Een paar dagen jicht, gevolgd door een soort voetbalknie - dat hoop ik althans te horen van de huisarts morgen, want jicht ook in de knie..... - is verdraaid onhandig om auto te rijden. Gelukkig was het een paar dagen geleden nog niet zo ver. Het is wel de reden waarom ik nu pas weer blog.
Vrijdag was een heel lange dag (waarschijnlijk ook de reden van de opgezwollen knie zaterdag en zondag). Een collega-verpleeghuis had een afdelingsuitje gepland voor vijf patiënten, twee begeleiders en een chauffeur. Die dus ziek werd, waardoor het geheel zou worden afgeblazen. Pas op het laatste moment kreeg iemand het idee eens rond te bellen. Zo kwam ik dus in het dagje-uit terecht.
Het is altijd een gedoe, met afdelingen eropuit gaan. De ene keer is tellen het probleem "Maar ze zeiden dat er acht mensen mee konden" "Ja, lopende. Met drie rolstoelen kunnen er nog drie mee, soms vier. En met acht patiënten kunnen er niet ook nog 's drie begeleiders mee. Da's elf." Je zou het kunnen betitelen als 'jezelf wegcijferen', maar in een bus werkt dat niet.
Het andere probleem is de standaardisering. Mijn bus is er een die rolstoelen vastzet met beugels. Een stevig systeem, maar niet flexibel. De dwarsbeugels zijn wel enigzins schuifbaar, maar niet 'eindeloos'. Dus sta je geregeld tegen een rolstoel aan te kijken die niet past. Wel in de bus, maar niet in het zekeringsysteem. Da's heel lullig.
Gelukkig doet zich iets vreemds voor; veel oudere patiënten vinden een uitje doodeng. Soms heb ik dan ook het idee dat er mensen opgelucht waren omdat hun rolstoel niet paste. Triest is het wel, maar om een heel andere reden. Het is je al honderden keren gezegd, iedereen weet 't en vind het kwalijk, weinigen dóen iets: of mensen thuis wonen of in een instelling, er zijn er veel te veel die geïsoleerd raken. Waar de familie eens in de zoveel weken in en uit vliegt, hopelijk. Waar de buren eens een neus om de hoek van de deur steken. Maar waar de leefomgeving heel klein is geworden, waardoor álles daarbuiten eng en bedreigend is geworden.
Da's geen overdrijving!
Op enig moment komt het moment dat het onbekende steeds dichterbij komt en al het bekende verdrijft. Dat overkomt óoḱ een gezond mens. Ga jij maar 's drie jaar thuis zitten of laat je detineren. Je raakt sociaal geïsoleerd, onhandig. Fysiek gehandicapt kan dat gebeuren. Bij een dementerend mens is zijn of haar wereld onvoorstelbaar.
Moet je je voorstellen: een rit van een minuut of dertig naar een stadspark (in een andere stad, dat wel). Vogels, vijvers, speeltuin, kasteeltje, Japanse tuin, theehuis: alles is er, behalve invalidenparkeerplaatsen. Het is zonnig en het is niet verschrikkelijk druk. Gezellig druk, noemt Nederland dat.
Na een half uurtje lopen en rolstoelen duwen hebben we genoeg gezien - vooral kleine kinderen, want dát vinden de dames véél leuker dan de omgeving - en strijkt het konvooi neer op een terras. Da's al een onderneming op zich. Eén boterham met één kroket is voor iedereen, behalve de chauffeur, wel genoeg. We zitten.
Niet ver van huis, omringd door bekenden; en toch raakt één van de dames enorm in de war van al het onbekende. Stomweg het aantal mensen. Niets helpt. Zelfs de vaste begeleiders en mede-patiënten (her)kent ze niet meer. Ze wil naar huis "want m'n moeder weet niet waar ik ben". Iedere beweging leidt tot opstaan "Gaan we?".
Het is geen verdriet. Het is ángst.
Eerst zijn er alleen tranende ogen, maar al snel neemt de onrust het over. Als de begeleiders even met de anderen weg moeten naar het toilet, probeer ik haar duidelijk te maken dat we écht weer terug gaan en ze zich zo min mogelijk druk moet proberen te maken.
"Mijnheer, ik ben wanhopig. Breng me naar huis alstublieft. Ik ben radeloos. Ik ben helemaal over m'n toeren. Help me alstublieft!'
