maandag 30 juni 2014

Leidse commons

Een beetje klungelig zijn ze wel. Om nu te zeggen dat ze vanwege hun aaibaarheid populair zijn; ook dat niet. Sterker, ze zijn niet eens echt helemaal ongevaarlijk. Ze kunnen nogal nieuwsgierig reageren op alles wat glinstert. Hun onderzoekend gepik heeft al ogen gekost. Minstens één, van een oude boer die ik ken in het dorp waar we woonden.

Kippen.

Kippen in hokken. In iedere stad zijn er wel wijken waar mensen kippen houden. Niet als gezelschapsdier, maar vooral als produktiedier. "Iedere ochtend verse eieren van onze kippen" is een gevleugelde uitspraak. Persoonlijk vind ik dat net zoiets als moestuinen: doembeelden van eindeloos andijvie, boontjes of rabarber moeten eten omdat "de oogst mee viel" (en de extra vriezer ook bomvol zit).

Ik ben dus echt wel van de supermarktgeneratie. Wat wij nodig hebben, kopen we, in de hoeveelheid die nodig is; niet meer, niet minder. Toch heb ik sinds mijn middelbareschooltijd een wens. Onze leraar Engels indertijd leerde ons niet alleen grammatica en spelling, maar minstens evenveel over het land en zijn cultuur. Eén van de beelden die me altijd is bijgebleven, is die van de commons (in Nederland de meent): de gemeenschappelijke weide, door iedereen te gebruiken (en 'dus' ontmoetingsplaats).

Dat soort beelden is me altijd bijgebleven en heeft me ook altijd aangetrokken: gedeeld bezit. Niet als vervanging van particulier bezit, maar als beklemtoning van collectiviteit en als aanvulling op particulier bezit.

In Leiden hebben we een aantal verwilderde groepen kippen rondlopen, en een kolonie ganzen. Het zijn vogels geworden, zoals de meeuwen, merels en spreeuwen die de stad ook bewonen. Ze maken de stad levendig met hun aanwezigheid. Maar belangrijker: hun aanwezigheid heeft gevolgen. Als de ganzen oversteken, ligt het verkeer even stil want de dames en heren nemen de tijd. De kippen langs de spoorbaan Leiden-Utrecht werden gevoerd.

Maar ze passen niet in het beleid.

De laatste 'wilde kippen' moeten weg. Eerlijk gezegd, vind ik dat een enorm gemiste kans. Uiteraard zullen de technocraten een reden hebben. Die zal ongetwijfeld verband houden met of verkeersveiligheid of volksgezondheid. Maar ze kijken al snel naar het puntje van hun neus en zien niet verder.

Waarom heeft Leiden niet talloze kipjeskolonies? Een toeristische attractie van jewelste: in het wild lopende dieren als kippen (en varkens, waar ik eerder voor pleitte). Natuurlijk, er zal geregeld een slachtoffer vallen. En ja, er zullen er in de pan verdwijnen, de eieren geraapt en tot omelet geslagen. Maar da's ook juist de bedoeling. Die dieren zijn collectief bezit.

Je zult zien dat ze aanleiding zijn tot gesprek en, vooral, een héél andere sfeer in de stad. Dát is waarom het gaat: stadsgevoel, saamhorigheid, inclusie.

Als we toch bezig zijn. In het verlengde van die kippen (en andere dieren) ben ik ook nog steeds verbaast dat in Leiden nog steeds geen produktiebomen worden geplant. Wat moeten we met bomen die alleen blad en bloesem brengen? Waarom geen appel-, peren- en pruimenbomen in de straten? Waarom geen bramen-, aalbessen- en frambozenstruiken in de perken? Zo vreemd is dat niet, want de tamme kastanje en de beukenootjesbeuk staan er wel (zij het te weinig).

Leiden ziet het wel zitten, verwacht ik, gelet op de interesse voor stadsnatuur en stadsmoestuinen. En, néé, het is niet de bedoeling als antwoord te krijgen dat de stad daarvoor een Singelpark ontwikkelt. Dat is een wandel- en kijkpark, en belangrijker, dat is denken in zones waarbinnen zoiets geregeld moet worden. Nee, lieve stadsbestuurders, dit moet stadsbreed. Stop nu eindelijk eens met dat zone-denken. Met dat 'sport daar. Wonen hier. Kopen daar. Werken hier. Parkeren móet daar. '.

