Mensen zijn eigenlijk arrogante wezens. In alles wat we denken en doen plaatsen we onszelf centraal. Het hele begrip 'de mens als sociaal wezen' dien je te begrijpen als 'de mens kan solitair niet overleven'.
Als jongetjes lazen wij westerns: Arendsoog, maar ook Karl May. Door hun ogen zag je dat Wilde Westen (en de Balkan in het geval van May). In de geschiedenislessen leerde je er later nog meer van. Van de Frontier, van de landclaims en de -onteigening, van de gruweldaden en de wetteloosheid.
Het lijkt zo bizar. Hoe kóm je erbij te denken dat, als jíj ergens bent en niemand ziet, dat dan tot jóuw eigendom kan worden verklaard? Dan kom je, als oorspronkelijk bewoner, zo iemand tegen en hoort dat die meent de nieuwe eigenaar te zijn. Alsof je je huis verlaat en bij thuiskomt iemand anders aantreft die zich de eigenaar acht.
Dat vanuit jezelf redeneren, doen we vaak; vaker dan we wellicht toegeven.
Het is ook enorm verleidelijk om te doen. De eerste kolonisten kwamen in enorme, lege gebieden. Hoezo je dus druk maken over ruimte? Er is ruimte zat voor iedereen! Vonden zij.
Een belangrijk aspect is de beschikbaarheid van oneindigheid. Da's dodelijk voor ons. Op het moment dat we geen grenzen duidelijk zien, worden we gemakzuchtig. Dat deden de kolonisten. Dat doen we met fossiele brandstoffen, het klimaat, de oceanen, genetische (gewas)manipulatie. Allemaal zaken waarvan we de reikwijdte niet (goed) bevatten en die we 'dus' nogal nonchalant benaderen.
Denk je dat dit vooral opgaat voor zaken die ons voorstellingsvermogen te boven gaan?
Dan kun je dichter bij huis ook wel voorbeelden vinden. Een mooie is parkeren in de stad. Zo lang er ruimte genoeg is, wordt er niet over nagedacht. Een nieuwe situatie ontstaat als de parkeerdruk toeneemt. Al snel zie je het gebeuren: de dubbelparkeerder, de stoepparkeerder, de uitwijkparkeerder. Allemaal gevolgen van een vergelijking die niet meer klopt: (parkeerplaatsen x A) = (auto's x B). Dat kun je in evenwicht brengen door A óf B aan te passen. De meestgehoorde is om A dan maar te verhogen. Dat mag best ten koste van groen of kinderspeelruimte gaan. Net als dat 'onontgonnen' land: je kunt doorgaan met ontginnen, totdat je op de grens stuit. Als overal auto's staan, is er geen andere weg dan naar B te gaan kijken.
Jammer genoeg is er dan waarschijnlijk bar weinig groen overgebleven.
vrijdag 7 februari 2014
donderdag 6 februari 2014
De creatieve klasse als construct
Laat ik eens opschrijven wat ik zag gebeuren; zonder ingewikkeldheden en ruimte voor gevoeligheden. Da's een ideaal recept voor "Kop eraf!" en Onheuse Bejegening. Soms is een onbevangen blik ontnuchterend-verhelderend. Daarop hoop ik dan maar.
http://www.youtube.com/watch?v=Eobuu-IexvI
De creatieve sector. De creatieve industrie. Creatief is de norm. Steden pompen miljoenen in beleid, voorzieningen en PR die hen tot creatieve stad moeten maken. De vraag is of ze dan hebben begrépen wat de heer Florida nu eigenlijk bedoelde of deed met zijn creative class.
Niks doen, is geen optie. De vraag is wel wat je wél kunt en zou moeten doen. Discussie, dus. Ook in Leiden.
In het wikipedia-lemma staan twee citaten die ik treffend vind (en mee eens ben). Treffend omdat precies dat is wat ik waarnam.
In het concept zoals Florida dat neerzet, is de creatieve klasse niets meer of minder dan die groep mensen die economische groei kan bewerkstelligen. Da's hun bestaansreden: economische groei. Terzijde, kritiek op Florida geldt daarnaast vooral ook zijn voorliefde voor meritocratie en opleiding.
Maar goed. Leiden.
Daar kwam de groep er eigenlijk niet uit. Precies in het verlengde van Markusens kritiek bleek de groep niet goed tot overeenstemming te kunnen komen wat het probleem nu eigenlijk is. Zonder probleem wordt het moeilijk om 'iets voor de creatieve sector' te doen.
Een cynicus ziet in de discussie vooral een belangenstrijd; niet direct en open, maar wel degelijk een belangenstrijd. Die belangen zijn heel banaal te omschrijven als: het moet mij werk opleveren. Het zijn geen altruïstische vrijwilligers, maar vrijwilligers die een biotoop proberen te creëren waarin zíj gedijen. Dat heb ik vaker meegemaakt. In de zorg zijn een aantal initiatieven geweest 'in het algemeen belang'. Die vielen om toen de belangen manifest(er) werden en partijen feitelijk weinig anders voor ogen hadden dan welbegrepen eigenbelang.
Aha! In Leiden barst het dus van de huichelaars?! Nou, nee. Zeker niet. Men is welzeker oprecht. Daarvan ben ik overtuigd. Is men realistisch? Da's wel aan de orde.
Het krachtige aan Florida's benadering is de benadrukking van cultuuraspecten. Het zwakke is vooral het gebruik daarna van dat inzicht; alsof je cultuur kunt afdwingen. In Leiden zie je dat terug in oplossingen als een cultuurmanager, een cultuurstichting, een subsidiefonds. Allemaal structuuroplossingen. Prima, áls er een structuurprobleem is.
