Posts tonen met het label egoïsme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label egoïsme. Alle posts tonen

maandag 6 oktober 2014

Waarin zwartepietverbieders sneue types zijn

Als kind was ik bang voor griezelige films. En omdat televisie nieuw was en me liet zíen wat ik daarvoor nog in m'n fantasie kon verzachten, was erg veel griezelig. Een typisch geval van nieuwe technologie-adaptie, denk ik nu. In elk geval heb ik heel wat keren achter de bank gezeten voor... tja, dát weet ik niet meer precies. Maar het kunnen best wel de Thunderbirds zijn geweest of het pratende paar Mr. Ed. Alhoewel die kans heel klein is; de verdrongen momenten zijn zo verdrongen dat ik geen idéé heb welke uitzendingen zo eng waren.

In die tijd lazen we veel, las ík veel. Tegenwoordig doe ik dat een stuk minder. Nee, stomweg veel te weinig. Het lukt me slecht om ín een boek, ín een verhaal te verdwijnen. Zo ver dat je je moeder niet hoorde roepen dat het eten klaar is. Oost-indisch doof (want je hoorde het wél). Daarvoor heb je dan wel een pakkend verhaal nodig. Een goed geschreven boek doet dat met je. Het zuigt je naar binnen.

Misschien is het wel daarom dat ik zo weinig heb met non-fictie als (auto)biografieën. Ze prikkelen niet. Wetenschappelijke werken kunnen dat soms wél, in tegenstelling tot wat je zou verwachten. Jammer genoeg is maar weinig wetenschappers gegeven meeslepend en overtuigend te schrijven. Al die controleerbare voetnoten: móe word je ervan. Ze halen het ritme uit het verhaal, het betoog. Maar ja, het schijnt te moeten. Wetenschappelijke mores. Wellicht zouden ze een keer een betoog moeten schrijven zónder notenapparaat en een tweede mét. Een soort Bijbel voor gewone mensen.

Voor die leeservaring ben ik misschien wel het dankbaarst van alle leer-ervaringen. Het blijkt helemaal niet zo vanzelfsprekend voor iedereen om in een boek te verdwijnen. Verhalen zonder beeld zijn zó belangrijk voor iets wat we als samenleving hard nodig hebben: voorstellingsvermogen (niet per sé 'fantasie'). Het leert je spelenderwijs 'out of the box' denken. Het leert je je te verplaatsen in een ander en in zijn bedoeling. Empathie. Het leert je beschouwer te zijn en niet noodzakelijkerwijs de hoofdpersoon. Maar het leert je ook feit van fictie te onderscheiden. Inmiddels duik ik niet meer weg achter de bank bij griezelige films (alhoewel ik horror een ongelooflijk stompzinnig filmgenre vind).

Sinterklaasuden2

Feit van fictie onderscheiden; ik vraag me af of er niet een zurigheid in Nederland is geslopen van mensen die dat niet kunnen en mensen dat alles letterlijk en precies moet worden genomen. Die problemen hebben met 'moorkoppen' en 'zwartepiet'. Natuurlijk is het waar dat cultuur via (ondermeer) taal wordt overgedragen. Dat weten we (sociologen in elk geval) al lang. Maar dat is helemaal de vraag niet. De vraag is hoe de causaliteit werkt. Als verhalen niet meer in een cultuur(periode) passen, verdwijnen ze! Verhalen op zich zijn onvoldoende basis om een sterke invloed te hebben. Lees jij Shakespeare - waar mannen vrouwenrollen spelen - of Bosboom Toussaint en Couperus - die een verdwenen Haagse samenleving beschrijven net zo geboeid als jouw hedendaagse populaire schrijver?! Verhalen horen in hun tijd.

Ik vind het trieste mensen, sneue types. Sneu omdat ze niet in staat zijn feit en fictie te scheiden, maar vooral omdat ze geen voorstellingsvermogen hebben. Omdat ze zich niet in een ander kunnen verplaatsen. Omdat ze denken dat hun kijk de enig echte is. Omdat ze niet beseffen dat er talloze werkelijkheden en waarheden bestaan. Omdat ze de bijl aan de wortel van onze ontwikkeling legden door gecensureerd te denken. Omdat ik ze bijna zou betichten van zuiver egoïstisch en anti-sociaal gedrag.

Maar de grap is dat ze feitelijk in een (eigen) illusie leven. Of zouden ze echt geloven dat verboden en regels echt altijd handhaafbaar zijn en dat verhalen daardoor verdwijnen? Of gaan ze als mondeling doorgegeven verhalen naar een nog hechtere verankering? Zoals sprookjes er ook nog steeds zijn. Terwijl geen volwassene er nog in gelooft.

dinsdag 23 september 2014

de a-sociaal

Jaren heb ik me ertegen verzet, de ergernis. Misschien is het het verkeerde woord. Het is eerder een mix.