Dat is geen levende stad. Dat is niet een (organisch) geheel met overlevingskansen. Maar u durft het vast niet.

zaterdag 28 juni 2014

Minerva's heimwee

Er trok een optocht door de stad. Een vreemde optocht. In zeker opzicht had-i wat weg van de optocht die Boudewijn de Groot ooit bezong in Het Land van Maas en Waal. Voor een neutrale toeschouwer dan.

Het was niet bepaald een optocht van zotten en gekken, zoals die ooit door Bosch zijn geschilderd en door De Groot als beeld gebruikt. De vergelijking drong zich vooral op aan de toeschouwer die zich afvroeg: wat zíe ik hier in vredesnaam?

Door de straten trok een gezelschap van gevarieerde leeftijd. Behoorlijk oude mannen en vrouwen, jonge mannen en vrouwen; en niemand die iets anders deed dan lopen. Als entr'acts een aantal karakteristieke rijtuigen, karossen en bierwagens, en voorop de paar man studentenweerbaarheid.

Dit was, naar hun eigen idee, de fine fleur van de samenleving: het Leids studentencorps dat zijn tweehonderd jarig bestaan vierde. Een memorabele leeftijd.

Je kunt je druk maken over de vraag hoe het mógelijk is dat de stad zo kan worden ontregeld door een jubileum. Er is ook een leegstaand schoolgebouw inclusief omliggende velden voor de gelegenheid omgebouwd tot feestterrein en -gebouw. Als je enkele duizenden mensen verwacht, is dat niet zó vreemd. Dat de effecten ingrijpend kunnen zijn, bewijst een naburig villadorp waar men uiteindelijk niet toestond een feestvierende meute op het strand toe te laten.

Het corps heeft een ambivalente verhouding met de stad. De burgemeester prees de verstandhouding met de stad, zoals die de laatste jaren bestaat. Dat is een hele verandering ten opzichte van de generaties daarvoor toen de stad als een wildreservaat leek te worden beschouwd. De verhalen in de stad zijn er legio. Over gloeiendhete muntjes die vanaf het balkon naar de (arme) kinderen op straat werden gegooid, over de vechtpartijen (veldslagen) vlak voor Drie Oktober, over de 'heeren' en hun houding.

Da's weg. Het is herinnering en historie. Een reliek.

Voor sommigen leek dat moeilijk als je de optocht zag. Was het weemoed? Was het verdriet over een verdwenen tijdperk?

In elk geval kon je je enorm verbazen over degenen die toch weer terug grepen op brallend gedrag. Of het nu de groep verklede corpsleden was die de orde 'op ludieke orde'trachtte te verstoren. Door sit in's - ooit een hippie-aanpak - en door zich vooral als mannetjesapen te manifesteren zo gauw er vrouwen of een rijtuig met vrouwen in beeld kwam. Natuurlijk doe je dat met een pils in de hand.

Het publiek liet het geheel vrij gelaten aan zich voorbij gaan. Wie tussen het publiek stond, kwam er vrij snel achter dat die het meer zagen als een tijdelijk obstakel op hun weg. De optocht werd dan ook continu doorkruist door wandelaars, fietsers, scooters en kinderwagens. Met Drie Oktober moet je dát nou net niet proberen; dat lukt je niet.

Het opvallendst was in mijn ogen iets anders. De oudste corpsleden liepen stuk voor stuk met flessen sterke drank in de hand of in de zak van het colbert. We hebben het dan over oude mannen en vrouwen uit de jaren 1930-1950! Die straalden daarmee nog helemaal de arrogantie van de corpsbal uit.

In dat opzicht was het daarmee het surrealistisch beeld van Boudewijn de Groot: wat wás dit?

vrijdag 27 juni 2014

Wij, de consumenten, verspillen niet?!

Toegegeven, het is fascinerend een 3D-'printer' aan het werk te zien. Bij mij roept het nog steeds beelden op uit science fictionverhalen waarin men alles 'uit de muur' kon trekken. Maar dit gebeurt voor je neus.