Dat gaat je niet in je kouwe kleren zitten. Voor mij bevestigt dit soort ervaringen het gelijk van allen. Deze mensen hebben een veilige omgeving nodig, waarin professionele hulp kan worden geboden. Deze mensen hebben ook voldoende sociale steun nog om ze een beetje, een béétje, in contact met vreemde omgevingen te laten behouden.
Maar het wordt helemaal níets als het of-of wordt.
Posts tonen met het label Angst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Angst. Alle posts tonen
zondag 1 juni 2014
zondag 13 april 2014
Kaal?!
Laat ik beginnen te bekennen dat ik het probleem niet ken. Kaalheid. Op mijn hoofd groeit voldoende om iedere zes weken de kapster ermee aan de slag te laten gaan. En iedere keer halen de kapsters de beste marketingtruc uit die er bestaat: ijdelheid aanspreken. "Wat hééft u toch een mooi dik haar"
Wat me zo af en toe bezig houdt, is de vraag waarom steeds meer mannen geforceerd kaal zijn.
In mijn jeugd had je een type man dat je vandaag de dag eigenlijk nooit meer ziet. De kalende man had vaak een trench coat aan, een hoed op en daaronder bleek zich een atol aan verdunnend haar te verbergen. Hét voorbeeld van dat haar was, in mijn jeugd, de Boze Buurman uit Ja Zuster, Nee Zuster. Een sikkeneurig mens met een kale plek op z'n hoofd.

Niet dat er meer echt kale mannen zijn dan toen. Wat er wel steeds meer is, zijn de nep-kalen. Dat zijn al die types die het hoofd kaal (laten) scheren. Het zijn absoluut niet fans van de coupe Amerikaans Leger, want de ellende is dat je vaak goed ziet dat het eigenlijk de kalende man is.
Een kale man is kaal. Egaal kaal en heel duidelijk zonder haargroei. De pseudo-kale heeft een probleem. Zijn haar groeit nog steeds en dat levert vaak van dat schemerhaar op. Daardoor ziet iedereen waar eigenlijk nog steeds haar groeit. De kalende man dénkt dat-i een kale man is.
Persoonlijk denk ik dat je er het best aan doet jezelf te accpeteren zoals je bent. Als dat kalend en grijzend is... soit. Verzet is nutteloos. Maar goed, ik kan me ook voorstellen dat er mannen zijn die er mee zitten. Het gedistingeerd grijs weg verven ís mogelijk.
Dat soort van ontwijkend gedrag kan zelf leiden tot een lemma in Wikipedia. Ik kende 'm: de overkammer, de spuuglok, maar dan overlangs bovenop de schedel.
Interessanter vind ik de vraag waarom mannen dat scheren zo massaal zijn gaan doen.
Als ik mag. Mijn idee is dat het imitatiegedrag is. Om het lekker ongenuanceerd neer te zetten: de (film- en televisie)voorbeelden van de stoere held die kaal is én succesvol is, willen de pseudo-kalen imiteren. Wat mij betreft, bevestigt het aantal leren jasjes en jacks dat. In het Tijdperk van de Kalende Man waren die voorbeelden er niet. In het Tijdperk van de Pseudo kale wél. Toeval?! (Wellicht. Want op een sullig kaalplekje mannetje wil je óók niet lijken. Die (negatieve) hypothese kan ook waar zijn)
Het leukst aan het verschijnsel zijn de discussies 'over kale mannen'. Zijn ze, in de ogen van vrouwen, nu wel of niet sexy? En, helemaal prachtig, hebben ze meer dan gemiddelde mannelijke hormonen? Worden ze gezien als leiders? En, jammer, hebben ze werkelijk meer kans op prostaatkanker?
Dat zijn allemaal discussies die gepaard zijn aan natuurlijke kaalheid. Jammer, pseudo's.
Op zich is het weer 's niet verwonderlijk. Het is weer de afdeling 'causaal'. Een bekende op die afdeling is de bewering dat creatieve mensen slordige bureaus hebben. Voor mensen met een slordig bureau is dat de bevestiging dat ze creatief zijn. Als je dan ook nog 's je kop kaal scheert, ben je meteen een zeer mannelijke, viriele creatief.
Voorlopig ben ík er niet aan toe. Het lijkt me ook niets. Iedere dag nog meer huid nat te moeten scheren met een vergroot risico op snijwonden en -wondjes.
Wat me zo af en toe bezig houdt, is de vraag waarom steeds meer mannen geforceerd kaal zijn.