Laat ik niet te precies zijn. In de buurt wonen mensen die er een in mijn ogen zeer vreemde gewoonte op na houden: hun auto moet récht voor de voordeur staan. Ik denk dat het een psychiatrische aandoening, omdat-i dwangmatig wordt uitgevoerd. Als de auto drie meter verderop staat, wordt-i verplaatst zo gauw 'hun plek voor de deur' beschikbaar is. Of hij wordt van de andere kant van de straat vier meter verplaatst naar die plek. Dwangmatig.

Het is een voor mij onbegrijpelijke gewoonte. Wat levert het op? Niets. Er is geen sprake van handicaps die meer dan vijf meter lopen verhinderen. Daarbij, dan vraag je en krijg je een invalidenparkeerplaats toegewezen. Maar daarvan is helemaal geen sprake. Misschien dat er sprake is van een overtuiging dat je beter toezicht kunt houden op je bezit als het voor de deur staat. Lijkt me ook niet houdbaar. Je auto wordt net zo makkelijk ongemeld beschadigd of gestolen als-t-i voor de deur staat of elders. Mogelijk dat een volkomen verlaten parkeerweiland inderdaad een slechter alternatief is. Maar de plaats doet er niet toe; de kwaadwillendheid van de ander wél. En die is echt niet plaatsafhankelijk.

Snappen doe ik het niet, anders dan dat het blijkbaar een ziekteverschijnsel is. Wellicht.

Steeds meer wíl ik dit soort gedrag ook niet meer snappen. Als je het vaak genoeg ziet gebeuren, realiseer je je ook wát er gebeurt. Er wordt een auto gestart om twee, drie meter te rijden. Dat is verdomme je reinste milieuvervuiling in de ergste vorm. Het lijkt wel klein en onbenullig. Maar het is feitelijk enorm a-sociaal.

Van alle kanten wordt geprobeerd ons te doordringen van het feit dat we toch echt anders moeten omgaan met (fossiele) brandstoffen en energie. Dat is lastig genoeg en een kwestie van hele lange adem. We zijn gewend aan het gemak, de luxe. En dus gaan we boodschappen doen en kinderen naar school brengen met de auto; wel honderd, tweehonderd meter ver weg. Want 'ja, ik doe heel veel boodschappen' en 'maar anders moet ik naar de school fietsen, weer terug en dan naar werk'. Hónderd meter! Voor mijn part een kilometer. Dan heb je het over minúten fietsen, klungels.

Zelf ben ik echt geen energiebewust mens. Eerder een gemiddelde luiaard op dit punt; als het me hapklaar wordt aangeboden, wil ik er vast iets mee doen. Maar zonne-energie wekken we nog steeds niet op - teveel gedoe en te duur. Chemische afval hebben we een half jaar verzameld, totdat bleek dat de ophaaldienst zó onhandig was opgezet dat in de vuilnisbak mikken veruit won (alleen met batterijen lukt het soms ze in te leveren). Ik ben bang dat dit beeld voor heel veel mensen herkenbaar is. Toch zijn er grenzen.

Wij fietsen alles. Ook de vele boodschappen. Dan gaan we maar veel vaker op de fiets met fietstassen inkopen doen. Het is in Leiden ook de veruit snelste manier om je te verplaatsen. De ervaring van jaren her leert dat het grote onzin is te beweren dat het niet kán omdat.... en dan volgt de lulsmoes.

Een belangrijke reden om de auto niet gebruiken, zijn mijn lessen natuurkunde. De motoren zijn beter. De lessen kloppen ongetwijfeld grosso modo nog steeds: een motor heeft tijd nodig om op bedrijfstemperatuur te komen en zal tot die tijd sub-optimaal omgaan met brandstof. Nóg meer vervuilen, in helder Nederlands.

Je moet wel in sprookjes geloven als je meent dat jouw auto binnen twee kilometer op bedrijfstemperatuur is. Maar goed, laten we die het voordeel van de twijfel geven. Maar je auto vóór de deur willen zetten en hem daarvoor een paar méter verplaatsen, is werkelijk een bewuste aanslag. De drogredenering die daarop volgt, komt meestal neer op iets als 'maar het is een korte periode dat-i draait'. Nee, mensen korte-afstandrijders, het gaat er om dat-i helemaal níet had hoeven draaien.