De HEMA gaat nu aan de slag met 3D-printers in de winkel. Je gaat in een cabine staan en er wordt een 'foto' van je gemaakt, een scan met coördinaten en kleurinstructies. Na een paar dagen kun je je 3D-'print' afhalen.

Ik vermoed dat 3D-'printers' een hoge vlucht kunnen nemen. Voor industriële toepassingen zijn ze nog véél te langzaam. Dat geldt ook voor de medische. Snelheid is echter het minste probleem. Je kunt er gif op innemen dat die snelheid steeds verder omhoog zal gaan. Hetzelfde geldt voor de grootte van de apparaten en de (geluids- en stof)hinder; die worden steeds kleiner.

Over een onbepaalde tijd zullen we het doodgewoon vinden dat er 3D wordt geprint.

De vraag is echter wel hoe en wat en met welk gevolg; met name als het consumenten-print gaat.

De actie van de HEMA becommentarieerd door de zoveelste deskundige die aangaf dat de omslag die 3D printen tot gevolg heeft voor een groot deel zal bestaan uit gemak en het vermijden van overproduktie. Gebroken oortjes van serviesgoed worden niet gelijmd, maar het hele kopje wordt geprint. En het servies is weer compleet. Zeker voor huishoudelijke onderdelen die uit één materiaal bestaan, biedt dat kansen. Gebroken sleutels, van 'die ene antieke kast' of de fiets? Printen!

Een stapje verder liggen ook kansen. Een cadeau kopen op het web? Betalen en de software-instructies voor je printer ontvangen om het zelf te laten maken. Of eigen ontwerpen maken (en proberen te verkopen. Dat vereist alleen maar de code door te sturen). Je kunt er zát bij fantaseren aan mogelijkheden.

Maar ik betwijfel of het zo zal gaan.

Eerder verwacht ik een hoop extra onzin. Het experiment van de HEMA is leuk, maar onnodig. Het is een ervaring in de categorie vakantiesouvenirs. Die kocht je als herinnering en staan daarna meestal jaren stofnest te zijn voordat ze roemloos bij het vuilnis eindigen. Hoe leuk ook; de HEMAbeeldjes gaan ook die weg op.

Een veel serieuzer te bespreken effect is of het werkelijk zo zal zijn dat we minder afval en overproductie zullen gaan krijgen. Ik denk dat de kans groter is dat we méér gaan verkwisten.

Het is een voorspelling die ook werd geuit bij de computer, inclusief de mobiele versies, en (thuis)printer: we zouden papierloos worden en van scherm lezen en schrijven. Daarvan is bar weinig gerealiseerd.

De redenen zijn terug te voeren tot menselijke behoeften zoals instant-bevrediging. We zijn niet zo geduldig dat we willen wachten als het op een andere manier sneller kan, én we zijn de papieren leefwijze nog lang niet afgeleerd! Het zal nog generaties kosten voordat die (wellicht) veranderd. Tot dat moment is de neiging iets af te drukken groot en gebeurt dat ook nog massaal. Ironisch: méér dan ooit, want het stuk dat je vergat mee te nemen, druk je toch nóg een keer af...

Het zijn dergelijke menselijke gewoonten en eigenschappen die mij doen twijfelen aan een snelle opmars van 3Dprinters in huis en vooral aan het doelmatigheidseffect. De kans is groot dat daar de plank volledig wordt misgeslagen.

Hoe vaak en waarvoor zal in een huishouden een 3Dprinter nodig zijn? Dus niet recreatief, maar om bijvoorbeeld onderdelen te vervangen? En als die geprint worden: hoe lang duurt dat en met hoeveel moeite? Mijn inschatting is dat het in veruit de meeste gevallen nog steeds de moeite loont bij een winkel langs te gaan en meteen een artikel mee te kunnen nemen (voor de winkelier zal de overweging dus anders uitpakken; die kan er wél voordeel uit halen).