Leiden heeft een heel klein aantal 'creatieve enclaves'. Stuk voor stuk zijn dat panden die alleen met de hulp van institutionele investeerders en de overheid die status verwierven. Interessant is dat het uitmaakt wie je spreekt voor het antwoord op de vraag of daar ook een meerwaarde is te vinden in de vorm van kruisbestuiving. Eén ding concludeer ik wel: die kruisbestuiving is aanwezig, maar niet spectaculair.
Da's wat ik miste: realiteit.
Vooralsnog wint mijn cynische inborst het van zijn tweelingbroertje Vertrouwen. Ook die huist in mij. Maar zolang ik het idee heb dat het vooral wensdenken en communicatiestrategie is wat ik zie, hoor en lees... ben ik nog niet overtuigd van die creatieve klasse en zijn kracht, in Leiden.
http://www.youtube.com/watch?v=Eobuu-IexvI
De creatieve sector. De creatieve industrie. Creatief is de norm. Steden pompen miljoenen in beleid, voorzieningen en PR die hen tot creatieve stad moeten maken. De vraag is of ze dan hebben begrépen wat de heer Florida nu eigenlijk bedoelde of deed met zijn creative class.
Niks doen, is geen optie. De vraag is wel wat je wél kunt en zou moeten doen. Discussie, dus. Ook in Leiden.
In het wikipedia-lemma staan twee citaten die ik treffend vind (en mee eens ben). Treffend omdat precies dat is wat ik waarnam.
Florida’s message was so quickly and enthusiastically adopted by cities because he argued that any city had the potential to become a vibrant, creative city with the right infrastructure investments, policies, and consulting advice.
In "Urban Development and the Politics of the Creative Class", Ann Markusen argues that workers qualified as being in the Creative Class have no concept of group identity, nor are they in occupations that are inherently creative.
In het concept zoals Florida dat neerzet, is de creatieve klasse niets meer of minder dan die groep mensen die economische groei kan bewerkstelligen. Da's hun bestaansreden: economische groei. Terzijde, kritiek op Florida geldt daarnaast vooral ook zijn voorliefde voor meritocratie en opleiding.
Maar goed. Leiden.
Daar kwam de groep er eigenlijk niet uit. Precies in het verlengde van Markusens kritiek bleek de groep niet goed tot overeenstemming te kunnen komen wat het probleem nu eigenlijk is. Zonder probleem wordt het moeilijk om 'iets voor de creatieve sector' te doen.
Een cynicus ziet in de discussie vooral een belangenstrijd; niet direct en open, maar wel degelijk een belangenstrijd. Die belangen zijn heel banaal te omschrijven als: het moet mij werk opleveren. Het zijn geen altruïstische vrijwilligers, maar vrijwilligers die een biotoop proberen te creëren waarin zíj gedijen. Dat heb ik vaker meegemaakt. In de zorg zijn een aantal initiatieven geweest 'in het algemeen belang'. Die vielen om toen de belangen manifest(er) werden en partijen feitelijk weinig anders voor ogen hadden dan welbegrepen eigenbelang.
Aha! In Leiden barst het dus van de huichelaars?! Nou, nee. Zeker niet. Men is welzeker oprecht. Daarvan ben ik overtuigd. Is men realistisch? Da's wel aan de orde.
Het krachtige aan Florida's benadering is de benadrukking van cultuuraspecten. Het zwakke is vooral het gebruik daarna van dat inzicht; alsof je cultuur kunt afdwingen. In Leiden zie je dat terug in oplossingen als een cultuurmanager, een cultuurstichting, een subsidiefonds. Allemaal structuuroplossingen. Prima, áls er een structuurprobleem is.
Leiden heeft een heel klein aantal 'creatieve enclaves'. Stuk voor stuk zijn dat panden die alleen met de hulp van institutionele investeerders en de overheid die status verwierven. Interessant is dat het uitmaakt wie je spreekt voor het antwoord op de vraag of daar ook een meerwaarde is te vinden in de vorm van kruisbestuiving. Eén ding concludeer ik wel: die kruisbestuiving is aanwezig, maar niet spectaculair.
Da's wat ik miste: realiteit.
Vooralsnog wint mijn cynische inborst het van zijn tweelingbroertje Vertrouwen. Ook die huist in mij. Maar zolang ik het idee heb dat het vooral wensdenken en communicatiestrategie is wat ik zie, hoor en lees... ben ik nog niet overtuigd van die creatieve klasse en zijn kracht, in Leiden.
woensdag 5 februari 2014
Da's míjn kijkwerk!
In de jaren negentig van de vorige eeuw ontstond de grafische schil van het internet: het WorldWideWeb. In die jaren werkte ik bij een landelijke welzijnskoepel. Nou ja, 'een'?! Eerder dé. Mijn werk was (toen al) innovatie-strateeg. Da's zo'n beetje beweren dat je weet wat de toekomst gaat brengen. Mijn grote voordeel was dat ik ben opgeleid als socioloog en niet veel geloof van toekomstvoorspellingen. Maar wel van begrip van mensen en hun gedrag.
Eén van de dingen waarin ik me vergiste, is ons leervermogen. Nota's en beleidsstukken waarin zinnen staan als dat 'we bouwen op de schouders van onze voorgangers'? Geloof ze niet. Het enige wat een beetje klopt, is 'voortschrijdend inzicht'. Jij leert vooral van je eigen fouten. Ook een organisatie, die uit talloos veel jij-en bestaat, leert zo.
