dinsdag 7 mei 2013

Enig idee wat The Whole Earth Catalog was?

Het is best veel leeswerk, dat artikel, maar er staat ondermeer dit in:
What's more, later that same year he published the first edition of what came to be the magnum opus of the entire counterculture, the Whole Earth Catalog – a book that some people, Turner included, believed changed the world. Though it wasn't exactly a book, it was a how-to manual, a compendium, an enyclopedia, a literary review, an opinionated life guide, and a collection of readers' recommendations and reviews of everything from computational physics to goat husbandry.


Dat ik dol ben op sociale geschiedenis zal je niet zijn ontgaan - veel van de afbeeldingen die ik citeer, zijn daarmee te verklaren. Dat geldt ook voor wat tegenwoordig storytelling heet. Vaak zijn dat mooie verhalen; die soms ook nog eens een nét ander licht laten schijnen.

Zo'n verhaal is dit: Stewart Brand's Whole Earth Catalog, the book that changed the world. Het staat in The Guardian en ik vond het via Zite. De reden dat ik vind dat je dit zou moeten lezen, of in geval weten, is vooral geschiedkundig: dit is iemand die de eer moet krijgen die 'm toekomt.

Voor mij is dit één van de basisdenkers van het Internet.

Het stoorde me toch wel een beetje dat de rol van sommige mensen wat verdwijnt. Op de Nederlandse televisie is een driedelige serie te zien over Silicon Valley. Als ik die zie, dan ontstaat het idee dat het Internet, alle belangrijke digitale ontwikkelingen dáár plaatsvonden en -vinden. En dat (slechts) een handvol multinationale ondernemingen daarin een rol speelden en spelen: Apple, Microsoft en Google (en wat 'grut' als bijvoorbeeld Whatsapp, IBM of Twitter). Natuurlijk zijn zij belangrijk. Dat geldt ook voor veel andere mensen en ontwikkelingen. Die níet in Sillicon Valley zitten en tóch belangrijk zijn. Dat is het vertekenend effect van de serie.

Even terzijde: wanneer maken die programmamakers eens een serie over Nederlandse ontwikkelaars? Die hebben we. En niet de geringsten! Bluetooth: Nederlandse ontwikkelaar. Layar is Nederlands. TomTom. Nederlands. Games? De beste ontwikkelaars zitten in Nederland (heb ik me laten vertellen). En dat zijn de makkelijke, bekende voorbeelden. Vraag de heren achter Top Names maar eens een programma te maken; geen probleem dat te vullen. Daar heb je geen Sillicon Valley voor nodig.

Wat mij betreft, is dat echt nodig: ere wie ere toekomt. Wat nu gebeurt, is wat mij betreft té selectief en daardoor té tendentieus. Een willekeurige kijker zal een grote kans lopen een beeld eraan over te houden dat 'het Internet wordt gemaakt door Apple en Google'. Het is me niet te doen om achteruit kijkend vast te stellen 'dat het toen beter was' - dat ís niet zo - maar wel om het genuanceerd beeld te schetsen wat bij geschiedenis hoort. Steward Brand is dan een Naam, zul je lezen.

He made millions from the Catalog but gave most of it away. At the final party he experimented with giving away $20,000 in cash because he thought that the extra stimulation of handing over wads of notes would "be an interesting thing to do. And indeed it was an interesting thing to do. I did not turn out any particularly creative ideas, I have to say. That was part of what made it interesting. My hypothesis was that under duress people would get extra creative. But it turns out they become extra knee-jerk and the opposite of creative. But you know, that's how you find out these things."

Turner calls him the most influential person you've never heard of, and though in Silicon Valley he's a god to many he still lives on a houseboat in Sausalito just outside San Francisco, and in the flesh is modest and unassuming. He looks like the fit and active 74-year-old he is, dressed in clothes that look like they'd take him straight from a conference hall to a hike in the mountains. I'd thought he might be quite forbidding but he's a great storyteller with a healthy sense of humour that he's happy to turn against himself.

maandag 6 mei 2013

Kortetermijn houtrot

Vandaag openbaarde zich weer eens een plek rot hout. Met dank aan de gemeente Leiden, die jaren her van mening was dat hardhout moest worden uitgebannen uit de stad.