Nee, van die vermindering van verspilling geloof ik nog heel weinig, de mensen een beetje inschattend. Dan zie ik eerder ouderparen die voor de zoveelste keer voor hun schoolgaande kind een voor de zoveelste keer 'verdwenen' voordeursleutel, lineaal of winterwant printen.

donderdag 26 juni 2014

Montessori, Dalton, Jenaplan...... iPad?!

Daar was-i weer even: de iPadschool. Hoe meer ik erover denk, hoe vreemder ik het vind.

We leven in een tijd waarin hulpmiddelen veranderen. Dat biedt nieuwe mogelijkheden (en laat andere verdwijnen). Het lei is vervangen door potlood en papier. Het potlood legde het loodje tegen de inktpen. Die op zijn beurt is verdrongen door de balpen (de iconische Bic). Die werden allemaal vervangen door schrijfapparaten als typemachines en computers.

Het interessante is dat ieder nieuw schrijfgerei iets tóevoegde zonder het bestaande ingrijpend te veranderen. In alle gevallen moest nog steeds worden gedacht en gekend: er moest worden geleerd. Met de toetsenborden veranderde wel iets, zij het op de lange termijn: het handschrift.

Dat op zich is een interessante ontwikkeling. Handschrift is niet alleen schriftelijke communicatie. Het is ook de ontwikkeling van fijne motoriek. En fijne motoriek is niet iets als schoonschrijven of kalligrafie. Met schoonschrijven hangen ook hand-hoofdcoördinatie samen, nauwkeurigheid en concentratie. Da's geen exclusieve relatie, maar wel een belangrijke.

Het bijzondere aan de discussie rond de iPadschool is dat daarin een apparáát wordt centraal gesteld. Alsof er ooit een potloodschool zou (moeten) zijn geweest.

Wat ik mis, is een visie; onderwijskundig, pedagogisch en leertheoretisch. Eerlijk gezegd, hoor ik nergens echt veel meer dan 'dat de iPad een nieuw paradigma is' en 'een grote omwenteling'. Dat is zo. En dat is niet voldoende voor het onderwijs. Voor het onderwijs is de verbetering van het leerproces relevant.

Dat in het huidig onderwijs nieuwe mogelijkheden om kennis op te doen en op te zoeken, moeten worden toegevoegd, lijkt me evident. Zoals je ooit leerde dat een tekst een inleiding, romp en conclusie heeft - en veel meer - zo leerde je ooit ook hoe een bibliotheek werkt. Daaraan is nu het Internet toegevoegd.

Ja. Maar met de iPad kun je veel speelser leren. Nog afgezien van de vraag of het werkelijk kwálijk is dingen te móeten doen tegen je eigen voorkeuren in - de instant bevrediging! - is daarmee niets anders gezegd dan dat de vórm anders zou kunnen. Natuurlijk: ook de boeken evolueerden van simpel naar kleurig. Ze leerden je allemaal nog steeds basale aardrijkskundige kennis aan, wiskunde en natuurkunde, rekenen en taal. Ook zonder GPSfunctie is het handig te weten wat oost en west zijn, en waar Emmen ligt.

Zoals met veel voorspellingen van ontregelende veranderingen: ze blijven (voorlopig) wensdromen.

Mijn iPad maakte ook mij duidelijk dat er iets was veranderd. In eerste instantie de mens-machine-interactie. Die was plots diréct, niet meer via een 'invoerapparaat'. Binnen de kortste keren maakte-i ook duidelijk wat 'mobiel' in zou gaan houden. De computer én de laptop vergaarden steeds meer stof doordat we ze minder en minder gebruikten. En de noodzakelijke sensoren om te bepalen in welke positie het apparaat was, boden ook nieuwe opties. Bijna alle andere effecten waren daar van afgeleid: een ultra-mobiele computer.

Dat 'mobiel' veranderingen tot gevolg heeft gehad, klopt. Een groot deel daarvan lijkt voor rekening van de (content)leveranciers te zijn gekomen. In essentie oude wijn in nieuwe zakken, maar dan niet cynisch bedoeld. Van werkelijk 'ontregelende omwenteling' is nog nergens sprake: de bestaande machtsbalansen zijn intact gebleven.

