Daar was-i weer even: de iPadschool. Hoe meer ik erover denk, hoe vreemder ik het vind.
We leven in een tijd waarin hulpmiddelen veranderen. Dat biedt nieuwe mogelijkheden (en laat andere verdwijnen). Het lei is vervangen door potlood en papier. Het potlood legde het loodje tegen de inktpen. Die op zijn beurt is verdrongen door de balpen (de iconische Bic). Die werden allemaal vervangen door schrijfapparaten als typemachines en computers.
Het interessante is dat ieder nieuw schrijfgerei iets tóevoegde zonder het bestaande ingrijpend te veranderen. In alle gevallen moest nog steeds worden gedacht en gekend: er moest worden geleerd. Met de toetsenborden veranderde wel iets, zij het op de lange termijn: het handschrift.
Dat op zich is een interessante ontwikkeling. Handschrift is niet alleen schriftelijke communicatie. Het is ook de ontwikkeling van fijne motoriek. En fijne motoriek is niet iets als schoonschrijven of kalligrafie. Met schoonschrijven hangen ook hand-hoofdcoördinatie samen, nauwkeurigheid en concentratie. Da's geen exclusieve relatie, maar wel een belangrijke.
Het bijzondere aan de discussie rond de iPadschool is dat daarin een apparáát wordt centraal gesteld. Alsof er ooit een potloodschool zou (moeten) zijn geweest.
Wat ik mis, is een visie; onderwijskundig, pedagogisch en leertheoretisch. Eerlijk gezegd, hoor ik nergens echt veel meer dan 'dat de iPad een nieuw paradigma is' en 'een grote omwenteling'. Dat is zo. En dat is niet voldoende voor het onderwijs. Voor het onderwijs is de verbetering van het leerproces relevant.
Dat in het huidig onderwijs nieuwe mogelijkheden om kennis op te doen en op te zoeken, moeten worden toegevoegd, lijkt me evident. Zoals je ooit leerde dat een tekst een inleiding, romp en conclusie heeft - en veel meer - zo leerde je ooit ook hoe een bibliotheek werkt. Daaraan is nu het Internet toegevoegd.
Ja. Maar met de iPad kun je veel speelser leren. Nog afgezien van de vraag of het werkelijk kwálijk is dingen te móeten doen tegen je eigen voorkeuren in - de instant bevrediging! - is daarmee niets anders gezegd dan dat de vórm anders zou kunnen. Natuurlijk: ook de boeken evolueerden van simpel naar kleurig. Ze leerden je allemaal nog steeds basale aardrijkskundige kennis aan, wiskunde en natuurkunde, rekenen en taal. Ook zonder GPSfunctie is het handig te weten wat oost en west zijn, en waar Emmen ligt.
Zoals met veel voorspellingen van ontregelende veranderingen: ze blijven (voorlopig) wensdromen.
Mijn iPad maakte ook mij duidelijk dat er iets was veranderd. In eerste instantie de mens-machine-interactie. Die was plots diréct, niet meer via een 'invoerapparaat'. Binnen de kortste keren maakte-i ook duidelijk wat 'mobiel' in zou gaan houden. De computer én de laptop vergaarden steeds meer stof doordat we ze minder en minder gebruikten. En de noodzakelijke sensoren om te bepalen in welke positie het apparaat was, boden ook nieuwe opties. Bijna alle andere effecten waren daar van afgeleid: een ultra-mobiele computer.
Dat 'mobiel' veranderingen tot gevolg heeft gehad, klopt. Een groot deel daarvan lijkt voor rekening van de (content)leveranciers te zijn gekomen. In essentie oude wijn in nieuwe zakken, maar dan niet cynisch bedoeld. Van werkelijk 'ontregelende omwenteling' is nog nergens sprake: de bestaande machtsbalansen zijn intact gebleven.
Vooralsnog kan zoiets als een iPadschool niet anders zien dan als een school met moderne hulpmiddelen. Zoals mijn oude lagere school met krijtborden niet vergelijkbaar is met de krijtstofloze basisschool met smartboard van onze zoons. Maar de kern, kennisoverdracht, en het curriculum bleven vergelijkbaar.