De politiek en maatschappelijk correcte mening is uiteraard dat je activiteiten geen onnodige belasting voor de planeet met zich moeten brengen. Bewust(er) bezig zijn, is nooit weg. De tijd waarin de bomen tot in de hemel leken te groeien, is voorbij. Daarin speelt gelukkig de recessie niet eens een bepalende rol. De discussies over conserveringsmiddelen in tuinhekjeshout, over teakhouten eenjaarstuintafels en over onkruidbestrijding zijn al veel eerder gestart en gevoerd.

Maar eerlijk gezegd, verkeerd.

Ik heb grote problemen met de manier waarop we zulke afwegingen aanvliegen. Het idee fixe van marktwerking wordt ontmaskerd doordat de beslissingen worden overgelaten aan mensen die die beslissing niet kúnnen nemen. Niet omdat ze zo dom zijn, maar stomweg omdat ze de consequenties niet kunnen overzien. Het is aan een centrale instantie, een overheid, om dat overzicht te hebben en te bewaken wat is afgesproken. In een land als Nederland verwacht ik dan dat een overheid zorgdraagt voor een keuze uit goede en verantwoorde producten.

Dat is regelrecht in tegenspraak met marktwerking. Da's ook de bedoeling. Want die 'marktwerking' is niet veel anders dan de ongelijke confrontatie tussen fabrikantenclaims en consumentenportemonnees. En daaroverheen dan de saus die alles eetbaar moet maken: 'maar de consument is toch mans genoeg om te kiezen?!'.

Nee!

Toch is een overheid geen garantie op succes. Alle - meer dan 150 - schuifpuien hier in de wijk bewijzen het. Ze rotten onder je ogen weg.

Leiden is jaren terug aan de slag gegaan met millieu. En terecht. Onkruidbestrijding werd plots gedaan met borstelwagens en wegbrandmachines. Slootbeschoeiingen werden gemaakt van herbruikt plastic (of rubber?!). Voor zover ik weet, is dat deels succesvol gebleken. Inmiddels is een aanpak ontstaan die veel meer uitgaat van zoeken naar balans en naar aanpak van oorzaken in plaats van uitwassen. Niet al het onkruid wordt als onkruid ervaren. Niet alle loze vierkante meters grond moeten onkruidvrij zijn; bewoners kunnen er ook onderhoud aan plegen (en sier-onkruid planten).

Maar met het hardhout ging het anders dan gedacht.

De wijk waarin ik woon, is in de jaren tweeduizend gebouwd. "wildwest" was de typering van één van de bouwers over die tijd en projecten als dit. In die bouw mocht geen hardhout worden gebruikt. En dus hebben we hier alles uitgevoerd in vuren. Of, zoals een medewerker van die bouwer zei, "waaibomenhout". En rotten de kozijnen, puien en deuren onder onze ogen weg.

20130506-192720.jpg

Met als bizar effect dat de milieuvriendelijk bedoelde keuze voor niet-hardhout leidde tot een enorme milieubelasting. Als je ziet hoeveel houtrotstopper en houtrotvuller is gebruikt in de wijk, dan heb je een indicatie. Mocht die strijd uiteindelijk worden opgegeven, dan komt er een nieuw kozijn, pui of deur: van kunststof of .... hardhout. Want Leiden is tot inkeer gekomen en staat nu wel hardhout toe. Mits goedgekeurd.

Daarvoor vertrouw je dan maar op 'de overheid'. Of dat terecht is? Eerlijk gezegd, weet ik dat zo net nog niet.

zondag 5 mei 2013

Lastig her-denken

Persoonlijk vind ik het een lastige periode: eind april, begin mei. Niet vanwege het weer of iets dergelijks buiten onze macht. Maar vanwege de Bijzondere Dagen in die periode.