In mijn jeugd had je een type man dat je vandaag de dag eigenlijk nooit meer ziet. De kalende man had vaak een trench coat aan, een hoed op en daaronder bleek zich een atol aan verdunnend haar te verbergen. Hét voorbeeld van dat haar was, in mijn jeugd, de Boze Buurman uit Ja Zuster, Nee Zuster. Een sikkeneurig mens met een kale plek op z'n hoofd.
Niet dat er meer echt kale mannen zijn dan toen. Wat er wel steeds meer is, zijn de nep-kalen. Dat zijn al die types die het hoofd kaal (laten) scheren. Het zijn absoluut niet fans van de coupe Amerikaans Leger, want de ellende is dat je vaak goed ziet dat het eigenlijk de kalende man is.
Een kale man is kaal. Egaal kaal en heel duidelijk zonder haargroei. De pseudo-kale heeft een probleem. Zijn haar groeit nog steeds en dat levert vaak van dat schemerhaar op. Daardoor ziet iedereen waar eigenlijk nog steeds haar groeit. De kalende man dénkt dat-i een kale man is.
Persoonlijk denk ik dat je er het best aan doet jezelf te accpeteren zoals je bent. Als dat kalend en grijzend is... soit. Verzet is nutteloos. Maar goed, ik kan me ook voorstellen dat er mannen zijn die er mee zitten. Het gedistingeerd grijs weg verven ís mogelijk.
Dat soort van ontwijkend gedrag kan zelf leiden tot een lemma in Wikipedia. Ik kende 'm: de overkammer, de spuuglok, maar dan overlangs bovenop de schedel.
Interessanter vind ik de vraag waarom mannen dat scheren zo massaal zijn gaan doen.
Als ik mag. Mijn idee is dat het imitatiegedrag is. Om het lekker ongenuanceerd neer te zetten: de (film- en televisie)voorbeelden van de stoere held die kaal is én succesvol is, willen de pseudo-kalen imiteren. Wat mij betreft, bevestigt het aantal leren jasjes en jacks dat. In het Tijdperk van de Kalende Man waren die voorbeelden er niet. In het Tijdperk van de Pseudo kale wél. Toeval?! (Wellicht. Want op een sullig kaalplekje mannetje wil je óók niet lijken. Die (negatieve) hypothese kan ook waar zijn)
Het leukst aan het verschijnsel zijn de discussies 'over kale mannen'. Zijn ze, in de ogen van vrouwen, nu wel of niet sexy? En, helemaal prachtig, hebben ze meer dan gemiddelde mannelijke hormonen? Worden ze gezien als leiders? En, jammer, hebben ze werkelijk meer kans op prostaatkanker?
Dat zijn allemaal discussies die gepaard zijn aan natuurlijke kaalheid. Jammer, pseudo's.
Op zich is het weer 's niet verwonderlijk. Het is weer de afdeling 'causaal'. Een bekende op die afdeling is de bewering dat creatieve mensen slordige bureaus hebben. Voor mensen met een slordig bureau is dat de bevestiging dat ze creatief zijn. Als je dan ook nog 's je kop kaal scheert, ben je meteen een zeer mannelijke, viriele creatief.
Voorlopig ben ík er niet aan toe. Het lijkt me ook niets. Iedere dag nog meer huid nat te moeten scheren met een vergroot risico op snijwonden en -wondjes.
zaterdag 30 november 2013
Het busje van de schooltandarts
De angst verspreidde zich als een verlammend gas door de school. Gebruikmakend van het geroezemoes door de leerlingen: "Hij is er weer!". Beginnend op de begane grond werd, dat wisten we, heel systematisch het hele gebouw afgewerkt. Dan kwam-i de klas in en nam een stuk of zes klasgenoten mee.
Het busje van de schooltandarts.
Mijn eigen kinderen kennen het al niet meer. Maar in mijn jeugd was dit een angstbeeld: het busje van de schooltandarts dat voor de school verscheen. In kleine groepen werden we dan van school weggehaald en naar de wachtkamer van de schooltandarts, in een andere school, gebracht. Kinderen bij elkaar; dat zijn mooie ingrediënten om elkaar angst aan te praten. Tel daarbij op dat de tandartszorg toen nog lang niet zo goed was als nu - en de schooltandarts niet bepaald de vriendelijkste mens op aarde - en je snapt waarom sommige vijfenvijftigplussers zo hun bedenkingen hebben bij tandzorg.