Als het meer is; waar blijft de omschrijving daarvan dan? Een visie op leren die aantoont, zónder het woord iPad, dat mobiele apparaten andere leereffecten bewerkstelligen. Dat mobiele apparaten andere mogelijkheden bieden, weten we al.
Posts tonen met het label school. Alle posts tonen
Posts tonen met het label school. Alle posts tonen
donderdag 26 juni 2014
zondag 20 april 2014
Van m'n geloof gevallen
Vooraf. Ik las veel. Nu minder. Wat er niet veranderd: ik lees nog steeds niet vanzelfsprekend historisch verantwoord werk. Met name romans 'over de oorlog' en (auto)biografieën boeien me niet.
Zoals James Bond wijs opmerkt: "zeg nooit nooit". Er zijn uitzonderingen. Zo las ik HhhH van Laurent Binet wél. En ik kan 'm je aanraden. Om je de waarheid te zeggen; het was de titel die 't 'm deed. Ik heb wel tien minuten met het boek in m'n handen gestaan en toen besloten dat Himmlers hersenen heten Heydrich een wel zó intrigerende titel is dat het mogelijk de moeite waard zou zijn. Het bleek de vorm die 't 'm deed.
Verder lees ik dat genre eigenlijk zo goed als niet. Mijn voorkeur gaat uit naar de Kafkaïanen. Dat interpreteer ik lekker breed, zodat ook De helaasheid der dingen van van Dimitri Verhulst er onder valt. Maar ook Stefan Brijs' De engelenmaker. En ook de magisch-realisten (bestaan dat genre beoefenen eigenlijk nog?). De andere voorkeur geldt de stijl van de schrijver. Bloemrijk, ritmisch, archaïsch woordgebruik: beschrijf maar eens wat 'mooi' is. De Tachtigers deden dat. Dichters doen het. En zeker de eerste haiku-dichters konden het.
Voor mij is het heel vanzelfsprekend: binnen dat type voorkeuren passen autobiografieën niet. Het zal je toch bommen wat president Roosevelt als ontbijt at? Wat Chuchill besprak met z'n militaire staf? Dat hij wel of niet anti-semitisch was? Evenmin loop ik warm voor het levensverhaal van 'royalty'.
Toch lees ik nu een autobiografie. Omdat ik de eerste honderd (en drie) pagina's al zo goed vind, is deze blogpost er.
Het is de autobiografie van Joe Jackson Een overwinning op de zwaartekracht.
Niet dat ik meteen helemaal de drempel over was. Ik weet dat ik las dat de autobiografie gaat over het deel van zijn leven totdat-i een eerste platencontract krijgt. Dát deed 't 'm. Eindelijk een boek waarin de bouwstenen van een leven, en alleen die, de aandacht krijgen en niet de prietpraat over wie wat speelde of hoe Is she really going out with him - of het (veel mooiere) Slow Song - tot stand kwam. dat vind ik minder interessant dan te snappen wie de persóón is die dat maakte.
https://www.youtube.com/watch?v=_q5fMyaosAg
Waarom deze autobiografie wél? Omdat hij niets mooier maakt en vooral omdat hij juist een beeld geeft van al die vormende ervaringen in iemands jeugd.
Kloppen ze? Geen idee. Ongetwijfeld niet precies. Maar ze zijn wel verdomd geloofwaardig, en ze zijn zo goed geschreven dat je (ik) binnen de kortste keren vergeet dat dit het verhaal van Joe Jackson is. Je leest het verhaal van een jochie dat in een gezin en een buurt opgroeit waar hele andere zaken belangrijk worden gevonden dan degene die hij vóelt dat belangrijk zijn.
Als ik mezelf als referentie zou nemen, dan is de kans groot dat veel is verzonnen. Mijn beeld van m'n jeugd is niet zó rijk aan details. Dat neemt niet weg dat veel, heel veel, van wat hij beschrijft me bekend voorkomt. Een slungelig, niet in die omgeving passend jochie (niet dat ík daaropvolgend een precies beeld had van wat ik zou willen worden).