Zo meende ik dat we vrij snel konden doorontwikkelen naar tweede generatie websites (echt, zo sprak men erover) en de fouten uit de eerste generatie konden overslaan. Nou, mooi niet. Dat is een ongelooflijke waarnemingsfout. Alsof het maken van websites niet vooral een paradigmawisseling is waarbij het maken van die 'fouten' haast noodzakelijk is om te snappen wat je doet. Om een website en interactiviteit te snappen, moest je eerst de bedrijfsinformatie online zetten.

In al die jaren daarna heb ik dat 'leren van je eigen fouten, maar niet van andermans fouten' terug zien komen. Mensen zijn hardleers, is de voor de hand liggende conclusie. Eerlijk gezegd, denk ik dat de conclusie eerder moet zijn dat paradigmawisselingen niet anders kunnen plaatsvinden dan door ervaring. Waarom zou je een ander geloven? Hoe vaak denk je dat innovatie-strategen zeggen of denken "weet je wat: wacht maar tot je er zelf tegenaan loopt"?
Ach, zo vreemd is het ook niet. Zo'n paradigmawisseling is als een zwart gordijn waarachter iets onbekends schuilgaat. Je zult die stap altijd zélf moeten zetten.
In de afgelopen weken kwam er weer een bedrijfstak langs die die fase in gaat: de uitgevers. Tot hun schrik is 80% van de boektitels op e-readers niet betaald. Potjandorie! Jatwerk! Die arme auteurs wordt het brood uit de mond gestoten. Maar niemand van hen die publiekelijk erkent dat ze eigenlijk een kopietraject doorlopen wat met name muziekuitgeverijen al pijnlijk doorliepen. Daarvan leren, lukt niet. De pijnlijke les komt er aan. En nu weten ze ook al hoe die er uit gaat zien!
Paradigmawisselingen zijn heel ingrijpend.
Deze kwam vandaag voorbij. Daphne is professioneel fotograaf. Beelden vastleggen is voor haar inkomen. En toch zit er iets bijzonders in de onderste van onderstaande tweets.

Daphne was blijkbaar op een bijeenkomst geweest waar Google's Glass werd getoond. Daarvan deed Adformatie verslag. En zíj gebruikten Glass-registraties van Daphne.
In die situatie zie ik (dus) weer zo'n paradigmawisseling.
De fotograaf die kijkt, kiest, ontwikkelt, afdrukt en bewerkt, kreeg voor dat creatieve proces een vergoeding als iemand anders dat beeld wilde gebruiken. Een gemiddeld fotograaf ontwikkelt, stopt en fixeert niet meer. Retoucheren heet fotoshoppen tegenwoordig (en is absoluut eenvoudiger én ingrijpender). Glass doet daarin weer een stap verder. Je kijkt en zegt "Take picture".
Da's interessant. Het vakmanschap van de fotograaf van ooit is dan vervangen door het kijken. Nu is dat ook een wezenskenmerk van een fotograaf, maar ook van een mens. We kijken allemaal. Kun je daarop dan een recht doen gelden?
"Ik zag dit en dus is dat beeld van mij" ?
"Ik zag dit het eerst en dus is het beeld van mij" ?
"Ik zag dit, stuurde het naar het Collectief Geheugen, maar het blíjft van mij" ?
Eén van de dingen waarin ik me vergiste, is ons leervermogen. Nota's en beleidsstukken waarin zinnen staan als dat 'we bouwen op de schouders van onze voorgangers'? Geloof ze niet. Het enige wat een beetje klopt, is 'voortschrijdend inzicht'. Jij leert vooral van je eigen fouten. Ook een organisatie, die uit talloos veel jij-en bestaat, leert zo.
Zo meende ik dat we vrij snel konden doorontwikkelen naar tweede generatie websites (echt, zo sprak men erover) en de fouten uit de eerste generatie konden overslaan. Nou, mooi niet. Dat is een ongelooflijke waarnemingsfout. Alsof het maken van websites niet vooral een paradigmawisseling is waarbij het maken van die 'fouten' haast noodzakelijk is om te snappen wat je doet. Om een website en interactiviteit te snappen, moest je eerst de bedrijfsinformatie online zetten.
In al die jaren daarna heb ik dat 'leren van je eigen fouten, maar niet van andermans fouten' terug zien komen. Mensen zijn hardleers, is de voor de hand liggende conclusie. Eerlijk gezegd, denk ik dat de conclusie eerder moet zijn dat paradigmawisselingen niet anders kunnen plaatsvinden dan door ervaring. Waarom zou je een ander geloven? Hoe vaak denk je dat innovatie-strategen zeggen of denken "weet je wat: wacht maar tot je er zelf tegenaan loopt"?
Ach, zo vreemd is het ook niet. Zo'n paradigmawisseling is als een zwart gordijn waarachter iets onbekends schuilgaat. Je zult die stap altijd zélf moeten zetten.
In de afgelopen weken kwam er weer een bedrijfstak langs die die fase in gaat: de uitgevers. Tot hun schrik is 80% van de boektitels op e-readers niet betaald. Potjandorie! Jatwerk! Die arme auteurs wordt het brood uit de mond gestoten. Maar niemand van hen die publiekelijk erkent dat ze eigenlijk een kopietraject doorlopen wat met name muziekuitgeverijen al pijnlijk doorliepen. Daarvan leren, lukt niet. De pijnlijke les komt er aan. En nu weten ze ook al hoe die er uit gaat zien!
Paradigmawisselingen zijn heel ingrijpend.