Je was blíj dat je op een gegeven moment naar je eigen tandarts mocht. Wég van die enge geluiden uit de behandelkamer, alhoewel ook onze eigen tandarts er eentje was van "even flink zijn, hoor". Maar híj had tenminste een papegaai in de behandelkamer staan. Serieus.
Zo'n schooltandarts wekt de indruk dat er meer aandacht voor tanden kwam. Dat was zeker zo. Maar toch anders dan nu. Scheefstaande tanden bij jongetjes werden bijvoorbeeld minder problematisch geacht dan bij meisjes. Wellicht niet door de tandartsen, amar wel door de ouders. En die moesten betalen. Meisjes moesten 'aan de man' en er dus goed uitzien. Blijkbaar gold dat voor jongetjes minder. Beugels waren verschrikkelijk zeldzaam. Wolf en andere tandziekten niet.
Mijn huidige tandarts heeft niet zo veel meer te doen aan m'n gebit. Het wachten is op het verval.
Op een gegeven moment consolideren je gebitselementen. De kwetsbaarheid komt dan vooral voort uit de veroudering van eerdere reparaties en het beruchte 'terugtrekkend tandvlees'. Mijn generatie is voldoende geplombeerd om tal van kansen te hebben op gescheurde of gebroken vullingen en op afbrekende tanden vanwege zwakte door grote vlakken amalgaam.
"Mooi. Geen gaatjes" levert mij vijftig jaar later nog steeds een zekere opluchting op. En dat terwijl er een hele ervaring is opgedaan met 'extracties', wortelkanaalbehandelingen en het recht-op-en-neer boor- en vulwerk. Mijn grootste vriendin zal ze nooit worden, mijn tandarts, alhoewel het echt een vriendelijke dame is en we het over vanalles en nog wat hebben. Als zij niet in m'n mond wroet met haar apparaatjes.
Pas had ze een goed idee. Tandenragertjes. Die zouden nóg beter zijn dan tandenstókertjes. Nou, gék word je ervan. Die ragertjes blijk je makkelijk te kunnen buigen. Handig om tussen kiezen waar je moeilijk bij komt, te porren en te raggen. "Dat maakt beter schoon en de stokers gebruik je ook. Voor je tandvlees.".
Ze liggen hier nog steeds. Precies drie stuks heb ik er gebruikt. Toen werd ik woest. Die rotragertjes buigen óók als ze niet móeten buigen. Je kunt net zo goed met een sliert al dente gekookte spaghetti werken. Die is ook zo lekker hanteerbaar. Ik ben ermee gestopt. M'n zelfvertrouwen en vooral m'n psychische gesteldheid begonnen te lijden onder al die mislukte pogingen zo'n ragertje tussen twee kiezen door te persen.
Wat rest, zijn de tandenstokertjes. Die breken nog weleens af tussen je tanden of kiezen. Dan kun je aan de slag met pincetten om dat stukje 'hard hout' tussen je tanden vandaan te trekken of duwen.
Nee, echt, tandartsen zijn een bijzonder slag mensen dat er lol in ziet ons op te schepen met onmogelijk goed uit te voeren opdrachten.
Het busje van de schooltandarts.
Mijn eigen kinderen kennen het al niet meer. Maar in mijn jeugd was dit een angstbeeld: het busje van de schooltandarts dat voor de school verscheen. In kleine groepen werden we dan van school weggehaald en naar de wachtkamer van de schooltandarts, in een andere school, gebracht. Kinderen bij elkaar; dat zijn mooie ingrediënten om elkaar angst aan te praten. Tel daarbij op dat de tandartszorg toen nog lang niet zo goed was als nu - en de schooltandarts niet bepaald de vriendelijkste mens op aarde - en je snapt waarom sommige vijfenvijftigplussers zo hun bedenkingen hebben bij tandzorg.
Je was blíj dat je op een gegeven moment naar je eigen tandarts mocht. Wég van die enge geluiden uit de behandelkamer, alhoewel ook onze eigen tandarts er eentje was van "even flink zijn, hoor". Maar híj had tenminste een papegaai in de behandelkamer staan. Serieus.
Zo'n schooltandarts wekt de indruk dat er meer aandacht voor tanden kwam. Dat was zeker zo. Maar toch anders dan nu. Scheefstaande tanden bij jongetjes werden bijvoorbeeld minder problematisch geacht dan bij meisjes. Wellicht niet door de tandartsen, amar wel door de ouders. En die moesten betalen. Meisjes moesten 'aan de man' en er dus goed uitzien. Blijkbaar gold dat voor jongetjes minder. Beugels waren verschrikkelijk zeldzaam. Wolf en andere tandziekten niet.