Het zijn iedere keer korte alinea's, ogenblikken waardoor ik me gewonnen gaf. Misschien ook omdat we van ongeveer dezelfde leeftijd zijn. Het zijn níet die over muziek gaan, maar die over het gezin en zijn school gaan. Ik ben te lui om er een paar over te tikken, en ze zijn ook te lang. Eentje dus, over de keer dat-i de Rolling Stones hoorde:
En passant staan er ook mooie gedachten in, over arbeiderswijken, cultuur, popmuziek, snobs, schoolsystemen, muziek(techniek) en pesten.
Jammer genoeg ben ik al bijna op de helft van het boek. Naar de muziek van Joe Jackson luister ik nog steeds op dezelfde manier als voorheen, denk ik. Maar de man zal ik waarschijnlijk anders waarderen.
Zoals James Bond wijs opmerkt: "zeg nooit nooit". Er zijn uitzonderingen. Zo las ik HhhH van Laurent Binet wél. En ik kan 'm je aanraden. Om je de waarheid te zeggen; het was de titel die 't 'm deed. Ik heb wel tien minuten met het boek in m'n handen gestaan en toen besloten dat Himmlers hersenen heten Heydrich een wel zó intrigerende titel is dat het mogelijk de moeite waard zou zijn. Het bleek de vorm die 't 'm deed.
Verder lees ik dat genre eigenlijk zo goed als niet. Mijn voorkeur gaat uit naar de Kafkaïanen. Dat interpreteer ik lekker breed, zodat ook De helaasheid der dingen van van Dimitri Verhulst er onder valt. Maar ook Stefan Brijs' De engelenmaker. En ook de magisch-realisten (bestaan dat genre beoefenen eigenlijk nog?). De andere voorkeur geldt de stijl van de schrijver. Bloemrijk, ritmisch, archaïsch woordgebruik: beschrijf maar eens wat 'mooi' is. De Tachtigers deden dat. Dichters doen het. En zeker de eerste haiku-dichters konden het.
Voor mij is het heel vanzelfsprekend: binnen dat type voorkeuren passen autobiografieën niet. Het zal je toch bommen wat president Roosevelt als ontbijt at? Wat Chuchill besprak met z'n militaire staf? Dat hij wel of niet anti-semitisch was? Evenmin loop ik warm voor het levensverhaal van 'royalty'.
Toch lees ik nu een autobiografie. Omdat ik de eerste honderd (en drie) pagina's al zo goed vind, is deze blogpost er.
Het is de autobiografie van Joe Jackson Een overwinning op de zwaartekracht.
Niet dat ik meteen helemaal de drempel over was. Ik weet dat ik las dat de autobiografie gaat over het deel van zijn leven totdat-i een eerste platencontract krijgt. Dát deed 't 'm. Eindelijk een boek waarin de bouwstenen van een leven, en alleen die, de aandacht krijgen en niet de prietpraat over wie wat speelde of hoe Is she really going out with him - of het (veel mooiere) Slow Song - tot stand kwam. dat vind ik minder interessant dan te snappen wie de persóón is die dat maakte.
https://www.youtube.com/watch?v=_q5fMyaosAg
Waarom deze autobiografie wél? Omdat hij niets mooier maakt en vooral omdat hij juist een beeld geeft van al die vormende ervaringen in iemands jeugd.
Kloppen ze? Geen idee. Ongetwijfeld niet precies. Maar ze zijn wel verdomd geloofwaardig, en ze zijn zo goed geschreven dat je (ik) binnen de kortste keren vergeet dat dit het verhaal van Joe Jackson is. Je leest het verhaal van een jochie dat in een gezin en een buurt opgroeit waar hele andere zaken belangrijk worden gevonden dan degene die hij vóelt dat belangrijk zijn.
Als ik mezelf als referentie zou nemen, dan is de kans groot dat veel is verzonnen. Mijn beeld van m'n jeugd is niet zó rijk aan details. Dat neemt niet weg dat veel, heel veel, van wat hij beschrijft me bekend voorkomt. Een slungelig, niet in die omgeving passend jochie (niet dat ík daaropvolgend een precies beeld had van wat ik zou willen worden).
Het zijn iedere keer korte alinea's, ogenblikken waardoor ik me gewonnen gaf. Misschien ook omdat we van ongeveer dezelfde leeftijd zijn. Het zijn níet die over muziek gaan, maar die over het gezin en zijn school gaan. Ik ben te lui om er een paar over te tikken, en ze zijn ook te lang. Eentje dus, over de keer dat-i de Rolling Stones hoorde:
Ik voelde een golf puberale adrenaline - sterk spul - en zei hardop tegen niemand in het bijzonder: "Als ik groot ben heb ik ook zo'n band".