Zoiets als Goede Vrijdag is me al teveel. Dat is verdorie voor ambtenaren nog steeds een vrije dag, terwijl de rest van Nederland doorgaat met het uit het slop trekken van het land. Da's verwarrend, hoor: een deel wel en een deel van het land niet vrij. De dag na Hemelvaart is er ook zo eentje. Hééft heel Nederland een dagje vrij; zijn er bedrijven die de dag erna ook maar sluiten 'omdat er toch veel personeelsleden vrijaf zouden nemen'.

20130505-185941.jpg

Die rationaliteit is vanuit bedrijfsoogpunt begrijpelijk - je kunt de hele bedrijfsinfrastructuur op die manier kostenbesparend stilleggen - maar vanuit werknemersoogpunt ietwat bizar. Wat met de ene hand werd gegeven, wordt met de andere hand teruggenomen: de beslissingsvrijheid. Maar goed, daar kom je nooit echt bevredigend uit. Collectieve school- en bouwvakvakanties zijn er niet voor niets gekomen. Met voor- en met nadelen.

Het gevolg van 'feestdagen' is wel rommelig. Koninginnedag - vanaf volgend jaar dus Koningsdag, Vier en Vijf Mei, en hemelvaartsdag liggen zo lekker dicht op elkaar dat het leven in die periode veel weg heeft van een slecht functionerende motor: stotterend. Zo'n periode dat je even echt lekker mis kan zitten in je planningen.

Vrije dag, werkdag, weekeinde. Het loopt in die periode lekker door elkaar. En na een poosje is het aardig onduidelijk wat het nu is. "Zeg, 5 mei... is dat nu wel of niet een vrije dag? Of is het dat eens in de zoveel jaar?". Dat. Dus. De vraag is niet (meer) zozeer wát wordt herdacht of gevierd, maar of het een vríje dag is.

Dat merk je ook wel. Ik denk dat ik moeite heb aan te geven wat we nu precies dóen op hemelvaart. Of wat Pinksteren betekent. En dan ben ik ooit katholiek opgevoed. Maar het verwatert tot 'feestdag'. Of 4 en 5 mei. Enorme discussies worden gewijd aan de vraag wíe we dan herdenken. Het zal me een biet zijn: ik denk dan aan familieleden die ik kwijt raakte - omdat dat het leven óók is - en ik vind dat je iedereen moet kunnen herdenken die buiten zijn of haar wil het leven liet. Zo'n discussie als 'maar Duitsers waren de vijand en gedenken we dus niet' vind ik onmenswaardig. Alsof alle Duitsers slecht en alle Nederlanders o zo goed waren.

20130505-185913.jpg

Datzelfde heb ik met koningsdag. Leuk. Een vrije dag voor het volk. Maar waarom eigenlijk? Als ik terugkijk op koninginnedag 2013 dan had dat een bijzondere moeten zijn vanwege de troonsoverdracht. Maar afgezien van enorm overtrokken televisiecommentaar en -aandacht was het een gewone vrije koninginnedag: de standaard vrijmarkt, de standaard bandjes en de standaard teveel gedronken hebbende mensen. Toch?

Eigenlijk zou ik moeten pleiten voor het opheffen van koningsdag. Maar ja, een vrije dag opofferen, is ook zo wat. En zolang we al die christelijke feestdagen en andere herdenkingsdagen hebben waarvan de betekenis aardig is verwaterd, moet ik niet roomser dan de paus zijn. En, inderdaad, rituelen hebben een bindende werking, hoe je het wendt of keert. Rituelen: handelingen die soms als gewoonten worden uitgevoerd. Koningsdag ís nu eenmaal zo.

En dus ben ik voor een ritueel stamhoofd, excuses: koning of koningin. Die investering is het nog wel waard. Maar wat wel aangepakt zal moeten worden, is de financiering van het staatshoofd. Wat dat betreft, mag er wel een parallel zijn met de paus. Die bezit alles en niets. Voor en na zijn aantreden beschikt hij niet over de pauselijke middelen. De groep, de kerk is eigenaar. De vraag is wat mij betreft dan ook gerechtigd hoe het kán dat een familie die volledig wordt onderhouden door een volk eigen middelen heeft. Eigen middelen die zelfs in de conservatiefste schattingen nog aan de behoorlijk riante kant zijn.