Deze kwam vandaag voorbij. Daphne is professioneel fotograaf. Beelden vastleggen is voor haar inkomen. En toch zit er iets bijzonders in de onderste van onderstaande tweets.
Daphne was blijkbaar op een bijeenkomst geweest waar Google's Glass werd getoond. Daarvan deed Adformatie verslag. En zíj gebruikten Glass-registraties van Daphne.
In die situatie zie ik (dus) weer zo'n paradigmawisseling.
De fotograaf die kijkt, kiest, ontwikkelt, afdrukt en bewerkt, kreeg voor dat creatieve proces een vergoeding als iemand anders dat beeld wilde gebruiken. Een gemiddeld fotograaf ontwikkelt, stopt en fixeert niet meer. Retoucheren heet fotoshoppen tegenwoordig (en is absoluut eenvoudiger én ingrijpender). Glass doet daarin weer een stap verder. Je kijkt en zegt "Take picture".
Da's interessant. Het vakmanschap van de fotograaf van ooit is dan vervangen door het kijken. Nu is dat ook een wezenskenmerk van een fotograaf, maar ook van een mens. We kijken allemaal. Kun je daarop dan een recht doen gelden?
"Ik zag dit en dus is dat beeld van mij" ?
"Ik zag dit het eerst en dus is het beeld van mij" ?
"Ik zag dit, stuurde het naar het Collectief Geheugen, maar het blíjft van mij" ?
Labels:
auteur,
eigendom,
leereffect,
paradigma,
wisseling
dinsdag 4 februari 2014
Wiet
Tegenwoordig heeft iedere zichzelf respecterende gemeente er wel één of meerdere: wietverkooppunten, hashcafé's of coffeeshops. Leiden ook.
Er is er bijvoorbeeld eentje te vinden aan het eind van de Haarlemmerstraat - 'één kilometer winkelplezier', voor 't geval je aan de verkeerde kant begint met zoeken - vlakbij de Haven. Da's een gebied wat een enorm duister imago had: onduidelijke café's, drugs en verval. Vandaag de dag kun je je dat haast niet meer voorstellen. Zeker zomers niet; dan zijn er terrassen aan het water en vind je in het jachthaventje ook de grote plezierjachten die niet verder de stad in kunnen.
Achtereenvolgende colleges van B&W werkten aan het uit een diep dal, ontstaan door het verdwijnen van maakindustrie, laten klimmen van de stad. Alsof de tandarts aan de slag moest met een verrot gebit vol zwarte tanden en open gaten. Dat betekent ingrijpen en ordenen. Precies dát deed Leiden ook.
En dus een wietdistribútiepunt.
De schimmige handel is - daar - verdwenen. In de plaats kwam er zo'n doelmatig systeem met lokettenverkoop. En openingstijden.
Ik kom er vaak vlak voor 17.00 uur langs fietsen. Dan staat er een man of vijftien te wachten. Niks geen enkel probleem: ze staan in een soort van rij. Hoe het 's avonds en 's nachts is, weet ik niet. Maar aan het eind van de dag lijkt het meer op de dagelijkse opening van een supermarkt, 's ochtends.
Soft drugs en bier lijken wel wat op elkaar. Niet qua samenstelling of effect, maar wel qua consumptie. Bier is bijna overal te koop en heeft een bedwelmend effect. Soft drugs ook, zij het dat je die níet in de supermarkt kunt kopen. Daarvoor hebben we een eigen circuit.
Zowel bierdrinkers als hashpaffers zijn erg goed in met stelligheid beweren dat zíj niet verslaafd zijn en dat ook niet gaan wórden. Als je echter in de rij gaat staan voor wiet, heb je toch een dringende behoefte waarvan de bevrediging niet uitgesteld kan worden. Dat geeft toch best wel te denken. Net als bierdrinkers die precies weten hoeveel ze drinken (of hoeveel dagen ze al níet dronken).
Het vreemde is dat de bierdrinker veel eenvoudiger kan promoveren naar hoger alcoholische dranken. Ook die zijn makkelijk voorhanden. Hard drugs niet, daarvoor moet je de illegaliteit in.
Het belangrijkste verschil tussen beide verslavingsdomeinen is eigenlijk de (il)legaliteit van de productie en handel.
Het - voor de bühne - keihard verbieden en proberen aan te pakken van een ontstane gewoonte is een heilloze weg. De Drooglegging in de VS tonen dat wel aan. Of je voor of tegen de schadelijke effecten van alcohol of drugs bent, maakt niet uit: ze zíjn er. De belangrijkste vraag is hoe dat maatschappelijk acceptabel te kanaliseren.
Alhoewel het maar de vraag is of je dan moet streven naar een situatie als met multinationale brouwerijen en destilleerderijen. Natuurlijk heeft de politie gelijk met de conclusie dat de illegale status van kweek en (groot)handel ook leidt tot andere, met dat drugsgeld gefinancierde, activiteiten, veelal ook duister van karakter.
Maar waar zit nu precies het verschil tussen die miljonair-criminelen en de CEO's van drankfabrikanten? Beide maken bewust verslavende genotsmiddelen; de een illegaal en de ander legaal.
Er is er bijvoorbeeld eentje te vinden aan het eind van de Haarlemmerstraat - 'één kilometer winkelplezier', voor 't geval je aan de verkeerde kant begint met zoeken - vlakbij de Haven. Da's een gebied wat een enorm duister imago had: onduidelijke café's, drugs en verval. Vandaag de dag kun je je dat haast niet meer voorstellen. Zeker zomers niet; dan zijn er terrassen aan het water en vind je in het jachthaventje ook de grote plezierjachten die niet verder de stad in kunnen.