Voor mij ben je dan een a-sociaal.

dinsdag 29 april 2014

Waarin 'delen is goed' niet werkt

Verandering en vernieuwing zijn fascinerend. En vaak ook bijzonder complex. Zeker in deze tijden waarin allerlei types de kans krijgen, en nemen, prachtige theorieën en waarheden te debiteren.

Neem de gedachte dat 'delen (van kennis)' goed is.

Da's een aansprekende gedachte. Als niet iedereen bovenop zijn eigen gedachtespinsel blijft zitten, maar ze openbaar maakt, zal er méér met die gedachte worden gedaan. De mooiste beeldspraak over delen, is: als twee mensen een idee delen, hebben ze daarna allebei dat idee. Delen ze een product, dan heeft daarna nog steeds één van beide niets.

Wat mij betreft, is het een pracht idee. Bijna socialistisch.

Je kunt je voorstellen dat er dan een vrije stroom aan informatie, aan ideeën ontstaat (ook dat is een oud ideaal, van sommigen). Om zoiets tot stand te brengen heb je een netwerk nodig als drager. In principe is dat een netwerk van mensen verbonden door een netwerk van technologieën. Informatie die over zoiets als het internet zwerft zonder dat er ergens iets mee wordt gedaan, is zinloos... tenzij er een andere entiteit gebruik van maakt. Dat kan dat infame Internet of Things zijn. Of een singulariteit.

In dat concept van delen - en van netwerk-economie - zit een vreemde draai.

Delen, in welke vorm dan ook, is gebaseerd op onderling vertrouwen. Geven is prima; incidenteel. Permanent geven is dat niet. Dat staat bekend als parasiteren - free riders. Die situatie is eenzijdig in tegenstelling tot symbiose waarin inderdaad wederzijds winst wordt behaald uit de samenwerking, het netwerk.

De vreemde draai is dat die symbiotische toestand tot uitgangspunt lijkt te zijn gemaakt. Alsof delen in beginsel altijd positieve gevolgen heeft. Ik denk waar te nemen dat de parasiterende houding meer voorkomend is en de symbiotische is voorbehouden aan een select gezelschap.

In de afgelopen jaren heb ik vele malen zien gebeuren dat ideeën heel idealistisch werden besproken en gedeeld. En vaak, denk ik, in de periode daarna te hebben gezien hoe bepaalde partijen daaruit in hun ogen groeibriljantjes pikten. Zoals de wederkerigheid uit het Internet verdween, zo verdwijnt het vertrouwen in de effecten van delen ook.

De ellende is dat dat parasitaire gedrag is gekoppeld aan karakter (vandaar dat selecte gezelschap; van mensen die werkelijk altruïstisch zijn en niet wanna be's).

Het zijn deels de karakters die het prima vinden anderen de kooltjes uit het vuur te laten slepen om daarna zélf de verdere ontwikkeling ter hand te nemen als zijnde hún idee. Dat zijn dus niet uitsluitend de spreekwoordelijke sluwe ondernemers. Het zijn minstens net zo hard mensen die rondbazuinen hoe de nieuwe werkelijkheid er uit zal gaan zien en dat 'delen' en 'netwerken' daarin een grote rol spelen.

Persoonlijk ben ik er al een paar keer ideeën aan kwijtgeraakt. Werkgevers die netwerkcontacten verruïneerden, die délen van concepten dachten te kunnen gebruiken. Maar ook mensen die ík vertrouwde en die nu aan de slag zijn - in hun eigen netwerken - met plannen die erg lijken op eerder besproken. Of mensen die in hun oude gedrag vervallen en centrale posities claimen.

Hoe ik het wend of keer: blijkbaar is dat zichzelf bewijzen-gedrag veel sterker dan gehoopt (ook door mij) en is 'delen' synoniem geworden voor makkelijke grondstofwinning.

Wat dat betreft; dat heeft de weg geopend voor een digitale vorm van hyperkapitalisme waarin dat delen leidt tot profijt voor enkelen. Da's wel een cynische conclusie.

zondag 7 oktober 2012

De oplossing levert een probleem

Een probleem is pas een probleem als het als probleem wordt ervaren. Dat lijkt de afdeling Open Deuren. Maar toch...

Een probaat middel om kleine irritaties te laten uitgroeien tot problemen is schaarste creëren. En schaarste krijg je al snel als we maar met velen op één plek zijn. Dan wordt huisvesting - en scheefwonen - een probleem. Dan wordt huisvuil een probleem. Dan worden buitenspelen voor kinderen een probleem.