Een baan waarvoor je door je volk wordt onderhouden, zou gepaard moeten gaan met een leeftijd en voorzieningen die van dat volk zijn en jou ter beschikking zijn gesteld.

Wat mij betreft, onterven we de familie Van Oranje dan ook formeel en nemen het beheer in eigen hand. Dan hoeft de koning zich ook geen zorgen meer te maken over de mogelijkheid dat-i personeel moet ontslaan omdat de toelage wordt verminderd.

Ben je dan Republikein? Nee, alhoewel ik wel verder weg sta van de monarchisten. Ikzelf vind het logisch voortvloeien uit de generationele overdracht van het koningschap. Daarvoor hoef je niets te doen en je krijgt er dus ook niets voor méér dan een adequate vergoeding, en kost en inwoning.

Deal?

20130505-190123.jpg

zaterdag 4 mei 2013

Collega's: vriend of vijand?

Dit is de verklaring:
The workplace is not a collection of friends and family sharing personal updates, rumors, and the like, so labeling business tools as social simply doesn't make sense.


In Infoworld schrijft Galen Gruman dit artikel - Social business apps' weakness: Being social - waarin dit citaat voorkomt.

Het klinkt logisch: jouw werk is niet jouw vrienden- of familienetwerk. Dat wordt door heel andere factoren en criteria bepaald. En dus is het ook niet verwonderlijk dat het kopiëren van social media naar bedrijfsomgevingen niet (goed) werkt.

Toch waag ik dat te betwijfelen. Niet dat ze niet werken. Maar wel de verklaring. Alhoewel degene die ík eerder als verklaring zou zien, wel wordt genoemd: "Be open with us and your colleagues, and note everything you say is recorded and subject to disciplinary action.".

Gruman schrijft zijn artikel over bestaande bedrijven die social media implementeren. Wat ik met hem eens ben, is dat zonder visie gebeurt. Maar dat geldt voor het najagen van veel. Dat is in het (moderne) bedrijfsleven met z'n fixatie op korte termijn, onbetwist. Dat gaat fout. Heel terecht wijst Gruman er op dat het van het grootste belang is te weten hoe mensen samenwerken en welke toepassingen dat ondersteunen.

Dat betekent wel dat de onderneming ook dát wíl doen: de samenwerking tussen medewerkers centraal stellen. Jammer genoeg zal een gemiddeld manager eerder denken in termen die neerkomen op 'leiding geven aan zijn ondergeschikten'. Dat is de diametraal tegengestelde positie. Serieus luisteren en gehoor geven aan die samenwerking, impliceert ook eigen idee en oordeel terzijde plaatsen. Als ik één vraagteken zou mogen plaatsen bij de LEAN-aanpak is dat precies dit.

In die klassieke, verouderde termen denkend, klopt het wel dat social media niet passen. Dat is ook wat ik de afgelopen jaren keer op keer van collega's hoorde: 'Ja, ik ga me daar sociaal zijn met collega's', 'Wat zou ík nu moeten delen met de rest?', 'Als ik ze vertel wat ik doe en denk, krijg ik dat op m'n bordje'. En dat is dus een club die zichzelf probeert te afficheren als 'innovatief'. Mij is het nooit gelukt daar tussen de oren te krijgen dat dat een valse claim is en dat het management een klassieke uitvoeringscultuur maakten.

Wat ik bijzonder vind aan Grumans betoog, is dat-i begint met de idee dat social media gaan over het publiceren van persoonlijke berichten, roddel en geruchten én dat dát geen (directe) relatie heeft met werk. Zoals het hoort; zó absoluut stelt hij het niet:

Businesses don't need social tools, but they need collaboration and communications tools. Businesses don't need to reinvent human interplay at work as if it were a virtual party, but they need to help people work together to achieve the desired creative, efficiency, and other results from that collaboration.

Of course, human interactions by definition are social, and you get more useful collaboration if you encourage constructive dialog -- that is, get people to engage. Call that human factor "engagement," not "social," and focus on what you really want. Engagement is critical to collaboration, but engagement for its own sake is not critical at all.