Achtereenvolgende colleges van B&W werkten aan het uit een diep dal, ontstaan door het verdwijnen van maakindustrie, laten klimmen van de stad. Alsof de tandarts aan de slag moest met een verrot gebit vol zwarte tanden en open gaten. Dat betekent ingrijpen en ordenen. Precies dát deed Leiden ook.
En dus een wietdistribútiepunt.
De schimmige handel is - daar - verdwenen. In de plaats kwam er zo'n doelmatig systeem met lokettenverkoop. En openingstijden.
Ik kom er vaak vlak voor 17.00 uur langs fietsen. Dan staat er een man of vijftien te wachten. Niks geen enkel probleem: ze staan in een soort van rij. Hoe het 's avonds en 's nachts is, weet ik niet. Maar aan het eind van de dag lijkt het meer op de dagelijkse opening van een supermarkt, 's ochtends.
Soft drugs en bier lijken wel wat op elkaar. Niet qua samenstelling of effect, maar wel qua consumptie. Bier is bijna overal te koop en heeft een bedwelmend effect. Soft drugs ook, zij het dat je die níet in de supermarkt kunt kopen. Daarvoor hebben we een eigen circuit.
Zowel bierdrinkers als hashpaffers zijn erg goed in met stelligheid beweren dat zíj niet verslaafd zijn en dat ook niet gaan wórden. Als je echter in de rij gaat staan voor wiet, heb je toch een dringende behoefte waarvan de bevrediging niet uitgesteld kan worden. Dat geeft toch best wel te denken. Net als bierdrinkers die precies weten hoeveel ze drinken (of hoeveel dagen ze al níet dronken).
Het vreemde is dat de bierdrinker veel eenvoudiger kan promoveren naar hoger alcoholische dranken. Ook die zijn makkelijk voorhanden. Hard drugs niet, daarvoor moet je de illegaliteit in.
Het belangrijkste verschil tussen beide verslavingsdomeinen is eigenlijk de (il)legaliteit van de productie en handel.
Het - voor de bühne - keihard verbieden en proberen aan te pakken van een ontstane gewoonte is een heilloze weg. De Drooglegging in de VS tonen dat wel aan. Of je voor of tegen de schadelijke effecten van alcohol of drugs bent, maakt niet uit: ze zíjn er. De belangrijkste vraag is hoe dat maatschappelijk acceptabel te kanaliseren.
Alhoewel het maar de vraag is of je dan moet streven naar een situatie als met multinationale brouwerijen en destilleerderijen. Natuurlijk heeft de politie gelijk met de conclusie dat de illegale status van kweek en (groot)handel ook leidt tot andere, met dat drugsgeld gefinancierde, activiteiten, veelal ook duister van karakter.
Maar waar zit nu precies het verschil tussen die miljonair-criminelen en de CEO's van drankfabrikanten? Beide maken bewust verslavende genotsmiddelen; de een illegaal en de ander legaal.
maandag 3 februari 2014
Over katten, honden en bazen
Gisteren ben ik ontploft. Overdrachtelijk.
Ons huis heeft een voor- en een achtertuin. Dat ding aan de voorkant mag de naam 'tuin' eigenlijk niet eens voeren. Het beslaat zo'n twee bij vijf meter. We hebben er wat planten in staan omdat we niet zo van de stenenwoestenijen zijn.
We hebben in dat voortuintje ook een bank staan. Die is ietwat vermolmd-pittoresk. Niet dat dat een probleem is. Op dat bankje zitten is niet eens mogelijk omdat een 'enorm stekelige plant met mooie gele bloemen' nu zó groot is geworden dat het bankje er al bijna ónder staat.
Onze achtertuin ligt pal noord en dus de voortuin... pal zuid. In de zomer kan het er verschroeiend heet zijn. In voor- en najaar - en zelfs deze wínterdag - is het echter een ideale temperatuur daar. Voor katten.
De beste plek, begrijp ik, is ingeklemd liggen tussen de bankleuning en het keukenraam waar i voor staat. Maar dat is een voorbehouden recht van onze eigen (buiten)kat. Gasten, mits gedoogd door hem, mogen wel op de bankzítting van de zon genieten. En dus ligt er geregeld wel een of andere kat daar te soezen.
Dat klinkt allemaal heel idyllisch. Dat kan het soms ook zijn. Het kan ook dolkomisch zijn als een jonge vriend zich vergist en door het keukenraam naar binnen klautert, alwaar een oude (dementerende?) binnenkat hem stomverbaasd aanstaart. Waar háál je de euvele moed vandaan?
Niet alle katten zijn vriendjes en vriendinnetjes. Geregeld is het knokken. Althans, in drie van de vier gevallen maken ze enorm veel misbaar om de ander te verjagen. Die denkt dat ook zo te moeten doen en dus zitten de klungels minutenlang tegenover elkaar te imponeren.
En dan zijn er de honden.
Die moeten in Leiden zijn aangelijnd, tenzij op daartoe aangewezen plaatsen. De meeste eigenaren houden zich daaraan. Een enkeling niet. Zo iemand woont aan de overkant.
Zijn hond heeft het idee dat katten er zijn om achtervolgt te worden. Da's een onverstandig idee. Als een kat al in het nauw kan worden gedreven door hem, dan is het gevaar alleen maar groter geworden. Die kat zal uithalen, naar de neus en de ogen. Veilig is anders. Zo'n hond aan de lijn is toch echt veiliger voor 'm.
