roddel en achterklap'. Het lijkt echter zinniger er van uit te gaan dat ze kloppen en dat - bewust én onbewust - een onjuist beeld is geschetst.

Op ongelooflijk veel plaatsen in de samenleving wordt van organisaties verwacht dat zij zélf gegevens aanleveren over hun functioneren. Van thuiszorg tot welzijnswerk, van gemeentelijke dienst tot gesubsidieerd project. Zowel in de private als de publieke sector. En allemaal gebaseerd op de veronderstelling dat 'we' neutraal cijfers zullen en kunnen aanleveren.

Een illusie.

Ooit had het CBS mensen in dienst die het land afreisden om gegevens op te halen. Dat was een dure grap. Maat het betekende wel dat een ongebonden persoon bij jou in het systeem keek en dat één en dezelfde keer op keer dezelfde beslissingen nam (daarmee voorkom je een van de grootste coderingsfouten: interpretatieverschillen).

Met steeds meer zelfbeoordeling, zelfcorrectie en zelfanalyse is de waarde ervan verminderd. ISO-gecertificeerd? Leuk, maar het is toch echt 'de slager die zijn eigen vlees keurt (en daarna een stempeltje vraagt voor de kwaliteit daarvan)'. Veel interessanter is het, als dat keurmerk wordt toegekend op basis van een onaangekondigde visitatie. Een waardering voor een ziekenhuis of een thuiszorginstelling? Ach, kom. Laat er eens customer journey mapping plaatsvinden of een mystery patient langsgaan. Niks cijfertjes. Maar kwalitatieve beóórdeling. Een vergelijking maken van diensten? Prima idee; maar haal zélf de gegevens op (het aardige is dat dat ook aan het gebeuren is door bij voorbeeld Roamler die smartphone-gebruikers daarvoor inzet).

Het is de rekenkracht die ons afleidde van waarom het écht gaat: onszelf en onze ervaringen. Dan moet je - minstens náást die kwantitatieve gegevens - de verhalen hebben. Dan moet je onafhankelijk kunnen oordelen. Dan hebben we weer personeel nodig dat ter plekke gaat kijken en beoordelen. Want de werkelijkheid blijkt niet uit cijfers.

20130509-173758.jpg

woensdag 8 mei 2013

"mindblowing urban streetart"

Als ik het zou moeten omschrijven, is het ongeveer dat. Wired wijdde een artikel aan ene DALeast. Het eerste wat ik zag, was dit plaatje. En óm was ik:

20130508-191140.jpg

Het zijn tékeningen! Plat. Dus. Tweedimensionaal. Maar ze ogen drie-. En ze zijn móói. Gewoon op straat te zien. Het 'kunst'aspect zit voor mij in het langer kijken en dan meer zien. Zoals deze:

20130508-191852.jpg

Boven- en onderkant van het werk zijn ook ieder op zich een werk. Dit is zijn(?) website, barstensvol van dit soort van afbeeldingen.

Wat ook zo bijzonder is, is de vergankelijkheid. Veel van de werken zijn aangebracht op plekken die echt niet tot het eind der tijden zullen bestaan. En sommigen zullen naar alle waarschijnlijkheid zelfs zeer binnenkort het loodje leggen. Maar tot dat moment is het genieten!

20130508-192218.jpg

Niet lullig bedoeld: maar dit is wel een heel andere klasse dan de graffiti, die we in Nederland soms ook als kunst zien - en soms niet onterecht - of de beschilderde bouwschuttingen. Daar moeten we blij mee zijn. Ben ik ook. Maar wat zou het mooi zijn als dit ook op Nederlandse vlakken te zien zou zijn.

Overigens is er ook hier zat te zien. De vraag is alleen wáár. Zo moeten er in Leiden heel kleine street art-tekeningen te vinden zijn. Van die dingetjes op stoepniveau, of glurend vanachter een kabelkastje. De ellende is alleen dat ik ze nog niet heb ontdekt. Guerilla art. Maar ik ben dan ook pas begonnen me te realiseren wat er allemaal te zien kán zijn.

Totdat ik ze kan laten zien:

Echt, ga even kijken bij DALeast.