Mijn huidige tandarts heeft niet zo veel meer te doen aan m'n gebit. Het wachten is op het verval.
Op een gegeven moment consolideren je gebitselementen. De kwetsbaarheid komt dan vooral voort uit de veroudering van eerdere reparaties en het beruchte 'terugtrekkend tandvlees'. Mijn generatie is voldoende geplombeerd om tal van kansen te hebben op gescheurde of gebroken vullingen en op afbrekende tanden vanwege zwakte door grote vlakken amalgaam.
"Mooi. Geen gaatjes" levert mij vijftig jaar later nog steeds een zekere opluchting op. En dat terwijl er een hele ervaring is opgedaan met 'extracties', wortelkanaalbehandelingen en het recht-op-en-neer boor- en vulwerk. Mijn grootste vriendin zal ze nooit worden, mijn tandarts, alhoewel het echt een vriendelijke dame is en we het over vanalles en nog wat hebben. Als zij niet in m'n mond wroet met haar apparaatjes.
Pas had ze een goed idee. Tandenragertjes. Die zouden nóg beter zijn dan tandenstókertjes. Nou, gék word je ervan. Die ragertjes blijk je makkelijk te kunnen buigen. Handig om tussen kiezen waar je moeilijk bij komt, te porren en te raggen. "Dat maakt beter schoon en de stokers gebruik je ook. Voor je tandvlees.".
Ze liggen hier nog steeds. Precies drie stuks heb ik er gebruikt. Toen werd ik woest. Die rotragertjes buigen óók als ze niet móeten buigen. Je kunt net zo goed met een sliert al dente gekookte spaghetti werken. Die is ook zo lekker hanteerbaar. Ik ben ermee gestopt. M'n zelfvertrouwen en vooral m'n psychische gesteldheid begonnen te lijden onder al die mislukte pogingen zo'n ragertje tussen twee kiezen door te persen.
Wat rest, zijn de tandenstokertjes. Die breken nog weleens af tussen je tanden of kiezen. Dan kun je aan de slag met pincetten om dat stukje 'hard hout' tussen je tanden vandaan te trekken of duwen.
Nee, echt, tandartsen zijn een bijzonder slag mensen dat er lol in ziet ons op te schepen met onmogelijk goed uit te voeren opdrachten.
dinsdag 12 november 2013
Gedreigd
"Ik ben gedreigd. Ik heb er de hele nacht niet van geslapen."
Mijn eerste reactie op de drie meisjes die in de trein met elkaar zaten te kletsen, was eerder eentje van 'Het is bédreigd, hoor' dan van nadenken. Dat kwam pas een paar seconden later.
Dan realiseer je je waarover ze het hebben. Eén van de drie kreeg via Whatsapp bedreigingen die, als ik het goed hoorde, er op neerkwamen dat ze haar zouden opwachten. Wie die 'ze' zijn, werd me niet geheel duidelijk. Wel dat het instrument dat ze in zouden zetten een wildvreemde jongen zou zijn die het meppen zou gaan doen.
Zoals ze erover spraken, zou je denken dat het ging over het tijdloze onderwerp Jongens en Meisjes. Maar dan dus anders.
Nogal anders. Zo is het de vraag hoe we dat 'dreigen' moeten interpreteren. Natuurlijk, de letterlijke tekst kan intimiderend, bedreigend overkomen. Dat zal ongetwijfeld ook de bedoeling zijn.
De manier waarop de meisjes ermee omgingen deed me denken of ik het niet verkeerd zag.
In alle openheid - ze spraken niet extreem luid of zacht - bespreken ze de dreiging. Namen van andere meisjes en jongens zijn in het gesprek opgenomen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Alsof dit gewoon was in hun levens.
Zou het zo zijn dat dit het nieuwe hofmaken is?!
Het is optie die ik met moeite zag, want hofmakerij associeer je toch eerder met tederheid, liefde en aftasten. Maar misschien (blijkbaar?) zijn de mores verandert.
Onze oudste zoon, nu in de twintig, maakte het een aantal jaren geleden uit met z'n vriendinnetje; per sms en kort telefoontje. Over zakelijk gesproken, en hij vond het toen al de gewoonste zaak van de wereld.
Voor zover ik dat als jongen wist, kwam het in mijn jeugd bij 'de meisjes' geregeld voor dat ze elkaar zwart probeerden te maken. Roddel en achterklap, zowaar een incidentele meppartij, en bedreigingen. Dat werd nooit helemaal helder, want de dames hadden en hielden hun geheimen.