Die hond is dom. De katten zijn slim. Dat stralen ze ook uit als ze in de voortuin zitten. 'Dit is privé terrein. Lekker op het stoepje blijven, Fikkie. Mij krijg je niet.'. De stommerd trekt zich daar niets van aan en staat dan tussen de planten op een krappe meter van de kat zijn longen uit het lijf te imponeren.
Gisteravond was ik dat zat.
De baas van die hond laat z'n hond lekker los lopen. Dat mag niet, maar als je je hond echt onder controle hebt lijkt mij dat geen probleem. Dat is 't 'm. Baas loopt shaggie lurkend door en laat de hond de hond. Als-t-i merkt dat wij zien dat zijn Fikkie midden in 't tuintje staat, stapt ook hij plompverloren op zaaigoed en jonge plantjes om zijn hond terug te slepen. Geen woord of gebaar van "Sorry..". Niks.
Dit is dus zo'n situatie die heel frustrerend kan uitpakken als je niets kunt doen. Hoe klein ook: het is ónze voortuin en wíj accepteren die katten daar. Het kan toch niet zo zijn dat dat allemaal niets voorstelt?
Vandaag ben ik dus naar het politiebureau geweest voor advies. "En niet: wees de wijste. Als oudste in het gezin heb ik dat al te lang, te vaak moeten doen." Dat was het advies ook niet. Men wilde weten hoe die man heet en waar hij woont. Dan kan-i worden aangesproken op z'n gedrag, en dat van z'n hond.
Ons huis heeft een voor- en een achtertuin. Dat ding aan de voorkant mag de naam 'tuin' eigenlijk niet eens voeren. Het beslaat zo'n twee bij vijf meter. We hebben er wat planten in staan omdat we niet zo van de stenenwoestenijen zijn.
We hebben in dat voortuintje ook een bank staan. Die is ietwat vermolmd-pittoresk. Niet dat dat een probleem is. Op dat bankje zitten is niet eens mogelijk omdat een 'enorm stekelige plant met mooie gele bloemen' nu zó groot is geworden dat het bankje er al bijna ónder staat.
Onze achtertuin ligt pal noord en dus de voortuin... pal zuid. In de zomer kan het er verschroeiend heet zijn. In voor- en najaar - en zelfs deze wínterdag - is het echter een ideale temperatuur daar. Voor katten.
De beste plek, begrijp ik, is ingeklemd liggen tussen de bankleuning en het keukenraam waar i voor staat. Maar dat is een voorbehouden recht van onze eigen (buiten)kat. Gasten, mits gedoogd door hem, mogen wel op de bankzítting van de zon genieten. En dus ligt er geregeld wel een of andere kat daar te soezen.
Dat klinkt allemaal heel idyllisch. Dat kan het soms ook zijn. Het kan ook dolkomisch zijn als een jonge vriend zich vergist en door het keukenraam naar binnen klautert, alwaar een oude (dementerende?) binnenkat hem stomverbaasd aanstaart. Waar háál je de euvele moed vandaan?
Niet alle katten zijn vriendjes en vriendinnetjes. Geregeld is het knokken. Althans, in drie van de vier gevallen maken ze enorm veel misbaar om de ander te verjagen. Die denkt dat ook zo te moeten doen en dus zitten de klungels minutenlang tegenover elkaar te imponeren.
En dan zijn er de honden.
Die moeten in Leiden zijn aangelijnd, tenzij op daartoe aangewezen plaatsen. De meeste eigenaren houden zich daaraan. Een enkeling niet. Zo iemand woont aan de overkant.
Zijn hond heeft het idee dat katten er zijn om achtervolgt te worden. Da's een onverstandig idee. Als een kat al in het nauw kan worden gedreven door hem, dan is het gevaar alleen maar groter geworden. Die kat zal uithalen, naar de neus en de ogen. Veilig is anders. Zo'n hond aan de lijn is toch echt veiliger voor 'm.
Die hond is dom. De katten zijn slim. Dat stralen ze ook uit als ze in de voortuin zitten. 'Dit is privé terrein. Lekker op het stoepje blijven, Fikkie. Mij krijg je niet.'. De stommerd trekt zich daar niets van aan en staat dan tussen de planten op een krappe meter van de kat zijn longen uit het lijf te imponeren.
Gisteravond was ik dat zat.
De baas van die hond laat z'n hond lekker los lopen. Dat mag niet, maar als je je hond echt onder controle hebt lijkt mij dat geen probleem. Dat is 't 'm. Baas loopt shaggie lurkend door en laat de hond de hond. Als-t-i merkt dat wij zien dat zijn Fikkie midden in 't tuintje staat, stapt ook hij plompverloren op zaaigoed en jonge plantjes om zijn hond terug te slepen. Geen woord of gebaar van "Sorry..". Niks.
Dit is dus zo'n situatie die heel frustrerend kan uitpakken als je niets kunt doen. Hoe klein ook: het is ónze voortuin en wíj accepteren die katten daar. Het kan toch niet zo zijn dat dat allemaal niets voorstelt?
Vandaag ben ik dus naar het politiebureau geweest voor advies. "En niet: wees de wijste. Als oudste in het gezin heb ik dat al te lang, te vaak moeten doen." Dat was het advies ook niet. Men wilde weten hoe die man heet en waar hij woont. Dan kan-i worden aangesproken op z'n gedrag, en dat van z'n hond.
zondag 2 februari 2014
Ik was 'm vergeten
Door te communiceren, onthouden we. Een dooddoener van het zuiverste water zullen sommigen denken. Toch is dít de basis van wat we ons collectief geheugen noemen. Niet het internet - da's ons collectief archíef - maar het benóemen maakt een geheugen collectief, gedeeld.