Kijk. Daar wijk ik af. Want als betrokkenheid - en vertrouwen, veiligheid - belangrijk zijn, dan zijn juist die sociale processen van het allergrootste belang. In tijden van oorlog zal ik vertrouwen op mensen die ik goed kén. Klinkt dramatisch, maar het is wel een goede graadmeter voor die hechtheid. En dan is het juist góed meer te weten en doen dan alleen werkgerelateerde informatie uitwisselen. Dat maakt een veilige omgeving.

Eigenlijk krijg ik ook wel gelijk. Want als er één plek is waar ik die manier van samenwerken vaker dan elders zag, dan is het deze waar ook Gruman op wijst:
(...) focusing on specific collaboration needs and identifying technologies that truly support them. A good place to start is to "look for scenarios where people are working differently, then seeing what tools they are using." People, especially those engaged in creative work, are good at finding tools. Rather than impose tools on such people, see if you can grow from what they find useful or at least use them as a starting model.


Het begint en eindigt met mensen. De komst van social media heeft ons nieuwe instrumenten gegeven. Die met alle geweld in oude keurslijven persen, gaat niet werken.

vrijdag 3 mei 2013

Koffiesnobs

Als ik iets mag zeggen: schaf een koffiezetapparaat als het onze niet aan. Dit is 'm:

20130503-203025.jpg

Na drie jaar gebruik kan ik het gefundeerd zeggen: dit is niks. Qua apparaat.
Als je koffie uitschenkt, dan lekt de kan. Naar verluidt, komt dat doordat je teveel koffie te snel wilt uitschenken. En omdat de klep nogal kritisch luistert naar bevestiging. Beide kloppen. Het effect is hetzelfde: koffie die er op de verkeerde manier uitkomt.
Koffie zetten, is ook een evenement. De zetting gebeurt met of gemalen koffie of bonen. Die worden dan ter plekke gemalen. En dat zul je weten. Een herrie! Een gesprek, televisie kijken of een telefoontje aannemen? Vergeet het maar als-t-i maalt.
Maar de grootste desillusie is de filterklep (dat zilverkleurige ding met de naam van de fabrikant er op). Die gaat spontaan open. Dan staat-i te malen en, hop, daar gaat het maalsel. Of hij staat lekker te pruttelen en, hop, daar gaat de koffie. In beide gevallen hetzelfde effect: schoonnaken. Het hele apparaat, eronder, erachter. En opnieuw beginnen. Inmiddels zijn we zover dat we bij het apparaat blijven staan, met één vinger, op dat filterdeksel. Alsof de duvel ermee speelt; sinds een maand of drie springt-i niet meer open. Maar je zult zien: als wij er niet bij staan, springt-i open.

Gelukkig hoeven we 'm niet altijd te gebruiken. Voor de eenkopszettingen hebben we - al tien jaar! - een Senseo. Eenvoudig apparaat: padje erin en zetten maar.

Maar ja, Senseo is geen koffie... beweert men. Met dedain wordt neergekeken op die koffie.

Dat Nederland geen koffieland is, lijkt me moeilijk te ontkennen. We verbouwen hier geen koffie(bonen). Maar we drinken wel koffie. En thee. We eten gebak. We drinken alcoholhoudende dranken en we weten. Dat gebeurt overal: eten en drinken doet ieder organisme.

Alles waar mensen zich mee bemoeien, is cultuur. Cultuur is daarom fluïde, veranderlijk. Je kunt het nog het best vergelijken met de grootste gemene deler.

Dat betekent dat je dus wel over een cultuur van een land kunt spreken, als een soort van gemiddelde. Koffie drinken wordt in Mediterrane landen anders beleefd dan hier. In Italië een cappuccino bestellen na het avondeten, of na het middaguur? Thee drinken in Aziatische landen? Of Engeland? Da's daar toch echt iets anders dan een zakje theegruis in kokend water mikken. Gebak? De keuze is in Duitsland anders dan hier. En dat al die culturen andere gewoonten en bereidingswijzen hebben is maar goed ook: restaurants moeten ook bestaansrecht hebben.