Mijn moeder, die zat te breien en totaal niet onder de indruk van de Stones was, zei: "Dat is leuk, schat", of woorden van die strekking. Alsof ik had gezegd dat ik de grootste postzegelverzameling zou hebben als ik groot was.
En passant staan er ook mooie gedachten in, over arbeiderswijken, cultuur, popmuziek, snobs, schoolsystemen, muziek(techniek) en pesten.
Jammer genoeg ben ik al bijna op de helft van het boek. Naar de muziek van Joe Jackson luister ik nog steeds op dezelfde manier als voorheen, denk ik. Maar de man zal ik waarschijnlijk anders waarderen.
zaterdag 21 december 2013
Wat verwacht je van een school?
Vandaag zag ik een bericht voorbij komen wat er op neer kwam dat iemand met hoogbegaafdheid een MAVO-advies kreeg. Als gevolg van niet kunnen aarden, bleef-i daarna nog zítten ook.
Eerlijk gezegd, begin ik steeds meer de jeuk te krijgen van (sommige) ouders en hun strijd voor het beste voor hun kind. Of het beste úit hun kind.
Er verschuift de afgelopen jaren het een en ander.
School is naar mijn mening een instituut dat je voorbereidt op je maatschappelijk leven. Da's inderdaad enigszins vaag, want wat ís dat dan? Precies weet ik dat niet te definiëren. Wel weet ik dat wij altijd hebben gezocht naar scholen die zowel sociaal als belerend zijn.
Scholen waar je 'gewoon' de tafels moet leren. Waar je namen aan plaatsen moet kunnen koppelen. Waar je moet luisteren als luisteren noodzakelijk is.
Maar waar je ook als kind wordt behandeld en de ruimte hebt dat te zijn. Waar de leerstof centraal staat, maar jouw tempo en mogelijkheden ook.
Opgroeien naar volwassenheid is een proces met veel actoren. Je opleiding is een belangrijke; niet eens vanwege de hoeveelheid tijd die daar in gaat zitten, maar ook vanwege die vorming. Waren scholen alleen maar kennis-overdragende instituten dan waren er geen lessen maatschappij(leer), culturele vorming of sport nodig geweest.
Als ik dat mag zeggen - en dat doe ik bij deze - ik vind in dat praten en denken over 'scholen voor uitzonderlijke leerlingen' iets volstrekt pervers en verkeerds.
Scholen als sociale instituten horen je voor te bereiden op de werkelijkheid. Per definitie lukt dat nooit volkomen. Dé werkelijkheid is immers meerdimensionaal en het ligt er maar net aan hoe je ernaar kijkt. Onderwijs zal bijvoorbeeld altijd achterlopen op innovaties. Dat kán logischerwijs ook niet anders.
Een hoogbegaafde leerling is net als een autist of een kind met het syndroom van Down gehandicapt. Hij of zij wijkt té veel af van de modus, het meest voorkomende geval. Het is geen zaak van 'je op een gemiddelde richten'. Het is een zaak van 'hoe ver van de modus is de leerling verwijderd'? Anders gezegd? Hoe afwijkend is hij of zij.
Daarmee creëren we een verdraaid ingewikkeld probleem. Want qua kennisopname kan een leerling bijzonder goed zijn, maar sociaal kan-i tegelijkertijd volledig mislukken. De plus en de min, de ying en de yang, de hoogbegaafde en de zwakbegaafde: tegenpolen.
Spreek ik mezelf nu tegen? Voor zwakbegaafden zijn er toch aparte scholen? Logischerwijs moeten ze er dus ook zijn voor hoogebegaafden.
Inderdaad. En toch niet. Want het cruciale verschil is dat de zwakbegaafde op twee fronten is achtergesteld en de hoogbegaafde op slechts één. En dat ene, het sociale, is juist een aspect dat baat heeft bij ervaring met diversiteit, dat juist pleit voor zo lang mogelijk handhaven in het regulier onderwijs.