Ik was drie toen-i het schreef. Jammer genoeg kan ik dat niet als excuus aanvoeren. De man werd toonaangevend socioloog. Samen met Peter Wilmott schreef hij een studie die me altijd is bijgebleven (als studie van Wilmott, verdorie). Kwalitatief, descriptief onderzoek heeft me altijd meer geboeid dan kwantitatief. Sociale geschiedenis vind ik nog steeds prachtig om te lezen. En zij schreven een baanbrekend, beeldend boek over een heel hechte Londense wijk, Bethnal Green; in 1957 Family and Kinship in East London. De herinnering kwam toen ik zijn naam opzocht in Wikipedia: Michael Young, baron van Dartington.
Ik was 'm kwijt. Het boek niet. Wilmott een beetje (namen, hè). Maar Young zeker. Totdat hij in de krant werd genoemd met een heel ander werk: The Rise of the Meritocracy: 1870-2033: An Essay on Education and Equality
.
Niet zijn kritiek op het Britse onderwijssysteem is het interessantst - het drie-wegenmodel is afgeschaft. Het interessantst is zijn verwachting dat bestuur op basis van intelligentie en 'verdienste' uiteindelijk leidt tot onderdrukking (en zelfs opstand).
Het is het overdenken waard. Over dit meritocratisch denken is een heel debat ontstaan. De grootste kritiek op Youngs dystopie is dat er juist géén centraal geleide economie is ontstaan, maar dat landsgrenzen zijn weggevallen en de economie open.
Maar wat als nu de natiestaten (inderdaad) niet meer belangrijk zijn? Als de grote ondernemingen de nieuwe staten zijn? Als we hen laten bepalen wat wel en wat niet 'goed voor ons' is? Wat als het zo is dat Young wél gelijk heeft met de gevolgen van meritocratie, maar fout zat met de belangrijkste spelers?
Waartoe leiden meningen als 'we moeten studiekeuzes afstemmen op de vraag'? Of 'natuurlijk moeten we aan de poort (van het onderwijs) selecteren!'?
Ik was drie toen-i het schreef. Jammer genoeg kan ik dat niet als excuus aanvoeren. De man werd toonaangevend socioloog. Samen met Peter Wilmott schreef hij een studie die me altijd is bijgebleven (als studie van Wilmott, verdorie). Kwalitatief, descriptief onderzoek heeft me altijd meer geboeid dan kwantitatief. Sociale geschiedenis vind ik nog steeds prachtig om te lezen. En zij schreven een baanbrekend, beeldend boek over een heel hechte Londense wijk, Bethnal Green; in 1957 Family and Kinship in East London. De herinnering kwam toen ik zijn naam opzocht in Wikipedia: Michael Young, baron van Dartington.
Ik was 'm kwijt. Het boek niet. Wilmott een beetje (namen, hè). Maar Young zeker. Totdat hij in de krant werd genoemd met een heel ander werk: The Rise of the Meritocracy: 1870-2033: An Essay on Education and Equality
.
(It) pictured the United Kingdom under the rule of a government favouring intelligence and aptitude (merit) above all else, being the combination of the root of Latin origin "merit" (from "mereō") and the Ancient Greek suffix "-cracy" (meaning "power", "rule"). In this book the term had distinctly negative connotations as Young questioned both the legitimacy of the selection process used to become a member of this elite and the outcomes of being ruled by such a narrowly defined group. The essay, written in the first-person by a fictional historical narrator in 2034, interweaves history from the politics of pre- and post-war Britain with those of fictional future events in the short (1960 onward) and long term (2020 onward).
Niet zijn kritiek op het Britse onderwijssysteem is het interessantst - het drie-wegenmodel is afgeschaft. Het interessantst is zijn verwachting dat bestuur op basis van intelligentie en 'verdienste' uiteindelijk leidt tot onderdrukking (en zelfs opstand).
Het is het overdenken waard. Over dit meritocratisch denken is een heel debat ontstaan. De grootste kritiek op Youngs dystopie is dat er juist géén centraal geleide economie is ontstaan, maar dat landsgrenzen zijn weggevallen en de economie open.
Maar wat als nu de natiestaten (inderdaad) niet meer belangrijk zijn? Als de grote ondernemingen de nieuwe staten zijn? Als we hen laten bepalen wat wel en wat niet 'goed voor ons' is? Wat als het zo is dat Young wél gelijk heeft met de gevolgen van meritocratie, maar fout zat met de belangrijkste spelers?
Waartoe leiden meningen als 'we moeten studiekeuzes afstemmen op de vraag'? Of 'natuurlijk moeten we aan de poort (van het onderwijs) selecteren!'?
zaterdag 1 februari 2014
Achteraf
Achteraf denk ik: "waarom is dat eigenlijk allemaal bewaard?".
Typisch zo'n vraag die heel vaak terugkomt als je moet opruimen. Móet. Als je verhuist bijvoorbeeld. Of het nu op kantoor is of privé; iedere keer weer sta je er van versteld wat je hebt bewaard... en nooit meer gebruikt of ingekeken.
Het antwoord op de vraag weet ik niet. Wel weet ik dat veel mensen vrij veel bewaren en dat er maar weinig mensen zijn die niets tot zeer weinig bewaren. Want ook de verkondigers van Het Lege Onpersoonlijke Kantoor als werkplek vergeten dat ze ook nog een thuis hebben. En of daar herinneringen worden bewaard.
Dat is mogelijk nog de beste verklaring voor dat bewaren. Er kleven herinneringen aan.