Dat vind ik dus leuk. Kijken, voelen, horen en proeven wat mensen beweegt. Niet mijn voorkeuren en ideeën, maar die van de ander zien te snappen. Dat is niet zo vanzelfsprekend als ik dacht. Advsiseurs en consultants hebben de neiging zichzelf en hun oplossingen tot uitgangspunt te nemen. Die luisteren niet. Terwijl zoeken en serieus luisteren naar wat mensen echt belangrijk vinden, heel waardevol is.

Iemand vol vuur en passie horen praten, betekent bijna altijd dat je daarvan veel kunt leren. Ik heb niets - maar dan ook niets - met auto's, maar vind het nog steeds leuk om echte liefhebbers te horen. Die wijzen je op details en facetten die jij zelf vast niet zou hebben opgemerkt.

Een goede kennis heeft werkelijk duizenden euro's besteed aan het vinden van de juiste espressomachine. Omdat-i van koffie houdt zoals de Italianen die maken. Die zoektocht leidde langs, ik meen, een stuk of zes apparaten in drie jaar. De ene had 'de verkeerde druk' en de andere had 'niet de juiste temperatuur'. Een kostbare grap. Maar het is maar net wat je voor jezelf belangrijk vindt. Over die apparaten en die zoektocht zal hij zelf niet snel beginnen: het gaat om de kop koffie die je zit te drinken. Díe moet goed zijn. Goed? Perfect.

Ook de verkopers hebben dat ontdekt. Ons verlangen om ons te onderscheiden en uniek te zijn. Dan moet je natuurlijk niet beschikken over een massaproductie apparaat. Dan heb je niet pads, maar cups nodig. Dan betaal je meer. Want exclusiviteit is duurder.

Toch ben ik benieuwd wie van de Senseo-veroordelaars in staat zijn die slechte koffie er uit te pikken bij een blinde test. Ik zet mijn geld op 'niet'. Dat heb ik al zó vaak meegemaakt. Dat mensen beweren dat ze 'kwaliteit er zó uit pikken'. Niet dus. Een echte kok haalt het gebruik van verse en topkwaliteit ingrediënten er op smaak uit. Een gemiddelde eter niet. Die heeft honger. In een restaurant vertróuwen de klanten er op dat wordt gewerkt met het beste van het beste, als ze veel betalen.

De verkopers hebben dat scherp in de gaten. We kunnen ons wezenloos kiezen teneinde onze uniciteit te benadrukken. Het wordt alleen lastig als je toch de smaak hebt die past bij de grootste gemene deler. Dat kán niet. Uniek betekent toch ook je afzetten tegen die volkssmaak?



NB
Een week later vind ik dit artikel, over Uncommon Grounds, The History Of Coffee And How It Changed The World.

donderdag 2 mei 2013

Statistiek door een vergrootglas

Deze ken je vast. En zo niet: probeer 'm ergens te pakken te krijgen en door te kijken. Het is een dun boekje over statistiek, met een van de mooiste titels ooit: How to lie with statistics.

Het is geen leerboek in de zin dat het je alle finesses leert van de statistiek. Het is een veel belangrijker onderwerp: hoe gebrúik je statistiek. In ons najagen van "meten is weten" en alles meetbaar maken - quantified self bijvoorbeeld - is dat uiterst belangrijk. Want wat word je voorgespiegeld door die getallen?

Statistiek is een taal.

Dat klinkt idioot. Toch is het waar. Met statistiek wordt, net als met taal, een boodschap overgebracht. Dat moet je wel zorgvuldig doen. In de taal laten we al steeds meer slordigheid toe. Voor een deel omdat we het gewoonweg niet belangrijk vinden. Voor een deel omdat we het soms ook wel vermakelijk vinden. Voor een deel omdat we de fouten niet meer zien. Met als resultaat dat we elkaar steeds minder goed (zullen gaan) begrijpen.