Juist door leerlingen om redenen van 'intelligentie' in speciale scholen onder te brengen, is een (impliciete ) bevestiging van de school als leerfabriek en de (impliciete) ontkenning van de school als sociaal speelterrein: mét z'n voor- en nadelen, z'n ongelukken, krasjes, beschadigingen en (zwaar)gewonden.
Momenteel leiden we daardoor kinderen op in omgevingen die hen speciaal maken, hetzij aan de ene, hetzij aan de andere kant. Dat levert een minderwaardigheids- of een superioriteitsgevoel op. En beide zijn maatschappelijk ongewenst.
En tóch doen we het. Tóch willen ouders het.
Eerlijk gezegd, begin ik steeds meer de jeuk te krijgen van (sommige) ouders en hun strijd voor het beste voor hun kind. Of het beste úit hun kind.
Er verschuift de afgelopen jaren het een en ander.
School is naar mijn mening een instituut dat je voorbereidt op je maatschappelijk leven. Da's inderdaad enigszins vaag, want wat ís dat dan? Precies weet ik dat niet te definiëren. Wel weet ik dat wij altijd hebben gezocht naar scholen die zowel sociaal als belerend zijn.
Scholen waar je 'gewoon' de tafels moet leren. Waar je namen aan plaatsen moet kunnen koppelen. Waar je moet luisteren als luisteren noodzakelijk is.
Maar waar je ook als kind wordt behandeld en de ruimte hebt dat te zijn. Waar de leerstof centraal staat, maar jouw tempo en mogelijkheden ook.
Opgroeien naar volwassenheid is een proces met veel actoren. Je opleiding is een belangrijke; niet eens vanwege de hoeveelheid tijd die daar in gaat zitten, maar ook vanwege die vorming. Waren scholen alleen maar kennis-overdragende instituten dan waren er geen lessen maatschappij(leer), culturele vorming of sport nodig geweest.
Als ik dat mag zeggen - en dat doe ik bij deze - ik vind in dat praten en denken over 'scholen voor uitzonderlijke leerlingen' iets volstrekt pervers en verkeerds.
Scholen als sociale instituten horen je voor te bereiden op de werkelijkheid. Per definitie lukt dat nooit volkomen. Dé werkelijkheid is immers meerdimensionaal en het ligt er maar net aan hoe je ernaar kijkt. Onderwijs zal bijvoorbeeld altijd achterlopen op innovaties. Dat kán logischerwijs ook niet anders.
Een hoogbegaafde leerling is net als een autist of een kind met het syndroom van Down gehandicapt. Hij of zij wijkt té veel af van de modus, het meest voorkomende geval. Het is geen zaak van 'je op een gemiddelde richten'. Het is een zaak van 'hoe ver van de modus is de leerling verwijderd'? Anders gezegd? Hoe afwijkend is hij of zij.
Daarmee creëren we een verdraaid ingewikkeld probleem. Want qua kennisopname kan een leerling bijzonder goed zijn, maar sociaal kan-i tegelijkertijd volledig mislukken. De plus en de min, de ying en de yang, de hoogbegaafde en de zwakbegaafde: tegenpolen.
Spreek ik mezelf nu tegen? Voor zwakbegaafden zijn er toch aparte scholen? Logischerwijs moeten ze er dus ook zijn voor hoogebegaafden.
Inderdaad. En toch niet. Want het cruciale verschil is dat de zwakbegaafde op twee fronten is achtergesteld en de hoogbegaafde op slechts één. En dat ene, het sociale, is juist een aspect dat baat heeft bij ervaring met diversiteit, dat juist pleit voor zo lang mogelijk handhaven in het regulier onderwijs.
Juist door leerlingen om redenen van 'intelligentie' in speciale scholen onder te brengen, is een (impliciete ) bevestiging van de school als leerfabriek en de (impliciete) ontkenning van de school als sociaal speelterrein: mét z'n voor- en nadelen, z'n ongelukken, krasjes, beschadigingen en (zwaar)gewonden.
Momenteel leiden we daardoor kinderen op in omgevingen die hen speciaal maken, hetzij aan de ene, hetzij aan de andere kant. Dat levert een minderwaardigheids- of een superioriteitsgevoel op. En beide zijn maatschappelijk ongewenst.
En tóch doen we het. Tóch willen ouders het.