Uit het jongerenwerk kan ik me het ook nog wel herinneren. Dat er ineens een enorme beroering ontstond in één of twee groepen. De reden was in vier van de vijf gevallen: een meisje en een jongen, een verkering. Die uit was gemaakt. Of die niet áán ging. Of een vervelende derde partij die alles in de prille relatie overhoop haalde. Gezoem, geloop, gepraat, gehuil: emoties die de pan uit kóókten.
Omdat ik niet geloof in evolutionaire verandering op jaarbasis, denk ik dat die drie meisjes in de basis nog steeds hetzelfde zijn als degenen uit de jaren 1975. Dat zou betekenen dat die meisjes in de trein het ook niet over bédreigingen hadden, maar over een nieuwe vorm van sociaal gedrag. Zou het wellicht een krachtmeting in het kader van hofmakerij zijn?!
Volgens mij is dat geen idiote gedachte.
Toen ik bij station De Vink uitstapte, zaten de drie nog steeds te praten. Over school, uitgaan en huiswerk. Alsof de gedreiging in die wereld echt niet iets bijzonders was.
Mijn eerste reactie op de drie meisjes die in de trein met elkaar zaten te kletsen, was eerder eentje van 'Het is bédreigd, hoor' dan van nadenken. Dat kwam pas een paar seconden later.
Dan realiseer je je waarover ze het hebben. Eén van de drie kreeg via Whatsapp bedreigingen die, als ik het goed hoorde, er op neerkwamen dat ze haar zouden opwachten. Wie die 'ze' zijn, werd me niet geheel duidelijk. Wel dat het instrument dat ze in zouden zetten een wildvreemde jongen zou zijn die het meppen zou gaan doen.
Zoals ze erover spraken, zou je denken dat het ging over het tijdloze onderwerp Jongens en Meisjes. Maar dan dus anders.
Nogal anders. Zo is het de vraag hoe we dat 'dreigen' moeten interpreteren. Natuurlijk, de letterlijke tekst kan intimiderend, bedreigend overkomen. Dat zal ongetwijfeld ook de bedoeling zijn.
De manier waarop de meisjes ermee omgingen deed me denken of ik het niet verkeerd zag.
In alle openheid - ze spraken niet extreem luid of zacht - bespreken ze de dreiging. Namen van andere meisjes en jongens zijn in het gesprek opgenomen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Alsof dit gewoon was in hun levens.
Zou het zo zijn dat dit het nieuwe hofmaken is?!
Het is optie die ik met moeite zag, want hofmakerij associeer je toch eerder met tederheid, liefde en aftasten. Maar misschien (blijkbaar?) zijn de mores verandert.
Onze oudste zoon, nu in de twintig, maakte het een aantal jaren geleden uit met z'n vriendinnetje; per sms en kort telefoontje. Over zakelijk gesproken, en hij vond het toen al de gewoonste zaak van de wereld.
Voor zover ik dat als jongen wist, kwam het in mijn jeugd bij 'de meisjes' geregeld voor dat ze elkaar zwart probeerden te maken. Roddel en achterklap, zowaar een incidentele meppartij, en bedreigingen. Dat werd nooit helemaal helder, want de dames hadden en hielden hun geheimen.
Uit het jongerenwerk kan ik me het ook nog wel herinneren. Dat er ineens een enorme beroering ontstond in één of twee groepen. De reden was in vier van de vijf gevallen: een meisje en een jongen, een verkering. Die uit was gemaakt. Of die niet áán ging. Of een vervelende derde partij die alles in de prille relatie overhoop haalde. Gezoem, geloop, gepraat, gehuil: emoties die de pan uit kóókten.
Omdat ik niet geloof in evolutionaire verandering op jaarbasis, denk ik dat die drie meisjes in de basis nog steeds hetzelfde zijn als degenen uit de jaren 1975. Dat zou betekenen dat die meisjes in de trein het ook niet over bédreigingen hadden, maar over een nieuwe vorm van sociaal gedrag. Zou het wellicht een krachtmeting in het kader van hofmakerij zijn?!
Volgens mij is dat geen idiote gedachte.
Toen ik bij station De Vink uitstapte, zaten de drie nog steeds te praten. Over school, uitgaan en huiswerk. Alsof de gedreiging in die wereld echt niet iets bijzonders was.
Abonneren op:
Posts (Atom)