Op mijn werk ben ik indertijd een paar keer verhuisd. Al die keren gaan dan hele stapels papier door je handen. Verslagen, rapporten, notulen, nota's, berichten; allemaal herinneringen. De echt oninteressante zijn dan allang weggemikt. De 'sleutelstukken' bewaar je.
Als je tijdens zo'n verhuizing eenmaal op stoom bent met opruimen, dreig je al vrij snel veel te veel toeren te maken. Ik zie mezelf nog steeds in onze werkkamer staan en samen met een collega enorme hoeveelheden papier door de openstaande deur een grote blauwe papiercontainer in gooien. Om de seconde vloog er wel iets in die richting, totdat ons werd verboden het op die manier te doen. Passerende collega's dreigden de papieren tegen het hoofd te krijgen.
Da's dan nog je werkplek. De herinneringsfunctie is daar vooral verbonden met een rechtvaardigingsfunctie. Je wordt er zó moe van; al dat gedoe over tijdbesteding en opbrengst. Dan is het noodzákelijk je aan alle kanten in t dekken door 'een dossier te vormen'. Da's ambtenarentaal voor 'alles bewaren wat je als bewijs van je gelijk kunt gebruiken'. En, ja, dat ambtenaar in de vorige zin is symbolisch. Ook particuliere werkgevers, zeker die die in hun hart ambtenaar zijn, kunnen er wat van, hoor.
Al die mensen die menen dat een klinisch kantoor een goede zaak is, moeten vooral eens stilstaan bij dat belangrijke aspect van herinnering dat emotie heet. Wellicht zoeken zij klinische medewerkers. Of ze zich realiseren dat dat meestal ook de minst loyale zijn, is de vraag. Ik ken ze, hoor, de werkgevers die de minst betrouwbaren aanzien voor de beste medewerkers die ze in dienst hebben.
Het wegmikken van aandenkens heeft iets louterends. Weg is weg, is vergeten. Althans, weer ietsje moeilijker op te roepen. Vandaar dat het toch wel moeite kost om zaken die dicht bij je staan, weg te gooien. Op je werk als in een roes weggooien, gaat stukken makkelijker dan in je eigen huis.
Uiteindelijk gooien we toch weg. Altijd en overal. En nooit zonder slag of stoot. Of het nu het weggooien van de stad is of het weggooien van spullen; er kleven herinneringen aan, particuliere herinneringen. En die conflicteren heel vaak...
Typisch zo'n vraag die heel vaak terugkomt als je moet opruimen. Móet. Als je verhuist bijvoorbeeld. Of het nu op kantoor is of privé; iedere keer weer sta je er van versteld wat je hebt bewaard... en nooit meer gebruikt of ingekeken.
Het antwoord op de vraag weet ik niet. Wel weet ik dat veel mensen vrij veel bewaren en dat er maar weinig mensen zijn die niets tot zeer weinig bewaren. Want ook de verkondigers van Het Lege Onpersoonlijke Kantoor als werkplek vergeten dat ze ook nog een thuis hebben. En of daar herinneringen worden bewaard.
Dat is mogelijk nog de beste verklaring voor dat bewaren. Er kleven herinneringen aan.
Op mijn werk ben ik indertijd een paar keer verhuisd. Al die keren gaan dan hele stapels papier door je handen. Verslagen, rapporten, notulen, nota's, berichten; allemaal herinneringen. De echt oninteressante zijn dan allang weggemikt. De 'sleutelstukken' bewaar je.
Als je tijdens zo'n verhuizing eenmaal op stoom bent met opruimen, dreig je al vrij snel veel te veel toeren te maken. Ik zie mezelf nog steeds in onze werkkamer staan en samen met een collega enorme hoeveelheden papier door de openstaande deur een grote blauwe papiercontainer in gooien. Om de seconde vloog er wel iets in die richting, totdat ons werd verboden het op die manier te doen. Passerende collega's dreigden de papieren tegen het hoofd te krijgen.
Da's dan nog je werkplek. De herinneringsfunctie is daar vooral verbonden met een rechtvaardigingsfunctie. Je wordt er zó moe van; al dat gedoe over tijdbesteding en opbrengst. Dan is het noodzákelijk je aan alle kanten in t dekken door 'een dossier te vormen'. Da's ambtenarentaal voor 'alles bewaren wat je als bewijs van je gelijk kunt gebruiken'. En, ja, dat ambtenaar in de vorige zin is symbolisch. Ook particuliere werkgevers, zeker die die in hun hart ambtenaar zijn, kunnen er wat van, hoor.
Al die mensen die menen dat een klinisch kantoor een goede zaak is, moeten vooral eens stilstaan bij dat belangrijke aspect van herinnering dat emotie heet. Wellicht zoeken zij klinische medewerkers. Of ze zich realiseren dat dat meestal ook de minst loyale zijn, is de vraag. Ik ken ze, hoor, de werkgevers die de minst betrouwbaren aanzien voor de beste medewerkers die ze in dienst hebben.
Het wegmikken van aandenkens heeft iets louterends. Weg is weg, is vergeten. Althans, weer ietsje moeilijker op te roepen. Vandaar dat het toch wel moeite kost om zaken die dicht bij je staan, weg te gooien. Op je werk als in een roes weggooien, gaat stukken makkelijker dan in je eigen huis.
Uiteindelijk gooien we toch weg. Altijd en overal. En nooit zonder slag of stoot. Of het nu het weggooien van de stad is of het weggooien van spullen; er kleven herinneringen aan, particuliere herinneringen. En die conflicteren heel vaak...
Abonneren op:
Posts (Atom)