Een beetje bevolkt gebied laat je zien hoe dat kan werken. Een stad is nog beter. Neem maar eens een lekker drukke dag en ga er eens rustig voor zitten.

Het begint al met de stromen mensenmassa's. Je zou zeggen dat die vrij soepel lopen, want we zijn toch allemaal gewend 'rechts te houden'? Als dat zo zou zijn, zouden op roltrappen geen bordjes nodig zijn dat stilstaan rechtsstaan is en doorlopen links. Overigens: de roltrap is alleen sneller dan de trap als je er ook op doorloopt. Dat is ook de ontwerpbasis. Maar die mensenmassa's lopen zelden gesmeerd. Er is altijd wel een obstakel. Ofwel een vernauwing in het pad, ofwel een aantal tegenliggers die hun eigen pad kiezen. Gewoon kennissen spreken die je ziet staan. Gewoon even oversteken. Gewoon gedrieën naast elkaar slenteren. Geen enkel probleem als er ruimte genoeg is. Maar een irritatie en probleem als die ruimte er niet (meer) is.

In het onderwijs is het verschijnsel ook bekend: de ouders. Ga maar eens na. Veel basisscholen kampen met het probleem van de ouders die kinderen met de auto brengen en halen. Naast degenen die te lui zijn om naar de school te fietsen, zijn er degenen met argumenten als "anders verlies ik teveel tijd op weg naar werk" of "fietsen?! Veel te gevaarlijk met die kinderen. In de auto is het veiliger". Bij school klagen de ouders en masse over de gevaarlijke verkeerssituaties. En omdat het blijkbaar bijzonder moeilijk is naar jezelf te kijken: veel van die verkeersonveiligheid veroorzaken de automobilisten zelf.

Vergis je niet. Het zijn zeker niet uitsluitend automobilisten die zulk gedrag vertonen. Sterker, ik denk dat automobilisten niet bestaan en dat dit een menselijk trekje is.

Een stad als Leiden heeft veel fietsers. Die zijn net zo. Laten we duidelijk zijn. Op een drukke markt met een fiets aan de hand rondlopen, is onzin. En je maakt het alleen maar erger als je ook nog eens met die fietsen voor de marktkramen gaat staan. Naar verluidt, regelt de Algemene Plaatselijke Verordening daarover iets. Maar het zit vooral in het denkraam van mensen.
Want de fiets lijkt blijkbaar op de auto. Je zet 'm dus dichtbij de plaats waar je moet zijn; ongeacht de gevolgen. Een landelijk warenhuis heeft daarom in een wanhoopspoging er iets aan te doen een bord neergezet dat fietsen recht voor de in- en uitgang neerzetten, verbiedt. Nu is er zowaar een doorgang van 2-3 meter. Zonder bord stonden de fietsen als een blikken versperring recht voor de deur.
En dat doen fietsers op heel veel plaatsen. De supermarkt die daardoor geen in- en uitgang voor kinderwagens en gehandicapten meer kan gebruiken. De supermarkt waar je met volle boodschappentassen niet meer naar buiten kan zonder een fiets te raken. De fiets die recht voor de ingang van de snoepwinkel wordt gezet 'want er is toch nog een deur?'. De drukke markt waar de fiets-aan-de-hand een hindernis is.

20121007-162437.jpg

Formeel redenerend is het niet relevant of er wel of geen fatsoenlijke parkeervoorzieningen zijn. Toch merk ik bij mezelf dat dat wel een rol speelt. Als er bij een station een volle stalling is - door welke oorzaak dan ook - dan kan ik me goed voorstellen dat mensen hun fiets in de omgeving stallen. Je moet immers een trein halen; die wacht niet op jou.
Maar in het geval van boodschappen doen, is dat toch echt anders. Dan lijkt het er meer op dat het persoonlijke bezwaar van boodschappentassen moeten dragen zwaarder weegt dan het collectieve van overlast voor anderen.

Dat los je dus echt niet op met wetten en borden. Die worden massaal genegeerd zolang er geen gerede kans is op sancties. Wat dan vaak gebeurd, is dat er een plaag aan paaltjes en hekjes ontstaat. Overal waar je niet op of in mag, komt een paaltje of een hekje te staan. En die rijden we dan weer uit de grond.

De ellende is dat we ons eigen probleem zijn. Het is blijkbaar niet vanzelfsprekend meer rekening te houden met anderen. De grotere ellende is, dat als we zelf de oorzaak zijn, de oplossing ook daar ligt. En, tja, denk niet dat we zonder 'incentives' iets ten nadele van ons eigen gemak zullen doen.

20121007-162445.jpg