Labels:
autist,
hoogbegaafd,
middenschool,
school,
sociaal,
Tweedeling
maandag 28 oktober 2013
Wolkenridders met penseel
Dit maakte ik er van:

Er zijn zo van die dingen die je pas in de loop van de tijd leert. De leraar Nederlands die wij op de middelbare school hadden, was iemand die vol was over z'n vak (en alcohol). Een kleurrijk mens dat ons vruchteloos liefde voor literaar en met name poëzie trachtte bij te brengen. Nu, jaren later, weet ik wat voor martelend monnikenwerk hij verrichtte; en wat talloze leraren waarschijnlijk nog steeds verrichten. Pubers en fijngevoeligheid: toch niet de beste combinatie.
Jaren later, als je 'er klaar voor bent', schiet je die wereld plots in. Dan heb je ineens - waarom?! - een dichtbundel in je handen. Dan luister je ineens - waarom?! - naar die toen verafschuwde klassieke muziek. Ineens is de verbinding er. Niet teveel romantiseren; ik lees nog steeds veel te weinig, lees nog steeds veel te weinig poëzie, en luister weinig klassiek. Het past gewoon niet. Dat je dat 'moet leren waarderen' vind ik nog steeds de grootste onzin. De kunst moet je aanspreken. Kennis geeft het niet meer dan extra diepte.
Wat ik wel grappig vond, was de ontdekking dat ik achteraf een voorkeur kan reconstrueren voor een periode: het interbellum, plusminus. Mij verraste het toch wel toen ik een jaar of twintig terug ontdekte dat de muziek, dans, literatuur en schilderkunst die ik mooi vind allemaal zo'n beetje is gemaakt aan het begin van vorige eeuw. Hoe ik dat Freudiaans moet interpreteren, weet ik nog niet.
Een andere ervaring vond plaats in Parijs, de lichtstad en stad der liefde (en inmiddels de peperdure stad). Daar staat het Musée d'Orsay, een voormalig treinstation. Parijs was één van de steden waar het herbestemmen begon. Orsay zou daar een voorbeeld van zijn. Dat wilden wij zien. Dat er een schilderijenmuseum in was gevestigd, nam ik op de koop toe. Eigenlijk ging het om het gebouw.
Na een paar uur - ik meen, twee - kwam ik er toch anders uit. In Orsay hangen schilderijen van Nederlandse landschapsschilders. Die had ik met één grootse beweging weggezet als saaierikken. Wat was er nou in vredesnaam móói aan, nauwkeurig-realistisch, geschilderde wolkenluchten?! Tot je dus in Orsay van twintig meter afstand die doeken ziet en ineens de schoonheid herkent: de schoonheid van die eindeloze wolkenluchten boven Hollands laagland.
Het zíjn ook prachtige majestueuze wolkenluchten.
Het is eigenlijk wel logisch dat toeristen er van onder de indruk kunnen zijn. Gratis, echte schilderijen. Felwitte torenwolken tegen een knalhardblauwe lucht. Of, vandaag, van die stormwolken met al die kleuren geel, zwart, grijs, wit, rood. Geen twee keer hetzelfde. En als je er een foto van wilt maken, moet je snel zijn. Een moment later is de magie anders of misschien wel weg. Geen tijd dus voor uitsnede of belichting. Trap op sprinten en snel die kleuren vast leggen.
Als een schilder daarna de dramatiek van het moment aandikken. Want dít is het onbewerkte beeld: Leiden, 28 oktober 2013, 17.27 uur:
Er zijn zo van die dingen die je pas in de loop van de tijd leert. De leraar Nederlands die wij op de middelbare school hadden, was iemand die vol was over z'n vak (en alcohol). Een kleurrijk mens dat ons vruchteloos liefde voor literaar en met name poëzie trachtte bij te brengen. Nu, jaren later, weet ik wat voor martelend monnikenwerk hij verrichtte; en wat talloze leraren waarschijnlijk nog steeds verrichten. Pubers en fijngevoeligheid: toch niet de beste combinatie.