Vooralsnog kan zoiets als een iPadschool niet anders zien dan als een school met moderne hulpmiddelen. Zoals mijn oude lagere school met krijtborden niet vergelijkbaar is met de krijtstofloze basisschool met smartboard van onze zoons. Maar de kern, kennisoverdracht, en het curriculum bleven vergelijkbaar.

Als het meer is; waar blijft de omschrijving daarvan dan? Een visie op leren die aantoont, zónder het woord iPad, dat mobiele apparaten andere leereffecten bewerkstelligen. Dat mobiele apparaten andere mogelijkheden bieden, weten we al.

woensdag 25 juni 2014

Wat is dat met dat voetbal?

Na bijna anderhalf jaar dagelijks bloggen heb ik de riemen wat losser gelaten. Zo af en toe mag er best een dagje niet worden geblogd. De belangrijkste reden was dat ik me in allerlei bochten moest wringen om tijd te vinden. Dat had weer alles te maken met de verhuizing naar een verpleeghuis van m'n moeder. Op zo'n moment sta je dan stil bij de vraag wat er zo dwingend is, anders dan de jezelf opgelegd discipline.

De afgelopen weken heb ik gemerkt dat er een andere reden is om wat minder te bloggen. Tot een ruime week geleden ging het eigenlijk min of meer in het dagelijks ritme door. Totdat het wereldkampioenschap voetbal begon.

Dat vind ik vreemd van mezelf.

Voetballen kan me al jaren niet echt meer bekoren. In m'n jeugd was ik, zoals zoveel jochies toen en nu, hartstochtelijk fan, van Ajax. Dan zaten we met z'n allen aan de buis gekluisterd om op witruisende zwartwit beelden Nederlandse clubs te 'zien' spelen in verre landen. Of Ard en Keessie om het hardst te zien schaatsen, in de sneeuw, wind tegen en met een onflatteuze en zeker niet aërodynamische wollen muts op.

Maar met de komst van het Grote Geld en het (slechte) theaterspel verdween de bekoring ook. De verhalen over doorgestoken kaartwedstrijden (match fixing) en de exorbitante salarissen, waren de druppel. Ik zag af en toe wat.

Nu speelt Nederland weer. Dat zijn wedstrijden waarvan ik nog steeds de illusie koester dat die eerlijker en beter zijn, ondanks de aanwezigheid van een despoot als Blatter bij de FIFA. Niet dat landenteams beter zijn dan clubteams; nationaliteit versus kapitaal als criterium. In beide gevallen is het niet zo dat de trainer de vrije hand in kiezen van spelers heeft. Er zijn, letterlijk en figuurlijk, grenzen.

De eerste wedstrijden zag ik op een klein teeveetje. Alsof de tijd werd terug gedraaid: slecht beeld, wel kleur, waardoor we de bank een meter of twee dichterbij het scherm moesten sjouwen. Letters kon je dan nóg niet goed lezen. Nederland won met 1-5 (met het nodige geluk, denk ik nog steeds).

Sindsdien blijk ik toch geregeld wedstrijden te zien (niet die na middernacht beginnen). Nederland kijken, snap ik nog. Maar de rest?!

De beelden zijn net zo als anders.
Buitelende spelers, om kaarten bedelende spelers, geblesseerde en binnen 5 seconden wonderbaarlijk genezen spelers, bíjtende speler, schoppende en trekkende spelers, ontroostbare spelers.
Publiek dat zo zot is uitgedost in de hoop op tv te komen? Publiek dat zot is uitgedost en niet in de gaten heeft dat ze op tv zijn. Publiek dat zit te social media'en en niet kijkt naar de wedstrijd. Publiek dat in slaap viel tijdens de wedstrijd. Publiek dat kilo's (water) afvalt in de brandende zon. Publiek dat opvallend vaak vrouw is.

De commentaren, voor- en nabeschouwingen zijn nog steeds onvervangbaar. Formuleringen die zo krom als een hoepel zijn. Formuleringen die getuigen van voetbalintelligentie. Commentaar dat zó in de wekelijkse horoscoop kan, zo nauwkeurig.

En tóch kijk ik. Of is het toch kéék ik. Deze blogpost wordt getikt in de tuin met ondergaande zon en op de achtergrond de wedstrijd Nigeria-Argentinië (2-3 nu).