Op de Leidse markt prees een koopman zijn waar aan met een reclamebord: Echte Biologische Noten (oid). We snappen vast wat-i bedoeld: echt biologisch. Maar door de e achter echte staat er dus óók dat er ónechte noten bestaan. Die foute e kom je vaak tegen. En meestal corrigeren we vanzelf wel naar de juiste boodschap. Op de achterkant van Onze Taal staat iedere maand weer een aantal mooie voorbeelden hoe vreemd of verwarrend dat kan uitpakken: Ruggespraak.

20130502-184439.jpg

Communicatie tussen mensen is een dynamisch fenomeen. Betekenissen veranderen en conventies ook. Dat hoort. En dat is lastig.

Met taal kun je spelen. Als schrijver. Taal kun je zien als dagelijks werktuig. Als gewoon gebruiker. Met taal kun je vastleggen. Als jurist. Het maakt nogal uit hoe juist je dan formuleert en vastlegt, wat je schrijft. Die ene e maakt dan wel degelijk uit. Of, een wellicht nog mooier voorbeeld: de komma.

Enig idee wat het verschil is tussen "mijn vader, die" en "mijn vader die"? Die tweede is een beperkende bijzin. Daarmee kun je aardig in de problemen komen, met die komma: "ik werd gefeliciteerd door mijn vader die een stropdas droeg". Geen probleem? Hier staat dat de ik-figuur meerdere vaders heeft. Wél een probleem.

Die dingen speelden door m'n hoofd toen ik een artikeltje las over het gebruiken van y-assen.

Het gaat feitelijk over hetzelfde. Grafieken die, bijvoorbeeld vanwege ruimtegebrek, worden 'vereenvoudigd'. Het is zeker de moeite waard het artikel door te lezen. De waarschuwing is duidelijk: als je de y-as níet op nul laat beginnen, zorg je voor vertekening. Het lijkt alsof je door een vergrootglas kijkt. Da's handig om de details waar te nemen, maar je moet je wel heel erg goed realiseren dat de verhoudingen niet meer kloppen.

When data gets mapped to visual variables for visualization, we tend to make the same assumptions. A bar that is twice as long represents a value that’s twice as big. But that is only true if that bar starts from zero. If it was cut off, that is no longer true.

The following image shows the monthly sales of a fictitious coffee chain over a few months. The left bar chart starts at zero, the right one at $29K. Notice the difference?

20130502-182948.jpg

In the right-hand chart, the bar for February appears to be roughly twice as high as the one for January. Twice the bar size means twice the value, right? But looking at the chart on the left, it’s obvious that the change is rather small.

The first thing to do when looking at a chart, therefore, is to make sure you understand the vertical axis. If it starts at 0, it is much easier to read the chart without being misled.


Kijk, da's nou lying with statistics. Ik ga er vooralsnog maar van uit dat het geen kwade opzet is. Maar toch... wees alert. Want in deze wereld draait steeds meer om 'bewijs' en dat is heel vaak een getal. Of iets met infographics: ook bloedlink.

Maar wat zégt 't? Klopt 't?

woensdag 1 mei 2013

Wat ziet jouw vinger?

Het is een lang, maar gedegen, verhaal dat ik las. Over aanraking. Om precies te zijn: aanraking op schermen. Daarin ben ik absoluut geen specialist. Sterker, het is niet eens mijn vák. Maar het boeit me wel.

Want dat aanraken en bewegingsgevoeligheid is een groot iets geworden. Da's niet vreemd als je je realiseert dat dit, op het moment, de directste lijn is tussen wat we willen en een apparaat. Niks muis tussen ons en de beweging in. Niks pen. Niks toetsenbord. Direct aanraken en gaan.

Niet verwonderlijk dat jonge kinderen - en oude mensen - eigenlijk verbazingwekkend snel snappen wat ze moeten doen. Waar denk je dat die ene zin vandaan komt: "Handjes thuis, alleen kijken"? Een zin die jij te horen kreeg als kind en die je zelf - als je ouder bent - haast piepend er uit perst als je met jonge kinderen een antiek porceleintentoonsteling bezoekt. Dat moet je dus nóóít doen; ook omdat je kinderen echt niet zijn geïnteresseerd in kunst.