Jaren later, als je 'er klaar voor bent', schiet je die wereld plots in. Dan heb je ineens - waarom?! - een dichtbundel in je handen. Dan luister je ineens - waarom?! - naar die toen verafschuwde klassieke muziek. Ineens is de verbinding er. Niet teveel romantiseren; ik lees nog steeds veel te weinig, lees nog steeds veel te weinig poëzie, en luister weinig klassiek. Het past gewoon niet. Dat je dat 'moet leren waarderen' vind ik nog steeds de grootste onzin. De kunst moet je aanspreken. Kennis geeft het niet meer dan extra diepte.
Wat ik wel grappig vond, was de ontdekking dat ik achteraf een voorkeur kan reconstrueren voor een periode: het interbellum, plusminus. Mij verraste het toch wel toen ik een jaar of twintig terug ontdekte dat de muziek, dans, literatuur en schilderkunst die ik mooi vind allemaal zo'n beetje is gemaakt aan het begin van vorige eeuw. Hoe ik dat Freudiaans moet interpreteren, weet ik nog niet.
Een andere ervaring vond plaats in Parijs, de lichtstad en stad der liefde (en inmiddels de peperdure stad). Daar staat het Musée d'Orsay, een voormalig treinstation. Parijs was één van de steden waar het herbestemmen begon. Orsay zou daar een voorbeeld van zijn. Dat wilden wij zien. Dat er een schilderijenmuseum in was gevestigd, nam ik op de koop toe. Eigenlijk ging het om het gebouw.
Na een paar uur - ik meen, twee - kwam ik er toch anders uit. In Orsay hangen schilderijen van Nederlandse landschapsschilders. Die had ik met één grootse beweging weggezet als saaierikken. Wat was er nou in vredesnaam móói aan, nauwkeurig-realistisch, geschilderde wolkenluchten?! Tot je dus in Orsay van twintig meter afstand die doeken ziet en ineens de schoonheid herkent: de schoonheid van die eindeloze wolkenluchten boven Hollands laagland.
Het zíjn ook prachtige majestueuze wolkenluchten.
Het is eigenlijk wel logisch dat toeristen er van onder de indruk kunnen zijn. Gratis, echte schilderijen. Felwitte torenwolken tegen een knalhardblauwe lucht. Of, vandaag, van die stormwolken met al die kleuren geel, zwart, grijs, wit, rood. Geen twee keer hetzelfde. En als je er een foto van wilt maken, moet je snel zijn. Een moment later is de magie anders of misschien wel weg. Geen tijd dus voor uitsnede of belichting. Trap op sprinten en snel die kleuren vast leggen.
Als een schilder daarna de dramatiek van het moment aandikken. Want dít is het onbewerkte beeld: Leiden, 28 oktober 2013, 17.27 uur:
Labels:
kijken,
kunst,
leeftijd,
leren,
lucht,
schilderkunst,
school,
waardering,
wolk
dinsdag 17 juli 2012
Ken je het Panopticum? Een uitvinding uit de late 18de eeuw, van een zekere Jeremy Bentham. Hij ontwikkelde een principe wat op tal van terreinen is toe te passen: het alziende, het panoptische. De essentie is vrij eenvoudig: het te controleren object wéét dat het bekeken kán worden en zal daardoor zelfcorrigerend zijn. Het bekendste voorbeeld van het principemis de koepelgevangenis. De gevangen weten niet of en door hoeveel bewakers zij vanuit de centrale toren worden bewaakt.


Het principe van een panopticum is op meer plekken toepasbaar, vond Bentham. Hij zag ook wel toepassingen in fabrieken, scholen en psychiatrische instellingen. Voor hem zijn dat plekken waar objecten, mensen, geïsoleerd van elkaar moeten zijn. Scholieren kunnen dan niet spieken. De concentratie van arbeiders neemt toe als ze elkaar niet afleiden. En psychiatrisch patiënten zouden elkaar niet kunnen aansteken als ze volledig geïsoleerd kunnen worden. Overigens is het maar de vraag of Bentham werkelijk solitaire opsluiting voor ogen had. Het systeem werkt immers zolang de bekekene geen zekerheid heeft óf hij wordt bekeken. Dat kan ook met groepen.
Het aardige aan Bentham's idee is dat het erop lijkt dat we met z'n allen in één groot panopticum zijn terecht gekomen. En daar gedragen we ons naar.