Ik denk dat ik het toch een beetje weet. De eerste wedstrijden waren onbevangen. Inmiddels is de 'het doet ertoe'fase aangebroken en daarmee het grote rekenen. Eerste in de poule worden is niet meer het enige doel. De consequentie daarvan óók: tegen welk land speel je dan in de volgende ronde?

Het berekende is weer aanwezig en daarmee is, voor mij, blijkbaar de lol er af. Rekenende voetballers: voor mij nog steeds een tegenspraak, vooral omdat het tot minder attractief vermaak leidt en dus zou moeten leiden tot minder inkomsten casu quo salaris.

Maar dát gebeurt niet. Winnen is hoofdzaak. En eerlijk gezegd ben ik er ook wel blij mee voor het Nederlands elftal. Maar trotser en tevredener was ik met het mooie spel van jaren her. Zelfs als we geen kampioen werden.

Zondag zal het vast stil zijn in dit land.

zondag 22 juni 2014

Meepraten?!

Het is één van die situaties die heerlijk eenvoudig tot misverstanden leiden: dat toegankelijkheid van het debat voldoende voorwaarde is om mee te doen. Er is echter een andere, noodzakelijke voorwaarde nodig.

Internet heeft de publieke debatruimte enorm vergroot. De toegang tot die ruimte is laagdrempeliger dan ooit: de enige benodigdheden zijn een computer of een smartphone en een internetverbinding.
(...)
Een stuk democratischer dan de klassieke media: radio, televisie, kranten en tijdschriften, waar de poort nog altijd bewaakt wordt door een selecte groep.


Een citaat uit een artikel van Jennie Barbier in de De Volkskrant, over die eerste zin.

Dat roept twee vragen op. Is téchnische toegankelijkheid voldoende? En, zijn er geen poortwachters? Beide vragen zul je met 'nee' moeten beantwoorden.

Waar overheen wordt gestapt, is dat aanwezigheid nog lang niet voldoende is. Om een bijdrage aan een debat te leveren, zijn veel meer factoren van belang.

Zo zal je je mening moeten kunnen formuleren. Dat is een stokoude. Niet iedereen is in staat zijn mening zó te verwoorden dat één van de (oude) media die oppakken. Dat is inderdaad de kracht van social media; er is geen filter op jouw inbreng. Dat betekent echter nog niet dat je ook in staat bent de juiste tone of voice, het juiste groepsgevoel te verwoorden. Nog steeds gaat het allergrootste deel ten onder in het geroezemoes.

Tijdigheid speelt ook een rol. Ik hoop nooit alle mensen te eten te moeten geven die de zin "dat zei of schreef ik al járen geleden" hebben gebruikt. Het gaat niet alleen om de inhoud, maar zeker óók om het moment. Je kunt 'voor de troepen uit lopen', heet dat zalvend.

De belangrijkste factor is er echter een die - onaangenaam - níet in het beeld van een open, sociaal en democratisch systeem past.

Oók in de wereld van de social media maakt het uit wíe je bent.

Ik heb het al 'ns beschreven. Ook - met name?! - in gesprekken via social media gebeurt het vaak dat mensen zich niet verwaardigen je te antwoorden. Dan mag je de BN'ers overslaan. Degenen met enorme aantallen relaties kun je als twijfelgeval zien, maar ook zij zijn wel degelijk poortwachter. Het gaat er om dat niet iedereen in een gesprek betrokken wordt. Daarvan kun je denken: 'maar als het er teveel zijn, dan is dat toch logisch?!'.

Oh? En wie bepaalt dan wie er wel en wie niet mee mág doen? Exact.

Daarenboven: stel een mening neemt serieuze vormen aan. Ook dan is er geen enkele garantie op effect. Daarvoor heb je ook nog eens de beslissers nodig.

Hoe je het wendt of keert; social media hebben geen effect op het groepsproces rond gesprekken. Wat ze wél deden, is nieuwe beïnvloeders een kans (platform) geven. Dat is de (bekende) beweging die zich laat herkennen; het ontstaan van groepen die zichzelf dezelfde status toekennen ('peers') en feitelijk daarmee anderen buiten sluiten. Omdat het 'ook maar gewoon ménsen zijn' gedraagt men zich ook zoals in de ademende wereld: het zoekplaatje Old Boys Network.