Persoonlijk vind ik het één van de baanbrekende (disruptive) ontwikkelingen.

Wel eentje met meer facetten dan je (ik) op het eerste gezicht ziet.

Mijn eerste aanraakervaring was een iPhone, drie maanden na de introductie in Nederland. En de tweede mijn iPad, dankzij mijn buurman nog vóór de introductie in Nederland. Wat me het meest is bijgebleven, is dat je mensen eigenlijk niet goed kon uitleggen wat er zo goed was aan die apparaten. Je moest het vóelen.

Eerlijk gezegd haalde je toen zó al die collega's er uit die ook 'deskundig' waren. Al lezend óver ontwikkelingen waren zij ervan overtuigd dat dit idee van Apple tot niets zou leiden: "Hoe kun je nu op zo'n klein scherm met je vingers toetsen aanslaan?". Mij lukte dat ook niet echt goed. Terugkijkend, blijkt dat je toch echt even moet wennen aan de nieuwe hand-oogcoördinatie. Maar da's een kwestie van een paar dagen, of uren.

Zeker in die eerste dagen was het afzien. Mensen die snel hun oordeel klaar hebben als iets niet direct lukt. Alsof niemand ooit heeft léren fietsen. Toch hadden ze wel een punt. Op dat moment. Want het wás best lastig om precies de juiste plek op het scherm aan te raken. En - het door mij nog steeds af en toe vervloekte - autocorrigeren maakte er de meest cryptische boodschappen van.

Nu snap ik er meer van. En dit artikel is dan leuk om te lezen: Common Misconceptions About Touch. Wat ik allemaal wel niet 'fout' zag.

Hoe je ogen een doel bepalen en dat het drukoppervlak veel minder belangrijk is dan ik dacht. Dat de grootte van je vingers - "Die iPhone waarover jij zo enthousiast bent, is gemaakt voor japanse vingertjes. Dat wordt nooit wat" - niet belangrijk is, maar je concentratiepunt wel. Dat oog-handcoördinatie dus essentieel is.

Met als gevolg dat het zeer de moeite waard is stil te staan bij die ouderen. Wij allemaal ontwikkelen naarmate we ouder worden slijtageverschijnselen. Eén van de bekendste is het steeds minder stabiel worden van de fijne motoriek. Trillen en beven. Hoe dat uitwerkt? Ga maar een minuut of vijf met een zak aardappelen van 5 kilo staan: recht vooruit gestrekte armen, totdat ze gaan trillen en schudden. Als je dán met een vulpen, of een aanraakscherm, aan de gang gaat, heb je een heel klein beetje het idee hoe trillen en beven kan uitwerken.

Of het wennen aan het plaatsen van de cursor. Ik herken dit, hoor.
If users don’t get immediate feedback that a tap was successful, they will assume a miss and try again. As soon as a device accepts a touch, the visible target should change to an active state that is clearly different from its default state. Don’t forget about the issue of the user’s thumb or finger obscuring the target. Ensure that the change of state occurs in a visible area that is large enough for the user to see it.


Als ik als gebruiker nóg iets mag zeggen. Met onderstaand citaat ben ik het zó eens:
As I mentioned earlier, a target’s visual design drives users’ expectation of its size. If users could reasonably expect an entire button or other element to be tappable, make it so. I encounter too many buttons where only the text is the touch target and tapping the rest of the button does nothing.


Mezelf even tot referentiepunt bombarderend, is het aantal keren dat ik 'gefrustreerd' ontdek dat een knop niet - maar de tekst wel - reageert veel te groot. Inderdaad: waarom dan een knop gemaakt? Waarom dan de gebruiker op het verkeerde been gezet? Eerlijk gezegd, denk ik (nu) dat het stomweg onkunde is.

Aanraakschermen zijn er voorlopig om te blijven. Onze verwachtingen zullen ook veranderen: alles is aanraakbaar en actie roep je op door aan te raken. Voor ontwerpers (van de gebruikersinterface en van de interactie) prachtige tijden, lijkt me. Mits opdrachtgevers ook snappen hoe deze wereld werkt.