Het eerste wat de meeste mensen dan te binnen schiet, zijn al die camera's die ons bespieden. Staan ze aan? Wie ziet die beelden? Zíet iemand de beelden? Dat is inderdaad panoptisch.
Maar het kan allemaal nog veel subtieler. Wat te denken van de schoolbel? Ook daar is de band tussen degene die het signaal geeft en de degene die iets moet doen, op grotere afstand gekomen. Hoe dat principe van afstand en panopticum werkt, kun je iedere dag zien op lege kruispunten met rode stoplichten en spoorwegovergangen waarvoor (te) lang moet worden gewacht. Hoe vaak, vooral bij die kruispunten, negeren we dan uiteindelijk toch het rode licht? In de fase ervoor heerst echter het panopticum: de angst dat een gezagsdrager de overtreding zal zien.
Maar het kan allemaal nog veel subtieler. Wat te denken van de schoolbel? Ook daar is de band tussen degene die het signaal geeft en de degene die iets moet doen, op grotere afstand gekomen. Hoe dat principe van afstand en panopticum werkt, kun je iedere dag zien op lege kruispunten met rode stoplichten en spoorwegovergangen waarvoor (te) lang moet worden gewacht. Hoe vaak, vooral bij die kruispunten, negeren we dan uiteindelijk toch het rode licht? In de fase ervoor heerst echter het panopticum: de angst dat een gezagsdrager de overtreding zal zien.
En de subtiliteit neemt toe, hoor. Sterker, we beginnen steeds meer 'normaal' te vinden. We zullen het niet hebben over het 'surveillance-gedrag' van de Google's en Facebook-en van deze wereld. Dat zou, hoe terecht ook, te makkelijk zijn.
Maar wat te denken van bijvoorbeeld de burgers die via anonieme meldpunten andere burgers kunnen doorgeven aan autoriteiten. Een perfect panoptische situatie die ook nog eens onzichtbaar is gemaakt. En dan hebben we het níet over de Stasi, maar over Nederland in 2012.
Ook vakantiedagen kunnen panoptische trekjes hebben. Heb je je weleens gerealiseerd dat veel uitkeringsgerechtigden veel alleen thuis zijn vanwege gebrek aan mogelijkheden? En als je weet dat een ww-er per jaar maximaal twintig vakantiedagen mág aanvragen, dan ontstaat het beeld van mensen die vanwege regelgeving gedwongen thuis zitten, of minstens een heel beperkte leefwereld hebben.
En denk niet dat werkenden het beter hebben. Het feit dat je je werk mee naar huis neemt, letterlijk in computers of figuurlijk in gedachten, betekent ook niets anders dan dat je je daartoe gedwongen voelt. Ook als je nu tegen jezelf zegt dat je het doet omdat jij die ene Nederland bent die het echt 100% voor z'n eigen lol doet. Het is jouw gevoel dat zegt dat het móet.
Ook vakantiedagen kunnen panoptische trekjes hebben. Heb je je weleens gerealiseerd dat veel uitkeringsgerechtigden veel alleen thuis zijn vanwege gebrek aan mogelijkheden? En als je weet dat een ww-er per jaar maximaal twintig vakantiedagen mág aanvragen, dan ontstaat het beeld van mensen die vanwege regelgeving gedwongen thuis zitten, of minstens een heel beperkte leefwereld hebben.
En denk niet dat werkenden het beter hebben. Het feit dat je je werk mee naar huis neemt, letterlijk in computers of figuurlijk in gedachten, betekent ook niets anders dan dat je je daartoe gedwongen voelt. Ook als je nu tegen jezelf zegt dat je het doet omdat jij die ene Nederland bent die het echt 100% voor z'n eigen lol doet. Het is jouw gevoel dat zegt dat het móet.
Dat panoptisch karakter van onze samenleving, ook wel de surveillance-maatschappij genoemd, kún je bagatelliseren. Maar daarmee heb je de toenemende effecten van over-stressing niet weggepoetst. Want dát doet het panopticum met het individu: onzekerheid en stress veroorzaken.
Maar daarvan heb jij vast geen last... toch?
Labels:
bewaken,
controle,
Panopticum,
samenleving,
school,
stress,
surveillance,
werk
Locatie:
2321 Leiden, Nederland
Abonneren op:
Posts (Atom)