Het is eigenlijk allemaal basale kennis van sociale groepen en hun dynamiek. Maar de belangrijkste is wellicht wel dat de digitale wereld geen onmenselijke is. Dat degene die de computer bedient een mens is. En dat die in de basis niet ineens fundamenteel ánders is.

zaterdag 21 juni 2014

Een haast bijbelse plaag van zieken

Ik vulde de snoeppot op het stadhuis en haalde gebakjes voor de hele afdeling.


Dát was het moment dat ik dacht: "jij zit niet goed". Een burgemeester die ontslag nam omdat een integriteitsonderzoek serieuze aantijgingen bevatte, verdedigt zich niet met snoep dat ze uit eigen zak betaald. Dat is de categorie "Ik ben aardig, want ik hield eens de deur open voor een ander". Sterker, het is typerend gedrag voor managers met een persoonlijkheidsstoornis als narcisme, zeker als het past in een heel betoog dat 'dit alles mij overkomt en mij niets is te verwijten'.

Het is in alle gevallen een triest verhaal als iemand wordt 'ontmaskerd'. Voor de patiënt kan het nog een positieve wending teweeg brengen. Jammer genoeg is de weg daarnaartoe geplaveid met slachtoffers. Of er nu wel of niet sprake is van regeloverschrijdend gedrag, de wijze van opereren maakt slachtoffers.

Dát baart mij zorgen.

Ik heb ze gezien. De 'managers' waarvan ik nu denk dat zij stomweg ook in de categorie horen van psychisch gestoorden. Degenen die last kregen van een gevoel van onfeilbaar beoordelingsvermogen, degenen die absoluut niet met medewerkers konden omgaan, degenen die selectief informeerden; ze bestáán. En in veel te grote hoeveelheden.

Het is een open deur, maar wel een waarop nog heel vaak moet worden gewezen. We hebben een cultuur laten ontstaan waarin gedefinieerde leidinggevende capaciteiten netjes overeenkomen met psychopathische. Dat klinkt verschrikkelijk. Het hoeft het niet te zijn, want die psychopathische trekjes hébben ook voordelen.

Wat echter ontbreekt, is het organiseren van de tegenkracht. Daadkrachtige managers mogen niet bestaan zonder een tegenpool. Dát ontbreekt.

Het type manager - zowel binnen de overheid als het bedrijfsleven - dat de afgelopen dertig jaar populair was, is van het verkeerde slag. Het zijn de mensen die 'de lijnen uitstippelen en de beslissingen nemen', die menen dat leiden betekent 'snel besluiten nemen, goede of foute'.

Het heeft me een poos verbaasd als groot-industriëlen onverwacht verstandig bleken te zijn. Totdat ik me realiseerde dat dat vaak oudere mensen zijn, die hun sporen allang hebben verdiend. Maar vooral: die met een héél andere manier van opereren aan de slag zijn geweest. Of, als dat niet zo was, inmiddels ontdekten dat socialer opereren verstandiger was geweest.

Het is een beklemmende conclusie. Als-i - ook maar deels - waar is, dan is de huidige economische situatie grotendeels te wijten aan beleid van zichzelf overschattende mensen (confronterender: psychiatrisch patiënten). Aan hén hebben we veel te veel overgelaten en zíj hebben veel te veel opgeëist.

Alle signalen wijzen in die richting; zowel vanuit de politiek, de ambtenarij en het bedrijfsleven. Niemand neemt schuld op zich. Verantwoordelijkheid is een hol begrip, af te kopen met een nog hollere slappere verontschuldiging.

Het is angstwekkend dat de betrokkenen zelf ook écht niet zien wat gaande is. De schuld ligt altijd extern. De waarheid is plooibaar. De eigen situatie staat vooraan in de rij. Inleving in de gevolgen van handelen is er hoegenaamd niet (in woord soms wel, maar uiteindelijk heerst een anonimiteit als 'de economie').

En allemaal maken ze duizenden slachtoffers. Da's nog het ergste.